Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW2874

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/15487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag / weigering reguliere vergunning / grondslag aanvraag verlaten.

Van een aanvraag in wettelijke zin kan eerst sprake zijn wanneer is voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Awb. Als vereiste wordt in dit wetsartikel onder meer genoemd dat de aanvraag wordt ondertekend. Derhalve kan er pas op de datum van ondertekening sprake zijn van een aanvraag in wettelijke zin. De rechtbank stelt vast dat door eiser een aanvraag ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel is ingediend. Niettemin heeft verweerder een reguliere verblijfsvergunning geweigerd. Verweerder heeft daarover geen overleg gehad met de wettelijk vertegenwoordiger van eiser of met eisers gemachtigde, zodat er geen sprake is van een wijziging van de aanvraag op verzoek of met instemming van de aanvrager. Verweerder diende derhalve te beslissen op de aanvraag zoals deze voorlag. Nu zulks niet is geschied, heeft verweerder de grondslag van de aanvraag verlaten. De bestreden beslissing is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen, zodat deze wegens strijd met artikel 3:2 Awb dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudende te ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/15487

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2006

inzake

A,

geboren op [...] december 1999,

nationaliteit Burger van Kroatië,

verblijvende te B,

eiser,

gemachtigde drs. J.W. de Haan,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.V.G. van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003 heeft verweerder geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: "verblijf bij ouders".

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen voornoemd besluit is namens eiser beroep ingesteld. Tevens is namens eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 05/15488.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 23 maart 2006, waar eiser en zijn wettelijke vertegenwoordigers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. E.L. Garnett, kantoorgenote van eisers gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 15 maart 2005 in rechte stand kan houden.

2. Blijkens zijn besluiten heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met als doel "verblijf bij ouders".

3. In beroep heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat ten behoeve van eiser een aanvraag is ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, welke aanvraag op 13 december 1999 is ontvangen door de Vreemdelingendienst. Verweerder had naar aanleiding van deze asielaanvraag aanleiding behoren te zien om aan eiser een verblijfsvergunning in verband met drie jaar relevant tijdsverloop in de asielprocedure te verlenen, aldus de gemachtigde van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De rechtbank stelt vast dat zich bij de gedingstukken twee aanvraagformulieren bevinden, waarop als ontvangstdatum is aangetekend [...] december 1999, zijnde de geboortedatum van eiser. Voornoemde aanvraagformulieren zijn echter pas op 14 februari 2001 ondertekend. Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) noemt de vereisten waaraan een aanvraag dient te voldoen. Een van deze vereisten is dat de aanvraag wordt ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 4:2 van de Awb met zich dat van een aanvraag in de zin van de Awb eerst sprake kan zijn wanneer is voldaan aan de uit deze bepaling voortvloeiende vereisten. Derhalve moet in casu worden geconcludeerd dat er eerst op 14 februari 2001, te weten de datum van ondertekening, sprake is van een aanvraag in wettelijke zin.

5. Thans dient te worden bezien wat het karakter is van de namens eiser ingediende aanvraag om toelating. De rechtbank stelt vast dat één aanvraagformulier - Model H-1 - volstrekt onduidelijk is: verzocht wordt om een niet nader benoemde vergunning tot verblijf tot een kennelijk onjuiste datum, namelijk 1 januari 9999. Op dit aanvraagformulier is geen ontvangststempel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geplaatst, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit aanvraagformulier niet in procedure is gebracht.

Voorts bevindt zich bij de gedingstukken een aanvraagformulier - Model D 81 - F1 – door middel waarvan namens eiser wordt verzocht om toelating als vluchteling. Op deze aanvraag is een ontvangststempel geplaatst waaruit blijkt dat de aanvraag op 16 februari 2001 is ontvangen bij de IND Regio Midden Arnhem. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat deze namens eiser ingediende aanvraag, die strekt ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, aan de onderhavige procedure ten grondslag ligt.

6. Hoewel moet worden vastgesteld dat namens eiser een asielverzoek is ingediend, heeft verweerder een reguliere verblijfsvergunning geweigerd. Verweerder heeft daarover geen overleg gehad met de wettelijk vertegenwoordiger van eiser of met eisers gemachtigde, zodat er geen sprake is van een wijziging van de aanvraag op verzoek of met instemming van de aanvrager. Verweerder diende derhalve te beslissen op de aanvraag zoals deze voorlag. Nu zulks niet is geschied, moet worden vastgesteld dat verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. De bestreden beslissing op bezwaar, waarbij het primaire besluit tot weigering van een reguliere verblijfsvergunning in stand is gelaten, is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Er is dan ook aanleiding om de beslissing op bezwaar te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

7. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

9. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

10. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 138,00, dient te vergoeden.

11. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

- gelast dat het betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00, door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2006.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: