Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:19271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
263063 - KG ZA 06-419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, overheidsaansprakelijkheid, collectieve actie, sloop brug, voorbescherming Monumentenwet 1988. Gevorderd verbod op sloop boogbrug bij Vianen in afwachting van de primaire beslissing op het verzoek van eiseres de brug als beschermd monument aan te merken toegewezen, aangezien het de Staat niet vrijstaat mogelijke voorbescherming te voorkomen door de betreffende onroerende zaak te slopen.

De medegevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 11 april 2006,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/419 van:

de stichting

Stichting Boogbrug Vianen,

gevestigd te IJsselstein,

eiseres,

procureur mr. D.J.G. Timmermans,

advocaat mr. E.D.M. Verboom te Eindhoven,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. E.H.P. Brans,

advocaten mrs. E.H.P. Brans en R.J.J. Aerts te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna ook ‘de Stichting’ en ‘de Staat’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

De Staat is vrijwillig verschenen op de zitting van 7 april 2006. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten. Op 11 april 2006 is aan partijen een uittreksel van het audiëntieblad van die dag afgegeven met de uitspraak in deze zaak. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 april 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij Zaltbommel liggen drie bruggen over de Waal, een spoorbrug uit 1869 en twee bruggen voor wegverkeer uit respectievelijk (circa) 1933 en 1996. De brug uit 1933 wordt al ongeveer tien jaar niet meer gebruikt. Deze brug zal hierna kortweg ‘de brug’ of ‘de brug over de Waal bij Zaltbommel’ worden genoemd.

2.2.

Tot 17 februari 2005 had de Stichting volgens haar statuten kort gezegd ten doel het behouden van een brug over de Lek bij Vianen.

2.3.

In 2002 heeft de Stichting verzocht de brug over de Waal bij Zaltbommel aan te wijzen als beschermd (rijks)monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook ‘de staatssecretaris’) dat verzoek afgewezen. De Stichting heeft vervolgens de (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep aangewend. Die rechtsmiddelen hadden echter geen resultaat vanwege, kort gezegd, de statutaire doelstelling die de Stichting tot 17 februari 2005 had.

2.4.

Sinds 17 februari 2005 bepalen de statuten van de Stichting het volgende:

‘De stichting heeft ten doel:

het behouden van de twaalf bruggen over de grote rivieren die gebouwd zijn in het kader van het Rijkswegenplan 1927;

het onder de aandacht brengen van de waarden en de schoonheid van deze bruggen;

voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn alles in de ruimste zin des woords.’

2.5.

Van de in de (gewijzigde) statuten van de Stichting bedoelde twaalf bruggen (hierna ook ‘de twaalf bruggen’) zijn thans drie bruggen aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Een van de twaalf bruggen is aangewezen als gemeentelijk monument.

2.6.

Bij brief van 29 september 2005 heeft de Stichting de staatssecretaris verzocht om de twaalf bruggen (gezamenlijk) aan te wijzen als beschermd monument. Naar aanleiding van deze brief heeft de staatssecretaris op 13 oktober 2005 het besluit genomen om ‘de brug over de Waal bij Zaltbommel’ niet aan te wijzen als beschermd monument, op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder verwijzing naar haar hiervoor genoemde besluit van 13 mei 2004. Bij brief van 21 november 2005 heeft de Stichting bezwaar gemaakt tegen dat besluit van de staatssecretaris. Op dat bezwaar is nog niet beslist.

2.7.

Bij verzoekschrift van 13 februari 2006 heeft de Stichting aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht, (hierna ‘de Utrechtse voorzieningenrechter’) verzocht enkele voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 Awb te treffen. Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de Utrechtse voorzieningenrechter onder meer als volgt beslist:

‘De voorzieningenrechter:

3.1

wijst het verzoek toe, in die zin dat het besluit van [de staatssecretaris] van 13 oktober 2005 wordt geschorst tot zes weken nadat [de staatssecretaris] een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument; [..]’

2.8.

Op zeker moment is vergunning verleend voor de sloop van de brug. Medio maart 2006 is met de sloop begonnen. Kort daarna is de sloop gestaakt. Vervolgens, kort na de uitspraak van 28 maart 2006, is de sloop weer hervat. De Staat is de (uiteindelijke) opdrachtgever voor de sloop.

3 De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1.

De Stichting vordert – zakelijk weergegeven – de Staat:

a. te gelasten ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug zal worden aangehouden tot de in de uitspraak van 28 maart 2006 van de Utrechtse voorzieningenrechter genoemde termijn;

b. te veroordelen tot vergoeding van alle schade die is ontstaan door de sloopwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden nadat de Staat bekend was met de uitspraak van 28 maart 2006.

3.2.

Daartoe voert de Stichting – zakelijk weergegeven – het volgende aan.

Uit de uitspraak van 28 maart 2006 vloeit voort dat de sloop van de brug gestaakt dient te worden. De Staat handelt daarom onrechtmatig jegens de Stichting door de sloop toch voort te laten zetten.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De Stichting legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. De burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, is daarom bevoegd om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen.

4.2.

De Staat heeft betoogd dat de Stichting niet ontvankelijk is in haar vorderingen, gelet op het bepaalde in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW), dat, kort gezegd, de mogelijkheid regelt tot het instellen van een zogeheten collectieve actie. Volgens de Staat behartigt de Stichting niet de ‘gelijksoortige belangen van andere personen’, maar slechts de belangen van haar bestuurder, de heer [A]. Verder heeft de Stichting volgens de Staat geen overleg gevoerd voordat zij dit kort geding aanhangig heeft gemaakt. Voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding heeft de Staat betoogd dat het instellen van een dergelijke vordering niet mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 3:305a BW.  

4.3.

Naar voorlopig oordeel is de Stichting wel ontvankelijk in haar vorderingen. Hierbij is allereerst van belang dat er voor de Stichting geen andere rechtsgang openstaat dan die bij de burgerlijke rechter en dat zij onmiskenbaar een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft.

Verder is daarbij van belang dat het voorshands niet aannemelijk is dat de Stichting slechts de belangen van de heer [A]behartigt. De Stichting heeft dit gemotiveerd weersproken. Zij heeft ter zitting gesteld ongeveer 75 donateurs te hebben. Bovendien vermeldt het door de Stichting overgelegde boekwerk ‘Het complex, samenvatting van de aanvraag tot aanwijzing beschermd monument van de 12 bruggen van het Rijkswegenplan 1927’dat dit is samengesteld door meerdere personen en wekt het voorshands ook die indruk. Evenmin is aannemelijk is dat de Stichting in strijd met artikel 305a lid 2 BW onvoldoende overleg heeft gevoerd met de Staat. Dat dergelijk overleg nog enige zin zou kunnen hebben gehad, is onwaarschijnlijk. De Staat was immers bekend met het standpunt van de Stichting over de voorgenomen sloop van de brug, maar hij koos er toch voor om die sloop te laten voortzetten. Indien de Staat daadwerkelijk overleg zou hebben willen voeren, zou het bovendien op zijn weg hebben gelegen om de sloop van de brug hangende dat overleg op te schorten. Hij heeft dat echter niet gedaan en ook niet aangeboden.  

Voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding is – wat er van die vordering overigens ook zij – voorts nog van belang dat artikel 3:305a lid 3 BW weliswaar bepaalt dat een zogeheten collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld, maar schadevergoeding in andere vorm niet uitsluit.

4.4.

De Staat heeft verder betoogd dat de sloop van de brug niet onrechtmatig is. Daartoe heeft hij, voorzover thans van belang, het volgende aangevoerd.

a. Hoewel de Stichting dat uitdrukkelijk heeft gevraagd, heeft de Utrechtse voorzieningenrechter niet bepaald dat de brug niet (verder) gesloopt mag worden.

b. De brug is op zichzelf geen beschermd monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988. Het verzoek om de brug als zodanig aan te wijzen is immers bij het hiervoor genoemde besluit van 13 mei 2004 afgewezen. Bovendien brengt het verzoek om de twaalf bruggen gezamenlijk als beschermd monument aan te wijzen niet mee dat de brug valt onder de uit artikel 5 Monumentenwet 1988 voortvloeiende voorbescherming (hierna ‘de voorbescherming’). Uit de artikelen 3 en 5 van die wet volgt immers dat de voorbescherming pas ontstaat wanneer de staatssecretaris, kort gezegd, (1) advies vraagt aan burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten en (2) daarvan mededeling doet aan de eigenaar van de brug. De staatssecretaris heeft de betreffende adviezen echter nog niet ingewonnen. Nu de brug dus geen beschermd monument is en ook niet onder de voorbescherming valt, mag deze gesloopt worden.

c. De kans dat de twaalf bruggen gezamenlijk als beschermd monument zullen worden aangewezen, is vrijwel nihil. Voor een aanwijzing als een ‘complex’ als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub k van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim), is immers vereist dat ieder onderdeel van de betreffende groep onroerende zaken reeds tevoren afzonderlijk is aangewezen als beschermd monument.

4.5.

Dit betoog wordt verworpen.

Dat de Utrechtse voorzieningenrechter niet bepaald heeft dat de brug niet (verder) gesloopt mag worden, brengt niet zonder meer mee dat dit wel zou mogen. Zoals uit de uitspraak van 28 maart 2006 blijkt, heeft zij immers niet beoordeeld of de (verdere) sloop van de brug al dan niet rechtmatig is. Dit ligt overigens ook in de rede, want op grond van het bepaalde in artikel 8:1 Awb staat in beginsel slechts administratief beroep open tegen besluiten en niet tegen andere handelingen van bestuursorganen.

Met de Staat wordt voorshands geoordeeld dat de brug thans niet onder de voorbescherming valt. Op grond van de uitspraak van 28 maart 2006 is de staatssecretaris echter gehouden om alsnog een ‘primaire beslissing’ te nemen op de aanvraag om de twaalf bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument. De staatssecretaris zal daartoe – zoals de Staat ter zitting (uiteindelijk) heeft erkend – alsnog de in artikel 3 Monumentenwet 1988 bedoelde procedure moeten volgen. Hierdoor zal de brug alsnog onder de voorbescherming komen te vallen. Zoals tussen partijen niet in geschil is, zal de brug alsdan niet (zonder meer) gesloopt mogen worden.

Geoordeeld moet daarom worden dat het de Staat thans niet vrijstaat om de brug (verder) te laten slopen. Voorshands lijkt het niet de bedoeling van de Monumentenwet 1988 te zijn om de Staat in gevallen als deze de mogelijkheid te bieden om het ontstaan van voorbescherming desgewenst te voorkomen door enerzijds de in artikel 3 Monumentenwet 1988 bedoelde procedure op te schorten en anderzijds de betreffende onroerende zaak ondertussen te laten slopen.

Wellicht zou anders geoordeeld moeten worden indien het volstrekt onmogelijk zou zijn dat de twaalf bruggen gezamenlijk als monument worden aangewezen. Dat dit volstrekt onmogelijk is, is in dit kort geding echter onvoldoende aannemelijk geworden. Het door de Staat aangehaalde artikel van het Brim is daartoe onvoldoende, nu dat artikel naar voorlopig oordeel slechts een definitie geeft van het in het Brim gebruikte begrip ‘complex’ en er niet toe strekt om te bepalen wanneer een groep onroerende zaken gezamenlijk als beschermd monument kan worden aangewezen.

4.6.

Tot slot heeft de Staat zich nog beroepen op artikel 6:168 BW dat, kort gezegd, bepaalt dat een vordering tot het verbieden van onrechtmatige handelingen kan worden afgewezen op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen. Volgens de Staat is de brug al vijftien jaar niet onderhouden en duurt de in artikel 3 Monumentenwet bedoelde procedure ongeveer twee jaar. Indien de brug niet zou mogen worden gesloopt voordat die procedure is doorlopen, zou dat volgens de Staat minstens een miljoen euro kosten. Verder is de brug gevaarlijk voor de scheepvaart.

4.7.

Dit beroep wordt eveneens verworpen. Dat in de komende twee jaar maatregelen noodzakelijk zijn die minstens een miljoen euro kosten en dat de brug thans een (zwaarwegend) gevaar voor de scheepvaart vormt, is door de Stichting betwist en is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder 3.1 sub a weergegeven vordering zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. De onder 3.1 sub b weergegeven vordering zal worden afgewezen, nu de Stichting onvoldoende duidelijk heeft gemaakt op welke (mogelijke) schade die vordering betrekking heeft en op welke wijze die schade vergoed zou moeten worden. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

gebiedt gedaagde ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden tot zes weken nadat de Staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de (complex) aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument;

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.064,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 248,-- aan griffierecht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 11 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

jwo