Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV6316

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
AWB 04/505 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 28 oktober 2002 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over de voorlopige waardering van haar functie in hoofdgroep III met 9 punten, waarbij functieschaal 7 behoort en vastgesteld dat deze functieschaal (en de daarbij behorende aanloop- en uitloopschaal) hoger is dan de huidige functieschaal. Daarbij heeft verweerder eiseres er op gewezen dat strikt genomen pas na het onherroepelijk worden van de waardering van haar functie uitvoering kan worden gegeven aan haar bevordering en nabetaling, maar dat verweerder er gezien de lange looptijd van het functiewaarderingsproces goed aan meent te doen bedoelde nabetaling te laten plaatsvinden tegelijk met de salarisbetaling over de maand december 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/505 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiseres was tot 1 oktober 2002 bij verweerders gemeente werkzaam in de functie van Medewerker Personeelszaken bij de afdeling Personeel en Organisatie.

Bij brief van 28 oktober 2002 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over de voorlopige waardering van haar functie in hoofdgroep III met 9 punten, waarbij functieschaal 7 behoort en vastgesteld dat deze functieschaal (en de daarbij behorende aanloop- en uitloopschaal) hoger is dan de huidige functieschaal. Daarbij heeft verweerder eiseres er op gewezen dat strikt genomen pas na het onherroepelijk worden van de waardering van haar functie uitvoering kan worden gegeven aan haar bevordering en nabetaling, maar dat verweerder er gezien de lange looptijd van het functiewaarderingsproces goed aan meent te doen bedoelde nabetaling te laten plaatsvinden tegelijk met de salarisbetaling over de maand december 2002.

Bij brief van 17 december 2002 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde brief van 28 oktober 2002, aan eiseres meegedeeld dat de salarisadministratie op basis van een inschalingsadvies de in laatstgenoemde brief bedoelde nabetaling heeft berekend en uitgewerkt in een overzicht dat met de aanduiding "specificatie met betrekking tot nabetaling functiewaardering" is bijgevoegd.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 20 januari 2003, aangevuld bij brief van 21 juni 2003, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 11 december 2003 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de gehanteerde toepassing van de bezoldigingregels niet geheel juist is geweest en op grond hiervan een herberekening heeft plaatsgevonden over de aan eiseres in december 2002 gedane nabetaling van salaris. Bij dit besluit zijn twee bijlagen gevoegd. In één van deze bijlagen, gedateerd 15 december 2003, is - hier samengevat weergegeven - vermeld dat verweerder heeft besloten tot bevordering van eiseres per 1 september 2000 naar functieniveau 7, trede 8, met als periodiekmaand september. Deze bijlage is voorzien van de ondertekening: "Burgemeester en wethouders, namens dezen: het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie", waaronder in opdracht de handtekening van [betrokkene], is geplaatst. De andere bijlage heeft als onderwerpaanduiding "specificatie met betrekking tot nabetaling functiewaardering". Naar deze bijlagen wordt in het besluit in verband met het bezwaar verwezen.

Bij brief van 4 januari 2004 heeft eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het in voornoemde bijlage van 15 december 2003 volgens haar besloten liggende bevorderingsbesluit. Deze brief is door verweerder bij brief van 25 februari 2004 aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard vanwege het niet juist toepassen van de bezoldigingsregels en eiseres meegedeeld dat het niet juist hanteren van de zogenoemde 75 % regeling in haar geval geen nabetaling van salaris tot gevolg had. Dit besluit is voorzien van dezelfde ondertekening als de hiervoor genoemde bijlage van 15 december 2003, behorend bij verweerders besluit van 11 december 2003.

Eiseres heeft bij brief van 27 januari 2004 beroep ingesteld tegen het besluit van 13 januari 2004.

Bij brief van 6 april 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het besluit op bezwaar is gewijzigd en dat verweerder de beslissingen van 11 december 2003, en voor zover noodzakelijk die van 13 januari 2004, die namens hem zijn genomen en ondertekend, bekrachtigt in die zin dat verweerder die besluiten uitdrukkelijk voor zijn rekening neemt. Voorts heeft verweerder meegedeeld dat de ten gevolge van de bevordering van eiseres met ingang van 1 september 2000 gedane nabetaling niet de incidentele betalingen inzake overwerk en uitbetaalde vakantiedagen betrof en dat is besloten deze nabetalingen te herberekenen met inachtneming van de functieschaal die vanaf 1 september 2000 voor eiseres gold. Tevens is besloten eiseres de wettelijke rente over het gecorrigeerde bedrag vanaf eind december 2002 te vergoeden. Daarnaast heeft verweerder in verband met de toepassing van de zogenoemde 75 %-regeling nader toegelicht waarom naar zijn oordeel de eerdere inschaling van eiseres in overeenstemming met deze regeling is.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft naar aanleiding van het verweerschrift haar beroep bij brief van 22 mei 2004 nader aangevuld.

Bij besluit van 10 november 2004 heeft verweerder besloten eiseres een bedrag van € 192,44 bruto na te betalen, zijnde het gecorrigeerde bedrag na herberekening van de bedragen inzake overwerk en uitbetaling van vakantiedagen, alsmede de wettelijke rente over dit gecorrigeerde bedrag vanaf 1 januari 2003.

Naar aanleiding van dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 november 2005 haar beroep nogmaals aangevuld.

Het beroep is ter zitting behandeld op 24 november 2005. Daarbij is eiseres niet verschenen, maar heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3].

Motivering

De rechtbank is van oordeel dat in verweerders brief aan eiseres van 17 december 2002 moet worden geacht besloten te liggen het besluit tot bevordering van eiseres van functieschaal 6, periodiek 10, naar functieschaal 7, periodiek 8 per 1 september 2000 met als periodiekmaand september in verband met de herwaardering van de functie van eiseres per genoemde datum van functieschaal 6 naar functieschaal 7. Tevens bevat die brief naar het oordeel van de rechtbank verweerders besluit inzake de nabetaling van salaris aan eiseres over de periode van 1 september 2000 tot 1 januari 2002 als gevolg van bedoelde herwaardering en bevordering. Partijen hebben overigens ter zitting desgevraagd aangegeven zich met deze duiding van genoemde brief van 17 december 2002 (met bijlage) als besluit te kunnen verenigen.

Uit het vorenstaande volgt dat de bij het besluit van 11 december 2003 gevoegde bijlage inzake de bevordering van eiseres, gedateerd 15 december 2003, slechts een herhaling is van het in de brief van 17 december 2002 besloten liggende bevorderingsbesluit. Door deze bijlage worden derhalve geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven geroepen, zodat die bijlage niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen op grond van die wet kunnen worden aangewend.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 11 december 2003 gezien zijn inhoud niet anders kan worden beschouwd dan als een besluit tot wijziging van het door de rechtbank in de hierboven genoemde zin gelezen besluit van 17 december 2002. Het besluit van 11 december 2003 is derhalve een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Het tegen het besluit van 17 december 2002 gerichte bezwaar moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 december 2003, nu daarmee niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.

Het besluit van 13 januari 2004 moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als verweerders besluit op het - mede tegen het besluit van 11 december 2003 gericht te achten - bezwaar van eiseres. Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven zich met deze zienswijze te kunnen verenigen.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiseres bij brief van 27 januari 2004 tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook overigens is niet van beletselen met betrekking tot de ontvankelijkheid gebleken, zodat dit besluit in deze beroepsprocedure onderwerp van rechterlijke toetsing is.

Nu verweerder in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar van eiseres bij voornoemd besluit op bezwaar van 13 januari 2004 met zijn besluit van 6 april 2004 heeft beoogd evengenoemde beslissing op bezwaar te wijzigen in die zin dat daarbij alsnog is besloten de gedane nabetaling van salaris in verband met de bevordering van eiseres te herberekenen en daarbij incidentele betalingen inzake overwerk en uitbetaalde vakantiedagen te betrekken, alsmede de wettelijke rente te vergoeden over het gecorrigeerde bedrag vanaf eind december 2002, merkt de rechtbank het besluit van 6 april 2004 in zoverre aan als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, moet het beroep van eiseres derhalve worden geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit, nu daarmee niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.

Wat betreft de bekrachtiging door verweerder van het besluit van 13 januari 2003, zoals verwoord in de beslissing van 6 april 2004, overweegt de rechtbank op deze plaats dat naar haar oordeel, anders dan verweerder heeft betoogd, in zoverre geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, waartegen het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede zou moeten worden geacht te zijn gericht. Verweerder heeft immers volstaan met de mededeling dat hij het besluit van 13 januari 2004 voor zijn rekening neemt en dat besluit daarbij niet ingetrokken onder het daarvoor in de plaats stellen van een naar zijn opvatting wel bevoegdelijk genomen en ondertekend besluit.

Het besluit van 10 november 2004 met de daarbij behorende overzichten inzake de nabetaling van overwerk, resterende vakantiedagen en de betaling van wettelijke rente, moet naar het oordeel van de rechtbank eveneens worden beschouwd als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Wat betreft de nabetaling van overwerkvergoeding en resterende vakantiedagen alsmede de betaling van wettelijke rente - ter correctie van de nabetaling waartoe verweerder reeds bij het primaire besluit van 17 december 2002 en het wijzigingsbesluit van 11 december 2003 was overgegaan - houdt dit besluit immers een wijziging in van het besluit van 13 januari 2004. Gelet hierop moet het beroep van eiseres ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dan ook eveneens worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 10 november 2004, aangezien daarmee evenmin geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.

Uit hoofde van de verplichting om ambtshalve te toetsen aan voorschriften van openbare orde oordeelt de rechtbank dat het besluit op bezwaar van 13 januari 2004 geen stand kan houden, reeds omdat dit besluit volgens verweerder onbevoegdelijk is genomen en/of ondertekend en de rechtbank geen aanleiding ziet verweerder hierin niet te volgen.

Nu verweerder het bestreden besluit van 13 januari 2004 blijkens zijn brief van 6 april 2004 voor zijn rekening heeft genomen, zal de rechtbank nagaan of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand te laten.

In dat kader en met het oog op de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, zoals nadien gewijzigd, overigens in rechte stand kan houden, zal de rechtbank de tussen partijen gerezen materiële geschilpunten bespreken.

Eiseres heeft zich tegen de inschaling van haar functie in periodiek 8 van functieschaal 7, alsmede tegen de hoogte van de salarisnabetalingen verzet. Zij is van mening dat verweerder haar functie in periodiek 9 van die functieschaal had behoren in te passen. Verweerder heeft ten onrechte het salaris van augustus 2000 (in plaats van dat van september 2000), als laatstgenoten salaris aangemerkt en dat salaris (behorend bij periodiek 9 van schaal 6) aan haar inschaling ten grondslag gelegd. Deze foutieve inschaling heeft tot gevolg gehad dat te weinig salaris, daaronder begrepen de vergoeding voor overwerk en uitbetaalde vakantiedagen, is nabetaald. Daarnaast heeft verweerder bij de berekening van de wettelijk rente ten onrechte nagelaten de zogenoemde rente op rente methode toe te passen en ten onrechte de uitbetaalde wettelijke rente bij het salaris opgeteld zodat bij de berekening van de daarover verschuldigde premies en loonbelasting van een onjuiste berekeningsgrondslag is uitgegaan.

Verweerder heeft dit standpunt in het verweerschrift en ter zitting gemotiveerd bestreden.

Gelet op de gronden van het beroep van eiseres dient allereerst te worden beoordeeld of verweerder eiseres terecht en op goede gronden heeft ingeschaald in periodiek 8 van functieschaal 7.

Zoals hiervoor is vastgesteld houdt het besluit van 17 december 2002 tevens in het besluit eiseres met ingang van 1 september 2000 te bevorderen van functieschaal 6 periodiek 9 naar functieschaal 7 periodiek 8 met als periodiekmaand september in verband met de herwaardering van haar functie met ingang van die datum van functieschaal 6 naar 7.

Ingevolge artikel 3:1:1:3, vijfde lid, van de in de CAR Noordwijk 2000 opgenomen Bezoldigingsregeling gemeente Noordwijk 2000 (hierna: de Bezoldigingsregeling), geschiedt de bevordering van een ambtenaar naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris met inachtneming van de (eveneens in de CAR Noordwijk 2000 opgenomen) Regels bij bevordering gemeente Noordwijk (hierna: de Bevorderingsregels). Daarbij wordt gerealiseerd dat het verschil tussen het nieuwe salaris en het oude salaris van de ambtenaar ten minste 75 % bedraagt van het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk genoot en het naasthogere bedrag in de oude schaal, dan wel het naastlagere bedrag in die oude schaal, indien het salaris in de oude schaal reeds overeenkwam met het hoogste bedrag uit die schaal.

In artikel D.2 van de Bevorderingsregels is bepaald dat bij een bevordering van een lagere naar een hogere functieschaal, het salarisbedrag, niet zijnde het maximum, wordt verhoogd met de eerstvolgende periodiek in de functieschaal en vervolgens wordt ingepast op het naasthogere- c.q. naast-naasthogere salarisbedrag, een en ander met inachtneming van het gestelde in artikel 3, lid 5 [hiervoor dient gelezen te worden artikel 3:1:1:3, vijfde lid, van de Bezoldigingsregels], in de hogere functieschaal.

Vastgesteld wordt dat eiseres in de periode vóór 1 september 2000, derhalve vóór de ingangsdatum van haar bevordering, een salaris genoot dat overeenkwam met periodiek 9 van functieschaal 6 (€ 1.876,38). Verweerder heeft dit salaris eerst met een periodiek verhoogd naar periodiek 10 van functieschaal 6 (€ 1.938,55) en daarna op het naasthogere salaris in de hogere functieschaal (in periodiek 8 van functieschaal 7) ingepast (€ 1.999,36). Dit is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:1:1:3, vijfde lid, van de Bezoldigingsregeling en artikel D.2 van de Bevorderingsregels. De rechtbank heeft in de op zich zelf duidelijke tekst van deze bepalingen en ook overigens geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat eiseres zou moeten worden gevolgd in haar standpunt dat in een geval als het hare voor de toepassing van deze bepalingen onder het "oude salaris" en "het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk genoot" als bedoeld in artikel 3:1:1:3, vijfde lid, van de Bezoldigingsregeling, respectievelijk onder "het salarisbedrag" als bedoeld in artikel D.2 van de Bevorderingsregels zou moeten worden verstaan het salaris dat zij zou hebben genoten na de jaarlijkse periodieke verhoging van haar over augustus 2000 genoten salaris per 1 september 2000 naar schaal 6, periodiek 10, wanneer haar bevordering naar schaal 7 in verband met de herwaardering van haar functie per die datum achterwege zou zijn gebleven.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder eiseres terecht en op goede gronden heeft ingeschaald in periodiek 8 van functieschaal 7.

Wat betreft de door verweerder verrichte nabetaling van salaris als gevolg van de bevordering, alsmede de herberekening daarvan ten aanzien van de vergoeding van overwerk en uitbetaalde vakantiedagen, wordt overwogen dat eiseres deze nabetaling en de herberekening daarvan heeft bestreden vanuit het gezichtspunt dat haar functie in een te lage periodiek van functieschaal 7 was ingedeeld. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder eiseres in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen uit de Bezoldigingsregeling en de Bevorderingsregels heeft ingeschaald in periodiek 8 van functieschaal 7, treft dit bezwaar reeds daarom geen doel.

Met betrekking tot de vergoeding van de wettelijke rente overweegt de rechtbank voorts als volgt.

In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is aanvaard dat voor de vaststelling van schade in de vorm van gederfde wettelijke rente aansluiting wordt gezocht bij de in het burgerlijk recht gegeven regeling van de wettelijke rente, in het geval door onrechtmatig gebleken besluitvorming van een bestuursorgaan aan betrokkene de tijdige betaling van geldbedragen is onthouden. Nu die situatie hier niet aan de orde is, kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar standpunt dat verweerder haar wettelijke rente per 1 september 2000 had moeten vergoeden. Daartoe wordt overwogen dat er geen rechtsregel is aan te wijzen op grond waarvan verweerder in verband met de herwaardering van de functie van eiseres gehouden was aan haar reeds op of omstreeks 1 september 2000 het salaris uit te betalen naar de hogere functieschaal. Het enkele feit dat verweerder de functie van eiseres met terugwerkende kracht tot 1 september 2000 heeft gewaardeerd op een hogere salarisschaal als uitkomst van de functiewaarderingsoperatie, betekent niet dat eiseres reeds op of omstreeks die datum een opeisbaar recht had op betaling van dat hogere salaris. Eerst door het besluit van 17 december 2002 tot bevordering van eiseres naar de hogere salarisschaal in verband met de herwaardering van haar functie ontstond voor eiseres een aanspraak op betaling van dat hogere salaris met terugwerkende kracht tot 1 september 2000. Derhalve kan in zoverre niet worden gezegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door het nemen van het primaire besluit van 17 december 2002, waarbij in verband met de herwaardering van de functie van eiseres en haar bevordering tot nabetaling van salaris op basis van de hogere salarisschaal is overgegaan.

Blijkens het bestreden besluit van 13 januari 2004, zoals daarna gewijzigd bij de besluiten van 6 april 2004 en 10 november 2004 en toegelicht in het verweerschrift, heeft verweerder daarbij erkend dat het primaire besluit van 17 december 2002 inzake de nabetaling van salaris aan eiseres onrechtmatig is genomen voor zover daarbij ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de zogenoemde 75%-regeling van artikel 3:1:1:3, vijfde lid, van de Bezoldigingsregeling. Op basis van de hiervoor bedoelde jurisprudentie van de CRvB is verweerder derhalve bij genoemd wijzigingsbesluit van 10 november 2004 alsnog overgegaan tot vergoeding van de wettelijke rente over de bruto nabetaling waarvan in dat besluit sprake is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 april 2002, TAR 2002, 122, waarin is overwogen dat de wettelijke rente is verschuldigd over de bruto nabetaling vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betaling had moeten plaatsvinden tot aan de dag van de algehele voldoening toe, heeft verweerder geconcludeerd dat de wettelijke rente in dit geval dus verschuldigd is vanaf 1 januari 2003, zijnde de eerste dag van de maand die volgde op het moment waarin de betaling had moeten plaatsvinden als het juiste besluit inzake de toepassing van de 75%-regeling was genomen. De rechtbank neemt hierbij aan dat waar verweerder in dit verband spreekt over "eind december 2002" als ingangsdatum verweerder genoemde datum van 1 januari 2003 heeft bedoeld.

Ter zitting heeft verweerder verklaard de wettelijke rente volgens de zogenoemde rente op rente-methode te hebben berekend. De rechtbank ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen.

Eiseres heeft naar aanleiding van het wijzigingsbesluit van 10 november 2004 verder nog aangevoerd dat over de wettelijke rente premie- en belastingheffing plaatsvindt. Eiseres stelt dat dit onjuist is, nu het daarbij niet gaat om loon uit dienstbetrekking.

De rechtbank stelt vast dat uit de bij het wijzigingsbesluit van 10 november 2004 gevoegde specificatie niet blijkt dat verweerder daarbij een standpunt heeft ingenomen over het al dan niet heffen van premie en belasting over de berekende wettelijke rente. De rechtbank kan derhalve ook om die reden niet toekomen aan hetgeen eiseres hierover heeft gesteld, maar merkt wel op dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dit punt nader te zullen bekijken.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 13 januari 2004 dient te worden vernietigd onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand blijven. Voor vernietiging van de wijzigingsbesluiten van 6 april 2004 en 10 november 2004 ziet de rechtbank geen grond.

Er is, nu eiseres geen gebruik heeft gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken, geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het besluit van 13 januari 2004;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 13 januari 2004 geheel in stand blijven;

4. bepaalt dat de rechtspersoon de gemeente Noordwijk aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 116,00, vergoedt;

5. wijst het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2006, in tegenwoordigheid van mr. W. Goederee als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,