Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:17190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
257042 - FA RK 06-24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

adoptie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

Sector Familie- en Jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Adoptie

rekestnummer : FA RK 06-24

zaaknummer : 257042

datum beschikking : 05 juli 2006

BESCHIKKING op het op 2 januari 2006 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] en [verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers, dan wel verzoeker of verzoekster,

procureur: mr. J. de Vries.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 19 april 2006 van de zijde van verzoekers.

Op 21 juni 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekers en hun procureur alsmede de heer [naam] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht d.d. 21 juni 2006 van de zijde van verzoekers.

BEOORDELING

Het verzoek strekt tot adoptie door verzoekers van de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De minderjarige heeft de Marokkaanse nationaliteit, terwijl verzoeker de Marokkaanse en verzoekster de Nederlandse alsmede de Marokkaanse nationaliteit heeft. Verzoekers zijn woonachtig in Nederland en hebben te kennen gegeven dat de minderjarige op enig moment naar Nederland zal komen, om hier met hen een nieuw gezin te vormen. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk is het Nederlandse recht, met dien verstande dat de vraag welke betekenis toekomt aan de toestemming van de biologische ouders van de minderjarige, in beginsel wordt beantwoord naar de regels die het nationale recht van de minderjarige daarover bevat.

Inhoudelijke beoordeling

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun verzoek tot adoptie het volgende gesteld.

Eind 2004 hebben verzoekers in Nederland een televisie-uitzending van de Marokkaanse overheid bekeken, in welke uitzending Marokkanen in het buitenland door de Marokkaanse regering werden opgeroepen om de vele weeskinderen in het land te hulp te komen door middel van adoptie. Zij hebben vervolgens in Marokko informatie ingewonnen en hebben zich vervolgens voor de adoptieprocedure van een weeskind aangemeld. Zij hebben gesteld dat zij door de Marokkaanse autoriteiten noch bij aanvang van de procedure, noch op enig later moment gewezen zijn op de eisen die hier te lande aan een interlandelijke adoptie worden gesteld, alsmede dat zij in de veronderstelling verkeerden dat hier te lande in al zijn gevolgen zonder meer zou worden aanvaard wat door de Marokkaanse autoriteiten zou worden beslist.

Op 30 maart 2005 heeft de kinderrechter van het Tribunaal in Eerste Aanleg, afdeling familiezaken, te Fez, Marokka, de Kafala, zijnde een Marokkaanse vorm van adoptie ofwel pleegouderschap uitgesproken ten gunste van verzoekers. Verzoekers hebben gesteld dat zij vanaf dat moment naar Marokkaans recht hebben te gelden als rechtmatige ouders en verzorgers van de minderjarige en ook met het ouderlijk gezag over de minderjarige zijn bekleed. Om tijdelijk in onderdak en verzorging van de minderjarige te kunnen voorzien hebben verzoekers in Marokko een gezin met kinderen bereid gevonden om de minderjarige tijdelijk op te nemen tegen betaling van een maandelijks bedrag voor kost en inwoning. Tevens zijn zij zoveel mogelijk naar Marokko afgereisd om tijd met de minderjarige door te brengen. Op 29 april 2005 heeft verzoeker bij de Nederlandse vertegenwoordiger te Rabat een verzoek ingediend tot verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland voor de minderjarige. Bij beschikking van 22 september 2005 heeft de minister van Buitenlandse zaken dit verzoek afgewezen, op grond van het ontbreken van beginseltoestemming als bedoeld in de Wet Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie (hierna: Wobka). Vervolgens hebben verzoekers zich bij brief d.d. 26 juli 2005 gericht tot de Stichting Adoptievoorzieningen te Utrecht, welke stichting is belast met het verzorgen van informatiecursussen die aspirant-adoptiefouders dienen te volgen ter verkrijging van beginseltoestemming. Op 4 augustus 2005 heeft voormelde stichting aan verzoekers te kennen gegeven dat zij naar verwachting pas in het eerste kwartaal van 2007 aan de voorlichtingsbijeenkomst kunnen deelnemen. Verzoekers achten het echter van belang dat de minderjarige zo spoedig mogelijk naar Nederland komt, opdat hij weinig achterstand oploopt bij het aanpassen aan en opgroeien in de Nederlandse samenleving en zijn nieuwe gezin. Voorts achten zij zichzelf goed in staat om de minderjarige al het nodige te bieden voor een gezonde en onbekommerde ontwikkeling in de Nederlandse maatschappij. Verzoekers achten het, gelet op het voorgaande, van zeer groot belang dat de verzochte adoptie zo spoedig mogelijk wordt uitgesproken, waarmee de minderjarige op grond van artikel 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, zodat de minderjarige naar Nederland kan komen.

De raad heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het, gelet op de leeftijd van de minderjarige, van belang is dat er spoedig duidelijkheid zal komen omtrent zijn definitieve gezinssituatie.

De rechtbank zal in het navolgende bezien in hoeverre thans aan de vereisten van artikel 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan.

Verzoeker, geboren in 1966 te [geboorteplaats] , Marokko, en verzoekster, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Marokko, zijn met elkander gehuwd op [datum huwelijk] op het Marokkaanse consulaat te [plaats huwelijk] . Blijkens overgelegde bewijsstukken van de gemeente ’s-Gravenhage hebben verzoekers in de periode van 13 mei 1991 tot 12 juli 2004 en in de periode van 6 juni 2005 tot heden op hun huidige adres met elkander samengeleefd. Van 12 juli 2004 tot 6 juni 2005 heeft de verzoekster echter op een ander adres dan verzoeker gewoond, zodat niet kan worden gezegd dat verzoekers ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het adoptieverzoek met elkander hebben samengeleefd. De rechtbank overweegt echter dat het samenlevingsvereiste van artikel 1:227 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gesteld opdat een zekere bestendigheid kan worden verwacht van het milieu waarin de minderjarige terechtkomt.

Nu verzoekers reeds sedert 29 juni 1989 zijn gehuwd en zij sedertdien immer, op één jaar na, met elkander hebben samengeleefd, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de noodzakelijke bestendigheid van de relatie van verzoekers kan worden verwacht.

Verzoekers wonen in Nederland, terwijl de minderjarige in Marokko woont. Verzoekers zijn desondanks van mening dat aan het vereiste van artikel 1:228 lid 1 sub f van het Burgerlijk Wetboek, dat ingeval van een adoptie door twee personen tezamen een verzorgingstermijn van één jaar geldt, is voldaan. Zij hebben hiertoe gesteld dat zij de minderjarige zeer regelmatig bezoeken en dat zij een hechte band met de minderjarige hebben opgebouwd. Zij hebben verklaard dat de minderjarige hen als ouders beschouwd. Tevens hebben zij er op gewezen dat naar Marokkaans recht op hen sedert 30 maart 2005 officieel de plicht rust om de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Zij stellen dan ook dat zij sedertdien op financieel gebied zorgdragen voor de minderjarige en dat zij daarnaast hebben gezorgd voor goed onderdak voor de minderjarige in Marokko bij een pleeggezin.

De rechtbank overweegt dat aan het begrip verzorging en opvoeding in de rechtspraak een ruime betekenis wordt toegekend en dat ook verzorging buitenshuis op beslissing en voor rekening van de adoptiefouders onder dit begrip valt. Nu verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de minderjarige in ieder geval sedert 30 maart 2005 weliswaar buitenshuis, maar voor eigen rekening en verantwoordelijkheid, hebben verzorgd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake van is dat verzoekers de minderjarige gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed.

Blijkens de uitspraak d.d. 30 maart 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Fez, afdeling van de Familierechtspraak is de minderjarige aan de zorg van verzoekers toevertrouwd en is verzoeker benoemd tot datieve voogd. Verzoekers kunnen worden geacht te zijn bekleed met een vorm van gezag over de minderjarige die overeenkomt met het gezag over minderjarigen volgens Nederlands recht.

Bij de in het geding gebrachte stukken bevindt zich een kopie van het paspoort op naam van de minderjarige. Voorts blijkt uit het stuk van de rechtbank van eerste aanleg te Fez, dossier nr. [nummer] , dat aan verzoeker toestemming is verleend om de minderjarige waarvoor hij zorgt mee te nemen op reis om permanent in het buitenland te verblijven. De rechtbank concludeert derhalve dat overeenkomstig het nationale recht van de minderjarige is ingestemd met het vertrek van de minderjarige.

Blijkens de geboorteakte van de minderjarige met het nummer [nummer] van het jaar [jaar] , is de minderjarige geboren op [geboortedatum] als zoon van [naam] en [naam] . Blijkens het vonnis d.d. 15 januari 2004 van de rechtbank in eerste aanleg te Fez, dossier nr. [nummer] is bepaald dat de minderjarige verwaarloosd is en dat er verder geen gegevens bekend zijn van de biologische ouders van de minderjarige. Het is aannemelijk geworden dat de biologische ouders van de minderjarige niet of niet langer het gezag over de minderjarige hebben.

Het is de rechtbank voldoende gebleken dat de minderjarige over de gevolgen van de adoptie is voorgelicht in de mate die past bij zijn leeftijd en ontwikkeling.

Verzoekers hebben echter niet overeenkomstig de in Nederland van toepassing zijnde wettelijke bepalingen gehandeld door de minderjarige naar Marokkaans recht te adopteren zonder de voor opneming in hun gezin in Nederland noodzakelijke voorafgaande beginseltoestemming. De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen het feit dat de minister van Justitie nog geen beginseltoestemming heeft gegeven, niet steeds aan het uitspreken van de adoptie van de minderjarige in de weg behoeft te staan. De rechtbank overweegt daartoe dat, ofschoon voorop dient te staan dat onbekendheid met dit voorschrift voor rekening van verzoekers dient te blijven en de gevolgen daarvan niet kunnen worden afgewenteld op de Nederlandse samenleving, met het oog op een adoptie, indien deze in het kennelijk belang van de minderjarige is en afwijzing van het verzoek de belangen van de minderjarige om die reden ernstig zou schaden, aan de niet vervulling van het beginseltoestemmingsvereiste voorbij kan worden gegaan.

Verzoekers hebben gesteld en feitelijk onderbouwd dat de door hen verzochte adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is. De rechtbank mist echter enig objectief gegeven dat van die stelling een bevestiging vormt. Zij acht het ter voorkoming van – in het licht van het verzoek van verzoekers – ongewenste hechting van de minderjarige aan de pleegouders in Marokko, van groot belang dat op de kortst mogelijke termijn uit objectief onderzoek zal blijken of de verzochte adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is. Met het oog daarop zal de rechtbank de raad verzoeken met spoed zodanig onderzoek te verrichten en voor zover nodig in het buitenland te doen verrichten. Ter bediening van de raad en ter bevordering van de spoed wordt nog vermeld dat de heer [naam] bij uitvoerige bespreking van de zaak ter terechtzitting de urgentie van een onderzoek op de kortst mogelijke termijn heeft onderschreven. De rechtbank zal derhalve beslissen als na te melden.

In verband met het vorenstaande zal de behandeling van deze zaak pro forma worden aangehouden tot een na te melden datum.

BESLISSING

De rechtbank:

verzoekt de raad voor de kinderbescherming met spoed een onderzoek te verrichten ter fine als hierboven overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren;

bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de raad voor de kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 oktober 2006 PRO FORMA; uiterlijk twee weken vóór die datum dient de raad voor de kinderbescherming zich uit te laten omtrent de voortgang van de procedure;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de raad voor de kinderbescherming;

beveelt de griffier verzoekers tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting via de eigen procureur op te roepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven te ’s-Gravenhage door mr. R.M. Bouritius, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2006.