Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV4146

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
AWB 06/1590
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uitspraak te laat / geen fatale termijn.

Het (vervolg)beroep tegen de maatregel van bewaring is door de rechtbank ontvangen op 6 januari 2006. Deze uitspraak is gedaan op 24 januari 2006, hetgeen betekent dat de rechtbank de in artikel 96, eerste en tweede lid, Vw 2000 gegeven termijn, die is verstreken op 20 januari 2006, met vier dagen zal overschrijden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding niet maakt dat voortduring van de maatregel hiermee onrechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 96 Vw 2000 genoemde termijnen op zichzelf niet fataal zijn en verwijst hiervoor naar de ABRS-uitspraak 200103556/1 van 14 augustus 2001. De onderhavige overschrijding van vier dagen raakt de belangen van eiser niet zodanig dat gesteld moet worden dat diens belang bij opheffing van de bewaring als gevolg van de overschrijding moet prevaleren bij het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel. Hierbij speelt tevens een rol dat naar het oordeel van de rechtbank thans nog sprake is van een ‘speedy’ beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM, waarbij de rechtbank uitgaat van een periode van achttien dagen tussen het instellen van beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/1590

V-nr.: 130.514.1375

inzake: A, geboren op [...] 1974, bekend onder meerdere aliassen, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser,

gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf, advocaat te Amsterdam-Zuidoost,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 11 augustus 2005 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel zijn bij uitspraken van 25 augustus 2005, 26 oktober 2005 en 25 november 2005 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.

Op 6 januari 2006 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Op 13 januari 2006 heeft verweerder de rechtbank inlichtingen verstrekt over de voortgang van de voorbereiding van eisers uitzetting. De rechtbank heeft deze inlichtingen op dezelfde datum doorgezonden aan de gemachtigde van eiser. Deze heeft niet op verweerders inlichtingen gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en op grond van artikel 96 van de Vw 2000 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.

Uit de door verweerder verstrekte inlichtingen is gebleken dat op 21 november 2005 een presentatieset is verzonden naar de Unit Facilitering Terugkeer (UFT) ten behoeve van een presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten. Op 30 november 2005 is bericht ontvangen van de UFT dat het dossier wordt bestudeerd en op 9 januari 2006 heeft de UFT meegedeeld dat nieuwe vingerafdrukken ontbreken. Verweerder heeft een gehoor van eiser gepland op 16 januari 2006.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat een reëel perspectief op uitzetting vooralsnog niet ontbreekt. Verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld een aanvraag om afgifte van een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteiten in te dienen.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Het (vervolg)beroep tegen de maatregel bewaring is door de rechtbank ontvangen op 6 januari 2006. Deze uitspraak zal worden gedaan op 24 januari 2006, hetgeen betekent dat de rechtbank de in artikel 96, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 gegeven termijn, die is verstreken op 20 januari 2006, met vier dagen zal overschrijden.

De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding niet maakt dat voortduring van de maatregel hiermee onrechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 96 van de Vw genoemde termijnen op zichzelf niet fataal zijn en verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2001 (JV2001/260). De onderhavige overschrijding van vier dagen raakt de belangen van eiser niet zodanig dat gesteld moet worden dat diens belang bij opheffing van de bewaring als gevolg van de overschrijding moet prevaleren bij het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel. Hierbij speelt tevens een rol dat naar het oordeel van de rechtbank thans nog sprake is van een ‘speedy’ beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, waarbij de rechtbank uitgaat van een periode van 18 dagen tussen het instellen van beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit.

De rechtbank concludeert dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Recourt, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2006, in tegenwoordigheid van M.M.J. Mooijer, griffier.

Afschrift verzonden op: 24 januari 2006

Conc.: MM

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.