Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AX9289

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
AWB 04/2936 CSV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Correctienota's en boetebesluiten Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.3.15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 04/2936 CSV

Uitspraakdatum: 19 december 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Bloemengroothandel [bedrijf] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [gemeente], eiseres,

gemachtigde mr. L.J. van Roosmaelen te Nieuwegein,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

gevestigd en kantoorhoudende te [P], verweerder,

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluiten gedagtekend 24 december 2003 heeft verweerder aan eiseres zes correctie-nota’s premies werknemersverzekeringen opgelegd voor de jaren 1998 tot en met 2003 ad respectievelijk f 107.685 (€ 48.865), f 24.062

(€ 10.919), f 19.329 (€ 8.771), f 14.850 (€ 6.739), f 17.480 (€ 7.932) en f 5.828 (€ 2.645).

Bij besluiten gedagtekend 9 februari 2004 heeft verweerder aan eiseres vier boetebesluiten genomen voor de jaren 1999 tot en met 2002 ad respectievelijk f 6.010 (€ 2.727), f 4.427 (€ 2.009), f 3.650 (€ 1.656) en f 3.322 (€ 1.507).

Na tegen de correctienota’s op 20 januari 2004 en tegen de boetenota’s op 10 maart 2004 ingediende bezwaren heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 2 juni 2004, de correctienota’s en de boetebesluiten, met uitzondering van de boetenota over het premiejaar 1999, gehandhaafd. Het bezwaar tegen de boetenota over het premiejaar 1999 is in zoverre gegrond verklaard dat de boete van 1 percent is vervallen en er een verzuim is geregistreerd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2005 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, alsmede [algemeen directeur] en [financieel controller], respectievelijk algemeen directeur en financieel controller van eiseres. Verweerder is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Bij de pleitnota waren zes bijlagen gevoegd, waarvan een deel als gedingstuk is geweigerd omdat aanvaarding van deze bijlagen in strijd zou zijn met een goede procesorde. Eiseres heeft vervolgens een van de geweigerde bijlagen voorgelezen en daarvan akte gevraagd, hetgeen de rechtbank heeft verleend.

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast:

2.De feiten

Eiseres exporteert en handelt sinds 1985 in snijbloemen en potplanten.

Feiten met betrekking tot correctienota’s 1994 tot en met 1997

Voor de jaren 1994 tot en met 1997 heeft verweerder na een uitgevoerde looncontrole op basis van schattingen correctienota’s opgelegd wegens niet door eiseres in haar loonadministratie verantwoorde loonbetalingen. Het bezwaar van eiseres tegen de correctienota’s is bij uitspraak op bezwaar van 13 september 2001 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 januari 2003, nr. AWB 01/3605, ongegrond verklaard. Na een door eiseres ingesteld hoger beroep heeft de Centrale Raad van beroep (hierna: CRvB) bij uitspraak van 4 mei 2005, nr. 03/1006, LJN: AT5608, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en daarbij onder meer het volgende overwogen:

“(…)

Naar het oordeel van de rechtbank is [verweerder] op basis van (…) en ook overigens (tot een) aanvaardbare premieloonvaststelling voor de in geding zijnde jaren gekomen. [Verweerder] heeft voorts terecht en op de juiste wijze de nettoloonbetalingen gebruteerd.

(…)

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de schatting op een voldoende zorgvuldige en gemotiveerde wijze tot stand is gekomen en niet tot een onredelijke uitkomst heeft geleid. Hij kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen en voegt daaraan het volgende toe.

(…)

Met betrekking tot de brutering van de uitbetaalde lonen overweegt de Raad het volgende.

Volgens vaste rechtspraak dient in het geval dat de werkgever de naheffing door de belastingdienst niet bij de werknemer verhaalt maar voor zijn rekening neemt, de loonbelasting die ten onrechte niet op het loon van de werknemers is ingehouden te worden aangemerkt als voordeel uit dienstbetrekking waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd zijn. De omstandigheid dat de fiscale naheffing bij appellante heeft plaatsgevonden in de vorm van een eindheffing en dat in dit geval voor haar geen verhaal op de werknemers meer mogelijk is, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de werknemers door het achterwege blijven van een fiscale heffing over hun loon een voordeel hebben genoten, dat eveneens als loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV dient te worden aangemerkt.

Uit de ter zitting van de Raad door appellante overgelegde stukken is gebleken dat de belastingdienst over het jaar 1994 geen naheffingsaanslag heeft opgelegd en over de jaren 1995 tot en met 1997 op basis van een met deze dienst bereikt compromis tot een lager bedrag loonbelasting en premies volks-verzekeringen heeft nageheven. De Raad is van oordeel dat dit gegeven dient te leiden tot aanpassing van de hoogte aan appellante opgelegde premiecorrecties, voorzover deze betrekking hebben op het als premieloon aangemerkte voordeel dat de werknemers van appellante hebben genoten doordat appellante de loonheffing over het uitbetaalde loon voor haar rekening heeft genomen. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het besluit van 13 september 2001 dient te worden vernietigd. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.”

Op grond van het voorgaande heeft de CRvB het hoger beroep gegrond verklaard. Bij brief van 1 juni 2005 heeft eiseres tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Feiten met betrekking tot de fraudecorrecties 1998

De looncontrole van verweerder voor de jaren 1994 tot en met 1997 heeft mede geresulteerd in een strafrechtelijk onderzoek dat zich ook over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 september 1998 heeft uitgestrekt. Dit laatste onderzoek heeft geleid tot de constatering dat eiseres ook voor het laatstgenoemde tijdvak te weinig loon in haar loonadministratie heeft verantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het premieloon voor deze periode gecorrigeerd (hierna: fraudecorrecties). De correctienota voor 1998 is mede op deze grond opgelegd.

Feiten met betrekking tot het anoniementarief

Verweerder heeft bij eiseres een looncontrole uitgevoerd met betrekking tot de periode 1998 tot en met 2002 en heeft daarvan 11 december 2003 een rapport (hierna: het looncontrolerapport) uitgebracht. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de loonadministratie diverse gebreken vertoonde en dat van een aantal met name genoemde werknemers geen dan wel een onvolledig ingevulde en/of een niet ondertekende loonbelastingverklaring, hetzij geen geldig identificatiebewijs (hierna ID-bewijs) aanwezig was. Voorts zijn er gedurende de gecontroleerde perioden lonen herrekend en op ondoorzichtige wijze in de loonadministratie verwerkt. Verweerder heeft naar aanleiding van deze bevindingen de correctienota’s berekend met toepassing van het tarief (hierna: het anoniementarief) van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet).

Feiten met betrekking tot de brutering

In een brief van 11 april 2005 van de inspecteur van de Belastingdienst te P], kantoor [plaats] (hierna: de inspecteur) aan de gemachtigde van eiseres, welke brief als bijlage bij de pleitnota van eiseres is gevoegd, geeft de inspecteur onder meer aan dat hij de naheffingsaanslagen loonbelasting voor de jaren 1998 en 1999 zal verminderen tot respectievelijk € 17.132 en

€ 14.884. Tevens kondigt de inspecteur in deze brief aan dat hij voor de tijdvakken 2000 tot en met 2002 respectievelijk

€ 2.842, € 2.488 en € 2.535 loonbelasting zal naheffen. Voorts kondigt hij aan dat hij voor het tijdvak 2005 een “tweede tranche aanslag” zal opleggen ad € 122.237, welk bedrag onder meer is opgebouwd uit de volgende bedragen uit de onderhavige tijdvakken, te weten € 26.769 (1998), € 4.749 (1999), € 5.840 (2000), € 5.113 (2001) en € 5.618 (2002).

Feiten met betrekking tot de arbeidsrelatie met [werknemer A]

In de periode 2000 tot en met 2003 heeft eiseres gebruik gemaakt van de diensten van [werknemer A] (hierna: [werknemer A]). Met betrekking tot deze arbeidsrelatie bestond geen schriftelijke overeenkomst. [werknemer A] factureerde wekelijks naar een vast uurtarief (in 2003: € 21,55), onder vermelding van de per dag gewerkte uren, waarbij het tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden waren aangegeven.

Tot de gedingstukken, onderdeel 14 van de inventarislijst van stukken van verweerder, behoren brieven van 19 september en 8 november 2002 van de inspecteur aan [werknemer A], waaruit blijkt dat [werknemer A] voor de omzetbelasting als ondernemer is aangemerkt en dat aan hem – in ieder geval voor het jaar 2000 – als ondernemer een zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is toegekend.

Bij brief van 13 november 2003 heeft de inspecteur op aanvraag van [werknemer A] van 4 november 2003 aan hem een beschikking afgegeven als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: verklaring arbeidsrelatie). De beschikking is geldig van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004.

Ter zitting heeft eiseres een van [werknemer A] afkomstige verklaring voorgelezen, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“ (…) bevestig ik u hierbij, dat ik voor [eiseres] te [gemeente] nooit werkzaamheden heb verricht als bijrijder, medewerker van de boeketterie of schoonmaker.

Ik verricht mijn werkzaamheden voor [eiseres] geheel zelfstandig. Ik beslis zelf of ik de werkzaamheden wil verrichten en voor welke periode. Door mijn opdrachtgever(s) wordt geen toezicht gehouden. Voorafgaande aan de opdracht maak ik met mijn opdrachtgevers afspraken over de aard en de omvang van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden krijg ik geen (nadere) instructies en/of aanwijzingen over de wijze waarop ik de werkzaamheden moet uitvoeren. Ik heb overigens vele opdrachtgevers door het gehele jaar. Zoals u bekend is, werk ik met een zogenaamde VAR-WUO verklaring.

(…)

Wellicht ten overvloede meld ik u dat ik, naast de duur van de werkzaamheden, ook vaak zelf het tijdstip van aanvang en/of beëindiging van de werkzaamheden bepaal.”

3. Het geschil

In geschil is

a) of verweerder de correctienota voor 1998, gedagtekend 24 december 2003, tijdig heeft opgelegd;

b) of verweerder de correctienota’s terecht heeft berekend met toepassing van het anoniementarief;

c) of verweerder hierbij terecht is uitgegaan van netto-loonbetalingen en op de juiste wijze heeft gebruteerd;

d) of verweerder de arbeidsrelatie met [werknemer A] terecht als een dienstbetrekking heeft aangemerkt;

e) of verweerder over enkele door eiseres aangeduide loonbestanddelen (hierna: overige looncorrecties) de premies op de juiste wijze heeft berekend; en

f) of verweerder de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd.

Ter zitting heeft eiseres haar standpunt dat verweerder voor 2002 ten onrechte premies heeft berekend voor de werknemers [werknemer B], [werknemer C] en [werknemer D] ingetrokken. Voorts heeft zij aangegeven akkoord te gaan met toepassing van het anoniementarief voor de werknemers [werknemer E], [werknemer F] en [werknemer G]. Tevens heeft eiseres ter zitting haar grieven tegen de fraudecorrecties ingetrokken.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de correctienota’s en van de boetes.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

a)Met betrekking tot de tijdigheid van de correctienota voor 1998

Eiseres stelt dat zij de correctienota voor 1998 pas begin 2004 heeft ontvangen. Ter zitting heeft zij aangegeven niet te kunnen zeggen wanneer zij deze correctienota heeft ontvangen.

Verweerder stelt dat de correctienota op 22 december 2003 in zijn geautomatiseerde systeem is verwerkt en op 24 december 2003, derhalve tijdig, is verstuurd.

Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt; zie artikel 3:40 van de Awb. De bekendmaking van een besluit geschiedt onder meer door toezending van het besluit aan belanghebbenden; zie artikel 3:41, lid 1, van de Awb. De rechtbank acht aannemelijk dat de correctienota voor 1998 aan het adres van eiseres is verzonden op de dag waarop deze is gedagtekend. Op grond van het voorgaande is het besluit waarbij de premie voor 1998 is vastgesteld in werking getreden op 24 december 2004, dat is binnen de in artikel 13, lid 1, van de Coördinatiewet sociale verzekeringen (hierna: CSV) genoemde termijn van vijf jaren.

Overwegingen vooraf met betrekking tot de materiële geschilpunten

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat, nu de CRvB haar ter zake van de correcties die voortkomen uit het fraudeonderzoek in het ongelijk heeft gesteld, zij haar grieven tegen de fraude-correcties als zodanig intrekt.

De rechtbank overweegt dat verweerder de verschuldigde premies ter zake van de fraudecorrectie heeft berekend met gebruikmaking van het anoniementarief en dat hij hierbij het netto-voordeel van de werknemers heeft gebruteerd.

Deze wijze van premieberekening is onderdeel geweest van de onder de feiten genoemde procedures voor deze rechtbank en, in hoger beroep, voor de CRvB. Eiseres heeft tegen de uitspraak van de CRvB beroep in cassatie ingesteld wegens schending van artikel 4 van de CSV. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of verweerder kon bruteren nu de inspecteur loonbelasting/premies volksverzekeringen heeft geheven bij wijze van eindheffing. Om redenen van proceseconomie sluit de rechtbank zich aan bij de rechtsoverwegingen van de CRvB.

Hierna zal de rechtbank onderzoeken of en zo ja, welke verschillen er zijn ten opzichte van het tijdvak 1994 tot en met 1997 en welke gevolgtrekkingen daaraan moeten worden verbonden voor de onderhavige tijdvakken.

b) Met betrekking tot het anoniementarief

Eiseres neemt primair het standpunt in dat het anoniementarief alleen van toepassing is op werknemers van wie hetzij de loonbelastingverklaring, hetzij een geldig ID-bewijs, dan wel beide ontbreken. Haar subsidiaire standpunt houdt in dat voor wat betreft werknemers van wie een ID-bewijs aanwezig is dat geldig is vanaf 1 juli 1998, vanaf die datum niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die voor toepassing van het anoniementarief worden gesteld.

Voorts stelt zij dat zij inmiddels voor alle medewerkers ten aanzien van wie het anoniemen-tarief is toegepast alsnog de (juiste) loonbelastingverklaringen en de ontbrekende ID-bewijzen heeft verstrekt. De loonbelastingverklaring van werknemer [werknemer H] is in de bezwaar-fase overhandigd aan verweerder, tijdens de hoorzitting. Op de loonbelastingverklaringen

van de werknemers Van Delft-Van Delft ontbrak slechts een datum. Ook dit heeft zij inmiddels hersteld.

Ter zitting heeft eiseres haar standpunt toegelicht met een verwijzing naar de uitspraak van 7 april 2005, nr. 03/00987, LJN: AT4758, waarin Hof Den Haag heeft beslist dat voor de vaststelling van de identiteit van een werknemer een loonbelastingverklaring niet is vereist omdat de Wet alleen naam, adres en woonplaats vereist, welke gegevens ook op andere wijze kunnen blijken.

Voorts neemt eiseres het standpunt in dat als de maximaal te verlonen bedragen dienen te gelden de bedragen die zij is overeengekomen met de inspecteur.

Verweerder neemt het standpunt in dat het anoniementarief terecht is toegepast. Met betrekking tot werknemer Van Delft-Van Delft stelt hij dat op de loonbelastingverklaring zowel de ingangsdatum als de datum van ondertekening ontbreken.

Artikel 26b van de Wet bepaalt dat het anoniementarief van toepassing is in geval de werk-nemer zijn naam adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel zijn identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, lid 1, onderdeel f, van de Wet, alsmede in geval de werknemer onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moest weten.

Het laatstvermelde artikelonderdeel bepaalt dat de inhoudingsplichtige gehouden is de iden-titeit van de werknemer vast te stellen aan de hand van een geldig ID-bewijs en daarvan een afschrift in de administratie op te nemen.

Artikel 29, lid 1, van de Wet bepaalt onder meer op welke wijze de werknemer gehouden is aan de inhoudingsplichtige opgave te verstrekken van de voor de heffing van loonbelasting van belang zijnde gegevens. Lid 4 van dat artikel bepaalt dat opgave van naam, adres en woonplaats en de andere in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt door middel van een loonbelastingverklaring.

Met betrekking tot de niet, dan wel niet volledig juist ingevulde loonbelastingverklaringen is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de namen, adressen en woonplaatsen van de werknemers op andere wijze bekend waren bij eiseres. Hiervoor is onvoldoende dat eiseres ter zitting in het algemeen heeft gesteld dat de betrokken werk-nemers al lang loon ontvingen, in de loonadministratie waren ingevoerd en dat betalingen aan hen per bank of giro plaatsvonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder gelet op haar bevindingen opgenomen in het onder de feiten vermelde looncontrolerapport ten aanzien van de in het rapport genoemde werknemers waarvan een juist ingevulde loonbelastingverklaring en/of een geldig identiteitsbewijs in de administratie ontbrak het anoniementarief heeft kun-nen toepassen. Eiseres heeft met hetgeen zij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de bevin-dingen in het looncontrolerapport en de daarop gebaseerde gevolgtrekkingen juist zijn. De omstandigheid dat eiseres later alsnog geldige ID-bewijzen dan wel (juiste) loonbelastingver-klaringen aan verweerder heeft overgelegd brengt niet mee dat (alsnog) naar een ander tarief kan worden ingehouden dan het tarief dat van toepassing is op het moment dat de verschul-digde loonbelasting had moeten worden ingehouden.

Voor het overige sluit de rechtbank zich aan bij de vermelde uitspraak van de CRvB, waarvan de onderdelen voor zover hier van belang onder de feiten zijn geciteerd. Het standpunt van eiseres dat als de maximaal te verlonen bedragen dienen te gelden de bedragen die zij is overeengekomen met de inspecteur is in beginsel in overeenstemming met dat oordeel.

c) Met betrekking tot de brutering

De grieven van eiseres met betrekking tot de brutering betreffen zowel het feit dat als het moment en de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft eiseres de onder de feiten geciteerde brief van 11 april 2005 van de inspecteur overgelegd, waaruit blijkt dat de inspecteur de naheffingsaanslagen loonbelasting voor 1998 en 1999 vermindert, voor 2000 tot en met 2002 naheffingaanslagen oplegt en voor 2005 alsnog naheft bedragen die hun oorsprong vinden in correctie uit de onderhavige tijdvakken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eiseres de verschuldigde loonheffing niet op de betrokken werknemers heeft verhaald, over dit voordeel terecht premies zijn berekend. Niet gebleken is dat de inspecteur afziet van de naheffing van loonbelasting.

De rechtbank overweegt dat de CRvB er kennelijk vanuit is gegaan dat eiseres aan de betrokken werknemers netto-lonen heeft uitbetaald. Eiseres heeft niet gemotiveerd waarom dat in het onderhavige tijdvak anders is, terwijl dat gezien het verloop van het tijdvak 1994 tot en met 1997 toch op haar weg gelegen had. Wel heeft eiseres in dit verband gewezen op de onder de feiten weergegeven brief van de inspecteur van 11 april 2005. De rechtbank oordeelt dat eiseres de brief van 11 april 2005 niet heeft toegelicht en dat daaruit niet blijkt dat de handelwijze van de inspecteur zodanig afwijkt van die over de jaren 1995 tot en met 1997 dat daaraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat anders moet worden geoordeeld dan de CRvB voor die jaren heeft gedaan.

De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de wijze van brutering voor het onderhavige tijdvak afwijkt van die welke voor de periode 1994 tot en met 1997 is gehan-teerd en oordeelt overeenkomstig de CRvB in zijn onder de feiten geciteerde uitspraak. Dit brengt met zich mee dat de correctienota’s voor de jaren 1999 tot en met 2003 moeten wor-den herzien met inachtneming van hetgeen de CRvB met betrekking tot de brutering heeft geoordeeld.

d) Met betrekking tot de arbeidsrelatie met [werknemer A]

Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat verweerder moet bewijzen dat er een dienstbetrekking bestaat. Aan wat onder de feiten is vermeld heeft zij toegevoegd dat er geen schriftelijke overeenkomst is, dat [werknemer A] vaak verhinderd is, soms een ander stuurt, dat hij soms in een auto van eiseres rijdt en soms in zijn eigen auto of in een huurauto. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat [werknemer A] bij gebruik van zijn eigen auto geen (extra) vergoeding daarvoor ontvangt en dat hij nimmer aansprakelijk is gesteld. Eiseres heeft met betrekking tot de arbeidsrelatie – anders dan de verklaring arbeidsrelatie en de verklaring van [werknemer A] – geen bewijs aangebracht.

Onder verwijzing naar de verklaring arbeidsrelatie neemt eiseres het standpunt is dat sprake is van een expliciete standpuntbepaling van de zijde van verweerder.

Verweerder heeft gesteld dat de werkzaamheden van [werknemer A] bestonden uit schoonmaak-werkzaamheden, bloemen verpakken en chauffeursdiensten. Bij dit laatste functioneerde hij zowel als chauffeur als bijrijder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan alle elementen nodig om een dienstbetrekking aanwezig te achten is voldaan.

Op grond van de beschikbare feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat [werknemer A] tegen betaling persoonlijk werkzaamheden moest verrichten en ook heeft verricht en dat tussen eiseres en [werknemer A] een gezagsverhouding bestond. De rechtbank hecht daarbij belang aan het feit dat [werknemer A] factureerde naar een vast uurtarief onder vermelding van de per dag gewerkte uren, waarbij het tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden worden aangegeven. De rechtbank acht de verklaring van eiseres dat [werknemer A] in voorkomende gevallen zonder vergoeding gebruik maakte van zijn eigen auto ongeloofwaardig. Datzelfde geldt voor de verklaring van [werknemer A] dat hij naast de duur van de werkzaamheden, ook vaak zelf het tijdstip van aanvang en/of beëindiging van de werkzaamheden bepaalde, tenzij [werknemer A] daarmee hetzelfde bedoelde als wat hij ook verklaarde namelijk dat hij, naast de duur van de werkzaamheden, ook vaak zelf het tijdstip van aanvang en/of beëindiging van de werkzaamheden bepaalde. Dat laatste is evenwel niet bepalend voor de vraag of hij al dan niet in dienstbetrekking was.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat tussen eiseres en [werknemer A] een dienstbetrekking bestond als bedoeld in artikel 7:160 van het Burgerlijk Wetboek.

Met betrekking tot het standpunt van eiseres inzake de bewijslastverdeling overweegt de rechtbank dat de bewijslast voor het bestaan van een dienstbetrekking weliswaar in beginsel op verweerder rust maar dat dat niet betekent dat ter zake van het aanvoeren van bewijs-middelen niets van eiseres kan worden gevergd. In dit verband is vooral van belang dat ter zake van hetgeen tussen eiseres en [werknemer A] is overeengekomen geen enkel oorspronkelijk stuk is geproduceerd. Met betrekking tot het beroep van eiseres op de aanwezigheid van een verklaring arbeidsrelatie overweegt de rechtbank dat deze eerst is afgegeven voor de jaren 2003 en 2004 en dat de verklaring bovendien voor die jaren geen werking had voor de heffing van premies werknemersverzekeringen. De rechtbank wijst in dit verband op de rechtspraak van de CRvB, waaronder haar uitspraak van 20 oktober 2005, nr. 05/2999, LJN: AU5678.

e) Met betrekking tot de overige looncorrecties

Eiseres heeft in haar pleitnota gesteld dat de inspecteur van de belastingdienst met betrekking tot de looncorrecties met betrekking tot vrijgestelde uitkeringen, loon in natura (maaltijden) en ziektekostenregeling de loonbelasting bij wijze van eindheffing heeft geheven en dat zij deze heffing (nog) niet heeft verhaald op de werknemers. Zij neemt het standpunt in dat het voor haar rekening nemen van deze loonbelasting niet tot gevolg heeft dat de werknemers loon hebben genoten. Voor de motivering van dit standpunt verwijst zij naar haar beroepschrift in cassatie (zie de feiten).

Verweerder, die ter zitting niet aanwezig was, heeft zich met betrekking tot dit geschilpunt niet kunnen verweren.

De rechtbank overweegt dat het standpunt van eiseres, uitgaande van de juistheid van haar stelling, een zuivere rechtsvraag betreft en oordeelt overeenkomstig de CRvB in zijn onder de feiten geciteerde uitspraak. Dit brengt met zich mee dat de correctienota’s voor de desbetreffende jaren moeten worden herzien met inachtneming van hetgeen de CRvB met betrekking tot de brutering heeft geoordeeld.

f)Met betrekking tot de vergrijpboetes

Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat het beroep zich tevens richt tegen de opgelegde vergrijpboetes. Zij heeft het standpunt ingenomen dat indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat de correctienota’s tot een te hoog bedrag zijn opgelegd de vergrijpboetes dienovereenkomstig moeten worden verminderd.

De rechtbank overweegt dat zij weliswaar het standpunt van eiseres met betrekking tot het geschilpunt d (de dienstbetrekking met [werknemer A]) heeft verworpen maar desalniettemin oordeelt dat eiseres, gelet op de onder de feiten vermelde brieven van de inspecteur van 19 september en 8 november 2002, een zogeheten pleitbaar standpunt heeft ingenomen en dat de vergrijpboetes derhalve dienen te vervallen voor zover deze zijn te relateren aan dit geschilpunt.

Nu de (resterende) vergrijpboetes 25% bedragen van meer verschuldigde premies is de rechtbank overeenkomstig het standpunt van eiseres van oordeel dat deze boetes moeten vervallen voor zover een hernieuwde berekening van de premies op grond van deze uitspraak daartoe aanleiding geeft. Voor het overige heeft eiseres geen stellingen betrokken die aanleiding geven om de vergrijpboetes te verminderen. Ook overigens acht de rechtbank de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 7:15 van de Awb in de kosten van het geding. Eiseres heeft in de bezwaarfase verzocht om toekenning van een kostenvergoeding; zie het hoor-verslag, blz. 4. De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 2 (bezwaar, horen) x € 161 + 2 (beroep, zitting) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322, dat is totaal € 966. Andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op de correctienota’s te herzien met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is geoordeeld;

- draagt verweerder op de boetebesluiten te herzien met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is geoordeeld;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966, onder aanwijzing van het Uwv die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad € 273 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.P.F. Slijpen, J.M. Vink en J.J.B. Hulst en is op 19 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.