Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:BR2350

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2005
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
AWB 04/5464 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of verweerder bij de verlening van de bouwvergunning het nulpeil op het perceel van vergunninghouder juist heeft vastgesteld. Het maaiveldniveau, het nulpeil, is vastgesteld op 65 cm boven het waterniveau. In het vigerende bestemmingsplan zijn echter geen bepalingen opgenomen die voorschrijven dat het nulpeil op deze wijze dient te worden vastgesteld. Uit de overige overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt evenmin waar verweerder dit op heeft gebaseerd. Niet kan worden vastgesteld of het hoogteverschil waar in de bouwtekeningen van wordt uitgegaan, overeenkomt met het gemiddelde maaiveldniveau ter plaatse én die van de omliggende terreinen. Het bestreden besluit is op dit punt onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/5464 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eisers], eisers,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, verweerder.

Derde-partij: [derde-partij].

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 februari 2004 heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghouder) binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een woonhuis met garage en berging/hobbyruimte op het perceel plaatselijk bekend [adres].

Bij besluit van 16 november 2004 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften Kamer 1, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 december 2004, ingekomen bij de rechtbank op 22 december 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Eisers hebben enige stukken overgelegd.

Het beroep is op 12 september 2005 ter zitting behandeld.

Eisers zijn in persoon verschenen bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A]. Namens de derde-partij is zijn echtgenote [B], bijgestaan door mr. E.N. Nordmann, advocaat te Amsterdam.

Motivering

Het bouwplan voorziet in realisering van een woning op een dijk tussen de Bovenmeerweg, welke aan het water 'de Wetering' grenst, en de Ondermeerweg. Ook worden een garage en berging/hobbyruimte (schuin) achter de achtergevel van de woning gerealiseerd. Het perceel van vergunninghouder is in hoogte niet gelijk en loopt schuin naar beneden af in de richting van de Ondermeerweg.

In artikel 44 van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2001". In artikel 3 van het bestemmingsplan zijn begripsbepalingen opgenomen. Onder het begrip peil dient volgens deze bepalingen te worden verstaan: de hoogte van het terrein ter plaatse van de bouw, zulks gezien in relatie met de hoogte van de omliggende terreinen (maaiveld).

In geschil is de vraag of verweerder bij de verlening van de bouwvergunning het nulpeil op het perceel van vergunninghouder juist heeft vastgesteld.

Volgens eisers heeft vergunninghouder in 1999 de grond op zijn perceel illegaal opgehoogd. Voor de vaststelling van het nulpeil heeft verweerder in plaats van het oorspronkelijke maaiveldniveau ten onrechte het maaiveldniveau na ophoging gehanteerd. De peilmaat ligt in werkelijkheid dan ook 80 cm hoger. Verder heeft verweerder niet het gemiddeld maaiveldniveau ter plaatse aangehouden, maar een hoger niveau op een plaats. Het bouwplan is derhalve op grond van verkeerde gegevens beoordeeld.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niveau van het terrein van belang is zoals dit bij aanvang van de werkzaamheden er bij ligt. Verder gaat verweerder bij het vaststellen van het peil uit van een (omringend) gemiddeld maaiveldniveau.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat het maaiveldniveau, het nulpeil, is vastgesteld op 65 cm boven het waterniveau. In het vigerende bestemmingsplan zijn echter geen bepalingen opgenomen die voorschrijven dat het nulpeil op deze wijze dient te worden vastgesteld. Uit de overige overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt evenmin waar verweerder dit op heeft gebaseerd. Daarbij komt dat verweerder weliswaar heeft gesteld dat toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 3, onder P, van de planvoorschriften, maar niet is gebleken dat verweerder bij het vaststellen van het peil daadwerkelijk een relatie met de omliggende terreinen heeft gelegd. De rechtbank acht het van belang dat verweerder in het onderhavige geval aantoont dat dit verband is gelegd, omdat zowel het niveau van het terrein van vergunninghouder als het niveau van de naastgelegen terreinen in hoogte wisselen. Nu verweerder bovengenoemde relatie niet heeft gelegd, althans niet inzichtelijk heeft gemaakt, kan ook niet worden vastgesteld of het hoogteverschil waar in de bouwtekeningen van wordt uitgegaan, overeenkomt met het gemiddelde maaiveldniveau ter plaatse én die van de omliggende terreinen.

Het bestreden besluit is op dit punt onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient verweerder in het nieuw te nemen besluit aan te geven hoe het gemiddelde maaiveldniveau voor elk gebouw wordt vastgesteld.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond.

vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2004;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Leidschendam-Voorburg aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 136,-, vergoedt.

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welke kosten de gemeente Leidschendam-Voorburg aan eisers moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. M.M. Smorenburg en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M. Grot.