Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV0977

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 06/3736
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule / asielgerelateerde omstandigheden / VWO-studente.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster van 30 november 2005 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “verblijf voor studie (te weten: afronden VWO-opleiding)” bij besluit van 12 januari 2006, uitgereikt op 18 januari 2006, afgewezen. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule onder andere aangevoerd dat zij haar verblijf in Kosovo en Servië en Montenegro niet kan laten registreren. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen en in het bij gelegenheid van de zitting overgelegde verweerschrift gesteld en ter zitting nader uiteengezet dat deze problemen inzake het verblijf asielgerelateerd zijn en ingevolge hoofdstuk B1/2.2.1 Vc 2000 niet gelden als een zeer bijzondere omstandigheid die kan leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter acht deze motivering niet zonder meer toereikend, nu de stelling dat verzoekster zich niet kan laten registreren alsmede de stelling dat verzoekster in het land van herkomst geen toegang tot essentiële basisvoorzieningen kan verkrijgen verband houden met haar etnische afkomst en beide betrekking hebben op de mate waarin het voor verzoekster verantwoord en daarmee veilig is om bij de Nederlandse ambassade in Belgrado een mvv aan te vragen. Gelet hierop kunnen deze omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als enkel asielgerelateerd worden gekwalificeerd. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter verweerder evenmin in zijn stelling dat verzoekster niet aangevoerd zou hebben dat het onveilig is voor haar om een mvv in Belgrado aan te vragen, nu deze lezing te beperkt lijkt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de motivering van het besluit mogelijk niet voldoet aan artikel 3:46 Awb. Het voorgaande oordeel betekent niet zonder meer dat dit aanleiding zou moeten zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen indien thans zou kunnen worden vastgesteld dat verweerder bij heroverweging van het bestreden besluit de geconstateerde rechtmatigheidsgebreken zou kunnen herstellen en met een verbeterde motivering tot eenzelfde beslissing zou komen. Naar voorlopig oordeel is daarvan geen sprake. Daartoe is redengevend dat niet kenbaar is geworden welke feiten en omstandigheden verweerder relevant heeft geacht in zijn besluitvorming. Geconstateerd is dat in ieder geval niet alle vanwege verzoekster genoemde omstandigheden daarbij zijn betrokken. Voorts kan uit hetgeen in het aanvullend bezwaar van 26 januari 2006 naar voren is gebracht en hetgeen verweerder daaromtrent heeft gesteld niet nu al worden geconcludeerd dat het onderzoek naar relevante feiten en omstandigheden en af te wegen belangen voltooid is. Ook verzoekster dient in de gelegenheid tot worden gesteld daartoe nadere feiten aan te dragen. Daaruit kan tevens worden afgeleid dat het voor dat hand ligt dat verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 7:2 Awb zal dienen te worden gehoord, alvorens op het bezwaar kan worden beslist. Toewijziging verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/3736

V-nr.: 200.745.0789

inzake: A, geboren op [...] 1987, burger van de statenunie Servië en Montenegro, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Zaandam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Blankenstein, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster van 30 november 2005 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “verblijf voor studie (te weten: afronden VWO-opleiding)” bij besluit van 12 januari 2006, uitgereikt op 18 januari 2006, afgewezen. Eén van de rechtsgevolgen van dit besluit is dat verzoekster na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoekster Nederland uit eigen beweging binnen vierentwintig uur moet verlaten. Bij bezwaarschrift van 18 januari 2006, nader aangevuld op 26 januari 2006, voorzien van bijlagen, heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op.

2. Bij brief van 18 januari 2006 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De gronden van het verzoek, met bijlagen, zijn ingediend bij brief van 26 januari 2006.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2006. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren de pleegouders van verzoekster, de heer en mevrouw B, ter zitting aanwezig.

4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. De voorzieningenrechter gaat in deze zaak uit van de volgende feiten. Op 26 juni 2000 hebben de ouders van verzoekster, mede namens haar en haar twee zussen, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluiten van 13 februari 2001 zijn de aanvragen niet ingewilligd en zijn aan hen geen vergunningen tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard verleend. De daartegen bij brief van 9 april 2001 gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 23 januari 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 juni 2004 met kenmerk AWB 02/13655 OVERIO zijn de daartegen op 20 februari 2002 ingediende beroepen door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. Tevens zijn bij uitspraak van die datum met kenmerk AWB 02/13652 OVERIO de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2. Op 6 januari 2005 is door de heer B namens verzoekster bij de Visadienst een verzoek ingediend om te adviseren omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen ter zake van het voorgenomen verblijfsdoel “het volgen van een studie Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs aan de scholengemeenschap C te D.”

3. Op 18 januari 2005 is verzoekster met haar ouders en twee zussen teruggekeerd naar Belgrado. Op 7 april 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken negatief geadviseerd op het verzoek van 6 januari 2005. Op 4 juli 2005 is door de heer B wederom namens verzoekster verzocht om een advies omtrent de afgifte van een mvv ter zake van het eerdergenoemde verblijfsdoel. Op dit verzoek is op 27 september 2005 opnieuw negatief geadviseerd. Tegen genoemde adviezen staan geen rechtsmiddelen open.

4. Op 30 november 2005 heeft verzoekster bij de burgemeester van de gemeente Haarlem een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel “studie aan voortgezet of beroepsonderwijs”. In de bij gelegenheid van die aanvraag overgelegde brief van de gemachtigde van eiseres is een uiteenzetting gegeven van de feiten en omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

3. In artikel 17, eerste lid, is een aantal categorieën vreemdelingen vermeld, waarvan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.

4. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

5. In het tweede lid van artikel 3.71, van het Vb 2000 is, in aanvulling op de in artikel 17 van de Vw 2000 vermelde categorieën, eveneens een aantal categorieën vreemdelingen aangewezen die zijn vrijgesteld van het mvv vereiste.

6. Ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 van het Vb 2000, kan de Minister het bepaalde bij het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

7. Ingevolge het in hoofdstuk B1/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000 ) geformuleerde beleid dient - voor zover hier relevant - de vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het mvv-vereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, dit beroep op de hardheidsclausule reeds bij de indiening van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning (..) te motiveren en zo veel als mogelijk met bewijsstukken te onderbouwen.

Indien het beroep op de hardheidsclausule bij het indienen van de aanvraag niet of niet afdoende middels bescheiden is onderbouwd wordt de vreemdeling door de Minister in de gelegenheid gesteld het beroep alsnog (nader) te onderbouwen.

Het is de bedoeling dat van die bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen.

Voorts is omtrent die zeer bijzondere gevallen in het beleid bepaald dat indien asielgerelateerde gronden worden aangevoerd, in ieder geval geen sprake is van een zeer bijzonder geval dat een beroep op de hardheidsclausule kan rechtvaardigen.

8. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat zij niet beschikt over een geldige mvv. Verweerder heeft daartoe in het bestreden besluit overwogen, dan wel bij verweerschrift en of ter zitting aangevoerd dat verzoekster niet behoort tot een categorie waarvoor vrijstelling van dit (mvv) vereiste geldt. Verzoekster kan geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule doen. Zij voert ter onderbouwing van het beroep op vrijstelling van dit vereiste aan dat zij zich vanwege haar etnische afkomst niet kan vestigen in haar land van herkomst. Blijkens het beleid, neergelegd hoofdstuk B1/2.2.1 van de Vc 2000, vormen dergelijke asielgerelateerde gronden geen bijzondere omstandigheid. Overigens heeft verzoekster het gestelde niet met bescheiden onderbouwd. Verweerder heeft niet miskend dat Servië en Montenegro enerzijds en Kosovo anderzijds als verschillende entiteiten moeten worden gezien, in welk verband is verwezen naar de uitspraak in de mede namens haar gevoerde asielprocedure waarin onder meer is geoordeeld dat Slavische moslims in het algemeen toegang tot basisvoorzieningen hebben. Verzoekster beroept zich ten onrechte op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2005 (JV 2006/24), nu die zaak betrekking had op Kosovaren van Albanese afkomst die erkenden dat zij veilig konden terugkeren naar Kosovo, maar stelden dat zij niet veilig naar Belgrado kunnen reizen om een mvv aan te vragen. Gesteld noch gebleken is dat het voor verzoekster onveilig zou zijn naar Belgrado te reizen. Dat zij dit wel kan blijkt uit het feit dat zij in januari 2005 naar Belgrado is gereisd en aldaar een paspoort heeft gevraagd. Ter zitting heeft verweerder ter onderbouwing van de stelling dat verzoekster geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan doen gewezen op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2005 en 21 december 2005 (JV 2006/11 en 73) inzake Somalië en de uitspraken van 22 juli 2005 en 19 oktober 2005 (JV 2005/354 en 460) inzake Liberia. Deze uitspraken betreffen landen waar in het geheel geen sociale voorzieningen bestaan en waarvan is geoordeeld dat (ook daar) geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kon worden gedaan.

Ten overvloede is in het bestreden besluit overwogen dat verzoekster ter onderbouwing van haar aanvraag een paspoort van de Federale Republiek Joegoslavië heeft overgelegd, dat op 21 februari 2005 door de autoriteiten in Pristina is afgegeven. Aan de stelling dat verzoekster niet meer in Kosovo geregistreerd staat kan derhalve geen waarde worden gehecht en verzoekster wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat zij in het land van herkomst geen aanvraag om een mvv kan indienen. Ter zitting is daartoe mede aangevoerd dat niet valt in te zien waarom niet in redelijkheid van verzoekster kan worden verlangd wederom naar Belgrado te gaan om een mvv aan te vragen.

Voorts is, aldus het besluit, niet komen vast te staan dat verzoekster in het land van herkomst geen toegang zal hebben tot essentiële basisvoorzieningen. Die enkele stelling kan niet tot een ander oordeel leiden. Voorts is ook overigens niet gebleken dat een verblijfsvergunning dient te worden verleend.

9. Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen (primair) inhoudende dat verweerder zich dient te onthouden van (voorbereiding van) uitvoering van het besluit om verzoekster uit Nederland te (doen) verwijderen voordat onherroepelijk is beslist op het door haar ingediende bezwaarschrift van 18 januari 2006, met nevenvorderingen. Verzoekster heeft, onder meer, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit is aan verzoekster een termijn van vierentwintig uur gegeven om Nederland te verlaten. Zij is in bewaring gesteld en beschikt over een paspoort. Verweerder stelt in de bestreden beschikking dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening de uitzetting niet opschort, gelet op het in hoofdstuk B1/4.7.6.6 van de Vc 2000 geformuleerde beleid. Geen van de in dat hoofdstuk genoemde situaties doet zich echter voor, hetgeen verweerders gemachtigde op 19 januari 2006 telefonisch heeft bevestigd aan de griffier deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. De gemachtigde heeft vernomen dat de Vreemdelingendienst verzoekster zo spoedig mogelijk wil uitzetten. Gelet op het voorgaande dreigt spoedige uitzetting.

In de nadere gronden van het onderhavige verzoek en het bezwaarschrift van 26 januari 2006 is het volgende aangevoerd. Verzoekster is geboren in Kosovo. De problemen die verzoekster heeft aangegeven bij de pogingen zich opnieuw in het land van herkomst te vestigen - zo bleek onder meer bij aankomst in Belgrado dat verzoekster, haar ouders en twee zussen zich aldaar niet konden vestigen noch konden terugkeren naar Kosovo - hebben eveneens betrekking op de situatie in Servië en Montenegro. Aangezien in een asielprocedure de veiligheidssituatie in Kosovo centraal zal staan vormt die (asiel-)procedure niet het gerede kader om de problemen die verzoekster in Servië en Montenegro heeft ondervonden te beoordelen. Verzoekster zal naar Belgrado moeten om een mvv aan te vragen nu alleen daar een Nederlandse ambassade is. Verweerder heeft derhalve miskend dat de door verzoekster gestelde problemen in Servië en Montenegro niet in een op te starten asielprocedure beoordeeld kunnen worden. Verzoekster verwijst in dit verband naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2005. Verzoekster is weliswaar na haar vertrek in januari 2005 in het bezit gesteld van een nationaal paspoort, waarin staat dat het paspoort is afgegeven door de autoriteiten in Pristina (Kosovo), maar feitelijk is dit paspoort door de autoriteiten in Belgrado verstrekt. Dit is mogelijk omdat alle gegevens van niet-Albanezen uit Kosovo na de Servische acties in Kosovo naar Belgrado zijn verplaatst. In dit verband wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Kosovo van april 2005. Verweerder stelt derhalve ten onrechte dat de autoriteiten in Kosovo het paspoort verstrekt hebben. Deze paspoortverstrekking is gebaseerd op de oude gegevens, gezien de vermelding van het adres waarop verzoekster en haar familie woonden toen zij Kosovo in 1999 verlieten. Deze woning wordt, zo blijkt uit de verklaringen van haar ouders in het nader gehoor in de asielprocedure, sedertdien bewoond door Albanezen. Verzoekster is derhalve een ontheemde uit Kosovo, maar is daar formeel niet meer geregistreerd.

Met betrekking tot de vraag of verzoekster zich als ontheemde uit Kosovo aldaar kan registreren dan wel vestigen wijst zij op het standpunt van de United Nations High Commisioner for Refugees (verder: UNHCR) in het zogenoemde 'position paper' van maart 2005.

Er zijn bovendien aanwijzingen dat verzoekster lijdt aan een post traumatische stress stoornis, in welk verband is gewezen op een brief van een huisarts in D van 23 januari 2006 die verzoekster medio 2005 heeft onderzocht.

Met betrekking tot de vraag of verzoekster zich kan vestigen in Servië en Montenegro wordt verwezen naar een brief van Amnesty International van 1 april 2005 en een brief van deze organisatie aan de leden van de vaste Kamercommissie voor Justitie van 12 april 2005 en het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Servië en Montenegro van juli 2005. Verzoekster zou blijkens het bestreden besluit van 12 januari 2006 niet hebben onderbouwd dat zij geen toegang tot essentiële basisvoorzieningen heeft. In de begeleidende brief van 25 november 2005 bij haar aanvraag heeft zij echter aangeboden desgevraagd nadere informatie te verstrekken. Daar is echter niet door verweerder om verzocht zodat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb is genomen. Overigens dringt zich de vraag op wat verweerder verstaat onder het land van herkomst. De ouders van verzoekster verblijven illegaal in Bosnië-Herzegovina, zij heeft geen familie in Kosovo, terwijl uit genoemd ambtsbericht van april 2005 blijkt dat de sociale voorzieningen aldaar niet toereikend zijn om zelfstandig te kunnen leven. Gelet hierop staat niet vast dat verzoekster toegang tot de essentiële basisvoorzieningen zal hebben.

Verweerder heeft ten onrechte op de grond dat verzoekster niet beschikt over een mvv schorsende werking aan het ingediende bezwaar onthouden nu zij van dit vereiste dient te worden vrijgesteld. Voorts roept de gang van zaken ten aanzien van de uitreiking van de beschikking vragen op over het verbod op detournement de pouvoir en het beginsel van fair play, waarbij onder meer is gewezen op de zogenoemde voortgangsrapportage van 24 januari 2006 in het kader van de bewaringsprocedure.

Er is geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar en verzoekster dient, zoals door haar is verzocht, op haar bezwaar te worden gehoord.

10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

11. Verweerder heeft in het bestreden besluit van 12 januari 2006 een samenvatting gegeven van de door verzoekster bij brief van 25 november 2005 aangevoerde gronden die in haar visie tot toepassing van de hardheidsclausule en het buiten toepassing laten van het mvv-vereiste zouden moeten leiden. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder geen vragen aan verzoekster heeft gesteld omtrent de feiten en omstandigheden zoals opgenomen in de brief van 25 november 2005 en geen aanleiding heeft gezien een nadere onderbouwing daarvan te vragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die opsomming in het besluit onvolledig te achten nu verweerder, onder meer, niet is ingegaan op de bij genoemde brief aangevoerde en (in ieder geval) deels onderbouwde stelling dat verzoekster zich niet kan laten registreren in Kosovo of in Servië en Montenegro en de daarmee samenhangende problematiek. Evenmin is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op de stelling dat het in het kader van het beroep op de hardheidsclausule van belang is dat verzoekster in belangrijke mate is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en gedurende vijf jaar onderwijs aan het VWO heeft gevolgd. Ten slotte is verweerder niet ingegaan op de in dit verband, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Kosovo van april 2005, aangevoerde stelling van verzoekster dat het bij de aanvraag overgelegde paspoort niet in Pristina, maar in Belgrado is verstrekt.

Nu verweerder die hiervoor genoemde elementen niet (voldoende) kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken is de voorzieningenrechter in zoverre van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb geformuleerde zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen, hetgeen van belang is voor de beantwoording van de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

In het kader van de beantwoording van voornoemde vraag acht de voorzieningenrechter voorts het volgende van belang.

12. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule onder andere aangevoerd dat zij haar verblijf in Kosovo en Servië en Montenegro niet kan laten registreren. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen en in het bij gelegenheid van de zitting overgelegde verweerschrift gesteld en ter zitting nader uiteengezet dat deze problemen inzake het verblijf (uitsluitend) asielgerelateerd zijn en ingevolge het bepaalde in hoofdstuk B1/2.2.1 van de Vc 2000 niet gelden als een zeer bijzondere omstandigheid die kan leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Naar verweerder ter zitting verklaarde is dit standpunt de dragende grond voor het buiten toepassing laten van de hardheidsclausule en daarmee de afwijzing van de aanvraag. De voorzieningenrechter acht deze motivering niet zonder meer toereikend, nu de stelling dat verzoekster zich niet kan laten registreren alsmede de stelling dat verzoekster in het land van herkomst geen toegang tot essentiële basisvoorzieningen kan verkrijgen verband houden met haar etnische afkomst en beide betrekking hebben op de mate waarin het voor verzoekster verantwoord en daarmee veilig is om bij de Nederlandse ambassade in Belgrado een mvv aan te vragen. Gelet hierop kunnen deze omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als enkel asielgerelateerd worden gekwalificeerd. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter verweerder evenmin in zijn stelling dat verzoekster niet aangevoerd zou hebben dat het onveilig is voor haar om een mvv in Belgrado aan te vragen, nu deze lezing te beperkt lijkt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de motivering van het besluit mogelijk niet voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 3:46, van de Awb te stellen eisen, hetgeen ook van belang is voor de hiervoor onder III.1 opgeworpen vraag.

13. De voorzieningenrechter acht, ter beantwoording van de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, tevens van belang dat in het bestreden besluit, na de constatering dat verzoekster aan het beroep op de hardheidsclausule asielgerelateerde gronden ten grondslag heeft gelegd, er ten overvloede op heeft gewezen dat zij een paspoort bij haar aanvraag heeft overgelegd dat op 21 februari 2005 door de autoriteiten in Pristina is afgegeven. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat deze overweging niet dragend is geweest voor de afwijzing van de aanvraag. Gelet hierop en op de uitdrukkelijke inleidende zin van deze alinea is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze passage in het besluit ten aanzien van het paspoort niet kunnen worden gezien als een subsidiaire grond die tot afwijzing van de aanvraag heeft geleid. Ook de daarin verwoorde conclusie kan daaraan dientengevolge niet bijdragen. Overigens kan in dit kader worden vastgesteld dat de door verweerder genoemde rechtspraak op een andere feitelijke situatie ziet.

14. Ten slotte wijst de voorzieningenrechter erop dat in het bestreden besluit na de zinsnede dat de aanvraag wordt afgewezen is overwogen dat “alles in ogenschouw genomen, niet is gebleken dat internationale verplichtingen tot inwilliging van de aanvraag nopen en ook niet dat met de aanwezigheid van betrokkene hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Evenmin is gebleken dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een verblijfsvergunning dient te worden verleend”. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven welke feiten en omstandigheden aan deze afweging ten grondslag hebben gelegen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit punt sprake is van een niet kenbare motivering.

15. Conclusie van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging III.12 tot en met III.14 is dat het besluit op de daarin genoemde onderdelen niet berust op een deugdelijke motivering in de zin van artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop en op hetgeen in rechtsoverweging III.11 is overwogen omtrent de zorgvuldigheid waarmee het bestreden besluit tot stand is gekomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat thans niet geoordeeld kan worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

16. Het voorgaande oordeel betekent niet zonder meer dat dit aanleiding zou moeten zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen indien thans zou kunnen worden vastgesteld dat verweerder bij heroverweging van het bestreden besluit de geconstateerde rechtmatigheidsgebreken zou kunnen herstellen en met een verbeterde motivering tot eenzelfde beslissing zou komen.

Naar voorlopig oordeel is daarvan geen sprake. Daartoe is redengevend dat niet kenbaar is geworden welke feiten en omstandigheden verweerder relevant heeft geacht in zijn besluitvorming. Geconstateerd is dat in ieder geval niet alle vanwege verzoekster genoemde omstandigheden daarbij zijn betrokken. Voorts kan uit hetgeen in het aanvullend bezwaar van 26 januari 2006 naar voren is gebracht en hetgeen verweerder daaromtrent heeft gesteld niet nu al worden geconcludeerd dat het onderzoek naar relevante feiten en omstandigheden en af te wegen belangen voltooid is. Ook verzoekster dient in de gelegenheid tot worden gesteld daartoe nadere feiten aan te dragen. Daaruit kan tevens worden afgeleid dat het voor dat hand ligt dat verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 7:2 Awb zal dienen te worden gehoord, alvorens op het bezwaar kan worden beslist.

17. De voorzieningenrechter acht daarbij de volgende omstandigheid relevant. Aan het bezwaar is schorsende werking onthouden. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat in het bestreden besluit ten onrechte onder verwijzing naar het bepaalde in hoofdstuk B1/4.7.7.6 van de Vc 2000 is gesteld dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening de uitzetting niet opschort.

18. Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

19. Onder deze omstandigheden is, gegeven de wederzijdse belangen, er aanleiding de gevraagde voorziening als weergegeven onder III.9 te treffen.

20. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

21. Onder de gegeven omstandigheden is er ten slotte aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de voorzieningenrechter.

IV. BESLISSING

De voorzieningenrechter

1. wijst het verzoek toe;

2. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoekster;

3. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Gewezen door mr. C. Klomp, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. E.M. de Buur, griffier, en openbaar gemaakt op 3 februari 2006.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.: LFF

D:C

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.