Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:BA9929

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
AWB 03/45170 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft gesteld de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft als provinciaal vertegenwoordiger bevelen aan militaire leden van de Hezb-i-Wahdat gegeven, en is daarmee verantwoordelijk voor de door die leden begane misdrijven. De rechtbank volgt de conclusie van verweerder dat er sprake moet zijn geweest van persoonlijke betrokkenheid van eiser bij misdrijven die door de Hezb-i-Wahdat zijn gepleegd. Ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F) aanhef en sub a en sub b van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft terecht besloten eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid en onder a Vw 2000 te verlenen. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 03/45170 BEPTDN

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. K.C. Victorian, advocaat te Haarlem,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1970 en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 12 juni 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder heeft op 20 juni 2003 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 22 juli 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Bij schrijven van 19 augustus 2003 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

13 april 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Hasanian, tolk Farsi.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag -samengevat- het navolgende aangevoerd.

Eiser behoort tot de Hazara-bevolkingsgroep. Hij was lid van de Mujahedin en dienstplichtig militair van 1988 tot 1989. Hij heeft zich, omdat hij, zoals iedereen in zijn geboortestreek, wist dat hij in dienst moest, aangemeld bij de Harekat-e-Islami, welke partij later is opgegaan in de Hezb-i-Wahdat. Eiser heeft jarenlang politieke activiteiten verricht voor de Hezb-i-Wahdat; met name zorgde hij ervoor dat bijeenkomsten konden worden gehouden. Eiser heeft tot 1996 lesgegeven op een lagere school in [plaats 1]. Hij was lid van het Komiteh Farhangy van de Provinciale Raad van de provincie [provincie]]. In 1996 heeft eiser samen met de voorzitter van de Hezb-e-Wahdat deelgenomen aan onderhandelingen met [A] van de Jamiat-e-Islami over de vrije doorgang van militaire konvooien. Reden van zijn deelname was dat eiser verre familie is van deze [A]. Toen de Taliban in november 1998 in eisers woonplaats [woonplaats] kwam is hij met zijn vrouw en moeder de bergen in gevlucht. Eiser hoorde van een paar vrouwen dat zijn vader was vermoord, omdat de Taliban naar hem op zoek was vanwege zijn politieke activiteiten. Leden van de Jamiat-e-Islami partij hebben ervoor gezorgd dat eiser met [B], de minister van staatsveiligheid per helicopter naar [plaats 2] kon vliegen. Hij is daar begonnen met werkzaamheden, die bestonden uit het doen van boodschappen, voor de militaire commissie van de Wahdat e Islami partij. Eiser was bang dat hij door de partij zou worden opgeroepen om tegen de Taliban te vechten en omdat de Taliban zijn broers en vader om het leven hebben gebracht. Eiser kent een van de daders, genaamd [C], persoonlijk uit [plaats 1]. Met de hulp van een man, genaamd [D], heeft eiser Afghanistan verlaten. Eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan uit angst de moordenaars van zijn familie te ontmoeten.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt als gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

Verweerder heeft dit - kort samengevat - als volgt onderbouwd. Verweerder twijfelt niet aan de verklaringen van eiser dat hij vertegenwoordiger van de Provinciale Vertegenwoordiging van de Hezb-i-Wahdat in de provincie [provincie] was. Verweerder heeft er op gewezen dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2000 naar voren komt dat de sji'itische Hezb-i-Wahdat als een van de meest gewelddadige politieke-militaire bewegingen wordt beschouwd; haar bestuurs- en militaire functionarissen, hoge officieren en soldaten hebben zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht, zoals intimidaties, bedreigingen, afpersingen, martelingen, willekeurige arrestaties en buitengerechtelijke executies. In het algemeen heeft volgens dit ambtsbericht, Hezb-i-Wahdat zowel in het noorden van Afghanistan als in Kabul, alwaar Hezb-i-Wahdat gedurende de periode van 1992 tot 1995 de macht in handen had, een waar terreurklimaat onder de Afghaanse bevolking teweeggebracht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan de eerder genoemde misdrijven ("personal participation") en dat hij weet heeft gehad of behoren te weten van het plegen van deze misdrijven ("knowing participation")

4. In beroep heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser stelt dat hij niets heeft gedaan dat beschouwd kan worden als een gedraging als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Hij geeft onder verwijzing naar het handboek van de UNHCR aan, dat verweerder zich blijkbaar op het standpunt stelt dat hij een terrorist is, maar dit niet nader heeft onderbouwd. Verweerder heeft zich volgens eiser tevens ten onrechte op het standpunt gesteld dat toetsing aan artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag niet vooraf dient te gaan aan toetsing aan artikel 1(F) van dit verdrag. Eiser stelt voorts dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf vanwege humanitaire redenen. Ten slotte voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan nu hem daar een behandeling staat te wachten als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

6. Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder, alvorens te beoordelen of eisers gedragingen onder de werking van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vallen, had moeten nagaan of er ten aanzien van eiser sprake is van gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 oktober 2003, 20030516/1. Hieruit blijkt dat, nu de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het vaststellen van vluchtelingschap en derhalve een onderzoek naar het vluchtelingschap daarmee onverenigbaar is, verweerder allereerst mocht nagaan of het Vluchtelingenverdrag, gelet op artikel 1(F), op eiser van toepassing is.

7. Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

In het ter zake geldende beleid, neergelegd in hoofdstuk C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt.

Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt de "personal and knowing participation test" toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan de betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen. De "personal and knowing participation test" is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.

8. Naar volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 7 augustus 2003 (JV 2003, 435), is de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden, waaronder de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van verweerder; de rechter kan deze beoordeling slechts terughoudend toetsen.

Met de verklaringen van 1 februari 2001 en 19 januari 2004 die eiser eerst in beroep heeft overgelegd houdt de rechtbank geen rekening. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij deze verklaringen niet eerder in de procedure heeft kunnen inbrengen, zodat van een feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 Vw 2000 geen sprake is. Voor zover deze verklaringen beschouwd moeten worden als nadere onderbouwing van reeds eerder door eiser ingenomen standpunten, geldt eveneens dat niet is gebleken dat eiser ze niet eerder had kunnen inbrengen in de procedure.

8.1. Verweerder heeft zich beroepen op een aantal ambtsberichten, te weten het deelambtsbericht inzake de Hezb-i-Wahdat in Afghanistan van 23 juni 2000 (DPC/AM-681499), alsmede het algemene ambtsbericht over de situatie in Afghanistan van 10 april 2003 (DPV/AM-7798647).

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS kan zowel een individueel als een algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Verweerder mag bij zijn besluitvorming inzake asielaanvragen van de in de ambtsberichten vervatte informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Hetgeen eiser met betrekking tot de genoemde ambtsberichten naar voren heeft gebracht, rechtvaardigt zodanige twijfel naar het oordeel van de rechtbank niet.

8.2. Met betrekking tot de vraag of er voldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat verweerder op juiste gronden het standpunt inneemt dat eiser zich vanwege de functie die hij heeft bekleed schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag bedoelde misdrijven en derhalve niet in aanmerking komt voor toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank het volgende.

8.3. Verweerder moet aantonen dat er "ernstige redenen" zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling voldoet aan de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, behoeft niet te worden bewezen volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing zal worden verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.

8.4. De vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in

artikel 1(F), aanhef en sub a, van het Vluchtelingenverdrag bedoelde misdrijven valt niet slechts in positieve zin te beantwoorden indien zijn rechtstreekse betrokkenheid bij (het fysiek bedrijven van) martelingen of andere mensenrechtenschendingen komt vast te staan; ook de vrijwillige continuering van het lidmaatschap van een deel van een regeringsorganisatie dat betrokken is bij criminele activiteiten kan tot een bevestigende beantwoording van deze vraag luiden wanneer betrokkene er niet in slaagt de vooronderstelde wetenschap en persoonlijke betrokkenheid te weerleggen.

8.5. Het deelambtsbericht van het de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2000 beschrijft dat de Hezb-i-Wahdat als één van de meest gewelddadige groeperingen in Afghanistan gedurende de Afghaanse burgeroorlog. Niet alleen vanwege de verrichtingen van de milities van de Hezb-i-Wahdat op het strijdveld en de genadeloze afrekening met hun politieke tegenstanders, maar vooral ook vanwege de misdaden die deze milities de burgerbevolking van Afghanistan hebben aangedaan. Het ambtsbericht geeft voorts aan dat de misdrijven wijdverbreid en stelselmatig waren en dat de militaire leiding nooit pogingen heeft ondernomen om daaraan een halt toe te roepen. De leidinggevenden hebben volgens het ambtsbericht hun troepen herhaaldelijk laten weten dat zij enkel door het gebruik van ongebreideld geweld een onafhankelijke positie binnen Afghanistan konden verwerven. Vele schendingen van de mensenrechten vonden onder direct toezicht en op instigatie van de militaire leiding van de Hezb-i-Wahdat plaats.

Ook blijkt uit het ambtsbericht dat de Provinciale Vertegenwoordigingen van de Hezb-i-Wahdat, via tussenkomst van het Centrale Leidersorgaan, de Shura-i-Markazi, op concrete wijze betrokken waren bij de militaire en politieke besluitvorming binnen de Hezb-i-Wahdat, en het nagenoeg onontkoombaar is dat hogere provinciale vertegenwoordigers verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdrijven.

Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij van 1990 tot april 2000 vertegenwoordiger van de Provinciale Vertegenwoordiging bij de Hezb-i-Wahdat was in de provincie [provincie].

Voorts heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij opdrachten kreeg van zijn direct leidinggevende [E]. In het tweede aanvullend gehoor heeft eiser ontkend dit ooit gezegd te hebben

Gelet op deze verklaringen van eiser alsmede op hetgeen is vermeld in het hiervoor genoemde deelambtsbericht van 23 juni 2000, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het standpunt kunnen innemen dat eiser destijds op de hoogte is geweest van de systematische schendingen van mensenrechten van de Hezb-i-Wahdat.

In hetgeen overigens is aangevoerd, ziet de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser geen weet heeft gehad van het plegen van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ("knowing participation"). Eiser heeft weliswaar in de aanvullende gehoren ontkend dat hij een leidinggevende functie heeft bekleed binnen de Provinciale Vertegenwoordiging van de Hezb-i-Wahdat, doch het nader gehoor laat daarover geen twijfel bestaan. Uit de correcties en aanvullingen blijkt niet dat eisers verklaringen hieromtrent niet correct waren weergegeven.

Evenzeer heeft eiser in het tweede aanvullend gehoor bestreden dat hij aan de onderhandelingen met [A] heeft deelgenomen. Eiser heeft in het nader gehoor echter verklaard dat hij uit hoofde van deze functie medio 1996 onderhandeld heeft met hoofdcommandant [A] van Jamiat-i-Islami. Hij heeft bij deze onderhandelingen samen met [A] een protocol dan wel een verdrag ondertekend. Bij de correcties en aanvullingen heeft eiser aangegeven dat hij bij hoge uitzondering, maar wel als vertegenwoordiger van de Hezb-i-Wahdat, bij de onderhandelingen met Jamiat-i-Islami heeft gefungeerd. In het aanvullend gehoor van 2 mei 2000 heeft eiser verklaard dat hij tijdens de onderhandelingen met [A] geen recht van spreken had, terwijl hij tijdens het tweede aanvullend gehoor van 23 oktober 2002 zelfs heeft ontkend dat hij aan de onderhandelingen heeft deelgenomen.

Verweerder heeft de uiteenlopende verklaringen van eiser over zijn aandeel in de onderhandelingen in redelijkheid bevreemdend kunnen achten. Bovendien laten zij onverlet dat eiser heeft gewerkt voor een organisatie waarvan de activiteiten hoofdzakelijk bestonden uit het begaan van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit klemt te meer nu de Hezb-i-Wahdat een van de meest gewelddadige politiek-militaire bewegingen was en zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er in het individuele geval van eiser sprake is van een significante uitzondering.

8.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat eiser destijds op de hoogte is geweest van de systematische schendingen van de mensenrechten door de Hezb-i-Wahdat, gelet op hetgeen hieromtrent is vermeld in het ambtsbericht van 23 juni 2000 en de verklaringen van eiser zoals deze uit de gehoren naar voren komen.

8.7. Ten aanzien van de eis van persoonlijke betrokkenheid van eiser ("personal participation") merkt de rechtbank op dat deze eis niet inhoudt dat eiser persoonlijk martelingen en of andere misdrijven tegen de menselijkheid moet hebben uitgevoerd. Voldoende is dat aannemelijk is dat hij het misdrijf heeft gefaciliteerd, wat inhoudt dat zonder zijn handelen of nalaten het misdrijf aanzienlijk moeilijker gepleegd had kunnen worden, dan wel dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde manier zou zijn gepleegd, indien niet iemand die rol van eiser had vervuld, of dat het misdrijf onder verantwoordelijkheid van eiser als meerdere is gepleegd. Eiser heeft gesteld dat hij nooit persoonlijk betrokken is geweest bij misdrijven tegen de menselijkheid en dat hij nooit heeft deelgenomen aan militaire operaties.

Verweerder heeft aan de stellingen van eiser voorbij kunnen gaan, nu in hetgeen is komen vast te staan over de door eiser beklede functie besloten ligt dat sprake was van verantwoordelijkheid in de hiervoor aangegeven zin. Eiser heeft als provinciaal vertegenwoordiger, volgens zijn eigen relaas, bevelen aan militaire leden van de Hezb-i-Wahdat gegeven, en is daarmee verantwoordelijk voor de door die leden begane misdrijven.

Op grond van het voorgaande volgt de rechtbank de conclusie van verweerder dat er sprake moet zijn geweest van persoonlijke betrokkenheid, als hiervoor bedoeld, van eiser bij misdrijven die door de Hezb-i-Wahdat zijn gepleegd.

9. Op grond van het vorenstaande bestaan er naar het oordeel van de rechtbank ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F) aanhef en sub a en sub b van het Vluchtelingenverdrag in de zin als hiervoor omschreven. Mitsdien heeft verweerder terecht besloten eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid en onder a Vw 2000 te verlenen.

10. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel

3 EVRM. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

De verklaringen van eiser omtrent de problemen die hij bij terugkeer naar Afghanistan verwacht te ondervinden, zijn slechts gebaseerd op vermoedens die eiser aan berichten in de media heeft ontleend. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor van 6 januari 2003 verklaard dat hij bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal ondervinden van de zijde van de Hezb-i- Wahdat. Hij heeft deze stelling onderbouwd met de verklaring dat hij door de Hezb-i-Wahdat zal worden opgeroepen om tegen de Taliban te vechten. Deze verklaring van eiser is echter gebaseerd op vermoedens en niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Ook de omstandigheid dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Hazara, wettigt niet de conclusie dat hij een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM loopt. Uit het ambtsbericht inzake Afghanistan van 10 april 2003 blijkt dat de Hazara-bevolkingsgroep in de centrale regering en overheidsinstituten vertegenwoordigd is. Niet aannemelijk is dat eiser beducht moet zijn voor de huidige machthebbers. De verklaringen van eiser dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor de wraak van [C] berusten enkel op vermoedens die niet nader zijn geconcretiseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank dreigt bij uitzetting dan ook geen schending van artikel 3 EVRM. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

11. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag terecht afgewezen.

12. Het beroep is derhalve ongegrond.

13. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, mr. J.L. Verbeek en mr. G.J. van Leijenhorst en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005, in tegenwoordigheid van R.A.A. Strietman, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).