Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV5238

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/47291
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid / Nigeria / lidmaatschaap MASSOB.

Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit. Zijn asielaanvraag is in het AC afgewezen. Eiser heeft in beroep nadere stukken overgelegd. Ten aanzien van de vraag of deze stukken bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken overweegt de rechtbank het volgende. Uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat de mogelijkheid om voorbij te zien aan een nationale procedureregel zeer restrictief dient te worden toegepast. Alleen in een geval waarbij niet in geschil was dat bij uitzetting naar het land van herkomst artikel 3 EVRM evident zou worden geschonden, heeft de Afdeling geoordeeld dat sprake was van een bijzondere omstandigheid, in haar uitspraak 200300506/1 van 24 april 2003. De rechtbank leidt uit het arrest van het EHRM inzake N vs Finland van 26 juli 2005 af dat het EHRM, althans voor zijn eigen oordeelsvorming, een minder restrictieve benadering voorstaat wat betreft het betrekken van nieuwe feiten en omstandigheden in de lopende procedure. Zo heeft het EHRM zelf bewijs vergaard ten behoeve van de te nemen beslissing en dat bewijs betrokken bij zijn oordeel. Dit verschil in benadering kan leiden tot een verschil in uitkomst. Gelet op voornoemd arrest inzake N vs Finland is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling die om bescherming vraagt in beginsel dient te voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder artikel 83 Vw 2000, doch dat onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden de noodzaak kan bestaan om deze regels niet tegen te werpen. Deze mogelijkheid dient evenwel, in het bijzonder in AC-procedures, waarin de termijnen zeer kort zijn, naar het oordeel van de rechtbank niet zo restrictief te worden toegepast dat van dergelijke bijzondere omstandigheden slechts sprake kan zijn in geval van een ook naar het oordeel van verweerder evidente dreiging van schending van artikel 3 EVRM. Toegepast op de onderhavige zaak leidt dit tot de conclusie dat enkele stukken die dateren van voor het bestreden besluit niet kunnen worden aangemerkt als nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 Vw 2000 omdat zij eerder konden worden overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden die ertoe nopen om ten aanzien van de besproken stukken artikel 83 Vw 2000 niet aan eiser tegen te werpen. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de betreffende stukken weliswaar zijn overgelegd in een AC-procedure, waarin de tijdsdruk hoog is, maar dat, anders dan eiser (kennelijk) heeft betoogd, niet aannemelijk is geworden dat de tijdsdruk in dit geval een dergelijke bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheid is geweest. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het hierbij voor een groot deel stukken betreft die afkomstig zijn uit openbare bron en die mitsdien op ieder moment voor eiser dan wel zijn gemachtigde toegankelijk waren. Overige bijzondere omstandigheden zijn door eiser niet gesteld. Verweerder heeft – zonder consequenties te verbinden aan het toerekenbaar ongedocumenteerd zijn van eiser - eisers asielrelaas als ongeloofwaardig aangemerkt, omdat, gelet op eisers gebrek aan kennis over de MASSOB, niet geloofwaardig is dat hij lid is van of op relevante wijze betrokken is bij de MASSOB. Ter zitting is door verweerder gesteld dat hij bij de toetsing van de geloofwaardigheid de criteria uit het Said-arrest heeft betrokken. Bij de beoordeling van de vraag of verweerder, het hiervoor weergegeven toetsingskader hanterend, zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, betracht de rechtbank, mede gelet op de door verweerder gehanteerde toetsingswijze, een zekere terughoudendheid. Daarbij is voorts van belang dat conform vaste Afdelingsjurisprudentie, onder meer uitspraken 200206297/1 van 27 januari 2003, 200305004/1 van 11 december 2003 en 200408165/1 van 14 maart 2005, de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in het asielrelaas gestelde feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort en die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. De maatstaf bij die toetsing is volgens de Afdeling niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. De rechtbank is, anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, van oordeel dat het Said-arrest op zichzelf dit niet anders maakt. Het EHRM heeft in dat arrest de geloofwaardigheid van het relaas weliswaar vol getoetst, maar wijkt hierin niet af van de wijze waarop het EHRM in eerdere zaken heeft getoetst. In het Said-arrest geeft het EHRM voorts geen oordeel over de terughoudende toets van de Nederlandse bestuursrechter ten aanzien van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder. Gelet hierop ziet de rechtbank thans geen aanleiding af te wijken van het oordeel dat de AbRS heeft gegeven in haar hiervoor genoemde uitspraak van 11 december 2003, waarin de AbRS heeft geoordeeld dat er in het licht van de jurisprudentie van het EHRM geen grond is voor het oordeel dat de terughoudende toetsing door de rechter in strijd is met artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 3 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/47291

V.nr.: 270.842.3873

inzake: A, geboren op [...] 1958, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in ’t Nieuwe Lloyd te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 september 2005 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 7 september 2005 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 7 september 2005 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 8 september 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 9 september 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens is op die dag een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van eiser achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

3. Bij uitspraak van 30 september 2005 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen (AWB 05/40726 en 05/40724).

4. Op 7 oktober 2005 heeft verweerder hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft bij uitspraak van 20 oktober 2005 (nr. 200508506/1) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

5. Bij brieven van 21 november 2005 en 8 december 2005 heeft eiser nadere stukken ingediend.

6. Het onderzoek ter zitting heeft (opnieuw) plaatsgevonden op 16 december 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. F. Mountassir. Tevens was ter zitting aanwezig Akarigbo Umekwe Okoro, die als getuige is gehoord.

7. De rechtbank heeft bij beslissing van 9 januari 2006 het onderzoek heropend teneinde de zaak door te verwijzen naar een meervoudige kamer.

8. Het onderzoek ter zitting is hervat op 19 januari 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.J. Glass als tolk in de Engelse taal.

9. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1. Eiser heeft bij zijn aanvraag - voor zover hier relevant - de volgende documenten overgelegd:

- een op frauduleuze wijze verkregen nationaal paspoort van Nigeria op naam van B;

- een vervalst nationaal paspoort van de Verenigde Staten (VS) op naam van B;

- een kopie van een geboorteakte ten name van C;

- kopieën van krantenartikelen.

2.2. Bij zijn zienswijze heeft eiser de volgende stukken overgelegd:

- een (fax)kopie van een tijdelijk Canadees rijbewijs op naam van eiser;

- enkele stukken betreffende eisers verblijf in Canada, waaronder een bewijs van de aanvraag van een “social insurance number”.

2.3. Bij de gronden van beroep van 22 september 2005 heeft eiser – voor zover relevant – de volgende stukken overgelegd:

- een kopie van eisers Nigeriaanse rijbewijs, voorzien van een pasfoto;

- een afschrift van eisers Visa-card;

- een afschrift van eisers Nigeriaanse werkpasje, voorzien van een pasfoto;

- kopieën van drie e-mailberichten uit eisers mailbox, gedateerd 16, 17 en 19 september 2005, afkomstig van de leden van ‘Movement for the Actualisation of the Souvereign State of Biafra’ (MASSOB), getekend D, E en F;

- enige op 19 september 2005 per fax aan eisers gemachtigde gezonden stukken met informatie over Biafra en de MASSOB uit 2000 en 2001;

- een rapport van het UK Home Office van september 2005, paragraaf 3.6;

- een stuk van de Committee to protect journalists van 26 augustus 2005;

- e-mailberichten van de leider van de Biafra Freedom Movement afdeling Nederland, Chief Akarigbo Okoro (hierna: Chief Okoro) van 21 september 2005 aan Hemony advocaten, het kantoor van de gemachtigde van eiser.

2.4. Bij brief van 21 november 2005 heeft eiser – voor zover relevant – overgelegd:

- afschriften van vier reacties per e-mail, gedateerd 27 en 28 september 2005 en 2 oktober 2005, op de oproep van Chief Okoro aan MASSOB-leden om aan te geven of zij eiser kennen en of iemand kan bevestigen dat eiser lid is van de MASSOB, waaronder een reactie van D, die stelt eiser persoonlijk te kennen;

- een afschrift van de op 5 oktober 2005 door eisers gemachtigde aan de IND verzonden klacht gericht tegen de onzorgvuldige verslaglegging van het nader gehoor;

- een afschrift van een e-mail van G, MASSOB-lid, gedateerd 13 oktober 2005, waarin deze bevestigt dat eiser lid is van de MASSOB;

- Als bijlage bij deze e-mail van G is - voor zover relevant - eisers MASSOB-lidmaatschapskaart ingescand meegezonden;

- een kopie van een geschrift van de leider van MASSOB, H, zonder datum;

- e-mails gericht aan de gemachtigde van eiser, gedateerd 27 oktober 2005, 14 november 2005, 15 november 2005 en 20 november 2005, over de arrestatie van de leider van MASSOB en de strafrechtelijke vervolging van MASSOB-activisten;

- een e-mail van G, gedateerd 9 november 2005, aan eisers gemachtigde, waarin een toelichting wordt gegeven over de datum op eisers identiteitsdocument;

- een fax van I, gedateerd 18 november 2005, waarin deze bevestigt dat eiser een MASSOB-lid is.

2.5. Bij brief van 8 december 2005 heeft eiser overgelegd:

- een e-mail van een MASSOB-leider, J, van 29 november 2005 waarin deze bevestigt dat eiser lid is van MASSOB;

- documentatie over MASSOB-leden in Nigeria uit 2000, 2001, 2002 en 2005, bij brief van 24 november 2005 door Amnesty International aan de gemachtigde van eiser gestuurd;

- een artikel uit “The African Bulletin” van december 2005, waarin een interview is opgenomen met Chief Okoro;

- een artikel uit “The News” van 15 augustus 2005 betreffende het in Biafra gebruikte geld.

3. In haar uitspraak van 20 oktober 2005 heeft de AbRS de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 september 2005 vernietigd omdat de rechtbank, door het besluit van 8 september 2005 te vernietigen wegens overschrijding van de 48-uurstermijn, buiten het geschil was getreden.

III. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de Igbo bevolkingsgroep. Eiser is in 1987 naar de Verenigde Staten gegaan. Eiser is tussen 1991 en 1997 meer dan tien keer terug geweest naar Nigeria. Vervolgens is hij van 1998 tot 2001 gedetineerd geweest in de Verenigde Staten. Sinds 1998 is eiser betrokken bij de MASSOB. Vanaf 1999/2000 is hij actief geworden voor de MASSOB en was hij - terwijl hij in Amerika verbleef - het hoofd van de communicatie vanuit de Verenigde Staten. Tevens heeft eiser voor deze organisatie informatie verspreid bij de jeugd en informatie gegeven over de geschiedenis van zijn cultuur. Eiser deed dit door het maken en verspreiden van pamfletten en folders. Eiser is na 1997 nog tenminste vier keer terug geweest naar Nigeria en na 2001 nog twee keer terug geweest. Eiser is voorts in september 2001 voor ongeveer een maand in Nigeria geweest, waarna hij naar Toronto, Canada is gegaan. Daar heeft hij van 2001 tot en met eind april of begin mei 2005 verbleven. Hij heeft in Canada een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen.

Eiser is uit zijn land van herkomst gevlucht omdat hij vreest voor vervolging door de State Security Services (SSS) wegens zijn lidmaatschap van de MASSOB. Eiser is door de SSS in 2001 en van 8 juni 2005 tot 23 juli 2005 gedetineerd. Tijdens de laatste detentie is hij geboeid, gemarteld en seksueel misbruikt. Eiser moest informatie geven over de MASSOB en zeggen waar zijn tweelingbroer, genaamd K en oom, genaamd H, waren. Deze oom is een zeer vooraanstaand persoon binnen de MASSOB, min of meer de president. Zijn tweelingbroer is hoofdleider van de jeugdafdeling en nationaal coördinator. Op de 21ste, 22ste of 23ste dag van zijn detentie hebben familieleden van eiser de SSS omgekocht. Eiser moest voor zijn vrijlating een papier ondertekenen waarin stond dat hij er voor 24 augustus 2005 voor moest zorgen dat zijn oom en tweelingbroer naar de SSS zouden komen. Dit laatste heeft hij niet gedaan. Op 24 augustus 2005 is het huis van eisers familie in brand gestoken. Eiser heeft op 24 augustus 2005 besloten onder te duiken. Bij eisers uitreis uit Nigeria op 1 september 2005 waren er politieagenten op de luchthaven van Lagos die een foto van eiser aan mensen lieten zien. Daarop is eiser met een binnenlandse vlucht naar Kano gereisd. Van daaruit heeft eiser een vlucht geboekt die hem via Amsterdam en Montreal naar de Verenigde Staten zou brengen. Op Schiphol is eiser aangehouden.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter staving van zijn identiteit of nationaliteit die voldoen aan het bepaalde in paragraaf C1/5.8.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Het feit dat eiser wel documenten ter staving van zijn reisroute en asielrelaas heeft overgelegd neemt het bovenstaande niet weg. Voorts heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd ter staving van zijn asielrelaas, terwijl dit wel van hem kon worden verwacht. Gelet op het voorgaande wordt geen aanleiding gezien om aanvullend onderzoek te doen naar eisers identiteit en nationaliteit aan de hand van de overgelegde geboorteakte. Het komt voor rekening en risico van eiser dat getwijfeld wordt aan de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen. De door eiser aangevoerde redenen van vertrek uit zijn land van herkomst zijn ook op zichzelf genomen niet als geloofwaardig aan te merken. Geen geloof wordt gehecht aan eisers gestelde lidmaatschap van de MASSOB, aangezien verwacht mag worden dat hij nadere informatie zou hebben kunnen geven over een organisatie waar hij vanaf 1998 tot heden actief bij betrokken is geweest en een functie in het middenkader van de partij heeft vervuld. Eiser heeft echter op relevante onderdelen geen of onjuiste informatie verschaft over de MASSOB. Toegegeven wordt dat het nader gehoor niet chronologisch is, maar dit neemt niet weg dat eiser tijdens twee gehoren uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas toe te lichten en in de gelegenheid is gesteld correcties en aanvullingen in te dienen. De stelling van de gemachtigde van eiser dat haar geen tijd is gegeven voor de nabespreking door de dienstdoende coördinator primair proces, wordt niet gevolgd. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c van de Vw 2000.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c van de Vw 2000. De door eiser overgelegde documenten, in samenhang bezien, kunnen zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken, althans deze stukken maken een onderzoek naar de identiteit en nationaliteit mogelijk. Dat eiser is gereisd met vervalste documenten betekent niet dat er geen waarde aan de andere overgelegde documenten kan worden gehecht. Voorts is er binnen de 48-uursprocedure zeer weinig gelegenheid geweest voor eiser om zijn asielrelaas met documenten te staven. Hij heeft zich wel ingespannen om stukken naar Nederland te laten komen, die kunnen bijdragen aan zijn beroep op bescherming. Het feit dat eiser het krantenartikel waarin hij zelf wordt genoemd niet heeft meegenomen, kan hem niet worden tegengeworpen aangezien hij heeft verklaard het niet meer te hebben omdat het huis is platgebrand. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding op voorhand te twijfelen aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Verweerder heeft zich ook overigens ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers lidmaatschap van de MASSOB niet geloofwaardig is. Eiser heeft middels zijn verklaringen, zijn activiteiten die gericht zijn op het vergaren van bewijsmateriaal en de overgelegde (aanvullende) stukken aangetoond zeer betrokken te zijn bij Biafra en de MASSOB. De stelling van verweerder dat hij op meerdere punten onvoldoende weet over de MASSOB betwist eiser deels en deels is deze te verklaren door zijn verblijf in Canada. Bovendien is nader onderzoek naar eisers identiteit mogelijk. Onderzoek naar eisers asielrelaas is derhalve onontbeerlijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen op zijn asielaanvraag. De grote hoeveelheid tijd die de reactie op het nader gehoor en het voornemen in beslag heeft genomen vormt al een aanwijzing voor het oordeel dat deze zaak zich niet leent voor afdoening in het AC. Uitgaande van de geloofwaardigheid van het relaas kan niet anders worden geconcludeerd dan dat eiser gegronde reden heeft voor vrees voor vervolging bij zijn terugkeer en dat een reëel risico bestaat op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair stelt eiser dat gelet op de omstandigheid dat er sprake is van vervolging van MASSOB-leden in Nigeria, indien er twijfel is over eisers lidmaatschap, de zaak sowieso nader onderzocht dient te worden. Indien dit niet gebeurt dreigt schending van artikel 3 van het EVRM. Ten slotte heeft eiser een uitdrukkelijk beroep op het traumatabeleid gedaan omdat hij in detentie is gemarteld. Hier had verweerder op in moeten gaan.

3. Ter zitting van de rechtbank op 16 december 2005 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het overgelegde rijbewijs, de lidmaatschapskaart en de informatie van Amnesty International niet op grond van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken, omdat eiser deze stukken eerder had kunnen en dus moeten overleggen. De overige stukken kunnen wel worden meegenomen.

4.1.Ter zitting van de rechtbank op 19 januari 2006 heeft eiser in het kader van het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) inzake Said vs Nederland (5 juli 2005, gepubliceerd in onder meer JV 2005, 304) het volgende betoogd. Naar aanleiding van het Said-arrest is het wenselijk dat de Nederlandse rechter in vreemdelingenzaken met betrekking tot verweerders (on)geloofwaardigheidsoordeel over het asielrelaas voortaan een minder marginale toets aanlegt dan thans het geval is. Indien verweerder beschikt over materiaal waaruit blijkt dat evident een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt, kan verweerder daar niet de ogen voor sluiten; onzorgvuldigheden in een eerdere procedure dienen dan niet voor rekening van de vreemdeling te komen. Gelet op recente jurisprudentie van het EHRM geeft verweerder voorts een onjuiste toepassing aan artikel 83 van de Vw 2000 en zou in een AC-procedure nieuw bewijs, gelet op de tijdsdruk in een AC-procedure, ten volle bij de beoordeling moeten worden betrokken.

4.2. Verweerder heeft ter zitting van 19 januari 2006 desgevraagd meegedeeld dat - afgezien van de stukken van Amnesty International - de overige algemene stukken, waaronder de stukken over het geld van Biafra, wel kunnen worden meegenomen, maar niet aan het oordeel van verweerder afdoen. Anders dan verweerder ter zitting van 16 december 2005 heeft gesteld, is verweerder thans van oordeel dat de lidmaatschapskaart van MASSOB wel bij het beroep kan worden betrokken, maar dat deze het oordeel van verweerder dat het relaas ongeloofwaardig is, bevestigt. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld geen behoefte te hebben aan de schriftelijke reactie, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000. In het bestreden besluit is geen overweging over het ontbreken van positieve overtuigingskracht opgenomen, maar zijn zowel eisers identiteit als zijn verklaringen betreffende het relaas volstrekt ongeloofwaardig bevonden. De geloofwaardigheidstoets die verweerder in het bestreden besluit heeft aangelegd komt overeen met de toets die het EHRM in de zaak-Said heeft toegepast. Verweerder is van mening dat uit het Said-arrest niet kan worden afgeleid dat verweerders oordeel ten aanzien van de geloofwaardigheid door de rechter thans niet meer marginaal dient te worden getoetst. De uitspraak van de AbRS van 11 december 2003 (JV 2004, 52) heeft volgens verweerder nog steeds gelding.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

3. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6. De rechtbank stelt vast eiser in beroep nadere stukken heeft overgelegd. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is dan ook of deze stukken bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken.

7. Artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 83 van de Vw 2000 wordt alleen rekening gehouden met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, relevant kunnen zijn.

8. Zoals de AbRS heeft geoordeeld in haar uitspraak van 10 september 2004 (JV 2004, 414) dient de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000 te worden beantwoord aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden bij de toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in die zin moeten volgens vaste jurisprudentie worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen ná het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd.

9. De AbRS heeft, onder meer in haar uitspraken van 5 maart 2002 (JV 2002/125) en 18 december 2002 (200205538/1, LJN AR3943), overwogen dat de vreemdeling die om bescherming vraagt, zelfs indien sprake is van gedwongen terugkeer naar een land waar, naar gesteld, een reëel risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing, in de regel moet voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, welke ertoe dienen de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen (arrest van het EHRM van 19 februari 1998 inzake Bahaddar (JV 1998/45)). Artikel 83 van de Vw 2000 betreft, evenals artikel 4:6 van de Awb, een dergelijke in het nationale recht neergelegde procedureregel.

10. Uit de jurisprudentie van de AbRS volgt dat de hiervoor weergegeven mogelijkheid om voorbij te zien aan een nationale procedureregel zeer restrictief dient te worden toegepast. Alleen in een geval waarbij niet in geschil was dat bij uitzetting naar het land van herkomst artikel 3 van het EVRM evident zou worden geschonden, heeft de AbRS geoordeeld dat sprake was van een bijzondere omstandigheid (in haar uitspraak van 24 april 2003, JV 2003, 280). De rechtbank leidt uit het arrest van het EHRM inzake N vs Finland (26 juli 2005, gepubliceerd in onder meer JV 2005, 306) af dat het EHRM, althans voor zijn eigen oordeelsvorming, een minder restrictieve benadering voorstaat wat betreft het betrekken van nieuwe feiten en omstandigheden in de lopende procedure. Zo heeft het EHRM zelf bewijs vergaard ten behoeve van de te nemen beslissing en dat bewijs betrokken bij zijn oordeel. Dit verschil in benadering kan leiden tot een verschil in uitkomst.

Gelet op voornoemd arrest inzake N vs Finland is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling die om bescherming vraagt in beginsel dient te voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder artikel 83 van de Vw 2000, doch dat onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden de noodzaak kan bestaan om deze regels niet tegen te werpen. Deze mogelijkheid dient evenwel, in het bijzonder in AC-procedures, waarin de termijnen zeer kort zijn, naar het oordeel van de rechtbank niet zo restrictief te worden toegepast dat van dergelijke bijzondere omstandigheden slechts sprake kan zijn in geval van een ook naar het oordeel van verweerder evidente dreiging van schending van artikel 3 van het EVRM.

11. Toegepast op de onderhavige zaak brengt het hiervoor weergegeven toetsingskader de rechtbank tot de volgende conclusies.

12. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de stukken die eiser na het bestreden besluit heeft overgelegd, genoemd onder II.2.3 tot en met II.2.5, op grond van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken.

13. De rechtbank overweegt in dat kader allereerst dat zij de overgelegde stukken die slechts zien op eisers identiteit en nationaliteit, nog daargelaten de vraag of deze zijn aan te merken als feiten en omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 83 van de Vw 2000, op grond van artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 niet bij de beoordeling van het beroep zal betrekken. Nu het ontbreken hiervan geen rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van verweerders oordeel dat het relaas ongeloofwaardig is, kunnen deze stukken immers niet relevant zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De kopie van het Nigeriaanse rijbewijs, het afschrift van eisers Visa-card en het afschrift van eisers Nigeriaanse werkpasje zullen derhalve niet bij de beoordeling worden betrokken.

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder II.2.3. genoemde informatie over Biafra en de MASSOB uit 2000 en 2001 niet worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 dan wel 4:6 van de Awb. Deze informatie dateert immers van (ruim) voor het bestreden besluit en kon eerder worden overgelegd.

Het onder II.2.4. genoemde geschrift van H kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 dan wel 4:6 van de Awb, nu dit geschrift geen datum bevat en derhalve niet kan worden vastgesteld of dit stuk dateert van na het bestreden besluit.

Ook de onder II.2.5 genoemde informatie die door Amnesty International aan de gemachtigde van eiser is gestuurd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 dan wel 4:6 van de Awb. Hoewel deze informatie eerst bij brief van 24 november 2005, dus na het bestreden besluit, aan de gemachtigde van eiser is toegezonden, is geen sprake van informatie die niet vóór het nemen van het eerdere besluit kon worden overgelegd. De informatie van Amnesty International betreft immers informatie die dateert van voor het nemen van het besluit. Voorts betreft het informatie uit openbare bron, zodat deze eerder voor eiser dan wel voor zijn gemachtigde toegankelijk was. Derhalve valt niet in te zien waarom deze informatie niet eerder had kunnen worden overgelegd.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onder II.2.5 genoemde artikel uit “The News” van 15 augustus 2005 niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 dan wel 4:6 van de Awb. Dit artikel dateert immers van voor het bestreden besluit. Voorts is onduidelijk hoe eiser aan dit artikel gekomen is, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat eiser dit stuk niet eerder over kon leggen.

15. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden die ertoe nopen om ten aanzien van de hiervoor onder V.14 besproken stukken het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000 niet aan eiser tegen te werpen. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de betreffende stukken weliswaar zijn overgelegd in een AC-procedure, waarin de tijdsdruk hoog is, maar dat, anders dan eiser (kennelijk) heeft betoogd, niet aannemelijk is geworden dat de tijdsdruk in dit geval een dergelijke bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheid is geweest. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het hierbij voor een groot deel stukken betreft die afkomstig zijn uit openbare bron en die mitsdien op ieder moment voor eiser dan wel zijn gemachtigde toegankelijk waren. Overige bijzondere omstandigheden zijn door eiser niet gesteld.

16. De overige onder II.2.3 tot en met II.2.5 genoemde stukken dateren van na het bestreden besluit, althans hadden naar het oordeel van de rechtbank niet eerder kunnen worden overgelegd, en zijn derhalve aan te merken als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder is in de gelegenheid geweest schriftelijk op deze stukken te reageren, respectievelijk heeft ter zitting aangegeven geen prijs te stellen op een nadere reactie als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000. Nu voorts de goede procesorde zich daar niet tegen verzet, zal de rechtbank deze overige stukken bij de beoordeling van het beroep betrekken.

17. Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit dient de rechtbank vervolgens te bepalen welk toetsingskader verweerder bij de totstandkoming van dat besluit heeft gehanteerd. In dat kader geldt het volgende.

18. Verweerder heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Ter zitting is de vraag aan de orde geweest hoe dit standpunt in het bestreden besluit tot stand is gekomen, onder meer omdat in het besluit geen overweging over het niet aanwezig zijn van positieve overtuigingskracht is opgenomen. De rechtbank begrijpt (de opbouw en motivering van) verweerders standpunt, mede gelet op de toelichting van de gemachtigde van verweerder ter zitting als weergegeven onder IV.4.2, aldus dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar aan eiser heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar niet over documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas beschikt als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000, maar dat verweerder hieraan geen consequenties heeft verbonden voor het toetsingskader van de geloofwaardigheid van het relaas. Verweerder heeft daarna immers overwogen dat de door eiser aangevoerde redenen voor zijn vertrek uit het land van herkomst ook op zichzelf genomen niet als geloofwaardig zijn aan te merken, - naar de rechtbank begrijpt - omdat, gelet op eisers gebrek aan kennis over de MASSOB, niet geloofwaardig is dat hij lid is van of op relevante wijze betrokken is bij de MASSOB.

19. Ter zitting is door verweerder gesteld dat hij bij de (hiervoor weergegeven) toetsing van de geloofwaardigheid de criteria uit het Said-arrest heeft betrokken. De rechtbank stelt vast dat deze criteria uit het Said-arrest ten eerste inhouden of de door de vreemdeling afgelegde verklaringen in het algemeen gesproken geloofwaardig kunnen worden geacht, waarbij bijzondere aandacht op zijn plaats is voor de vraag of die verklaringen innerlijk consistent zijn. Ten tweede is van belang of die verklaringen passen in hetgeen overigens uit openbare bronnen bekend is en of eiser zijn bestrijding van het geloofwaardigheidsoordeel gemotiveerd heeft onderbouwd. Geen overwegende betekenis dient te worden toegekend aan een element dat wellicht enigszins opmerkelijk mag worden genoemd.

20. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder, het hiervoor weergegeven toetsingskader hanterend, zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Bij die beoordeling zal de rechtbank, mede gelet op de door verweerder gehanteerde toetsingswijze, een zekere terughoudendheid betrachten. Daarbij is voorts van belang dat conform vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer uitspraken van 27 januari 2003 (JV 2003, 103), 11 december 2003 (JV 2004, 52) en 14 maart 2005 (JV 2005, 182)) de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in het asielrelaas gestelde feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort en die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. De maatstaf bij die toetsing is volgens de AbRS niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. De rechtbank is, anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, van oordeel dat het Said-arrest op zichzelf dit niet anders maakt. Het EHRM heeft in dat arrest de geloofwaardigheid van het relaas weliswaar vol getoetst, maar wijkt hierin niet af van de wijze waarop het EHRM in eerdere zaken heeft getoetst. In het Said-arrest geeft het EHRM voorts geen oordeel over de terughoudende toets van de Nederlandse bestuursrechter ten aanzien van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder. Gelet hierop ziet de rechtbank thans geen aanleiding af te wijken van het oordeel dat de AbRS heeft gegeven in haar hiervoor genoemde uitspraak van

11 december 2003, waarin de AbRS heeft geoordeeld dat er in het licht van de jurisprudentie van het EHRM geen grond is voor het oordeel dat de terughoudende toetsing door de rechter in strijd is met artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 3 van het EVRM.

21. Gelet op de in V.18 weergegeven opbouw van verweerders standpunt zal de rechtbank niet ingaan op de door eiser overgelegde documenten die zien op eisers identiteit en nationaliteit, nu het ontbreken hiervan geen rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van verweerders oordeel dat het relaas ongeloofwaardig is. Verweerder heeft aan zijn oordeel immers (uitsluitend) ten grondslag gelegd dat ongeloofwaardig is dat eiser op relevante wijze betrokken is bij de MASSOB, gelet op zijn gebrek aan kennis over de MASSOB - welk gebrek voor iemand uit het middenkader van de MASSOB des te opmerkelijker is.

22. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit in de eerste plaats overwogen dat eiser niet op de hoogte is gebleken van de precieze oprichtingsdatum van de MASSOB. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser de hierover gestelde vragen onjuist heeft beantwoord. Immers, tijdens het nader gehoor heeft eiser op de vraag wanneer de MASSOB is opgericht, geantwoord: “Ik denk dat het ergens moet zijn rond 2000 of 2001. De overheid heeft het voorboden (de rechtbank leest: verboden) in 2001.” (Verslag nader gehoor, blz. 6) en dat hij op de vraag wanneer de precieze oprichtingsdatum van de MASSOB was, heeft geantwoord: “Ergens in 2000 of 2001. Er was een vertraging vanwege militaire regering en er geen vrijheid van mening was.” Op de opmerking van de contactambtenaar dat volgens zijn informatie de oprichting in 1999 was en de vraag hoe het kan dat eiser anders verklaart, heeft eiser geantwoord: “Zoals ik al zei was het al gedurende een langere tijd in oprichting. Maar dat de pers er aandacht aan ging besteden, was in 2000 2001.” (Verslag nader gehoor, blz. 8). De rechtbank stelt voorts vast dat uit de informatie die verweerder bij het voornemen heeft gevoegd en die afkomstig is van Internet, derhalve van een openbare bron, blijkt dat H de MASSOB in 1999 heeft opgericht. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser niet op de hoogte is van de precieze oprichtingsdatum van de MASSOB. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het gebrek aan (precieze) kennis van dit gegeven bevreemdend mag worden geacht voor iemand als eiser, die immers stelt jarenlang intensief en op een verantwoordelijke positie deel te hebben uitgemaakt van een organisatie waarin het voor de hand ligt te veronderstellen dat dit gegeven tot de basiskennis behoort. Verweerder heeft voorts naar het oordeel van de rechtbank de door eiser in de zienswijze gegeven verklaring, namelijk dat hij dit heeft gecorrigeerd, in redelijkheid onvoldoende kunnen achten, gelet op het feit dat verweerder deze vraag meerdere keren heeft gesteld en eiser bij herhaling een onjuist antwoord heeft gegeven.

23. Verweerder heeft eiser voorts tegengeworpen dat hij niet heeft kunnen aangeven hoe de naam luidt van de munteenheid die de MASSOB in Biafra wenst in te voeren. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser ook in dit verband onjuiste antwoorden heeft gegeven. Hij heeft immers op de vraag tijdens het nader gehoor hoe de munteenheid van Biafra heet, geantwoord: “Wij noemen het ego (dat is het woord voor geld in Iboland) of Biafran. Het Biafraanse geld is slechts iets dat wordt gebruikt in de top van de organisatie en het wordt gebruikt als propaganda.” Op de vraag of het nog een andere naam heeft, zoals de dollar uit de VS, de euro uit Europa en het pond uit Engeland, heeft eiser geantwoord: “Wij noemen het zoals ik al zei en het is zoals ik al zei iets van de top van de organisatie. Ze willen dit niet vrijgeven.” (Verslag nader gehoor, blz. 8/9). Voorts heeft eiser nog verklaard dat de leider van de MASSOB heeft gezegd dat zij dit jaar (ook) hun eigen valuta wil hebben: de Biafra currency. (Verslag nader gehoor, blz. 9). Uit zowel de informatie die verweerder bij het voornemen als de informatie die verweerder bij het bestreden besluit heeft gevoegd, welke informatie in beide gevallen afkomstig is van Internet, blijkt echter dat het gaat om de Biafran pound of de Biafran dollar. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft kunnen aangeven hoe de naam luidt van de munteenheid die de MASSOB in Biafra wenst in te voeren. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij iemand als eiser ook op dit punt kennis bekend mag worden verondersteld.

24. Voorts heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij niet weet hoe de vlag van een eventueel onafhankelijk Biafra eruit zal gaan zien. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er ook een vlag is, die niet is geaccepteerd als nationale vlag. “Wit en geel en een oprijzende zon”, heeft eiser daaraan toegevoegd (verslag nader gehoor, blz. 8). De rechtbank stelt vast dat uit de informatie die verweerder bij het voornemen heeft gevoegd en waarop de bewuste vlag is te zien, in ieder geval blijkt, gelet op de donkere kleuren ervan, dat geen sprake kan zijn van een wit-en-gele vlag. Dat de door eiser gegeven beschrijving van de vlag onjuist is, wordt bovendien bevestigd door de verklaring die Chief Okoro ter zitting op 16 december 2005 als getuige heeft afgelegd, namelijk dat de vlag van Biafra zwart, rood en groen is, met een rijzende zon, het symbool van Biafra, en dat deze vlag altijd zo is geweest. Ook met betrekking tot dit kennismanco is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij iemand als eiser kennis op dit punt mag worden verondersteld.

25. Verweerder heeft eiser vervolgens tegengeworpen dat hij niets heeft kunnen vertellen over belangrijke gebeurtenissen betreffende de MASSOB, zoals de dood van ten minste zeven MASSOB-leden tijdens een vreedzame demonstratie in 2003 en het feit dat in juli 2005 53 MASSOB-leden voor de rechtbank zijn verschenen in verband met een beschuldiging van landverraad omdat ze hadden deelgenomen aan een voetbaltoernooi dat door de MASSOB in 2004 was georganiseerd, en dat hij een onjuiste uitleg heeft gegeven van de succesvolle “stay-at-home”-actie die de MASSOB op 26 augustus 2004 heeft gevoerd.

De rechtbank stelt vast dat eiser de eerste twee gebeurtenissen niet genoemd heeft toen hem naar recente gebeurtenissen aangaande de MASSOB werd gevraagd (verslag nader gehoor, blz. 10). Ook op meer specifieke vragen van de contactambtenaar heeft eiser niets over deze gebeurtenissen in 2003 en 2005 verteld. De rechtbank wijst in dit verband op de volgende passage uit het nader gehoor (verslag nader gehoor, blz. 10):

Wat gebeurde er in juli 2005 tussen de Massob en de regering?

Als ik me goed herinner was het op 27 juli en was een confrontatie tussen het ‘Youth Congress’ en de staatsveiligheidsdienst. En het jongerencongres heeft eigenlijk toch gedriegd de wapens op te nemen als de onmenselijke behandeling niet stopt.

Weet u iets van een zeer recente zaak van 53 Massob-leden die waren opgepakt?

Dat is niet zo speciaal. Het gebeurt zo vaak. Maar dit is dan toevallig bij de pers terechtgekomen.

Wat was er toen aan de hand met de zaak van de 53 leden van de Massob?

Zoals ik al zei is het voor ons niet zo bijzonder.

Maar wilt u mijn vraag beantwoorden?

Het gebeurt elke dag dat er 100 mensen worden opgepakt.

Maar wat was er aan de hand in het geval waar ik u naar vraag?

Ik ben niet in de positie om de vraag te beantwoorden.

Waarom niet?

Het gebeurt zo vaak. Een paar komen bij de pers terecht.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser tijdens het nader gehoor op de vraag of hij een belangrijke gebeurtenis kan noemen die in 2003 heeft plaatsgevonden, heeft geantwoord: “Ik was niet in Nigeria.” Op de aanname van de contactambtenaar dat eiser, gelet op zijn betrokkenheid, zich wel op de hoogte heeft gesteld van de gebeurtenissen in Nigeria, heeft eiser vervolgens geantwoord: “Zeker. Er waren veel activiteiten. Krantenberichten. Ik kan het me niet meer herinneren.” Gelet op het voorgaande constateert de rechtbank dan ook met verweerder dat eiser niets over deze gebeurtenissen in 2003 en 2005 heeft weten te vertellen.

Ten aanzien van verweerders overweging dat eiser niet bekend is gebleken met en een onjuiste uitleg heeft gegeven van de “stay-at-home”-actie uit augustus 2004, overweegt de rechtbank als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser tijdens het nader gehoor op de vraag wat er in augustus 2004 gebeurde, heeft geantwoord: “Opnieuw moet ik zeggen dat ik dat niet weet. Ik was niet in Nigeria.” (verslag nader gehoor, blz. 10). Gevraagd naar de “stay-at-home”-actie uit 2004 heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor het volgende verklaard (verslag aanvullend gehoor, blz. 7/8):

Bent u bekend met het begrip ‘stay-at-home’?

Het betekent dat je geen problemen moet maken. Het is een soort avondklok. Maar het betekent ook dat je actie moet ondernemen.

Wat voor actie?

Als ze je oproepen vertel je de leden ‘stay at home’. Negentig procent van de leden hebben een mobiele telefoon. We bellen ze en zeggen ‘stay at home’ en noemen een tijd. Het betekent dat je op die tijd moet meedoen aan een demonstratie.

Uit de informatie die verweerder bij het voornemen heeft gevoegd en die afkomstig is uit openbare bron blijkt echter dat de “stay-at-home”-actie, die plaatsvond op 26 augustus 2004, een actie betrof van de MASSOB waarbij het economisch verkeer in de regio werd ontregeld doordat MASSOB-leden massaal thuis bleven en niet naar hun werk gingen. De rechtbank stelt dan ook met verweerder vast dat eiser een onjuiste uitleg heeft gegeven van het begrip “stay-at-home”-actie.

26. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verklaring die eiser voor zijn gebrek aan kennis over deze belangrijke gebeurtenissen betreffende de MASSOB, namelijk dat hij lange tijd in het buitenland verbleef, in redelijkheid niet toereikend heeft hoeven achten en mitsdien het gebrek aan kennis over deze feiten niet heeft hoeven beschouwen als een element dat wellicht enigszins opmerkelijk mag worden genoemd, maar waaraan, gelet op hetgeen overigens is gebleken, geen overwegende betekenis behoort te worden toegekend. De rechtbank laat in dat kader meewegen dat Chief Okoro ter zitting van 16 december 2005 als getuige heeft verklaard dat niet elk MASSOB-lid op de hoogte hoeft te zijn van alle incidenten die plaatsvinden, maar dat dit wel geldt voor mensen aan de top van de organisatie, en dat elk MASSOB-lid in ieder geval wel op de hoogte zal zijn van de belangrijkste incidenten, zoals bijvoorbeeld de “stay-at-home”-actie. Ook al volgt uit eisers verklaringen niet dat hij in zijn eigen opvatting tot de top van de organisatie behoort, de verklaring van Chief Okoro weegt eerder in eisers nadeel dan in zijn voordeel.

27. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser weinig kennis heeft over zaken die de MASSOB betreffen. Daarbij heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van iemand met eisers positie in de MASSOB, en de duur van zijn betrokkenheid daarbij, verwacht mag worden dat hij meer over de MASSOB weet te vertellen dan eiser heeft gedaan.

28. Naar het oordeel van de rechtbank kan de conclusie die verweerder aan dit gebrek aan kennis heeft verbonden, namelijk dat ongeloofwaardig is dat eiser betrokken is bij de MASSOB, ook bezien in het licht van de maatstaven uit het Said-arrest, de redelijkheidstoets doorstaan. Verweerder heeft bij zijn oordeel immers, zoals blijkt uit rechtsoverwegingen V.22 tot en met V.26, betrokken dat de door eiser gegeven informatie niet past in hetgeen uit openbare bronnen bekend is, en heeft het gebrek aan kennis van eiser (kennelijk) van een dusdanige aard en omvang geacht dat dit niet louter als een enigszins opmerkelijk element kan worden beschouwd. Verweerder heeft de criteria als genoemd in het Said-arrest dan ook genoegzaam bij de totstandkoming van het bestreden besluit betrokken.

29. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de door eiser in beroep overgelegde lidmaatschapskaart van de MASSOB niet afdoet aan verweerders oordeel dat ongeloofwaardig is dat eiser betrokken is bij de MASSOB op de wijze zoals eiser heeft gesteld. Daartoe wijst de rechtbank op eisers verklaring tijdens het nader gehoor, waarin hij op de vraag of hij daadwerkelijk een MASSOB-lidmaatschapskaart had, heeft geantwoord: “Nee, dat hebben we met opzet niet, anders zouden we makkelijk herkenbaar zijn. We hebben codenamen. We zouden met een lidmaatschapskaart makkelijk identificeerbaar zijn. We zouden dan gekenmerkt zijn en we zouden een makkelijk doelwit zijn.” (Verslag nader gehoor, blz. 5). Gelet op deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid vraagtekens heeft kunnen plaatsen bij eisers verklaring dat later op zijn verzoek wel een lidmaatschapskaart voor hem is opgemaakt. Nu deze verklaring bovendien strijdig is met eisers eerdere verklaring over het bezit van een lidmaatschapskaart, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat nader onderzoek naar deze lidmaatschapskaart niet geïndiceerd is.

30. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook de door eiser in beroep overgelegde e-mails en de fax van MASSOB-leden, waarin zij eisers lidmaatschap van de MASSOB bevestigen, niet afdoen aan verweerders ongeloofwaardigheidsoordeel, nu deze e-mails en fax niet afkomstig zijn uit een als voldoende objectief aan te merken bron en niet controleerbaar zijn.

31. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag bovendien binnen het AC kunnen afwijzen. Van een zorgvuldigheidsgebrek is geen sprake, te minder nu verweerder zijn standpunt reeds in het voornemen heeft doen steunen op bij dat voornemen gevoegde informatie afkomstig uit openbare bron en ook bij het bestreden besluit nog nadere informatie uit openbare bron heeft gevoegd. Eisers klacht dat sprake is van onzorgvuldige verslaglegging van hetgeen in het nader gehoor aan de orde is geweest, doet, wat daar overigens van zij, niet af aan het oordeel dat de onderhavige zaak voor wat betreft de zorgvuldigheid in het AC kon worden afgedaan.

32. De beroepsgronden die zien op de zwaarwegendheid van het relaas behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

33. De conclusie is dan ook dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

34. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

35. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

VI. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. H.B. van Gijn, voorzitter en mrs. W.J. van Bennekom en C.P.E. Meewisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Huys, griffier, en openbaar gemaakt op: 10 maart 2006

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 10 maart 2006

Conc.: AH

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.