Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AY5824

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2005
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
232230 rekestnummer 04.851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking in zaak van verzoekers tegen Dexia Bank Nederland N.V. Verzoekschrift op grond van artikel 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank beveelt Dexia om, binnen zes weken na betekening van deze beschikking, een schriftelijk overzicht als bedoeld in artikel 35 tweede lid Wbp aan verzoekers s te verstrekken met betrekking tot de in de beschikking onder 2.10 sub a) tot en met g) bedoelde gegevens, dit met inachtneming van hetgeen dienaangaande aldaar nader is overwogen en met bepaling dat Dexia een dwangsom van 250 euro verbeurt voor elke dag dat zij in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van 5000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

JKL

rekestnummer: 04.851

zaaknummer: 232230

datum beschikking: 19 mei 2005

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Beschikking in de zaak van:

1. [verzoeker],

2. [verzoekster],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat en procureur te Alphen aan den Rijn ,

t e g e n:

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerster,

advocaat: mr. W.A.K. Rank te Amsterdam,

procureur: mr. W. Taekema.

Partijen worden hierna aangeduid met "[verzoekers]" en "Dexia".

1. de procedure:

1.1 [verzoekers] hebben op 19 november 2004 een verzoekschrift op grond van artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingediend.

1.2 Dexia heeft op 30 december 2004 een verweerschrift ingediend, waarin zij verzoekt het door [verzoekers] verzochte af te wijzen.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoekschrift en het verweerschrift heeft plaats gevonden op 7 april 2005. [verzoekers] zijn verschenen, vergezeld van mr. C.J.R. van Binsbergen. Namens Dexia is mw.mr. J.M. Tijssen verschenen.

2. de beoordeling:

2.1 [verzoekers] voeren het volgende aan. In het jaar 2000 hebben zij met Dexia een effectenlease overeenkomst onder de naam Overwaarde Effect gesloten. Bij brief van 14 september 2004 hebben zij zich onder verwijzing naar artikel 35 Wbp tot Dexia gewend met het verzoek binnen een termijn van vier weken te laten weten of zij persoonsgegevens van hen heeft verwerkt. In het bevestigende geval hebben zij verzocht om daarvan een volledig overzicht aan hen te verstrekken. Zij bedoelen hiermee: a) een kopie van de overeenkomst, b) het beleggingsprofiel, c) de aankoopbewijzen van de in de effectenlease overeenkomst genoemde aandelen, d) de afschriften van dividenduitkeringen, e) de inventarisatie van de kredietwaardigheid, f) een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken en g) alle overige documenten die op hen van toepassing zijn. Voorts hebben zij verzocht inlichtingen te verstrekken over het doel van de verwerking(en), de ontvangers van de gegevens en over de herkomst van de gegevens.

2.2 Aangezien Dexia niet binnen de in artikel 35 lid 1 van de Wbp voorgeschreven termijn van vier weken op het schriftelijk verzoek van [verzoekers] van 14 september 2004 heeft gereageerd, hebben [verzoekers] op 19 november 2004 het onderhavige verzoekschrift ingediend. Zij verzoeken daarin Dexia te bevelen alsnog te voldoen aan het in de brief van 14 september 2004 gedane verzoek, zulks op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag dat Dexia in gebreke blijft.

2.3 Bij brief van 7 december 2004 heeft Dexia alsnog gereageerd op het verzoek van [verzoekers]. Zij deelt in die brief mede dat zij het verzoek om inzage beschouwt als misbruik van recht. Dexia is gebleken dat [verzoekers] een procedure tegen haar aanhangig hebben gemaakt. Zij heeft het vermoeden dat [verzoekers] met het inzageverzoek informatie trachten te achterhalen waarmee zij op oneigenlijke wijze hun procespositie ten nadele van Dexia proberen te versterken. Dexia beroept zich daarom op artikel 43 sub e Wbp dat haar de mogelijkheid geeft artikel 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Subsidiair, voor het geval een beroep op artikel 43 sub e Wbp niet slaagt, voert Dexia in haar brief van 7 december 2004 het volgende aan. Met betrekking tot het risicoprofiel (beleggersprofiel) meent zij niet verplicht te zijn om bij het afsluiten van een effectenlease overeenkomst naar de ervaring van betrokkene met beleggen, de beleggingsdoelstellingen en financiële positie te informeren. De aankoopbewijzen van de in de overeenkomst genoemde aandelen en de afschriften van dividenduitkeringen zijn volgens Dexia geen persoonsgegevens als bedoeld in de Wbp. Voor wat betreft de kredietwaardigheid verwijst zij naar het Bureau Krediet Registratie, alwaar iedere klant van Dexia vóór de totstandkoming van een overeenkomst wordt getoetst. Tenslotte meent zij dat eventuele bandopnamen geen gestructureerd geheel vormen en daardoor niet gemakkelijk toegankelijk zijn. De bandopnamen voldoen daarom niet aan de definitie van bestand als bedoeld in de Wbp.

2.4 De rechtbank zal eerst ingaan op het primaire, op artikel 43 sub e Wbp gegronde verweer van Dexia.

Op grond van het bepaalde in artikel 35 Wbp heeft een ieder het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot een instelling te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Indien zodanige gegevens worden verwerkt bevat de mededeling van de instelling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Welk doel een betrokkene heeft met zijn verzoek om inzage in de persoonsgegevens speelt hierbij in beginsel geen rol. Indien van een persoon persoonsgegevens worden verwerkt komt de persoon het recht op inzage toe, tenzij één van de uitzonderingsgronden als genoemd in de wet zich voordoet. Uitgangspunt hierbij is dat iedereen in de gelegenheid moet zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en verwerkt; de betrokkene die de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt onrechtmatig vindt, moet in staat zijn dit zelf in rechte aan te vechten (art. 13 EVRM).

2.5 De verplichting tot het verschaffen van inzage in de verwerkte persoonsgegevens geldt niet indien zich één van de uitzonderingsgronden als genoemd in artikel 43 Wbp voordoet. Dexia beroept zich op de uitzonderingssituatie als genoemd in onderdeel e van artikel 43 Wbp: "de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen". Volgens Dexia dient zijzelf hierbij onder 'anderen' te worden begrepen.

2.6 Dexia voert ter motivering van haar stelling het volgende aan. De administratieve lasten zijn disproportioneel. Dexia wordt geconfronteerd met meer dan 3000 verzoeken om inzage. De bedrijfsvoering van Dexia zal ernstig worden gefrustreerd door het verlenen van inzage en door het versturen van overzichten van de verwerkte gegevens. Indien zij gehouden zou zijn een integrale kopie over te leggen van de persoonsgegevens zou dit haar bedrijfsvoering volledig lam leggen.

Voorts verkeren [verzoekers] met Dexia in een conflictsituatie. Volgens Dexia proberen zij via het inzagerecht hun processuele positie te versterken ten nadele van Dexia. Het inzageverzoek betreft dan een "fishing expedition".

2.7 Het enkele feit dat de indiening van verzoeken als het onderhavige voor Dexia administratieve lasten creëert, levert naar het oordeel van de rechtbank nog geen misbruik op aan de zijde van [verzoekers]. Het feit dat ook anderen een verzoek met betrekking tot hun gegevens bij Dexia hebben ingediend, mag als zodanig voor [verzoekers] geen beperking zijn van hun recht op inzage. Indien Dexia persoonsgegevens verwerkt, is zij immers gebonden aan de verplichtingen die hiervoor gelden op grond van de Wbp. Deze verplichtingen gelden voor iedere zaak afzonderlijk. Indien Dexia in verband met de grote hoeveelheid klanten niet aan deze verplichting kan voldoen, dient dit voor haar rekening te komen. Dexia had hier bij het aangaan van de overeen-komsten rekening mee dienen te houden en haar bedrijfsvoering daar tijdig op dienen in te stellen. Een massaal verkocht product kan nu eenmaal tot een grote massa verzoeken leiden. Een gelijktijdige stroom aan inzageverzoeken kan echter ook Dexia niet vooraf voorzien. Dit geeft dan reden om de termijn voor het afgeven van het volledig overzicht te verlengen, maar niet om definitief alle inzageverzoeken in persoonsgegevens te weigeren.

2.8 Ook de vraag of de omstandigheid dat partijen in een conflictsituatie verkeren, aanleiding kan geven om te weigeren de betreffende inlichtingen c.q. gegevens te verstrekken, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Het doel waarvoor de inlichtingen c.q. gegevens worden gevraagd speelt - als gezegd - in beginsel geen rol: ieder heeft het recht zich daartoe "vrijelijk" tot de betreffende instelling te wenden. Bovendien geldt tijdens een procedure voor beide partijen een waarheidsplicht (artikel 21 Rv). Beide partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De van belang zijnde gegevens die alleen in het bezit zijn van Dexia, dienen in een procedure boven tafel te komen. De regelgeving met betrekking tot het burgerlijk proces strekt er juist toe om vooraf de feiten duidelijk te krijgen. De rechtbank ziet niet in welk recht en/of belang van Dexia wordt geschaad door [verzoekers] inzage te geven in zijn persoonlijk dossier. Het beroep van Dexia op artikel 843a lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering faalt.

2.9 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Dexia geen beroep toekomt op het bepaalde in artikel 43 onder e Wbp of een andere uitzonderingsgrond genoemd in dat artikel. Dexia dient derhalve [verzoekers] inzage te geven in hun persoonsgegevens.

2.10 Vervolgens is aan de orde om welke gegevens het gaat. Het betreft de onder 2.1 vermelde gegevens: a) een kopie van de overeenkomst, b) het beleggingsprofiel, c) de aankoopbewijzen van de onderliggende aandelen van de effectenlease-overeenkomst, d) afschriften van de dividendbewijzen, e) de toetsing van de kredietwaardigheid en f) de bandopnames van de gevoerde telefoongesprekken.

a) kopie van de overeenkomst:

[verzoekers] hebben op grond van artikel 35 Wbp recht op een overzicht van verwerkte persoonsgegevens, niet op kopieën van contracten. Verwezen wordt naar hetgeen hieronder sub g) wordt overwogen.

b) het beleggersprofiel:

Dexia stelt dat zij bij het afsluiten van een effectenlease-overeenkomst niet verplicht is te informeren naar beleggingservaring, beleggingsdoelstelling en de financiële positie van de cliënt en dat zij op basis van de geldende wet- en regelgeving niet verplicht is een beleggersprofiel op te stellen. De vraag of deze stelling van Dexia juist is, is een vraag die niet in het kader van de onderhavige verzoekschriftprocedure beantwoord dient te worden. Indien echter door Dexia dergelijke gegevens zijn verwerkt, wat niet onaannemelijk voorkomt, vallen deze onder het begrip persoonsgegevens in de zin van de Wbp, en dient Dexia deze gegevens op te nemen in het aan [verzoekers] te verstrekken overzicht.

c) en d) de aankoopbewijzen van de aandelen en de dividendbewijzen:

Wat betreft de aankoopbewijzen van de onderliggende aandelen is de rechtbank met Dexia van oordeel dat dit inderdaad objectgegevens zijn en geen persoonsgegevens in de zin van de Wbp, voor zover althans deze aankoopbewijzen geen geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Het zijn zaakgegevens in het geval de aandelen gebundeld werden aangekocht of verkocht, waarbij het aankoop- c.q. verkoopbewijs betrekking heeft op aandelen voor meerdere contractspartners van Dexia. Voor zover de aangekochte of verkochte aandelen uitsluitend betrekking hebben op het contract van [verzoekers] zijn deze aan- en verkoopbewijzen wel herleidbaar tot de personen van [verzoekers] en derhalve wel als persoonsgegevens aan te merken. Alleen dan behoeft Dexia bedoelde informatie te verstrekken. Met betrekking tot dividendbewijzen geldt mutatis mutandis hetzelfde.

e) de toetsing van de kredietwaardigheid:

De rechtbank is van oordeel dat Dexia [verzoekers] voor de gegevens omtrent hun kredietwaardigheid niet kan verwijzen naar het BKR. Indien Dexia dergelijke gegevens, die als persoonsgegevens zijn aan te merken, heeft verwerkt, dient zij deze gegevens in het overzicht op te nemen. Hetzelfde geldt voor de melding en de inhoud van die melding aan het BKR. Dat [verzoekers] ook zelf bij het BKR de door Dexia verstrekte gegevens kunnen opvragen, ontslaat Dexia niet van haar plichten jegens [verzoekers] op grond van de Wbp.

f) de bandopnames:

Dexia stelt dat op haar niet de verplichting rust om telefoongesprekken op te nemen en bandopnames op te slaan. De vraag of deze verplichting al dan niet bestaat is een vraag die zich niet leent voor beantwoording in de onderhavige verzoekschriftprocedure. Thans is enkel van belang of er door Dexia (persoons)gegevens zijn verwerkt en of [verzoekers] recht hebben op inzage in die gegevens.

Het staat vast dat Dexia na augustus 2002 een groot aantal telefoon-gesprekken is gaan opnemen en dat deze opnames ook zijn bewaard. Naar het oordeel van de rechtbank worden die opnames bewaard opdat Dexia daarop in voorkomend geval een beroep kan doen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat deze opnames - voor zover het om cliënten gaat - naar dezen herleidbaar zijn, en aldus toegankelijk zijn en per cliënt onderdeel zijn van een bestand als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp. Dexia dient derhalve mede te delen of, en zo ja, wanneer er met [verzoekers] telefoongesprekken zijn gevoerd.

g) overige documenten:

Voor zover Dexia overigens nog persoonsgegevens van [verzoekers] heeft verwerkt, bijvoorbeeld contractgegevens, dient zij deze eveneens in het te verstrekken overzicht op te nemen.

2.11 De door [verzoekers] gevraagde en door Dexia niet weersproken dwangsom zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van 250 euro per dag en tot een maximum van 5000 euro. De termijn na welke de dwangsommen verbeurd worden zal gesteld worden op zes weken na betekening van deze beschikking. Een kortere termijn is onredelijk gezien het aantal soortgelijke verzoeken dat Dexia heeft bereikt en mogelijk nog zal bereiken.

2.12 Daar partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld zijn, zal bepaald worden dat elke partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank zal deze beschikking op de voet van artikel 288 BRv uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

BESLISSING:

De rechtbank:

- beveelt Dexia om, binnen zes weken na betekening van deze beschikking aan haar, een schriftelijk overzicht als bedoeld in artikel 35 tweede lid Wbp aan [verzoekers] te verstrekken met betrekking tot de onder 2.10 sub a) tot en met g) bedoelde gegevens, dit met inachtneming van hetgeen dienaangaande aldaar nader is overwogen en met bepaling dat Dexia een dwangsom van 250 euro verbeurt voor elke dag dat zij in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van 5000 euro;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Punt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.