Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:BL5973

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
AWB 04/2218 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het staat verweerder vrij om in het functietoewijzingsproces een zwaar gewicht toe te kennen aan het oordeel van de (commandant van de) vacaturehoudende eenheid. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de commandant van de vacaturehoudende eenheid, op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de eenheid en zijn inzicht en ervaring, in staat kan worden geacht een verantwoorde inschatting te maken voor wat betreft de eisen waaraan een kandidaat moet voldoen om de vacante functie op adequate wijze te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/2218 MAW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [adres], eiser,

en

de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser, aangesteld bij de Koninklijke Luchtmacht in de rang van sergeant-majoor, heeft gesolliciteerd naar de functie van Onderofficier Toegevoegd Nederlands Administratie Korps Verenigde Staten (hierna: OOT NAK VS).

Bij besluit van 13 november 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de functie van OOT NAK VS niet aan hem wordt toegewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 december 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 mei 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 7 juli 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [A].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B].

Motivering

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van verweerder waarbij het besluit om eiser niet in aanmerking te laten komen voor de door hem geambieerde functie is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Verweerder stelt dat de selectiecommissie zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in zodanige mate beschikt over doorzettingsvermogen en overtuigingskracht, dat hij in staat wordt geacht de functie op goede wijze te vervullen. Verweerder heeft geen reden om te twijfelen aan het vermogen van de commissie om zich een goed beeld te vormen.Verweerder verwijst dienaangaande naar de samenstelling van de commissie, waarvan de commandant NAK VS deel uitmaakte, en de visie van de commandant.

Eiser heeft in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat hij beschikt over de voor de functie vereiste relevante werkervaring en persoonseigenschappen. Eiser stelt hiertoe dat hij de kerntaken van de geambieerde functie ook tijdens eerdere plaatsingen heeft verricht. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet strookt met zijn laatste beoordelingen ten aanzien van de eigenschappen doorzettingsvermogen en overtuigingskracht. Eiser betoogt voorts dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hij in de bezwarenprocedure niet beschikte over het verslag van de selectiecommissie en de visie van de commandant NAK VS. Ten slotte stelt eiser dat de functie ten onrechte is toegewezen aan een kandidaat die niet voldoet aan de functie-eisen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) geschiedt functietoewijzing, waarbij aan de duur van de functievervulling een maximum termijn kan worden verbonden, en ontheffing uit de functie door de bevelhebber, indien aan de functie een lagere rang is verbonden dan commandeur/brigade-generaal/commodore.

In artikel 22 van het AMAR is bepaald dat om voor een functie in aanmerking te komen, de militair moet voldoen aan de gestelde eisen omtrent de opbouw van kennis en ervaring voor de vervulling van die functie.

Artikel 23 van het AMAR bepaalt dat bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;

b. de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring;

c. de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functies;

d. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur.

Het functietoewijzingsproces is nader uitgewerkt in de Beleidsregel functietoewijzing en bevordering militairen Koninklijke Luchtmacht (BFBKLu)

Artikel 6 van de Beleidsregel functietoewijzing en bevordering militairen Klu luidt als volgt:

Bij de besluitvorming ten aanzien van functietoewijzing worden de volgende criteria gehanteerd:

a. de mate waarin aan de functie-eisen wordt voldaan;

b. het beoordelingsbeleid;

c. de medische en sociale omstandigheden die de inzetbaarheid beïnvloeden;

d. de door de kandidaat verworven overige kennis en vaardigheden van belang voor de vervulling van de functie;

e. belangstelling en ambities;

f. gevolgde loopbaan en loopbaanomstandigheden.

Uit bovenaangehaalde bepalingen van het AMAR volgt dat verweerder ter zake van functietoewijzing een discretionaire bevoegdheid toekomt, zodat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit slechts terughoudend kan toetsen. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht de functie niet aan eiser heeft toegewezen als gevolg van het gewicht dat is toegekend aan het oordeel van de vacaturehoudende eenheid omtrent eisers persoonseigenschappen.

De rechtbank stelt vast dat, blijkens de overgelegde stukken, op 14 oktober 2003 selectie van de kandidaten heeft plaatsgevonden door de selectiecommissie, waarvan commandant NAK VS voorzitter was. Conform de toelichting bij artikel 6 van de BFTBKLu bestond de selectiecommissie ten minste uit de directe chef (in dit geval de commandant NAK VS) en een personeelsfunctionaris. In het selectieverslag is door de commandant ten aanzien van eiser vermeld dat hij “de afgelopen 16 maanden niet heeft kunnen overtuigen in het bezit te zijn van een groot doorzettingsvermogen, maar vooral niet van een voldoende overtuigingsvermogen. Dit is in deze functie waar moeilijk beleid en de daaraan gekoppelde beslissingen aan functionarissen met een hogere rang moeten worden duidelijk gemaakt een voorwaarde. Deze laatste criteria zijn voor mij van doorslaggevende betekenis.”

Blijkens het selectieverslag wordt door de commissie geadviseerd om geen van de aangemelde kandidaten, waaronder eiser, de functie te laten vervullen en wordt geadviseerd om de vacature opnieuw open te stellen.

De commandant NAK VS heeft voorts in zijn visie op het bezwaarschrift van eiser aangegeven dat hij als administratieve commandant alle op dit vlak doorgezonden stukken en werkzaamheden van eiser ziet. De commandant stelt in een aantal gevallen, zoals met betrekking tot de huisvesting van personeel te [P], niet de indruk te hebben gekregen dat eiser de doortastende, besluitvaardige, assertieve sergeant majoor is, nodig voor de vervulling van de vacature. Op grond hiervan is aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor de functie van OOT NAK VS.

In aansluiting op haar uitspraak van 1 mei 2003, registratienummer AWB 02/2601 MAWKLA, overweegt de rechtbank dat het verweerder vrij staat om in het functietoewijzingsproces een zwaar gewicht toe te kennen aan het oordeel van de (commandant van de) vacaturehoudende eenheid. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de commandant van de vacaturehoudende eenheid, op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de eenheid en zijn inzicht en ervaring, in staat kan worden geacht een verantwoorde inschatting te maken voor wat betreft de eisen waaraan een kandidaat moet voldoen om de vacante functie op adequate wijze te vervullen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de commandant NAK VS niet in redelijkheid het standpunt heeft mogen innemen dat hij eiser niet de juiste kandidaat voor de functie achtte. Verweerder mocht dan ook een zwaar gewicht toekennen aan het standpunt van de commandant NAK VS omtrent eisers geschiktheid voor de functie. Het feit dat eiser, zoals hij ter zitting betoogde, niet is uitgenodigd voor een gesprek doet hieraan niet af nu uit de toelichting behorende bij artikel 6 BFTBKLu voortvloeit dat de commissie zelf kan bepalen welke gegadigden worden uitgenodigd voor een gesprek. De rechtbank overweegt voorts dat de door eiser overgelegde beoordelingen ten aanzien van de eigenschappen doorzettingsvermogen en overtuigingskracht dateren van 1997 en 2001 en derhalve niet zien op de “laatste 16 maanden” waarop de commandant NAK VS zijn oordeel heeft gebaseerd.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat het bestreden besluit wegens strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel niet in stand zou kunnen blijven. De omstandigheid dat eiser eerst na de bezwarenprocedure kennis heeft genomen van het selectieverslag en de visie van de commandant kan niet tot een ander oordeel leiden, nu eiser van deze stukken in beroep alsnog kennis heeft kunnen nemen en derhalve niet in zijn processuele belangen is geschaad. De functietoewijzing aan een andere kandidaat is geschied in het kader van een nieuwe vacature en valt als zodanig buiten de grenzen van dit geding.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.Th. Boerlage en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. Molemans.