Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV9071

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/12814
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Etnisch Armeen / Azerbeidzjan / vestigingsalternatief / motivering.

Gelet op het feit dat verweerder bij de beoordeling van eisers asielrelaas is uitgegaan van de geloofwaardigheid daarvan, bezien in samenhang met het door de Afdeling in rechtsoverweging 2.2.8 van haar uitspraak 200407775/1 van 11 februari 2005 overwogene, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van eisers aanvraag niet consistent heeft gemotiveerd, nu verweerder enerzijds uitgaat van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, doch eiser anderzijds elementen uit dit asielrelaas tegenwerpt. Niet kan worden gesteld dat blijkens de in het ambtsbericht van 13 juli 2004 inzake Azerbeidzjan opgenomen informatie aangaande etnisch Armeniërs álle gemengd gehuwden en de kinderen daarvan, die Azerbeidzjan niet vóór het jaar 1993 hebben verlaten, geheel in de maatschappij zijn geïntegreerd. De rechtbank stelt vast dat in genoemd ambtsbericht in het geheel geen informatie is opgenomen aangaande de in Azerbeidzjan woonachtig zijnde etnisch Armenen die, teneinde aan de gewelddadigheden te ontkomen, hun land niet vóór het jaar 1993 zijn ontvlucht, maar zijn ondergedoken. Dientengevolge is ook geen informatie voorhanden omtrent de mate van integratie van deze personen. WBV 2005/4 betreffende het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan behelst een conclusie die niet, althans onvoldoende, wordt gedragen door de in het ambtsbericht opgenomen informatie. Dit kan slechts anders zijn, indien uit de bewoordingen dient te worden opgemaakt dat enkel ingeval van daadwerkelijk in de gemeenschap verblijven dan wel hebben verbleven kan worden gesteld, dat sprake is van bedoelde integratie, weshalve ingeval van onderduiking niet kan worden uitgegaan van bedoelde integratie. Bij uitspraak 200506183/1 van 23 augustus 2005 heeft de Afdeling overwogen dat het in WBV 2005/4 opgenomen beleid niet op de desbetreffende vreemdelingen van toepassing is, aangezien zij niet in de periode van 1988 tot en met 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken en dat het feit dat zij niet zodanig zijn geïntegreerd, als waarvan bij het vaststellen van het te voeren beleid is uitgegaan, daaraan niet afdoet. De rechtbank overweegt dat de zinsnede "doet daaraan niet af" geen inzicht verschaft in de redenering die de Afdeling ertoe heeft gebracht bedoeld standpunt in te nemen. Nu verweerder van oordeel is dat uit eisers asielrelaas niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, doch verweerder eiser wél een vestigingsalternatief tegenwerpt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder van oordeel is dat eiser dient te worden geschaard onder de groep van "etnische Armenen die reeds lang uit Azerbeidzjan zijn vertrokken". Verweerder lijkt eiser aldus op één lijn te stellen met de etnische Armeniërs die Azerbeidzjan in het jaar 1992 reeds hadden verlaten. Uit de tekst van zowel TBV 2003/51 als WBV 2005/4 volgt dat niet in alle gevallen bedoeld vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Blijkens het ambtsbericht van 13 juli 2004 worden de in Nagorny Karabach woonachtig zijnde "halve Azeri's" geacht de Armeense kant in het conflict te hebben gekozen en worden zij met rust gelaten. Voor zover de voor bedoeld ambtsbericht geraadpleegde bronnen bekend, waren bedoelde "halve Azeri's" echter reeds woonachtig in Nagorny Karabach vóórdat de oorlog uitbrak. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien met het feit dat eiser nimmer in Nagorny Karabach heeft gewoond, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zich in Nagorny Karabach kan vestigen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage, zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 05 / 12814 BEPTDN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[eiser] dan wel [eiser] dan wel [eiser] , eiser,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 16 maart 2005.

Kenmerk: [kenmerk] .

V-nummer: [v-nummer] .

Behandeling ter zitting: 12 september 2005.

I. PROCESVERLOOP

Eiser heeft op 13 november 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt deze aanvraag thans aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 maart 2005 heeft verweerder vorenbedoelde aanvraag (andermaal) afgewezen en voorts bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt verleend, noch onder de beperking "alleenstaande minderjarige vreemdeling", noch onder de beperking "tijdsverloop in de asielprocedure".

Tegen dit besluit is namens eiser op 22 maart 2005 beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingesteld bij deze rechtbank. Aanvulling van de gronden van het beroep heeft plaatsgevonden bij brieven van 21 april 2005 en 31 augustus 2005.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 12 september 2005, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.V.G. van Leeuwarden, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie.

Het onderzoek ter zitting is met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst teneinde verweerder in staat te stellen de rechtbank nadere inlichtingen te verschaffen. Gelet op de van partijen verkregen toestemming als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft de rechtbank op 3 februari 2006 bepaald dat een onderzoek ter nadere zitting achterwege zal blijven en heeft zij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Eiser, met gestelde geboortedatum [geboortedatum] en met toegekende geboortedatum [geboortedatum] , stelt de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben en etnisch Armeen te zijn. Hij is niet-praktiserend Christen. Eisers vader was etnisch Armeen, eisers moeder etnisch Azeri. Op 12 juni 1992, tijdens de oorlog, werd eisers dorp, genaamd [naam dorp] , aangevallen door Azeri's. Eiser is toen, op advies van zijn moeder, naar een vriend van zijn vader gevlucht, [naam vriend vader] genaamd, die woonachtig was in een naburig dorp. Eisers moeder ging op zoek naar haar echtgenoot. De volgende dag, 13 juni 1992, hoorde eiser van [naam vriend vader] dat zijn ouders waren gedood vanwege hun afkomst.

Na twee dagen bij [naam vriend vader] te hebben verbleven werd eiser door hem ondergebracht in een stal, alwaar eiser van 12 juni 1992 tot 1 november 1998 was ondergedoken. In die periode hielp eiser [naam vriend vader] met het verzorgen van diens koeien. Eiser mocht niet naar het dorp, genaamd [naam dorp] , want daarmee zou hij zowel zichzelf als [naam vriend vader] en diens gezin in groot gevaar brengen.

Daar [naam vriend vader] eisers verblijf in de stal te gevaarlijk vond worden, is eiser op 1 november 1998 door een Russische vriend van [naam vriend vader] opgehaald en naar diens huis gebracht, alwaar ze op 4 november 1998 aankwamen. Eiser heeft aldaar tot 7 november 1998 verbleven, waarna hij met hulp van twee vrienden van bedoelde Russische vriend zijn land van herkomst per vrachtwagen op illegale wijze heeft verlaten. Op 12 november 1998 is eiser Nederland ingereisd.

2. Verweerder heeft zich - kort en zakelijk weergegeven - op het volgende standpunt gesteld.

2.1. Eisers asielaanvraag dient te worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, bezien tegen de achtergrond van de door hem gestelde gebeurtenissen in 1992, thans nog op individuele gronden te vrezen zou hebben voor vervolging. Voorts loopt eiser geen risico op schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) omdat hij een vestigingsalternatief in Nagorny Karabach heeft. Evenmin komt eisers aanvraag vanwege klemmende redenen van humanitaire aard voor inwilliging in aanmerking.

2.2. Eiser wordt geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder de beperking "alleenstaande minderjarige vreemdeling" verleend omdat uit de resultaten van het verrichte leeftijdsonderzoek is gebleken dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig was.

2.3. Eiser wordt evenmin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder de beperking "tijdsverloop in de asielprocedure" verleend vanwege het bestaan van een contra-indicatie voor verlening van een vergunning ingevolge het driejarenbeleid. Nu eiser ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig was, heeft hij onjuiste gegevens verstrekt, hetgeen een geslaagd beroep op tijdsverloop in de asielprocedure in de weg staat.

3. Namens eiser is - kort en zakelijk weergegeven en voor zover thans nog van belang - het volgende aangevoerd.

3.1.1. Eiser persisteert bij het gestelde in zijn - in het dossier gevoegde - brief van 1 februari 2005. Daarin is aangevoerd dat eisers asielaanvraag dateert van 13 november 1998 en dat het leeftijdsonderzoek eerst twee jaren later, op 27 oktober 2000, heeft plaatsgevonden. Uitgaande van de door eiser gestelde geboortedatum - te weten [geboortedatum] - was eiser ten tijde van de asielaanvraag bijna 16 jaar oud en ten tijde van het onderzoek 17 jaar en tien maanden oud. De rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft in haar uitspraak van 10 oktober 2000 (registratienummer AWB 99/8968) overwogen dat bij leeftijdsonderzoek een marge van één jaar dient te worden aangehouden. Rekening houdend met deze marge kon eiser - uitgaande van zijn gestelde geboortedatum - ten tijde van het leeftijdsonderzoek 18 jaar oud zijn. Volgens het leeftijdsonderzoek was eiser ten tijde van het onderzoek echter 19 jaar oud. Het is de vraag of bedoeld onderzoek dusdanig nauwkeurig is, dat een leeftijdsverschil van één jaar kan worden vastgesteld.

3.1.2. Verweerder heeft een eerdere beslissing op eisers asielaanvraag (besluit van 14 december 2001) ingetrokken wegens twijfel aan het leeftijdsonderzoek, doch gebruikt bedoeld onderzoek nu weer als belangrijkste bouwsteen voor de beoordeling. Dit levert strijd op met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

3.2. Aangaande vrees voor vervolging op grond van etniciteit stelt verweerder dat blijkens het ambtsbericht van 13 juli 2004 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan gemengde afkomst onvoldoende reden voor vluchtelingschap vormt en dat een beroep op de algemene situatie in het land van herkomst niet kan leiden tot vluchtelingschap op basis van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft dit standpunt echter niet nader toegelicht. Ook heeft verweerder geen aandacht besteed aan het feit, dat eiser in de periode van 1992 tot 1998 was ondergedoken en vervolgens - op aandringen en met hulp van [naam vriend vader] - is gevlucht omdat de situatie voor eiser op dat moment niet meer veilig was, en aan het feit, dat - als gevolg van het vorenstaande - geen sprake is van enige integratie dan wel acceptatie van eiser in zijn land van herkomst.

Blijkens het bepaalde in onderdeel C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) inzake het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan dienen uit Azerbeidzjan (uitgezonderd Nagorny Karabach) afkomstige Azerbeidzjanen van gemengde afkomst, die vóór het jaar 1992 zijn gevlucht dan wel daarna niet zijn geïntegreerd, te worden aangemerkt als vluchteling. Nu eiser sedert het jaar 1992 was ondergedoken, dient hij te worden beschouwd als te zijn vertrokken uit Azerbeidzjan in het jaar 1992.

3.3. Uit voornoemd onderdeel C8 van de Vc 2000 blijkt voorts dat gemengd gehuwden moeten worden geacht gegronde vrees te hebben voor een bij artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Gezien eisers gemengde afkomst brengt terugkeer naar Azerbeidzjan voor hem bedoeld risico met zich mee. Onder verwijzing naar paragraaf 4.3.2 van meergenoemd onderdeel C8 wordt gesteld dat in casu, gezien genoemde gemengde afkomst, Nagorny Karabach niet als vestigingsalternatief kan gelden, aangezien de afstammingslijn daar geen waarde heeft.

3.4. Verweerder stelt dat eiser niet voldoet aan het traumatabeleid en derhalve niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Bedoeld artikellid ziet echter niet alleen op traumata.

Gezien de jonge leeftijd waarop eiser moest onderduiken, de situatie - waaronder de etnische tegenstellingen - in Azerbeidzjan en Nagorny Karabach alsmede het feit, dat eiser reeds lange tijd in Nederland verblijft waardoor hij - mede gezien voornoemde jonge leeftijd - zijn land van herkomst onvoldoende kent, dient aan eiser een verblijfsvergunning te worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

3.5. Met betrekking tot de ambtshalve weigering eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "alleenstaande minderjarige vreemdeling" te verstrekken wordt verwezen naar hetgeen is aangevoerd omtrent het leeftijdsonderzoek. Hierbij wordt opgemerkt dat het leeftijdsonderzoek niet als een deskundigenbericht kan worden aangemerkt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft zich nog niet uitgelaten over een leeftijdsonderzoek dat twee jaar na binnenkomst is uitgevoerd en waarbij sprake is van een marge van één jaar.

3.6. Aangaande het beroep op het driejarenbeleid wordt gesteld dat eiser overtuigd is van de juistheid van de door hem gestelde geboortedatum, weshalve hem niet kan worden verweten onjuiste gegevens te hebben verstrekt. Voorts wordt aangevoerd dat de asielaanvraag dateert van 13 november 1998, het leeftijdsonderzoek van 27 oktober 2000 en het rapport leeftijdsonderzoek van 23 januari 2001. Vervolgens verstreken drie jaren, zonder dat verweerder uitsluitsel gaf. Eiser vraagt zich af of zulks allemaal niet van belang is. Ter vergelijking wordt aangevoerd dat ingeval verweerder na overlegging van documenten stilzit, recht op tijdsverloop ontstaat, zelfs indien bedoelde documenten achteraf onjuist blijken te zijn.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, is het de taak van de rechtbank om, afgezien van hetgeen zij ambtshalve dient te onderzoeken, het bestreden besluit, de motivering waarop dit berust daaronder begrepen, op rechtmatigheid te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

6. De rechtbank stelt vast dat de in de zienswijze aangedragen argumenten voor verweerder geen aanleiding hebben gevormd zijn oordeel te herzien; de in het voornemen opgenomen overwegingen zijn herhaald en ingelast in het bestreden besluit.

7. De rechtbank stelt voorts vast dat - gelet op de gronden van het beroep alsmede het ter zitting aangevoerde - het geschil tussen partijen ten aanzien van het asielgerelateerde gedeelte van het bestreden besluit is beperkt tot de vraag of eiser in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000. Ten aanzien van bedoeld gedeelte van het bestreden besluit zal de rechtbank in het navolgende de bespreking van de overige in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden dan ook achterwege laten.

8. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder op grond van het uitgevoerde leeftijds¬onderzoek de door eiser gestelde geboortedatum niet geloofwaardig acht. In het bestreden besluit is echter gesteld dat "(...) de uitslag van het leeftijdsonderzoek niet bij de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van betrokkene is meegewogen". Gelet hierop, alsmede gelet op het overigens in het voornemen en het bestreden besluit gestelde, gaat de rechtbank in het navolgende uit van de geloofwaardigheid van de overige door eiser afgelegde verklaringen, de door hem gestelde nationaliteit en etniciteit daaronder begrepen. Overigens is ter zitting bevestigd dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser is uitgegaan van de geloofwaardigheid daarvan.

9. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is. Ingevolge artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

10. Vooropgesteld dient te worden dat de algehele situatie in Azerbeidzjan niet dusdanig is, dat asielzoekers afkomstig uit dat land en behorende tot de gemengde bevolkingsgroep der etnisch Armenen en etnisch Azeri zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

11.1. In haar uitspraak van 11 februari 2005 (JV 2005, 152) heeft de Afdeling - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:

2.2.8. Indien een vreemdeling niet in staat is zijn asielrelaas met bewijsmateriaal te staven, kan hij ter onderbouwing van de geloofwaardigheid daarvan veelal slechts terugvallen op eigen vermoedens en door hem weergegeven verklaringen van derden, welke derden veelal niet als objectieve bron kunnen worden aangemerkt. Het is vervolgens aan de minister om het realiteitsgehalte van die door een vreemdeling geuite vermoedens en verklaringen te beoordelen in het licht van hetgeen deze overigens heeft verklaard en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie, en daaraan een oordeel te verbinden over de geloofwaardigheid van dat relaas.

Met dit uitgangspunt strookt niet dat de minister, nadat hij heeft vastgesteld dat hij het asielrelaas geloofwaardig acht, zodanige vermoedens en verklaringen niettemin niet als zijnde geloofwaardig betrekt bij de beoordeling van de vraag of de desbetreffende vreemdeling met zijn relaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

Het oordeel van de rechtbank dat de afwijzing van de aanvraag niet consistent is gemotiveerd, nu de minister enerzijds uitgaat van de geloofwaardigheid van het relaas en anderzijds in het besluit van 5 september 2003 de vreemdeling tegenwerpt dat haar relaas is gebaseerd op eigen vermoedens en verklaringen van derden, is dan ook niet onjuist.

11.2. Onder het in het voornemen opgenomen kopje "Vluchtelingschap" is vermeld dat eiser "(...) niet als vluchteling gezien dient te worden, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt hoe [naam vriend vader] aan de weet is gekomen dat betrokkene niet meer in veiligheid zou zijn. Evenmin heeft betrokkene aannemelijk gemaakt wie het op de persoon van betrokkene gemunt zou dan wel zouden." Gelet op het in rechtsoverweging 8 verwoorde uitgangspunt van verweerder, bezien in samenhang met de in rechtsoverweging 11.1 aangehaalde uitspraak van de Afdeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aldus de afwijzing van eisers aanvraag niet consistent heeft gemotiveerd, nu verweerder enerzijds uitgaat van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, doch eiser anderzijds elementen uit dit asielrelaas tegenwerpt.

12. Aangaande het in rechtsoverweging 3.2 verwoorde standpunt van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

12.1. In paragraaf 4.4.1, getiteld "Etnisch Armeniërs", van het ambtsbericht van 13 juli 2004 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan is - onder meer - het volgende vermeld:

Zoals beschreven in vorige Ambtsberichten, hebben verreweg de meeste etnisch Armeniërs en gemengd gehuwden Azerbeidzjan verlaten, meestal tussen 1988 en 1990, soms nog tussen 1990 en 1992. (...)

Etnisch Armeense mannen jonger dan 60 jaar komen niet meer voor in Azerbeidzjan. De etnisch Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan bestaat derhalve voor het grootste deel uit etnisch Armeense vrouwen in een gemengd huwelijk met een etnisch Azerische man, en kinderen uit dergelijke huwelijken. Deze gemengd gehuwden en de kinderen daarvan zijn doorgaans geheel in de maatschappij geïntegreerd.

Uit het gebruik van de term "doorgaans" in de laatste volzin van de aangehaalde passage volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat niet kan worden gesteld dat álle gemengd gehuwden en de kinderen daarvan, die Azerbeidzjan niet vóór het jaar 1993 hebben verlaten, geheel in de maatschappij zijn geïntegreerd.

12.2. De rechtbank stelt vast dat in genoemd ambtsbericht van 13 juli 2004 in het geheel geen informatie is opgenomen aangaande de in Azerbeidzjan woonachtig zijnde etnisch Armenen die, teneinde aan de gewelddadigheden te ontkomen, hun land niet vóór het jaar 1993 zijn ontvlucht, maar (in plaats daarvan) zijn ondergedoken. Dientengevolge is ook geen informatie voorhanden omtrent de mate van integratie van deze personen.

12.3. In paragraaf 3.2 van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV) 2005/4 betreffende het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan is - voor zover thans van belang - het volgende vermeld:

Tevens stelt het ambtsbericht [van 13 juli 2004 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan] dat de meeste etnisch Armeniërs Azerbeidzjan in 1992 reeds hadden verlaten (zie p. 30 en 68 van genoemd ambtsbericht). Het betreft dus een niet-geïntegreerde groep; dit in uitdrukkelijke tegenstelling tot de groep die na 1992 is gebleven en de oorlog heeft meegemaakt en daarmee geïntegreerd wordt beschouwd met de gemeenschap waar zij verblijven of verbleven hebben (zie algemeen ambtsbericht Azerbeidzjan van 13 juli 2004, paragraaf 4.4.1 ‘etnisch Armeniërs’).

De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van de term "daarmee" in deze passage een conclusie behelst die - gezien het in de rechtsoverwegingen 12.1 en 12.2 overwogene - niet, althans onvoldoende wordt gedragen door de in meergenoemd ambtsbericht opgenomen informatie. Dit kan slechts anders zijn, indien uit de toevoeging "met de gemeenschap waar zij verblijven of verbleven hebben" dient te worden opgemaakt dat enkel ingeval van daadwerkelijk in bedoelde gemeenschap verblijven dan wel hebben verbleven kan worden gesteld, dat sprake is van bedoelde integratie, weshalve ingeval van onderduiking niet kan worden uitgegaan van bedoelde integratie.

12.4. Gezien het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet, althans niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Nu het bestreden besluit in strijd met zowel het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel als met het in artikel 3:46 van de Awb opgenomen motiverings¬beginsel is genomen, dient het tegen dit besluit gerichte beroep gegrond te worden verklaard en dient bedoeld besluit te worden vernietigd. Verweerder zal zich opnieuw dienen te beraden en een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gelet hierop komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van hetgeen overigens is aangevoerd met betrekking tot het asielgerelateerde gedeelte van het bestreden besluit.

12.5. De rechtbank hecht eraan in dit kader nog het volgende op te merken.

Bij uitspraak van 23 augustus 2005 (JV 2005, 384) heeft de Afdeling - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:

2.1.3. In beroep hebben de vreemdelingen, van wie de vrouw van etnisch Armeense afkomst is, betoogd dat, hoewel zij gedurende de periode van 1988 tot en met 1992 in Azerbeidzjan hebben verbleven en dat land in 1999 hebben verlaten, het WBV 2005/4 niettemin op hen van toepassing is, nu zij vanaf 1990 tot aan hun vertrek uit Azerbeidzjan ondergedoken hebben gezeten en derhalve niet als geïntegreerd kunnen worden beschouwd.

2.1.4. Nu het volgens paragraaf 3.2 van het WBV 2005/4 gevoerde beleid is beperkt tot etnisch Armeniërs die in de periode van 1988 tot en met 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken, is dat beleid niet op de vreemdelingen van toepassing. Dat de vreemdelingen, naar zij stellen, niet zodanig zijn geïntegreerd, als waarvan bij het vaststellen van het te voeren beleid is uitgegaan, doet daaraan niet af. De grieven slagen.

De rechtbank is van oordeel dat de in de aangehaalde passage opgenomen zinsnede "doet daaraan niet af" geen (enkel) inzicht verschaft in de redenering die de Afdeling ertoe heeft gebracht dit standpunt in te nemen. Dit gegeven, in onderlinge samenhang bezien met het in de rechtsoverwegingen 12.1 tot en met 12.4 overwogene, leidt de rechtbank tot het oordeel dat voormelde uitspraak niet kan afdoen aan het in rechtsoverweging 12.4 overwogene.

13. Voorts hecht de rechtbank eraan nog het navolgende op te merken.

13.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

13.2. In het voornemen is hieromtrent het volgende overwogen:

(...) Uit het vluchtrelaas van betrokkene - bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Azerbajdzjan - kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist betrokkene bij terugkeer naar het land van herkomst zal worden onderworpen aan een door artikel 3 EVRM danwel artikel 3 Anti-Folterverdrag verboden behandeling. (...)

Op grond van TBV 2003/51 wordt overwogen dat in beginsel een kind van een etnisch Armeense vader zelf ook Armeens is. Derhalve wordt er dezerzijds vanuit gegaan dat betrokkene etnisch Armeens is. Uit hetzelfde TBV komt naar voren dat etnische Armenen die reeds lang uit Azerbeidzjan zijn vertrokken, eerder het risico lopen om bij terugkeer te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Echter, betrokkene komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 3 EVRM, nu uit TBV 2003/51 ook blijkt dat betrokkene in beginsel een binnenlands vestigingsalternatief in Nagorno Karabach heeft.

13.3. De rechtbank merkt allereerst op dat genoemd Tussentijds Bericht Vreemdelingen¬circulaire (hierna: TBV) 2003/51 geldig was tot 28 november 2004. Nu bedoeld voornemen dateert van 6 december 2004 is hierin ten onrechte verwezen naar bedoeld TBV.

13.4. De rechtbank stelt vast dat zowel in paragraaf 4.4.3.5 van het TBV 2003/51 als in paragraaf 4.2.5 van het hieropvolgende WBV 2005/4 het volgende is vermeld:

Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat indien op grond van het relaas van een etnisch Armeniër wordt geconcludeerd dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, niet subsidiair alsnog wordt getoetst op toepassing van het vestigingsalternatief. Beoordeling of sprake is van een vestigingsalternatief vindt alleen plaats, nadat is vastgesteld dat een etnisch Armeniër een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.

13.5. Nu verweerder blijkens de eerste alinea van de in rechtsoverweging 13.2 aangehaalde passage van oordeel is dat uit eisers asielrelaas niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op schending van het in artikel 3 van het EVRM bepaalde, doch verweerder eiser blijkens de tweede alinea van de in rechtsoverweging 13.2 aangehaalde passage wél een vestigingsalternatief tegenwerpt, kan - mede gezien het in rechtsoverweging 13.4 overwogene - niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder van oordeel is dat eiser dient te worden geschaard onder de in rechtsoverweging 13.2 genoemde groep van "etnische Armenen die reeds lang uit Azerbeidzjan zijn vertrokken". Verweerder lijkt eiser aldus op één lijn te stellen met de etnische Armeniërs die Azerbeidzjan in het jaar 1992 reeds hadden verlaten.

13.6. Aangaande de laatste volzin van de in rechtsoverweging 13.2 opgenomen passage merkt de rechtbank het volgende op. Zowel in paragraaf 4.4.3.5 van het TBV 2003/51 als in paragraaf 4.2.5 van het hieropvolgende WBV 2005/4 is het navolgende vermeld:

Etnisch Armeniërs, niet afkomstig uit Nagorny Karabach, van wie geconcludeerd wordt dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet, aangezien in beginsel een binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach kan worden tegengeworpen. Bij deze beoordeling is het algemene beleid met betrekking tot het vlucht- en vestigingsalternatief, zoals beschreven in C1/3.3.3, van toepassing.

Indien om individuele redenen wordt geconcludeerd dat het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach niet kan worden tegengeworpen, of indien bij etnisch Armeniërs wordt geconcludeerd dat er bij terugkeer naar Nagorny Karabach een reëel risico bestaat op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, dan komen etnisch Armeniërs evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet, aangezien in beginsel een buitenlands vestigingsalternatief in Armenië aanwezig is.

Uit de in de eerste alinea van deze passage gebezigde woorden "in beginsel", alsmede uit de in de tweede alinea van deze passage opgenomen zinsnede "Indien om individuele redenen wordt geconcludeerd dat het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach niet kan worden tegengeworpen" volgt, dat niet in alle gevallen bedoeld vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

Blijkens de in paragraaf 3.5.1 van meergenoemd ambtsbericht van 13 juli 2004 opgenomen informatie worden de in Nagorny Karabach woonachtig zijnde "halve Azeri's" geacht de Armeense kant in het conflict te hebben gekozen en worden zij met rust gelaten. Voor zover de voor bedoeld ambtsbericht geraadpleegde bronnen bekend, waren bedoelde "halve Azeri's" echter reeds woonachtig in Nagorny Karabach vóórdat de oorlog uitbrak.

Het in de twee vorenstaande alinea's vermelde, in onderlinge samenhang bezien met het feit, dat eiser nimmer in Nagorny Karabach heeft gewoond, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zich in Nagorny Karabach kan vestigen.

14. Tenslotte hecht de rechtbank eraan nog het navolgende op te merken met betrekking tot de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "alleenstaande minderjarige vreemdeling" dan wel "tijdsverloop in de asielprocedure" te verstrekken.

Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2003 (LJN: AI0801; AB 2003, 355) en 19 januari 2005 (LJN: AS3229; AB 2005, 115) zal de rechtbank de in dit kader aangevoerde beroepsgronden niet meer beoordelen, nu deze niet kunnen afdoen aan de gegrondverklaring van het beroep op de hiervoor vermelde gronden.

15. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

16. De rechtbank stelt - onder verwijzing naar artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand - vast, dat op de datum van deze (eind)uitspraak de eventueel voor het onderhavige beroep verleende toevoeging niet is overgelegd, zodat toepassing van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb achterwege blijft.

17. Mitsdien wordt, mede gelet op de artikelen 8:70, 8:72, en 8:75 van de Awb, als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan eiser dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. J.W.A. Peters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2006.

w.g. J.W.A. Peters

w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden:

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.