Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV4373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/57018, 05/57017
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Schipholbrand.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand is uitgesloten dat de door eiser aan de herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden kunnen afdoen aan verweerders slotbeslissing ten aanzien van verzoekers beroep op de c-grond van artikel 29 Vw 2000 in het eerdere besluit, en dat derhalve geen sprake is van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling van verzoekers beroep op de c-grond van voornoemd artikel rechtvaardigen. Daarnaast is op voorhand uitgesloten dat de betrokkenheid van verzoeker als slachtoffer bij de brand op Schiphol en de brand(en) op de detentieboot Reno en de gevolgen die verzoeker stelt als gevolg daarvan te ondervinden thans kunnen leiden tot een vergunning op de c-grond van artikel 29 Vw 2000. Ten aanzien van het traumatabeleid geldt dat de voorwaarden inzake hoedanigheid en positie van degenen die de traumatische gebeurtenissen hebben veroorzaakt tot de essentie van dit beleid als zijnde asielbeleid behoren en dat de uitsluiting van traumatische gebeurtenissen die zich in elk land kunnen voordoen en waartegen de overheid van het land van herkomst pleegt op te treden, bij de vaststelling van het beleid uitdrukkelijk in de overwegingen is betrokken. De aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden kunnen evenmin afdoen aan de slotbeslissing van verweerder in het eerdere besluit ten aanzien van verzoekers beroep op de b-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker thans aangedragen omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder thans niet opnieuw, op grond van de in het eerdere besluit gehanteerde redenen, tot ongeloofwaardigheid van het relaas zou kunnen concluderen en om die reden verzoeker een vergunning op de b-grond van artikel 29 Vw 2000 zou kunnen onthouden. Daarnaast is om nog andere redenen op voorhand uitgesloten dat de betrokkenheid van verzoeker bij de brand op Schiphol en de brand(en) op de detentieboot Reno en de medische gevolgen die verzoeker stelt als gevolg daarvan te ondervinden thans kunnen leiden tot een vergunning op de b-grond van artikel 29 Vw 2000. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet het ervoor worden gehouden dat de jegens de overlevenden van de Schipholbrand gedane toezegging om specifiek naar aanleiding van de ramp onderzoek te doen plaatsvinden naar de medische, psychologische en/of psychiatrische gevolgen van de ramp, in het geval van verzoeker nog immer niet is nagekomen. De voorzieningenrechter acht dit laakbaar en betreurenswaardig. Aan deze constatering en dat oordeel kan evenwel in dit geding in rechte niet de betekenis toekomen die verzoeker eraan gehecht zou willen zien. Nu verweerders standpunt, dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, gebaseerd is op de resultaten van deze onderzoeken alsmede de eerdere medische onderzoeken die vóór de brand hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat verweerder de medische toestand van verzoeker onvoldoende heeft onderzocht. In hetgeen in genoemde medische stukken is vermeld omtrent de gezondheidstoestand van verzoeker heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond hoeven vinden om aannemelijk gemaakt te achten dat verzoeker lijdt aan een ziekte die zich in een zodanig vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt dat zijn terugkeer naar India in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Hieruit vloeit tevens logischerwijze voort dat in het onderhavige geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die ertoe nopen dat het uit artikel 4:6 Awb volgende toetsingskader terzijde dient te worden geschoven. De slotsom moet zijn dat aan de onderhavige aanvraag geen nova ten grondslag zijn gelegd en dat verweerder de aanvraag op goede gronden met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb in het AC heeft afgewezen. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 05/57018 (voorlopige voorziening)

AWB 05/57017 (beroep asiel)

V-nr.: 270.714.9851

inzake:` A, (die stelt te zijn) geboren op [...] 1987, van (gestelde) Indiase nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium de Tafelbergweg te Amsterdam, verzoeker/verzoeker, hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.B. Klaus, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 december 2005 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2005 waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 30 december 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer M. Khan als tolk in de Punjabi taal.

3. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb binnen de aanmeldcentrum (AC)-procedure afgewezen. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag kan worden afgewezen op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000, of, zoals in het onderhavige geval is geschied, op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4. De aanvraag die aan de onderhavige procedure ten grondslag ligt is een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw 2000 van 14 december 2005. Verzoeker heeft eerder, te weten op 12 april 2005, een dergelijke verblijfsvergunning aangevraagd. De daarop door verweerder genomen afwijzende beslissing van 22 mei 2005 is in rechte komen vast te staan, nu het daartegen ingediende beroep op 16 juni 2005 is ingetrokken en er daarna verder geen rechtsmiddelen meer zijn aangewend tegen genoemde beschikking. Op grond hiervan stelt de voorzieningenrechter vast dat het hier gaat om een herhaalde asielaanvraag, waarop artikel 4:6 van de Awb van toepassing is.

5. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager in geval van een herhaalde aanvraag gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

6. Ter bepaling van de omvang van de door de voorzieningenrechter te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, zal de voorzieningenrechter, los van de stellingname van partijen, direct moeten treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden verstaan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden, en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede stukken die kunnen dienen ter ondersteuning van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op voornoemde bepaling behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

7. Aan de herhaalde asielaanvraag is, blijkens het zogenoemde 4:6 gehoor van 14 december 2005 en de zienswijze van 18 december 2005, ten grondslag gelegd dat verzoeker na de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag gezondheidsproblemen heeft gekregen en dat hij als gevolg van betrokkenheid als slachtoffer bij de brand die plaatsvond in het uitzendcentrum Schiphol in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 ernstige psychische en lichamelijke klachten heeft gekregen en getraumatiseerd is geraakt. Verzoeker is na deze brand overgeplaatst naar de detentieboot Reno, waar ook brand(en) heeft/hebben plaatsgevonden. Na dit alles is verzoeker er medisch zeer slecht aan toe. Verzoeker zou op grond hiervan in aanmerking dienen te worden gebracht van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, dan wel artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Ten aanzien van het beroep op de c-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000

8.1 De door verzoeker aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden dateren van na het eerdere besluit van 22 mei 2005. Ook kan van deze omstandigheden op zichzelf genomen niet worden gezegd dat zij niet kunnen afdoen aan de overwegingen waarop het eerdere besluit rust. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat op voorhand is uitgesloten dat deze omstandigheden kunnen afdoen aan verweerders slotbeslissing ten aanzien van verzoekers beroep op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 in het eerdere besluit, en dat derhalve geen sprake is van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling van verzoekers beroep op de c-grond van voornoemd artikel rechtvaardigen. Daartoe is het volgende redengevend.

8.2 In het eerdere besluit heeft verweerder verzoeker een vergunning op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 onthouden omdat geen geloof werd gehecht aan het asielrelaas van verzoeker, gelet op het toerekenbaar ontbreken van documenten, de uitslag van het leeftijdsonderzoek en tegenstrijdige en vage verklaringen van de zijde van verzoeker.

8.3 De door verzoeker aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden, te weten de betrokkenheid als slachtoffer bij de brand in het uitzendcentrum Schiphol en de brand(en) op de detentieboot Reno en de gestelde psychische en fysieke gevolgen daarvan, kunnen - ook indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat verzoeker als gevolg van genoemde gebeurtenissen ernstig getraumatiseerd is geraakt - niet tot het oordeel leiden dat verweerder thans niet opnieuw aan verzoeker het ontbreken van documenten, de uitslag van het leeftijdsonderzoek en de in het relaas geconstateerde tegenstrijdigheden en vaagheden zou kunnen tegenwerpen.

8.4 Daarnaast is op voorhand uitgesloten dat de betrokkenheid van verzoeker als slachtoffer bij de brand op Schiphol en de brand(en) op de detentieboot Reno en de gevolgen die verzoeker stelt als gevolg daarvan te ondervinden thans kunnen leiden tot een vergunning op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Het beleid van verweerder inzake traumata en individuele klemmende redenen van humanitaire aard zoals neergelegd in hoofdstuk C1/4.2.1 en 4.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 stelt immers als voorwaarde dat de traumatiserende gebeurtenis(sen) dan wel de bijzondere individuele klemmende redenen aanleiding moeten zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.

Ten aanzien van het traumatabeleid geldt dan nog in het bijzonder dat de voorwaarden inzake hoedanigheid en positie van degenen die de traumatische gebeurtenissen hebben veroorzaakt tot de essentie van dit beleid als zijnde asielbeleid behoren en dat de uitsluiting van traumatische gebeurtenissen die zich in elk land kunnen voordoen en waartegen de overheid van het land van herkomst pleegt op te treden, bij de vaststelling van het beleid uitdrukkelijk in de overwegingen is betrokken. Daarom kunnen traumatiserende gebeurtenissen die zich in een ander land dan het land van herkomst hebben voorgedaan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken. Het beleid inzake individuele klemmende redenen van humanitaire aard vermeldt voorts met zoveel woorden dat humanitaire redenen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, niet kunnen leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Bij de vaststelling van dit beleid is derhalve expliciet rekening gehouden met de vraag hoe zou dienen te worden aangekeken tegen individuele klemmende redenen van humanitaire aard die zich in een ander land dan het land van herkomst hebben voorgedaan. Derhalve kunnen dergelijke redenen evenmin worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.

Bij haar oordeelsvorming op dit punt heeft de voorzieningenrechter steun gevonden in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2005, nummer 200504021/1.

Ten aanzien van het beroep op de b-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000

9.1 De door verzoeker aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden dateren van na het eerdere besluit van 22 mei 2005. Daarnaast kan van de door verzoeker aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheden niet worden gezegd dat deze niet kunnen afdoen aan de overwegingen waarop het eerdere besluit van 22 mei 2005 rust waar het betreft verzoekers beroep op de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Ook hier is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat deze omstandigheden niet kunnen afdoen aan de slotbeslissing van verweerder in het eerdere besluit ten aanzien van verzoekers beroep op de b-grond van voornoemd artikel, en dat daarom niet kan worden gezegd dat sprake is van een novum dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling van het geschil tussen partijen ten aanzien van verzoekers beroep op de b-grond rechtvaardigt. De volgende redenen liggen aan dit oordeel ten grondslag.

9.2 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

9.3 In het eerdere besluit heeft verweerder verzoeker een vergunning op de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 onthouden omdat er geen geloof werd gehecht door verweerder aan het asielrelaas van verzoeker gelet op het toerekenbaar ontbreken van documenten, de uitslag van het leeftijdsonderzoek en tegenstrijdige en vage verklaringen van de zijde van verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker thans aangedragen omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder thans niet opnieuw, op grond van genoemde drie redenen, tot ongeloofwaardigheid van het relaas zou kunnen concluderen en om die reden verzoeker een vergunning op de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 zou kunnen onthouden.

9.4 Daarnaast is, om nog andere redenen, op voorhand uitgesloten dat de betrokkenheid van verzoeker bij de brand op Schiphol en de brand(en) op de detentieboot Reno en de medische gevolgen die verzoeker stelt als gevolg daarvan te ondervinden thans kunnen leiden tot een vergunning op de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

9.5.1 Volgens uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 2 mei 1997 (gepubliceerd in RV 1997, 70) en van 6 februari 2001 (gepubliceerd in JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens die uitspraken sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

9.5.2 De voorzieningenrechter stelt op grond van de gedingstukken het volgende vast.

In de periode van 11 juni 2005 tot 18 oktober 2005 is verzoeker blijkens de bij de zienswijze overgelegde medische gegevens onderzocht wegens diverse medische klachten, te weten pijn in de oren, jeuk over het lichaam, huidirritaties, braken, misselijkheid, pijn in de hartstreek, buikpijn, pijn in de armen en benen en onderrug, vermoeidheid, neusademhalingsproblemen, benauwdheid, hoofdpijn en pijnlijke plekken in de mond en onder de tong. Bladzijde 3 van dit stuk vermeldt bij de datum 30 augustus 2005 het volgende: “uitgelegd dat aan het hart niet veel te vinden is tot nu toe.”

9.5.3 Verzoeker is vervolgens als slachtoffer betrokken geraakt bij de Schipholbrand. Hij verbleef in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 in unit L, een unit gelegen naast unit K, waar de brand heeft gewoed. Na deze gebeurtenis is verzoeker overgeplaatst naar detentieboot Reno. Op die boot is vervolgens meerdere malen het brandalarm afgegaan en is de brandweer ter plekke geweest. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2005 is gelast dat de plaats van tenuitvoerlegging van de aan verzoeker opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt gewijzigd. In de uitspaak is overwogen:

“Verzoeker heeft verklaard dat de toezeggingen van de Ministers, welke zijn neergelegd in de brief van 1 november 2005, in de praktijk niet zijn en worden nagekomen. Ook heeft verzoeker ter zitting van 10 november 2005 verklaard dat ook op de detentieboot Reno inmiddels driemaal het brandalarm is afgegaan, laatstelijk in de nacht van 9 op 10 november 2005, waarna ook de brandweer is gekomen. De celdeuren zijn bij het afgaan van het brandalarm automatisch op slot gegaan. De rechtbank acht aannemelijk dat ook verzoeker, gelet op zijn recente ervaring op het detentiecentrum Schiphol-Oost, van deze brandmelding erg is geschrokken. Verzoeker heeft aangegeven dat hij op grond daarvan thans ‘s nachts niet durft te gaan slapen, uit angst voor een brand, waarna de betrokkenen als ratten in de val zullen zitten.

Gelet op het vorengaande is aan verzoeker in het detentiecentrum waar hij zich thans bevindt twee weken na de brand nog immer niet de zorg verschaft die was toegezegd dan wel waar verzoeker redelijkerwijs aanspraak op mocht maken. (...) De rechtbank stelt ten slotte vast dat verweerder ter zitting niet beschikte over concrete informatie op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de stellingen van verzoeker gemotiveerd zijn weersproken.”

In de onderhavige procedure gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat op de datum van de zitting die tot genoemde uitspraak van 15 november 2005 heeft geleid - 10 november 2005 - de in de brief van de Minister van Justitie en de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie van 1 november 2005 toegezegde individuele medische intake en eventuele doorverwijzing naar een arts dan wel psycholoog dan wel psychiater, in het geval van verzoeker niet had plaatsgevonden.

9.5.4 Bij de zienswijze bevindt zich een medische rapportage waarin het volgende wordt vermeldt:

“14 november 2005 groepsgesprek gehad met psycholoog. 28 november 2005 mnr heeft jeukklachten rug/ bovenbenen sinds één week. Heeft dit al eerder gehad en heeft toen mentolpoeder gekregen dit hielp. O geen uitslag zichtbaar. Naam vpk P mentolpoeder gegeven.

2 december 2005 geen BMA indicatie.”

In het formulier van deze medische rapportage is boven de derde kolom aangegeven “naam vpk” en achter elk consult is in deze kolom een naam vermeld. Genoemde rapportage is voorzien van een stempel met de tekst: “GGD J.C. de Keijzer, Forensisch arts, GGD Amsterdam”. De voorzieningenrechter begrijpt op grond hiervan, mede gelet op de door partijen ter zitting desgevraagd gegeven toelichting, dat de consulten hebben plaatsgevonden bij een verpleegkundige, die ruggespraak heeft gehouden met een arts.

9.5.5 Voorts is uit de gedingstukken naar voren gekomen dat verzoeker op 18 december 2005 en twee maal op 19 december 2005 medische klachten heeft gemeld en om een consult heeft verzocht en dat hij op 18 december 2005 (gedingstuk 111), op 19 december 2005 (gedingstuk 121) en op 20 december 2005 (gedingstuk 131) op het AC Schiphol is gezien door een verpleegkundige, die blijkens genoemde stukken ook een arts heeft geraadpleegd.

Bij elk van deze consulten heeft de verpleegkundige de vragen of verwijzing naar een arts noodzakelijk is, of (spoed) verwijzing naar een ziekenhuis noodzakelijk is, of een nieuw consult bij de verpleegkundige in het aanmeldcentrum noodzakelijk is, of er sprake is van een situatie die aanleiding geeft tot het treffen van (onmiddellijke) ondersteunende maatregelen ter bescherming van betrokkene en/of zijn haar omgeving, en tot slot de vraag of het noodzakelijk is dat betrokkene op gezette tijden door Securitas wordt herinnerd aan het gebruik van zijn/haar medicatie, in ontkennende zin beantwoord.

9.5.6 Verzoeker heeft bij de onderhavige aanvraag, bij de zienswijze en in beroep naar voren gebracht dat de door de Ministers aan de slachtoffers van de Schipholbrand gedane toezeggingen op het gebied van medische zorg in zijn geval nimmer gestand zijn gedaan. Gedingstuk 125 vermeldt dat alle overlevenden van de brand op Schiphol zijn onderzocht door artsen van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Het dossier bevat evenwel geen stukken waaruit naar voren komt dat een dergelijke intake en eventuele doorverwijzing ook daadwerkelijk ten aanzien van verzoeker hebben plaatsgevonden. Verweerders gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen bevestigen dat een intake en eventuele doorverwijzing hebben plaatsgevonden, en heeft aangegeven dat er bij verweerder ook geen stukken voorhanden zijn betreffende een dergelijke intake en eventueel daarop gevolgde doorverwijzing.

9.5.7 Bij deze stand van zaken houdt de voorzieningenrechter het er voor dat de jegens de overlevenden van de Schipholbrand gedane toezegging om specifiek naar aanleiding van de ramp onderzoek te doen plaatsvinden naar de medische, psychologische en/of psychiatrische gevolgen van de ramp, in het geval van verzoeker nog immer niet is nagekomen. De voorzieningenrechter acht dit laakbaar en betreurenswaardig.

9.5.8 Aan deze constatering en dat oordeel kan evenwel in dit geding in rechte niet de betekenis toekomen die verzoeker eraan gehecht zou willen zien. Uit de gedingstukken is immers ook naar voren gekomen - zoals hierboven is weergegeven - dat verzoeker op diverse momenten na 10 november 2005 wel - zij het nadat hij daarom zelf had verzocht - medisch is onderzocht en dat er bij de diverse onderzoeken wel (een) arts(en) betrokken is/zijn geweest, in die zin dat er in ieder geval overleg met (een) arts(en) heeft plaatsgevonden over verzoekers medische toestand.

Nu verweerders standpunt, dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, gebaseerd is op de resultaten van deze onderzoeken alsmede de eerdere medische onderzoeken die voor de brand hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat verweerder de medische toestand van verzoeker onvoldoende heeft onderzocht. De omstandigheid dat die onderzoeken niet in het toegezegde kader hebben plaatsgevonden doet daar niet aan af.

9.5.9 In hetgeen in genoemde medische stukken is vermeld omtrent de gezondheidstoestand van verzoeker heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond hoeven vinden om aannemelijk gemaakt te achten dat verzoeker lijdt aan een ziekte die zich in een zodanig vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt dat zijn terugkeer naar India in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM.

10. De slotsom moet zijn dat aan de onderhavige aanvraag geen nova ten grondslag zijn gelegd.

11. Uit het overwogene in rechtsoverweging 9.4 en 9.5.1 tot en met 9.5.8 vloeit tevens logischerwijze voort dat in het onderhavige geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die ertoe nopen dat het uit artikel 4:6 van de Awb volgende toetsingskader terzijde dient te worden geschoven.

12. De voorzieningenrechter komt op grond van al het voorgaande tot de slotsom dat verweerder de onderhavige aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, in het AC heeft kunnen afwijzen.

13. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoekster zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/57017:

verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/57018:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. drs. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Siezen, griffier, en openbaar gemaakt op: 5 januari 2006.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op: 5 januari 2006.

Conc.: DB

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.