Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV0734

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/57129, 05/57971
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / herhaalde aanvraag / Richtlijn 2003/9 EG.

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in het geval van een herhaalde asielaanvraag de verstrekkingen niet had kunnen weigeren op grond van artikel 4, tweede lid, Rva 2005 wegens strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Richtlijn 2003/9/EG. Er is evenmin grond voor het oordeel dat met artikel 4, tweede lid, Rva 2005 een onjuiste uitvoering is gegeven aan artikel 16, vierde lid en artikel 17 Richtlijn 2003/9/EG. Het beroep van verzoeker op artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder opvangvoorzieningen dient te verstrekken totdat is beslist op de gestelde herhaalde asielaanvraag. WBV 2006/1 biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder verzoeker ten onrechte geen opvangvoorzieningen heeft verstrekt wegens een herhaalde asielaanvraag. Daargelaten of verzoeker die aanvraag daadwerkelijk heeft ingediend, staat in elk geval vast dat de IND (nog) niet heeft besloten dat de aanvraag niet binnen de aanmeldcentrumprocedure zal worden afgewezen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Daarbij is van belang dat verzoeker op grond van artikel 10, tweede lid, Vw 2000 aanspraak kan maken op voortgaande behandeling, zoals blijkens de door verzoeker overgelegde verklaringen door zijn behandelend artsen noodzakelijk geacht. Dit betekent niet dat hij slechts recht heeft op medische zorg indien sprake is van een acute medische noodsituatie in levensbedreigende of invalidiserende situaties. Medisch noodzakelijke zorg omvat ook de zorg die noodzakelijk is om een levensbedreigende situatie te voorkomen. Uit de door verweerder verstrekte informatie blijkt dat artsen en hulpverleners in de eerstelijns zorg die medisch noodzakelijke zorg hebben verleend een beroep kunnen doen op de Regeling Stichting Koppeling. Het zogenaamde Koppelingsfonds vergoedt de kosten aan de arts of hulpverlener indien sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Voor medisch noodzakelijke zorg verleend in ziekenhuizen kan de behandelend arts een beroep doen op de post ‘dubieuze debiteuren’ van het ziekenhuis die in samenspraak met de zorgverzekeraars wordt opgevoerd. Het is de behandelend arts of hulpverlener zelf die bepaalt of sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Uit de door verzoeker overgelegde verklaringen van zijn behandelend artsen blijkt dat zij van oordeel zijn dat in het geval van verzoeker sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de medisch noodzakelijke zorg aan verzoeker op grond van artikel 10, tweede lid, Vw 2000 onvoldoende is gewaarborgd. Verzoeker heeft voorts niet aangetoond dat hij in de praktijk geen toegang krijgt tot de voor hem noodzakelijke zorg omdat zijn zorgverleners van oordeel zijn dat eerst sprake dient te zijn van een acute medische noodsituatie.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/142 met annotatie van HBA
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05/ 57129 (voorlopige voorziening)

AWB 05 / 57971 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2006

In de zaak van:

A,

geboren op [...] 1978, van Srilankaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Wensveen, werkzaam bij het COA.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 19 december 2005 een aanvraag ingediend tot het verstrekken van voorzieningen krachtens de Wet COA. Verzoeker heeft op 28 december 2005 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 3 januari 2006 afgewezen. Het beroep wordt ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag.

1.2 Verzoeker heeft op 20 december 2005 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder op te dragen voorzieningen te verstrekken totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 januari 2006. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

1.4 De voorzieningenrechter heeft op 5 januari 2006 besloten het onderzoek te heropenen. Verweerder heeft per brief van 9 januari 2006 nadere vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Verzoeker heeft op 10 januari 2006 een reactie gegeven. Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de voorzieningenrechter op 17 januari 2006 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, Awb kan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker een belang heeft bij het gegrond verklaren van het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen het reële besluit op bezwaar, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.4 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.5 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker heeft op 24 mei 1997 een asielaanvraag ingediend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft deze aanvraag bij besluit van 6 november 1997 afgewezen. Deze afwijzing is na de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 3 mei 2004 (AWB 02/1736) onherroepelijk geworden. Verweerder heeft op 13 december 2005 de verstrekkingen aan verzoeker beëindigd.

2.6 Verzoeker heeft op 19 december 2005 verweerder verzocht hem weer in de opvang te nemen wegens zijn medische omstandigheden en daartoe verwezen naar het advies van het Bureau Medische Advisering van de IND (BMA) van 8 september 1998. Volgens verzoeker zijn de omstandigheden sindsdien niet veranderd. Verzoeker moet nog immer medicijnen slikken om zijn kunsthartklep goed en zo lang mogelijk te laten functioneren. Daartoe is regelmatige controle noodzakelijk.

2.7 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verweerder verzoeker niet tot de opvang toe kan laten, omdat hij in zijn asielprocedure is uitgeprocedeerd.

2.8 Verzoeker heeft daartegen ingebracht dat verweerder sinds 3 mei 2004 de verstrekkingen heeft voortgezet, ondanks dat de verstrekkingen van rechtswege zouden zijn beëindigd. Ten onrechte heeft verweerder niet aangegeven wat nu de relevante wijziging is in de situatie om aan verzoeker de gevraagde verstrekkingen te ontzeggen.

2.9 Vast staat dat met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 3 mei 2004 de afwijzing van de asielaanvraag van verzoeker onherroepelijk is geworden en dat daarmee op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de verstrekkingen aan verzoeker van rechtswege zijn beëindigd. Dat verweerder de verstrekkingen feitelijk en zonder wettelijke grondslag heeft voortgezet tot 13 december 2005 doet daaraan niet af. Verweerder heeft derhalve de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om hem weer tot de opvangvoorzieningen toe te laten terecht gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker in zijn asielprocedure is uitgeprocedeerd. Aan de feitelijke voortzetting van de verstrekkingen kan verzoeker geen recht ontlenen.

2.10 Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte over het hoofd heeft gezien dat verzoeker op 19 december 2005 de IND heeft gevraagd hem alsnog toe te laten op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verzoeker heeft hij ingevolge de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten van 27 januari 2003 (Richtlijn 2003/9/EG) recht op opvangvoorzieningen, nu hij een herhaald asielverzoek heeft ingediend. De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005), op grond waarvan een tweede of volgende asielaanvraag geen recht op opvang geeft, is volgens verzoeker in strijd met Richtlijn 2003/9/EG. Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij valt onder de kwetsbare groep bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 2003/9/EG, op grond waarvan een individuele beoordeling dient plaats te vinden. Verweerder heeft die individuele beoordeling volgens verzoeker niet verricht.

2.11 Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat uit navraag bij de IND niet is gebleken dat verzoeker een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend.

2.12 Daargelaten de vraag of verzoeker daadwerkelijk een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend dan wel of verzoeker niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van die aanvraag, op grond waarvan de IND ingevolge artikel 4:5 Awb verzoeker in de gelegenheid zal moeten stellen om de aanvraag op de juiste manier in te dienen, kan die omstandigheid niet leiden tot de conclusie dat verweerder ten onrechte de aanvraag van verzoeker tot het verstrekken van voorzieningen heeft afgewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.13 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Richtlijn 2003/9/EG kunnen de lidstaten de opvangvoorzieningen beperken of intrekken indien een asielzoeker reeds een asielverzoek ingediend heeft in dezelfde lidstaat.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, Rva 2005 geeft het indienen van een tweede of volgende asielaanvraag geen recht op opvang, tenzij sprake is van een van de uitzonderingen genoemd in dat artikellid. Blijkens de toelichting op dit artikel is hiermee uitvoering gegeven aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Richtlijn 2003/9/EG.

2.14 Er is geen grond voor het oordeel dat met artikel 4, tweede lid, Rva 2005 een onjuiste uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Richtlijn 2003/9/EG, nu de richtlijn aan de lidstaten de bevoegdheid laat te bepalen dat de opvangvoorzieningen worden ingetrokken in geval van een herhaalde asielaanvraag. Er is daarom ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in het geval van een herhaalde asielaanvraag, daargelaten of deze daadwerkelijk is ingediend, de verstrekkingen niet had kunnen weigeren op grond artikel 4, tweede lid, Rva, wegens strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Richtlijn 2003/9/EG.

2.15 Ingevolge artikel 16, vierde lid, Richtlijn 2003/9/EG worden de beslissingen tot beperking of intrekking van opvangvoorzieningen wegens een reeds ingediend asielverzoek in dezelfde lidstaat, individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 17 vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat asielzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische noodhulp.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, Richtlijn 2003/9/EG houden de lidstaten in hun nationale wetgeving tot uitvoering van de bepalingen van hoofdstuk II inzake materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen. Ingevolge het tweede lid van artikel 17 is het eerste lid uitsluitend van toepassing op personen die na een individuele beoordeling van hun situatie bijzondere behoeften blijken te hebben.

2.16 Er is evenmin grond voor het oordeel dat met artikel 4, tweede lid, Rva 2005 een onjuiste uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid en artikel 17 Richtlijn 2003/9/EG. Op grond van artikel 4, tweede lid, Rva 2005 bestaan immers uitzonderingen op het uitgangspunt dat een tweede of volgende aanvraag geen recht op opvang geeft, onder meer indien sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden. Blijkens de toelichting op dit artikel is daarvan in ieder geval sprake in individuele gevallen bij medische omstandigheden waarin ten behoeve van de direct medisch noodzakelijke noodhulp opvang van de betreffende vreemdeling in een opvangvoorziening van het COA noodzakelijk is. Verweerder is op grond van deze bepaling gehouden rekening te houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen en daartoe de situatie individueel te beoordelen. Daarbij is van belang dat na het beëindigen van opvangvoorzieningen op grond van artikel 10, tweede lid, Vw aanspraak blijft bestaan op het verlenen van medisch noodzakelijke zorg.

2.17 Vast staat dat verweerder in het bestreden besluit geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4, tweede lid, Rva 2005. Daargelaten of verweerder daartoe op grond van een herhaalde asielaanvraag gehouden was, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag tot het verstrekken van voorzieningen niet de individuele (medische) situatie van verzoeker heeft betrokken. Verweerder heeft immers beoordeeld of op grond van een acute medische noodsituatie verstrekking van opvangvoorzieningen aan verzoeker noodzakelijk is. Verweerder heeft daarbij het door verzoeker overgelegde rapport van het BMA van 8 september 1998 en de verklaring van de cardioloog van verzoeker van 2 januari 2006 betrokken.

2.18 In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2006/1 is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2006 ook recht op opvang bestaat voor asielzoekers die een herhaalde asielaanvraag hebben ingediend. Gedurende de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke indiening van de tweede of volgende asielaanvraag maakt de vreemdeling geen aanspraak op verblijf in een tijdelijke noodvoorziening. De aanspraak ontstaat pas nadat is besloten dat de asielaanvraag niet binnen de aanmeldcentrumprocedure zal worden afgewezen.

2.19 Het bepaalde in WBV 2006/1 biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder verzoeker ten onrechte geen opvangvoorzieningen heeft verstrekt wegens een herhaalde asielaanvraag. Daargelaten of verzoeker die aanvraag daadwerkelijk heeft ingediend, staat in elk geval vast dat de IND (nog) niet heeft besloten dat de aanvraag niet binnen de aanmeldcentrumprocedure zal worden afgewezen.

2.20 Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de weigering hem toe te laten tot de opvangvoorzieningen in strijd is met artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG, nu op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel van 19 december 2005 nog niet is beslist.

2.21 Ingevolge artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG zorgen de lidstaten ervoor dat geen materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken worden voordat er een negatieve beslissing genomen is. Ingevolge artikel 5 en artikel 7 Rva 2005 eindigt het recht op opvang van een asielzoeker indien de asielaanvraag die recht geeft op opvang is afgewezen. Daarmee is uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG. Het beroep van verzoeker op artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder opvangvoorzieningen dient te verstrekken totdat is beslist op de gestelde herhaalde asielaanvraag. Naar de strekking van artikel 16, vijfde lid, Richtlijn 2003/9/EG, zoals uitgewerkt in artikel 5 en 7 Rva 2005, kunnen opvangvoorzieningen niet worden beëindigd voordat een negatieve beslissing is genomen op een asielaanvraag die recht geeft op die voorzieningen. Zoals in het voorgaande overwogen is de door verzoeker gestelde herhaalde asielaanvraag geen aanvraag die recht geeft op opvangvoorzieningen.

2.22 Ten aanzien van het beroep van verzoeker op zijn medische situatie heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de door verzoeker overgelegde informatie niet is gebleken van een acute medische noodsituatie op grond waarvan het verstrekken van opvangvoorzieningen aan verzoeker noodzakelijk is. Verzoeker kan na de beëindiging van de verstrekkingen ingevolge artikel 10, tweede lid, Vw aanspraak maken op voortgaande medische zorg.

2.23 Verzoeker heeft daartegen ingebracht dat uit de door hem overgelegde medische stukken blijkt dat verzoeker belang heeft bij continuering van het huidige niveau van voorzieningen. Artikel 10, tweede lid, Vw voldoet niet, omdat dit artikel alleen ziet op medisch noodzakelijke zorg. In de praktijk betekent dit dat onverzekerden alleen toegang krijgen tot de zorg bij een acute medische noodsituatie. Toegang tot zijn huisarts en de trombosedienst en de verstrekking van zijn medicijnen is daarmee niet gegarandeerd. Bovendien is van belang dat verzoeker niet hoeft te overleven in stressvolle omstandigheden, omdat dit zeer nadelig uitwerkt op zijn gezondheid.

2.24 Nu, zoals in het voorgaande overwogen, verzoeker noch aan de Richtlijn 2003/9/EG, noch aan de Rva 2005, noch aan het terzake gevoerde beleid, aanspraak op verstrekkingen kan ontlenen, kan verweerder slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, aanleiding vinden om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak bestaat, voort te zetten. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is. Onder een acute medische noodsituatie verstaat verweerder, in navolging van het BMA, de situatie waarin betrokkene leidt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade.

2.25 Niet in geschil is dat verzoeker ernstige hartproblemen heeft gehad en sindsdien een kunsthartklep heeft. Evenmin is in geschil dat regelmatige controle door de huisarts en de trombosedienst en de verstrekking van medicijnen door de apotheker medisch noodzakelijk is. Uit de door verzoeker overgelegde medische verklaringen blijkt dat het achterwege blijven van deze controles en het staken van de medicatie tot levensbedreigende situaties kan leiden. Verweerder heeft op grond hiervan evenwel niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Daarbij is van belang dat verzoeker op grond van artikel 10, tweede lid, Vw aanspraak kan maken op voortgaande behandeling, zoals blijkens de door verzoeker overgelegde verklaringen door zijn behandelend artsen noodzakelijk geacht. De omstandigheid dat verzoeker geen onderdak zal hebben, leidt in dit geval niet tot de conclusie dat de behandeling niet kan worden voortgezet. Uit de door verzoeker overgelegde medische verklaringen blijkt niet dat het hebben van onderdak noodzakelijk is voor een geslaagde voortzetting van de behandeling.

2.26 Ingevolge artikel 10, tweede lid, Vw heeft verzoeker recht op medisch noodzakelijke zorg. Dit betekent niet, zoals door verzoeker gesteld, dat hij slechts recht heeft op medische zorg indien sprake is van een acute medische noodsituatie in levensbedreigende of invalidiserende situaties. Medisch noodzakelijke zorg omvat ook de zorg die noodzakelijk is om een levensbedreigende situatie te voorkomen. Niet in geschil is dat de controle van verzoeker door de huisarts, de trombosedienst en de cardioloog en het verstrekken van bloedverdunnende medicijnen door de apotheker elk op zich voor verzoeker medisch noodzakelijk is. Uit de door verweerder verstrekte informatie blijkt dat artsen en hulpverleners in de eerstelijns zorg die medisch noodzakelijke zorg hebben verleend een beroep kunnen doen op de Regeling Stichting Koppeling. Het zogenaamde Koppelingsfonds vergoedt de kosten aan de arts of hulpverlener indien sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Voor medisch noodzakelijke zorg verleend in ziekenhuizen kan de behandelend arts een beroep doen op de post ‘dubieuze debiteuren’ van het ziekenhuis die in samenspraak met de zorgverzekeraars wordt opgevoerd. Het is de behandelend arts of hulpverlener zelf die bepaalt of sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Uit de door verzoeker overgelegde verklaringen van zijn behandelend artsen blijkt dat zij van oordeel zijn dat in het geval van verzoeker sprake is van medisch noodzakelijke zorg. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de medisch noodzakelijke zorg aan verzoeker op grond van artikel 10, tweede lid, Vw onvoldoende is gewaarborgd.

2.27 Verzoeker heeft voorts niet aangetoond dat hij, zoals gesteld, in de praktijk geen toegang krijgt tot de voor hem noodzakelijke zorg omdat zijn zorgverleners van oordeel zijn dat eerst sprake dient te zijn van een acute medische noodsituatie. Dat de zorgverlener eerst zal proberen om de rekening te verhalen op verzoeker en vervolgens een declaratie, via de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), zal moeten indienen, doet er niet aan af dat de medisch noodzakelijke zorg aan verzoeker geboden zal moeten worden en dat de kosten daarvan door het Koppelingsfonds of van de post ‘dubieuze debiteuren’ dienen te worden vergoed. Er is daarom evenmin grond voor het oordeel dat verzoeker zijn recht op medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10, tweede lid, Vw in de praktijk niet kan effectueren.

2.28 De voorzieningenrechter zal het beroep, voor zover gericht tegen het reële besluit op de aanvraag, ongegrond verklaren.

2.29 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.30 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het reële besluit op de aanvraag, ongegrond;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. van der Lelie, voorzieningenrechter, en op 20 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.