Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV3074

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
02-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/2169 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Motivering

Artikel 2.1 van de Wet luchtvaart bepaalt:

1. Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.

2. Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig is het bezit vereist van [...] een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling [...]

Betrokkene dient [...] tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4 [...].

4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/2169 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 14 mei 2004 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend, waarbij hij heeft verzocht om afgifte van een medische verklaring, klasse II .

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder besloten tot afgifte van een medische verklaring, klasse II, met beperkingen "Valid only for gliders and touring motor gliders and valid only for Dutch registered aircraft or at the discretion of any relevant authority. Shall wear corrective lenses and carry a spare set of spectacles."

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen overeenkomstig het advies van de Adviescommissie medische verklaring voor de luchtvaart (hierna: de Adviescommissie) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 31 maart 2005, ingekomen bij de rechtbank op 1 april 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 11 januari 2006 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Kops.

Motivering

Artikel 2.1 van de Wet luchtvaart bepaalt:

1. Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.

2. Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig is het bezit vereist van [...] een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling [...]

Betrokkene dient [...] tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4 [...].

4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 2.4, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet luchtvaart afgeeft, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.

Het derde lid bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent: a. de eisen van medische geschiktheid [...],

Artikel 30, tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart bepaalt dat de Minister in ieder geval regels kan geven met betrekking tot: [...]

f. de eisen van medische geschiktheid en de beperkingen waaronder de medische verklaring kan worden afgegeven;

h. de verplichtingen van de houder van de medische verklaring of van een geneeskundige of een geneeskundige instantie;

Artikel 13, eerste lid, van de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart (hierna: de Regeling) bepaalt dat de medische keuringen klasse 1, 2 en 3 worden uitgevoerd en de hieruit resulterende adviesrapportages aan de minister worden opgesteld met inachtneming van de medische eisen [...], zoals bedoeld in [...] JAR-FCL 3 subdeel C voor klasse 2 [...].

Artikel 15, eerste lid, van de regeling bepaalt dat de minister, al dan niet onder beperkingen, een medische verklaring klasse 1, 2 of 3 kan afgeven of verlengen, als: [...]

b. hij een adviesrapportage van een geautoriseerde geneeskundige instantie of geneeskundige daartoe heeft ontvangen,

c. voldaan is aan artikel 13, eerste lid, en

d. de gezondheidstoestand van de aanvrager zodanig is dat met afgifte of verlenging de veiligheid niet in gevaar kan worden gebracht.

Eiser doet aan gemotoriseerd zweefvliegen. Sinds de gewijzigde regelgeving (vanaf 1 oktober 1999) geldt daarvoor een medische keuring klasse 2 volgens de eisen van de Joint Aviation Requirements - Flight Crew Licensing (JAR-FCL). Vóór die wijziging had eiser al vliegmedische keuringen ondergaan en was hij steeds geschikt bevonden.

Tussen partijen is niet in geding dat eiser strikt genomen niet voldoet aan de visuseisen die artikel 3.340, onder b, van de JAR-FCL stelt.

De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt is of, zoals eiser aanvoert, artikel 3.125a van de JAR-FCL van toepassing is en of verweerder derhalve op grond van dat artikel zelf de medische geschiktheid van eiser had moeten beoordelen, nu eiser strikt genomen niet aan de eisen van 3.340, onder b, van de JAR-FCL voldoet.

De rechtbank overweegt dat de JAR-FCL geen verdragstatus hebben, maar aangemerkt moeten worden als afspraken tussen de luchtvaartautoriteiten van een aantal Europese staten die zijn aangesloten bij de Joint Aviation Authorities. De bepalingen van de JAR-FCL hebben dan ook geen rechtstreekse werking en gelden slechts indien en voor zover zij in wet- of regelgeving zijn geïmplementeerd. De rechtbank is niet gebleken dat dit laatste het geval is bij artikel 3.125a van de JAR-FCL. Dat verweerder op een ander gebied beleid hanteert, dat gelijkenis vertoont met dan wel gebaseerd is op het niet geïmplementeerde artikel 3.005, onder b, sub 4 van de JAR-FCL maakt dit niet anders. Ook de door eiser geschetste systematiek en bedoeling van de JAR-FCL kunnen het vereiste van implementatie niet terzijde stellen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.125a van de JAR-FCL en vindt voor dat oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2003, LJN AF9852.

Omdat eiser niet voldoet aan de eisen van artikel 3.340, onder b, van de JAR-FCL, voldoet hij niet aan de eisen van artikel 13, eerste lid, van de Regeling, zodat evenmin aan de voorwaarde van artikel 15, eerste lid, onder c., van de Regeling is voldaan.

Aangezien artikel 15, eerste lid, van de Regeling een cumulatieve opsomming bevat en eiser aan één van die voorwaarden niet voldoet, is de vraag of eiser aan de voorwaarde onder d. of aan een van de andere twee voorwaarden voldoet niet van belang. Hij dient aan alle voorwaarden te voldoen.

Verweerder heeft de medische verklaring met JAA-status dan ook terecht geweigerd.

Uit het rapport van de Adviescommissie en uit hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verweerder in de praktijk een medische verklaring onder beperkingen verleent aan piloten die tot de inwerkingtreding van de JAR-FCL op 1 oktober 1999 voldeden aan de medische eisen die de Regeling Toezicht Luchtvaart en de daarop gebaseerde regelingen stelden. Op grond van die praktijk heeft verweerder eiser de onderhavige medische verklaring met beperkingen verstrekt.

De wijze waarop verweerder tegemoet komt aan deze belanghebbenden, waaronder eiser, is naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig of kennelijk onredelijk.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de ontheffingsmogelijkheid van artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart niet heeft onderzocht overweegt de rechtbank dat het bedoelde lid verweerder de mogelijkheid geeft ontheffing te verlenen van de eisen die het artikel aan het bedienen van een luchtvaartuig stelt en daarmee ook van de eis van het hebben van een medische verklaring. In deze procedure heeft eiser verzocht om een medische verklaring, zo is ter zitting bevestigd, en niet om een ontheffing daarvan. Verweerder dient bij een aanvraag te beoordelen of aanvraag danwel betrokkene aan de eisen voor toewijzing voldoen. Dat houdt echter niet de plicht voor verweerder in om, indien aan die eisen niet wordt voldaan, ambtshalve te onderzoeken of van het gebruik van de gevraagde verklaring ontheffing zou kunnen worden verleend. De beroepsgrond faalt dan ook. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een ontheffing als bedoeld eiser niet de gevraagde medische verklaring met JAA-status zou opleveren, maar slechts ontheffing van een van de eisen gesteld aan het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig.

De beroepsgrond dat de ontheffingsmogelijkheid van artikel 3.045 van de JAR-FCL ten onrechte niet is benut faalt eveneens. Voor dat artikel geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde als voor artikel 3.125a van de JAR-FCL, zodat de rechtbank verwijst naar hetgeen zij daaromtrent hiervoor heeft overwogen.

Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Ook in het handelen of het advies van de Adviescommissie kan daarvoor geen grond worden gevonden.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. G.H.M. Smelt en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Woldring.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.