Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW2747

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/14414, 05/14415
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Armenië / medische behandeling / toegankelijkheid en kwaliteit van medische behandeling / medische noodsituatie.

Eiser is afkomstig uit Armenië en is uitgeprocedeerd waar het gaat om zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling ingediend. In geschil is of de feitelijke toegang tot en kwaliteit van de medische behandeling in het land van herkomst in het geval van eiser een rol dienen te spelen bij de beoordeling van de aanvraag. Uit het BMA-rapport blijkt dat eiser lijdt aan een terminale nierinsufficiëntie. Eisers behandeling bestaat uit een nierdialyse, hetgeen volgens de behandelaar een voortzetting is van de reeds geruime tijd in Armenië uitgevoerde chronisch intermitterende hemodialyse. Hemodialyse is beschikbaar in Armenië. Bij achterwege blijven van een dialysebehandeling zal er op korte termijn sprake zijn van een medische noodsituatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het BMA niet hoefde te onderzoeken of de medische behandeling feitelijk toegankelijk is. Ten aanzien van eisers standpunt dat de kwaliteit van de medische behandeling een rol had dienen te spelen bij de beoordeling van eisers aanvraag, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat eiser gemotiveerd heeft aangegeven dat ernstige vragen zijn gerezen ten aanzien van de kwaliteit van de medische behandeling van eiser in Armenië. Noch in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit, noch ter zitting is verweerder ingegaan op eisers stelling dat de kwaliteit van de medische behandeling in Armenië onvoldoende is. Gelet op de vaststaande noodzaak van de hemodialyse, de levensbedreigende situatie die ontstaat bij het achterwege blijven daarvan en de door eiser gegeven waardering van de behandelmogelijkheden in Armenië, welke door verweerder niet zijn betwist, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het inroepen van argumenten, ontleend aan het op basis van artikel 3.46 Vb 2000 gevoerde beleid. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het derde lid van artikel 3.4 Vb 2000 met toepassing van het daartoe gevoerde beleid. De bestreden beschikking is in strijd met artikel 3:2 Awb . Voorts heeft verweerder ten onrechte afgezien van horen van eiser. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/229

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 05/14414 BEPTDN (beroepszaak)

AWB 05/14415 BEPTDN (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1978, van Armeense nationaliteit, eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. INLEIDING

Bij beslissing van 23 maart 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tegen zijn besluit van 6 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 9 januari 2001 om hem een verblijfsvergunning te verlenen afgewezen. Eiser heeft tegen de beslissing van 23 maart 2005 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het beroep is beslist.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 9 maart 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

In geschil is of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Eiser legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met als doel: "medische behandeling".

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Blijkens het rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 14 november 2002 kan de behandeling van eiser ook in het land van herkomst plaatsvinden. Uit het rapport van het BMA blijkt immers dat hemodialyse beschikbaar is in Armenië. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij, voor zijn komst naar Nederland, in zijn land van herkomst daadwerkelijk is behandeld. De behandeling die eiser thans in Nederland ondergaat is een voortzetting van de reeds in Armenië geruime tijd uitgevoerde chronische intermitterende hemodialyse. Op grond van hoofdstuk B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) worden de omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “medische behandeling” of vanwege “medische noodsituatie”.

Er is voorts geen aanleiding om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

Eiser bestrijdt dit besluit en stelt zich op het standpunt dat feitelijke toegang tot een medische behandeling en de kwaliteit daarvan wel degelijk een rol spelen en verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 11 maart 2004 (JV 2004/188). Ten onrechte stelt verweerder dat onvoldoende is aangetoond dat het om een gelijk geval gaat. Eisers stelling dat de medische zorg in Armenië onder de maat is en de toegang ertoe niet gewaarborgd is, wordt bekrachtigd door een uitspraak van het Medische Tuchtcollege, weergegeven in een artikel van de Volkskrant van 13 februari 2004. Het BMA baseert zich ten onrechte enkel op landeninformatie van verweerder.

Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte artikel 7:3 onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegepast. Verweerder heeft twee jaren de tijd nodig gehad om de bezwaren te beoordelen, zodat niet staande kan worden gehouden dat reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van eiser ongegrond zijn.

Ingevolge artikel 13 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voor zover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geschil is of de feitelijke toegang tot en kwaliteit van de medische behandeling in het land van herkomst in het geval van eiser een rol dienen te spelen bij de beoordeling van aanvraag.

De rechtbank stelt vast dat bij uitspraak van 6 februari 2004 van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch (AWB 03/13153), het door eiser ingediende beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond is verklaard. Eiser is derhalve uitgeprocedeerd waar het gaat om zijn asielaanvraag.

Uit het BMA-rapport blijkt dat eiser lijdt aan een terminale nierinsufficiëntie. Eisers behandeling bestaat uit nierdialyse, hetgeen volgens de behandelaar een voortzetting is van de reeds geruime tijd in Armenië uitgevoerde chronisch intermitterende hemodialyse. Hemodialyse is beschikbaar in Armenië. Bij achterwege blijven van een dialysebehandeling zal het ontgiften van het lichaam niet meer kunnen plaatsvinden en bestaat de kans dat eiser op korte termijn komt te overlijden. Derhalve is er sprake van een medische noodsituatie. Eiser is in staat te reizen met de gangbare vervoermiddelen. Eiser dient buiten de dialyse dagen om te reizen en de beschikking te hebben over zijn medicatie. De dialysebehandeling dient in zijn land van herkomst te worden gecontinueerd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of de in Armenië beschikbare medische behandeling voor eiser daadwerkelijk toegankelijk en beschikbaar is en wat de kwaliteit van de medische behandeling is. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van de AbRS van 11 maart 2004 (JV 2004/188) en naar een uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege te ’s-Gravenhage van 20 januari 2004 (JV 2004/252).

Ingevolge hoofdstuk B8/4 van de Vc worden omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen, niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “medische behandeling” of “vanwege medische noodsituatie”.

De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Ter zitting heeft eiser zich primair op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit had dienen te toetsen aan het beleid zoals dat gold op de datum van eisers aanvraag om verblijfsvergunning regulier met als doel “medische behandeling”. Nu eisers gemachtigde in het beleid zoals dat gold ten tijde van eisers aanvraag nergens heeft kunnen vinden dat de feitelijke toegankelijkheid tot de medische zorg geen rol speelde bij de beoordeling van de aanvraag, had verweerder daaraan dienen te toetsen.

De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

In het algemeen geldt in het bestuursrecht bij de invoering van nieuw recht voor de vraag welk beleid van toepassing is het onmiddellijkheidsbeginsel. Dit betekent dat het nieuwe beleid direct gaat gelden, ook voor aanvragen die vóór de wijzigingen zijn ingediend. Dit valt ook af te leiden uit artikel 117 en 118 van de Vw. Het recht dat op het moment van het nemen van de beschikking geldt, moet worden toegepast, ook al is dat beleid minder gunstig dan het beleid dat gold op het moment van het indienen van de aanvraag. Dit principe geldt ook voor de invoering van de Vc, zo blijkt ook uit de uitspraak van de AbRS van 20 maart 2002 (JV 2002 ,146).

Er is geen grond om aan te nemen dat dit in onderhavige procedure anders zou zijn.

Uit het voorgaande volgt dat in zaken waarin de aanvraag voor 1 april 2001 is ingediend, het nieuwe beleid direct van toepassing is. Het moment van het nemen van de beslissing is dus bepalend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het BMA niet hoefde te onderzoeken of de medische behandeling feitelijk toegankelijk is, gelet op hetgeen is neergelegd in hoofdstuk B8/4 van de Vc. De rechtbank ziet haar standpunt bevestigd in de uitspraak van de AbRS van 9 maart 2004, JV 2004/182, waarin de AbRS heeft geoordeeld dat de feitelijke toegankelijkheid voor de vreemdeling van de medische zorg in het land van herkomst niet tot de criteria behoort zoals neergelegd in de Vc.

Ten aanzien van eisers subsidiaire standpunt dat de kwaliteit van de medische behandeling een rol had dienen te spelen bij de beoordeling van eisers aanvraag, onder verwijzing van de uitspraak van de AbRS van 11 maart 2004, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat eiser gemotiveerd heeft aangegeven dat er ernstige vragen zijn ten aanzien van de kwaliteit van de medische behandeling van eiser in Armenië en verwijst daartoe naar de gronden van het bezwaar van 7 maart 2003. In de gronden van het bezwaar voert eiser aan dat hij bestrijdt dat een dergelijke behandeling in Armenië (op een verantwoorde wijze) beschikbaar is. Verwezen wordt hierbij naar hetgeen eiser heeft verklaard op pagina 4 van het nader gehoor in zijn asielprocedure:

“Ik ben gevlucht omdat ik mijn leven wilde redden. De specialist in Armenië heeft gezegd dat ik niet langer dan twee jaren te leven heb. Daar zouden ze mij niet kunnen opereren, ze hebben er de middelen niet voor. De methode van dialyse die ze daar gebruiken, is volgens artsen heel slecht. De specialist heeft mij geadviseerd naar het buitenland te gaan. Ik heb zelf gezien hoe jonge jongens overleden zijn, puur omdat zij de middelen niet hebben voor een schone dialyse…”.

Voorts op pagina 5: “Er is een kunstmatige nier gemaakt voor de dialyse en dan werd die nier aangesloten op je lichaam, dat moest het werk van jouw eigen nier doen. Dat bloed werd door een apparaat schoongemaakt. Dat gebruiken ze vijf of zes keer achter elkaar. Hier gebruiken ze het maar één keer. (. . .). De apparatuur was verouderd. Soms stopte de apparatuur tijdens de dialyse en kon het bloed niet meer toegediend worden.”

Noch in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit en noch ter zitting is verweerder ingegaan op eisers stelling dat de kwaliteit van de medische behandeling in Armenië onvoldoende is. Voorzover verweerder met de passage in het bestreden besluit over asielgerelateerde redenen (pagina 4 derde alinea van bestreden besluit) heeft bedoeld op deze bezwaren te reageren, acht de rechtbank dit onvoldoende. Deze bezwaren zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning wel degelijk van belang.

Weliswaar is het in casu niet zo dat het BMA zelf heeft geconstateerd dat de kwaliteit van de medische behandeling in Armenië onder de maat is, maar gelet op de verklaringen van eiser is ook niet duidelijk of de kwaliteit van de hemodialyse in Armenië wel voldoende is. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder hetgeen eiser heeft gesteld ten aanzien van de kwaliteit van de hemodialyse in Armenië niet heeft betwist, noch in de asielprocedure, noch in onderhavige procedure.

Vaststaat dat bij het achterwege blijven van een dialysebehandeling op korte termijn sprake zal zijn van een medische noodsituatie. Onduidelijk is of de medische zorg in Armenië voldoende is opdat een medische noodsituatie wordt vermeden. Gelet op de vaststaande noodzaak van de hemodialise, de levensbedeigende situatie die ontstaat bij het achterwege blijven daarvan en de door eiser gegeven waardering van de behandelmogelijkheden in Armenië, welke door verweerder niet zijn betwist, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het inroepen van argumenten, ontleend aan het op basis van artikel 3.46 van het Vb gevoerde beleid. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het derde lid van artikel 3.4 van het Vb met toepassing van het daartoe gevoerde beleid.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de reden voor vernietiging is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarprocedure. Ook op die grond komt het besluit vanwege strijd met artikel 7:2, eerste lid, Awb voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing inzake het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten overvloede voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. In artikel 118, tweede lid, Vw is bepaald dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat bekend is gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet, het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu verweerder in het onderhavige geval hangende de bezwaarfase geen schorsingsbeslissing heeft genomen, moet worden aangenomen dat aan het bezwaar schorsende werking is verleend. Artikel 118, tweede lid, Vw brengt met zich mee dat deze beslissing nog van kracht is.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 138,- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

verbiedt verweerder eiser uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ebbens, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.