Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AU9605

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/56580
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Grensdetentie / vertrekplicht / belangenafweging.

Nu sprake is van vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw 2000 staat de vraag voorop of de vreemdeling voldoende medewerking heeft verleend aan zijn vertrekplicht, met name door het geven van informatie over identiteit, nationaliteit en reisroute, en het overleggen van documenten. Bovendien speelt het grensbewakingsbelang een belangrijke rol. Uit het voorgaande vloeit voort dat na de termijn van zes maanden de belangen in deze situatie weliswaar niet snel in het voordeel van de vreemdeling zullen doorslaan, maar dat na ommekomst van deze periode de door de rechtbank uit te voeren weging - bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of verweerder zich in toereikende mate van zijn faciliteringsplicht heeft gekweten - indringender zal moeten zijn. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/56580

V-nr.: 270.707.0406

inzake: A, geboren op [...] 1989, van (gestelde) Chinese nationaliteit, verblijvende in Grenshospitium de Tafelbergweg te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nardelli, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 31 maart 2005 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast. Eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van deze maatregel zijn bij uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 april 2005, 8 juni 2005, 3 augustus 2005, 27 september 2005 en 14 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 16 december 2005 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd, alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 3 januari 2006. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat geen zicht op uitzetting op korte termijn bestaat. De Chinese vertegenwoordiging in Nederland heeft te kennen gegeven dat zij de aanvraag om afgifte van een laissez-passer niet in behandeling kunnen nemen omdat eiser te weinig identiteits- en nationaliteitsgegevens heeft opgegeven. Hoewel eiser weinig informatie heeft verstrekt, is de opgelegde maatregel, gelet op de inmiddels verstreken periode, een zware sanctie geworden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het omslagpunt waarbij het belang van eiser bij invrijheidstelling groter is dan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel, nog niet bereikt is. Het bestaan van zicht op uitzetting is in de onderhavige zaak niet de centrale vraag. Gelet op het feit dat het een artikel 6-maatregel betreft, staat centraal de vraag of eiser aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Eiser wordt regelmatig verzocht medewerking te verlenen, maar heeft tot op heden onvoldoende informatie verstrekt om tot de afgifte van een laissez-passer te kunnen komen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vrijheidsontnemende maatregel duurt thans ruim negen maanden. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Aan de door de Rechtseenheidskamer (REK) in de uitspraak van 21 augustus 1997 (AWB 97/4849 VRWET) geformuleerde criteria bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel, kan ook bij de beoordeling van een maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 niet iedere betekenis worden ontzegd. De rechtbank is van oordeel dat ook na ommekomst van een periode van zes maanden vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 er sprake kan zijn van een omslagpunt in de weging van de in aanmerking komende belangen. Echter, anders dan in voornoemde uitspraak, waarbij sprake was van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en derhalve het zicht op uitzetting een centrale rol speelde, is in het onderhavige geval sprake van vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 en staat dan ook de vraag voorop of de vreemdeling voldoende medewerking heeft verleend aan zijn vertrekplicht, met name door het geven van informatie over identiteit, nationaliteit en reisroute, en het overleggen van documenten. Bovendien speelt het grensbewakingsbelang een belangrijke rol. Uit het voorgaande vloeit voort dat na de termijn van zes maanden de belangen in deze situatie weliswaar niet snel in het voordeel van de vreemdeling zullen doorslaan, maar dat na ommekomst van deze periode de door de rechtbank uit te voeren weging - bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of verweerder zich in toereikende mate van zijn faciliteringsplicht heeft gekweten - indringender zal moeten zijn.

In het licht van het vorengaande dient thans in de eerste plaats te worden beoordeeld of eiser op adequate wijze invulling heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij activiteiten heeft ondernomen om daaraan te voldoen. Dit laat onverlet dat ook van verweerder de nodige inspanningen mogen worden verwacht om te bewerkstelligen dat eiser kan voldoen aan zijn vertrekplicht. De aard en omvang van deze inspanningen moeten waar nodig eveneens worden betrokken bij de te maken belangenafweging.

De rechtbank gaat ervan uit dat eiser mede heeft beoogd te betogen dat thans het omslagpunt is bereikt en dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De rechtbank volgt dit betoog niet en overweegt hiertoe als volgt.

In het licht van het zwaarwegende karakter van het grensbewakingsbelang en rekening houdend met het feit dat uit het dossier (dossierstuk 70) blijkt dat eiser minimaal één keer een adres heeft opgegeven dat onjuist is bevonden, kan thans nog niet gezegd worden dat de belangen van eiser bij opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel zwaarder moeten wegen dan de belangen van verweerder bij voortduring daarvan. Wel vindt de rechtbank aanleiding om op te merken dat uit de voortgangsrapportage in onvoldoende mate is af te leiden wanneer en hoe eiser er concreet op is gewezen welke identiteits- en nationaliteitsgegevens hij nog dient te verschaffen alvorens een tweede aanvraag om afgifte van een laissez-passer met succes bij de Chinese autoriteiten kan worden ingediend. Uit de voortgangsrapportage is immers niet meer of anders af te leiden dan dat eiser na het telefonisch bericht van de Unit Facilitering Terugkeer van 25 oktober 2005 slechts in algemene zin is verzocht medewerking te verlenen. Ter gelegenheid van een eventuele volgende voortgangsrapportage zal verweerder in dit opzicht dan ook duidelijkheid moeten verschaffen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat thans geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank overweegt in dit kader dat, gelet op de stukken, niet uitgesloten kan worden geacht dat de Chinese autoriteiten alsnog een laissez-passer verstrekken als eiser volledige en juiste gegevens verschaft.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2006, in tegenwoordigheid van J.M. Mills, griffier.

Afschrift verzonden op: 10 januari 2006.

Conc.: JM

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.