Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AV0183

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
24-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/8935 WET en AWB 05/9491 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[...] Aannemelijk is dat de subsidieafwijzing gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van verzoekster. Het belang van verzoekster valt bovendien samen met dat van degenen ten behoeve van wie de aanvragen zijn ingediend. Nu de aanvragen deels betrekking hebben op lopende projecten en overigens op projecten waarvoor de administratieve voorbereiding -met de daaraan verbonden kosten- in een gevorderd stadium verkeert, is sprake van voldoende spoedeisend belang. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 05/8935 WET en AWB 05/9491 WET

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening van

Stichting Opleidingsfonds Groothandel (SOG), statutair gevestigd te Den Haag, verzoekster,

ten aanzien van

1) de besluiten van 14 november 2005 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, waarbij 38 aanvragen om ESF-3 subsidie voor scholingsprojecten in het kader van de werkgelegenheid zijn afgewezen;

2) het besluit van 27 oktober 2005 van verweerder waarbij het subsidieplafond voor de Subsidieregeling ESF-3 met ingang van 28 oktober 2005 om 09.00 uur is vastgesteld op nihil (hierna: Besluit subsidieplafond);

Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Tevens is om een voorlopige voorziening verzocht.

Zitting

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 13 januari 2006.

Namens verzoekster zijn verschenen mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, en [betrokkene].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, advocaat, en [betrokkene], werkzaam bij het Agentschap SZW.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en het voor verzoekster onevenredig bezwaarlijk is de beslissing in de bodemprocedure af te moeten wachten.

Aannemelijk is dat de subsidieafwijzing gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van verzoekster. Het belang van verzoekster valt bovendien samen met dat van degenen ten behoeve van wie de aanvragen zijn ingediend. Nu de aanvragen deels betrekking hebben op lopende projecten en overigens op projecten waarvoor de administratieve voorbereiding -met de daaraan verbonden kosten- in een gevorderd stadium verkeert, is sprake van voldoende spoedeisend belang.

De subsidieaanvragen zijn op 28 oktober 2005 om 9.55 uur door het Agentschap ontvangen. Verweerder heeft de gevraagde subsidie geweigerd onder verwijzing naar artikel 6, aanhef en onder e van de Subsidieregeling ESF-3 (hierna: de Regeling ) en artikel 4:25, tweede lid, van de Awb wegens overschrijding van het subsidieplafond.

In artikel 4 van de Regeling juncto artikel 2b van het ESF3-beleidskader 2001 is de mogelijkheid geopend tot het instellen van een subsidieplafond voor de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met g van de Regeling genoemde projecten.

Van de mogelijkheid tot het instellen van een subsidieplafond is niet eerder dan op 27 oktober 2005 gebruik gemaakt.

Bij besluit van die datum heeft verweerder, uit vrees voor overschrijding van het subsidiebudget, het plafond voor genoemde projecten met ingang van 28 oktober 2005 om 09.00 uur op nihil vastgesteld. Het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 1 november 2005 (Stcrt. 1-11-2005, nr. 212, pagina 9).

In artikel 4:27 van de Awb is bepaald dat het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

Het tweede lid bepaalt dat, indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, deze bekendmaking geen gevolgen heeft voor voordien ingediende aanvragen.

In geschil is wanneer het subsidieplafond is bekendgemaakt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit houdende vaststelling van het subsidieplafond krachtens wettelijk voorschrift is vastgesteld en geen zelfstandige normstelling bevat, zodat het dient te worden aangemerkt als een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. De bekendmaking dient derhalve te voldoen aan de eisen van artikel 3:42 van de Awb.

Dat in artikel 4:27, eerste lid, van de Awb geen melding is gemaakt van een besluit tot het instellen van een subsidieplafond maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter acht dit verklaarbaar uit het feit dat een subsidieplafond niet alleen bij besluit kan worden ingesteld maar ook kan zijn opgenomen in de subsidieregeling zelf, in welk geval hoofdstuk 3 van de Awb niet van toepassing is.

Ingevolge het eerste lid van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis- aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Ingevolge het tweede lid geschiedt de bekendmaking niet elektronisch, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Gelet op het bepaalde in dit artikel geldt de bekendmaking in de Staatscourant van 1 november 2005 als bekendmaking als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de Awb. Dit stemt overeen met het doel van artikel 3:42 Awb, namelijk dat een bekendmaking dient plaats te vinden op een voor een ieder kenbaar en te verifiëren moment, zodat geen twijfel kan bestaan over het moment waarop het besluit in werking is getreden.

De verschillende manieren, waarop op 28 oktober 2005 bekendheid is gegeven aan "de sluiting van het ESF-subsidieloket" voldoen niet aan het vereiste van gelijktijdigheid en duidelijkheid en kunnen reeds daarom niet worden beschouwd als een andere geschikte wijze van bekendmaking in de zin van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb.

Dat publicatie op de website van het Ministerie geen rechtsgeldige bekendmaking is, volgt reeds uit het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Een wettelijk voorschrift dat voorziet in elektronische bekendmaking ontbreekt. In de Regeling en het beleidskader is steeds bekendmaking in de Staatscourant voorgeschreven.

Nu de aanvragen zijn ingediend vóór het tijdstip van bekendmaking mocht het subsidieplafond niet aan verzoekster worden tegengeworpen.

De bestreden besluiten van 14 november 2005 zijn in strijd met het bepaalde in artikel 4:27, tweede lid, van de Awb.

Deze besluiten dienen te worden geschorst.

Verweerder wordt opgedragen de aanvragen inhoudelijk te beoordelen.

De vraag of verweerder oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het instellen van een subsidieplafond behoeft, gelet op het voorgaande, in deze procedure niet te worden beantwoord.

Er zijn termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening gemaakte kosten.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-te weten € 322,- voor het verzoekschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe met dien verstande dat de besluiten van 14 november 2005 worden geschorst tot en met zes weken na verzending van de beslissingen op bezwaar;

2. draagt verweerder op met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak inhoudelijk op de aanvragen te beslissen.

3. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in de proceskosten van € 644,- welke kosten de Minister voornoemd aan verzoekster dient te vergoeden;

4. bepaalt dat verweerder verzoekster het door haar betaalde griffierecht, te weten € 276,-, vergoedt;

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel - van Walbeek, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op

20 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.M. van der Meide.