Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV1537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2006
Datum publicatie
13-02-2006
Zaaknummer
09/655329-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet is derhalve gebleken van andere feitelijkheden waarmee verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster het seksuele binnendringen tegen haar wil heeft ondergaan. Evenmin is gebleken van bedreiging met dergelijke andere feitelijkheden. Nu verdachte geen gebruik heeft gemaakt van een van de in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen, acht de rechtbank het telastgelegde niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/655329-05

's-Gravenhage, 30 januari 2006

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 januari 2006.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.F. Degen, advocaat te Wateringen, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ? 5.487,40, bestaande uit een voorschot ad ? 5.000,-- op de gevorderde immateriële schadevergoeding, de kosten van het incontinentiemateriaal ad ? 442,40 en de kosten van de rechtsbijstand ad ? 45,--, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Overweging ten aanzien van het bewijs.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat de onvolledigheid van het proces-verbaal van verhoor van verdachte zou moeten leiden tot uitsluiting daarvan voor het bewijs. De rechtbank deelt de conclusies van de raadsvrouw niet. De rechtbank overweegt daartoe dat zij heeft geconstateerd dat er weliswaar onafgemaakte zinnen in het proces-verbaal staan, maar dat het niet aannemelijk is dat er vitale delen of verklaringen niet in het proces-verbaal zijn opgenomen zodat verdachte hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aan verdachte is de verkrachting op of omstreeks 6 december 2004 van zijn (toenmalige) echtgenote telastgelegd. Van verkrachting kan slechts sprake zijn als - op basis van de bewijsmiddelen - vast staat dat het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid gedwongen is tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Op basis van het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte het lichaam van aangeefster seksueel is binnengedrongen. De rechtbank acht echter niet bewezen dat hij haar daartoe gedwongen heeft middels een van de in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen, te weten geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat er in de relatie tussen verdachte en aangeefster in zijn algemeenheid of op de bewuste avond sprake is geweest van geweld of bedreiging daarmee. Volgens de jurisprudentie is het met kracht in de vagina brengen van het mannelijke geslachtsdeel onvoldoende om daarvan te kunnen spreken (HR 9 april 2002, NJ 2002, 441), zodat in het onderhavige geval het met kracht brengen van verdachtes geslachtdeel in de anus van aangeefster daartoe ook onvoldoende is. Ook het enkele gaan liggen en blijven liggen op aangeefster is voor het aannemen van geweld onvoldoende (vergelijk HR 3 november 1998, NJ 1999, 125). Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake geweest van dreiging met geweld, nu uit de verklaring van aangeefster niet is gebleken dat verdachte een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd dat daardoor bij aangeefster vrees is ontstaan dat hij geweld zou toepassen.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van een andere feitelijkheid waardoor verdachte aangeefster heeft gedwongen het seksuele binnendringen te ondergaan. Als een zodanige feitelijkheid zou hebben te gelden dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij op aangeefster had en dat verdachte haar onder zodanige psychische druk heeft gezet dat aangeefster aan zijn wensen op seksueel gebied geen weerstand heeft kunnen bieden. In de dagvaarding is in dit verband aan verdachte telastgelegd het creëren van een afhankelijkheidssituatie waarvan hij misbruik heeft gemaakt.

Voorop moet worden gesteld dat van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Het creëren van een afhankelijkheidssituatie kan daarbij voldoende zijn om te kunnen spreken van een 'andere feitelijkheid' in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht indien het voor het slachtoffer zo moeilijk is om zich aan die handelingen te onttrekken dat er sprake is van dwang van de kant van verdachte. Het zal dan moeten gaan om een situatie waarin aangeefster door gedragingen van verdachte in zodanige toestand is gebracht dat zij zich door de daardoor gecreëerde afhankelijkheid gedwongen voelde tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Hoewel op basis van de verklaringen van aangeefster kan worden aangenomen dat verdachte op aangeefster een zeker overwicht heeft gehad, en dat zij haar gedrag mede door de brief waarin verdachte zijn twijfels bij de relatie uitte heeft veranderd, is niet gebleken van een situatie als hierboven bedoeld. De rechtbank acht aannemelijk dat aangeefster in haar oorspronkelijke wens het huwelijk met verdachte in stand te houden, haar grenzen op seksueel gebied heeft verlegd, maar van een situatie waarin zij van verdachte afhankelijk is geworden en door aldus uitgeoefende dwang niet anders kon doen, blijkt daaruit niet. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aangeefster heeft verklaard dat zij in veel gevallen het initiatief nam tot de seks, terwijl zij de samenleving met verdachte pas op 7 december 2004 wel heeft beëindigd. De rechtbank acht het mede gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk dat zich in de bewuste nacht een situatie voordeed waarin aangeefster zich bevond in een dusdanig door verdachte gecreëerde afhankelijkheidssituatie dat zij zich aan verdachtes wensen op seksueel gebied door die afhankelijkheidssituatie niet kon onttrekken en zij zich gedwongen voelde tot het ondergaan van het anaal binnendringen door verdachte.

Niet is derhalve gebleken van andere feitelijkheden waarmee verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster het seksuele binnendringen tegen haar wil heeft ondergaan. Evenmin is gebleken van bedreiging met dergelijke andere feitelijkheden. Nu verdachte geen gebruik heeft gemaakt van een van de in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen, acht de rechtbank het telastgelegde niet bewezen.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank daarnaast dat zij op grond van het verhandelde ter terechtzitting ook niet bewezen acht dat er sprake is geweest van dwang. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het telastgelegde 'dwingen' (voorwaardelijk) opzet op het doen ondergaan van het seksuele binnendringen besloten ligt. Dit (voorwaardelijk) opzet zou betekenen dat verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster tegen haar wil heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksuele binnendringen. De rechtbank acht deze bewustheid bij verdachte niet aanwezig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat aangeefster vergelijkbare handelingen als de seksuele handelingen in de bewuste nacht, tot op dat moment heeft ondergaan zonder daarvan onmiskenbaar duidelijk te maken dat dit tegen haar zin was. Ter terechtzitting is komen vast te staan, dat zij daaraan daarentegen juist heeft meegewerkt en daartoe ook regelmatig het initiatief heeft genomen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat uit de verklaring van aangeefster blijkt, dat zij in de bewuste nacht met name bezwaar heeft gemaakt tegen de ruwheid van verdachtes handelingen en niet zozeer tegen de handelingen op zich.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de telastgelegde verkrachting niet bewezen en spreekt zij verdachte daarvan vrij.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te Kwintsheul, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ? 32.174,32.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien het feit waarin deze vordering haar grondslag zou vinden niet bewezen is verklaard.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het telastgelegde feit heeft begaan;

spreekt de verdachte vrij van het telastgelegde;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. F.J.A. Quadekker, voorzitter,

D.R. Glass en J.J. van der Helm, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Strop, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2006.