Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV2492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
23-02-2006
Zaaknummer
AWB 04/4630 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder eiser terecht en op goede gronden ontslag in het kader van een reorganisatie heeft verleend op grond van artikel 96, eerste lid, van het ARAR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/4630 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van [ministerie], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser is met ingang van 1 februari 1982 in dienst getreden bij verweerders ministerie. Van 6 juni 1996 tot 1 januari 1998 werkte hij in de functie van coördinator bedrijfsopleidingen bij de directie Personeel & Organisatie (directie P & O).

Bij brief van 12 november 1997 heeft verweerder in verband met de reorganisatie van de directie P & O aan eiser meegedeeld dat eisers functie in de nieuwe organisatie onderdeel is geworden van de functie beleidsmedewerker opleidingen bij de afdeling Mobiliteit, Personeelsontwikkeling en Organisatie (afdeling MPO) en dat hij binnen die afdeling zal worden geplaatst met een op hem toegesneden takenpakket dat onderdelen van de functie beleidsmedewerker opleidingen bevat.

Bij besluit van 18 december 1997 is eiser definitief geplaatst bij de afdeling MPO en is hem meegedeeld dat hij een takenpakket krijgt opgedragen op schaal 10-niveau dat past bij zijn opleiding en werkervaring en in overleg met hem in januari 1998 wordt vastgesteld. Bij dat besluit is eiser op grond van zijn werkzaamheden als coördinator BOP met ingang van 1 januari 1998 bevorderd naar schaal 10 BBRA 1984.

Met ingang van 7 oktober 1998 is eiser wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk, waarna een reïntegratietraject is gestart.

Per 1 juni 2002 is de formatie van de directie P & O in het kader van een nieuwe reorganisatie van deze directie opnieuw vastgesteld. Eisers functie van beleidsmedewerker opleidingen is per die datum opgeheven.

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij per 1 maart 2003 definitief niet is geplaatst in een functie bij de directie P & O, dat dit als consequentie heeft dat hij met ingang van 1 maart 2003 herplaatsingskandidaat is en dat de zoektermijn van ten hoogste 18 maanden begint. Voorts is daarbij besloten dat hij met ingang van 1 maart 2003 wordt belast met tijdelijke werkzaamheden.

Bij besluit van 19 mei 2004 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de termijn van herplaatsing op 1 september 2004 eindigt en dat dit betekent dat hem, indien hij voor 1 september 2004 geen andere functie heeft gevonden, reorganisatieontslag wordt verleend op grond van artikel 96 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 juni 2004 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 oktober 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 8 december 2005 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser verschenen, bijgestaan door M.C. van der Heijden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Lupi en mr. M. Wegerif.

Motivering

In geschil is of verweerder eiser terecht en op goede gronden ontslag in het kader van een reorganisatie heeft verleend op grond van artikel 96, eerste lid, van het ARAR.

De volgende bepalingen uit het ARAR zijn hierbij van belang

Artikel 96, eerste lid:

“De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie.”

Artikel 49g, eerste en derde lid, zoals dit artikel is komen te luiden na de wijziging bij Besluit van 23 januari 1996, Stb. 62:

“1. Onverminderd het gestelde in artikel 96, eerste lid, is Onze Minister verplicht om de ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aan te bieden.

2. (…);

3. Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.”

Artikel 49h, eerste tot en met derde lid:

“1. Van een passende functie als bedoeld in artikel 49g is sprake indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.

2. Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat.

3. Onze Minister kan de herplaatingskandidaat plaatsen op een functie waarvan de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de herplaatsingskandidaat daarmee instemt.”

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij zich voldoende inspanningen heeft getroost om eiser te herplaatsen in een andere functie, voordat hem dit ontslag werd verleend. Verweerder acht daarbij van belang dat feitelijk reeds vanaf september 1998, voordat eiser de status van herplaatsingskandidaat werd verleend, inspanningen zijn verricht hem te bemiddelen naar een andere, meer bij hem passende functie, rekening houdend met zijn persoonlijke situatie. Dat die inspanningen niet tot daadwerkelijke plaatsing in een andere passende functie hebben geleid, doet hieraan volgens verweerder niet af.

Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte ontslag heeft verleend omdat niet is voldaan aan de ingevolge artikel 49g, eerste lid, van het ARAR geldende verplichting hem binnen 18 maanden tenminste één passende functie aan te bieden.

In het verweerschrift heeft verweerder nader uiteengezet dat uit diverse in het kader van het herplaatsingsonderzoek verrichte activiteiten naar voren is gekomen dat een functie op schaal 10-niveau voor eiser als te hoog gegrepen moet worden beschouwd. Zoals eiser zelf ook heeft aangegeven, past een beleidsfunctie hem niet en geeft hij de voorkeur aan het uitvoeren van kortcyclische taken. Als gevolg hiervan zijn passende functies op schaalniveau 8 tot en met 10 lastig te vinden. Daarom zijn hem ook functies aangeboden op een lager schaalniveau. Volgens verweerder is sprake van bijzondere omstandigheden die plaatsing van eiser in een dergelijke functie rechtvaardigen. In het verweerschrift heeft verweerder uitdrukkelijk de stelling van eiser betwist dat hem geen concrete en passend te achten functies zijn aangeboden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting alsnog heeft erkend dat met betrekking tot geen van de in het verweerschrift onder punt 14 genoemde functies, ook niet met betrekking tot de functies van contactfunctionaris personeelsvereniging en medewerker bedrijfsbureau bij het CBS, sprake is geweest van een aanbod van een passende functie aan eiser in de zin van artikel 49g, eerste lid, van het ARAR. De rechtbank neemt dit gegeven derhalve tot uitgangspunt bij de beoordeling van het bestreden besluit.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag hoe de in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR genoemde verplichting zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 96, eerste lid, van het ARAR. Naar ter zitting is gebleken, lopen de opvattingen van partijen hierover uiteen. Eiser is, kort gezegd, van mening dat het bepaalde in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR eraan in de weg staat dat tot ontslag wordt overgegaan, indien binnen de herplaatsingstermijn van 18 maanden niet ten minste één passende functie is aangeboden. Daarentegen stelt verweerder zich op het standpunt dat die bepaling zich niet verzet tegen gebruikmaking van de in artikel 96, eerste lid, van het ARAR geregelde ontslagbevoegdheid, indien geen passende functie is aangeboden, mits voldoende inspanningen zijn verricht om tot herplaatsing van betrokkene in een passende functie te komen.

De rechtbank heeft in de tekst van artikel 96, eerste lid, en artikel 49g, eerste lid, van het ARAR en in de geschiedenis van totstandkoming van deze wettelijke bepalingen onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze bepalingen in onderling verband beschouwd aldus moeten worden uitgelegd dat het bevoegd gezag in geen geval gebruik mag maken van bedoelde ontslagbevoegdheid indien hij binnen de herplaatsingstermijn van 18 maanden niet ten minste één passende functie aan betrokkene heeft aangeboden. Een dergelijke, vergaande beperking van de ontslagbevoegdheid van artikel 96, eerste lid, van het ARAR verdraagt zich niet met de uitdrukkelijke bepaling in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR dat de daarin neergelegde verplichting geen afbreuk doet aan de gelding van het bepaalde in eerstgenoemd artikellid. Bovendien heeft de regelgever blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit van 23 januari 1996 tot wijziging van het ARAR, oog gehad voor de situatie dat het bevoegd gezag niet in staat is te voldoen aan de in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR neergelegde verplichting en daarbij uitdrukkelijk van zijn opvatting blijk gegeven dat in dat geval ontslag met een aanspraak op wachtgelduitkering mogelijk is. De rechtbank wijst hierbij op de volgende passage op bladzijde 20 van genoemde Nota:

“Het bevoegd gezag is verplicht om binnen een termijn van 18 maanden de ambtenaar een andere passende functie aan te bieden binnen het eigen gezagsbereik of in de sector Rijk. Indien dit onmogelijk blijkt te zijn, is een ontslag met aanspraak op een wachtgelduitkering mogelijk. Het bevoegd gezag is in het kader van die verplichting gehouden om de activiteiten gericht op herplaatsing toetsbaar te maken. Alleen zo wordt zichtbaar of het bevoegd gezag er alles aan heeft gedaan om afvloeiing richting wachtgeldregeling te voorkomen.”

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat vorengenoemde bepalingen in onderlinge samenhang bezien aldus moeten worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige waarin als vaststaand moet worden aangenomen dat niet ten minste één passende functie als bedoeld in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR is aangeboden, het bepaalde in dat artikellid in beginsel niet reeds daarom er aan in de weg staat dat het bevoegd gezag gebruik maakt van de ontslagbevoegdheid op grond van artikel 96, eerste lid, van het ARAR, met dien verstande dat het bevoegd gezag in dat geval aannemelijk zal moeten maken dat het onmogelijk is gebleken de betrokken ambtenaar binnen een termijn van 18 maanden ten minste één passende functie in vorengenoemde zin aan te bieden en voldoende activiteiten zijn verricht om herplaatsing in een passende functie te realiseren.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder er in het voorliggende geval van eiser niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat het onmogelijk is gebleken eiser ten minste één passende functie aan te bieden en voldoende activiteiten zijn verricht om herplaatsing in een passende functie te realiseren. Verweerder heeft niet aan de hand van het ten aanzien van eiser opgemaakte zoekprofiel, dat overigens niet aan de rechtbank is overgelegd, en een overzicht van vacatures die zich tijdens de herplaatsingsperiode hebben voorgedaan op inzichtelijke wijze aannemelijk gemaakt dat geen passende functies, die tevens voldoen aan het bepaalde in artikel 49h, tweede lid, van het ARAR, voor eiser beschikbaar waren en hem derhalve niet konden worden aangeboden. Verweerder heeft slechts in het algemeen, zonder enige nadere onderbouwing, gesteld dat op het niveau van schaal 8 en 9 geen functies vacant waren waarin sprake was van het soort werkzaamheden waarvoor eiser geschikt zou zijn, namelijk kortcyclisch, uitvoerend en contactrijk werk. Nu het zoekprofiel in de gedingstukken ontbreekt is overigens onduidelijk of en op welke wijze daarin is omschreven voor welke werkzaamheden eiser geschikt wordt geacht.

Het voorgaande betekent dat verweerder ook niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 49h, derde lid, van het ARAR. Dat standpunt heeft verweerder immers gebaseerd op zijn veronderstelling dat wegens de eisen die zouden moeten worden gesteld aan de aard van de door eiser te verrichten werkzaamheden geen passende functies op het niveau van schaal 8 en hoger beschikbaar waren.

Voorts blijkt uit de overgelegde gedingstukken met betrekking tot de herplaatsing van eiser niet dat verweerder eiser heeft gewezen op het feit dat voor eventuele plaatsing in een functie als bedoeld in evengenoemde bepaling zijn instemming is vereist, laat staan dat eiser daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd. Ook om deze reden faalt het beroep van verweerder op artikel 49h, derde lid, van het ARAR.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat dit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Indien verweerder daarbij niet alsnog aan de hand van het hiervoor genoemde zoekprofiel en vacatureoverzicht kan onderbouwen dat geen passende functies voor eiser vacant waren, dient verweerder bij dat besluit het primaire ontslagbesluit alsnog te herroepen aangezien verweerder zich alsdan ten onrechte bevoegd heeft geacht eiser met toepassing van artikel 96, eerste lid, van het ARAR ontslag te verlenen.

In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- te weten € 322,-- voor het indienen van een beroepschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen

bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-- aan eiser vergoedt

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten vorengenoemde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.R. Schouten-Korwa.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: