Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AX8600

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2005
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/1286 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4203, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag. Toepassing landbouwvrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag gegrond op een feit dat de verweerder niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Navorderingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, is niet te hoog vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.3.10
FutD 2006-1246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1286 IB/PVV

Uitspraakdatum: 30 december 2005

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdiens [te P], kantoor [Plaats], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 189.458.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2005 de navorderingsaanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 165.095. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2005 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is diens gemachtigde, [....], aldaar verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H.J. Swaneveld.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Eiser exploiteert een boomkwekerij onder glas. De daartoe gebruikte gronden heeft eiser in 1981 in eigendom verkregen. In verband met de aanleg van de hogesnelheidslijn (hierna: HSL) heeft eiser in mei 2000 een perceel grond (ondergrond van glasopstanden) ter grootte van ongeveer 1.18.74 ha verkocht aan de Staat. De koopsom bedroeg ƒ 311.587, inclusief een vergoeding voor de zittende pachter van ƒ 35.102. Ten tijde van de verkoop had deze grond een boekwaarde van ƒ 39.408, zodat met deze verkoop een winst (hierna: verkoop-winst) is behaald van ƒ 237.077 (ƒ 311.587 -/- ƒ 35.102 -/- ƒ 39.408).

In samenhang met de hiervoor vermelde verkoop heeft eiser ter zake van een ander perceel ter grootte van ongeveer 1.00.65 ha, dat zijn eigendom is gebleven, een vergoeding (hierna: vergoeding waardedaling) ontvangen van ƒ 176.137, omdat dat perceel vanwege de HSL niet meer als glastuinbouwgrond kan worden gebruikt.

Voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft eiser voor het jaar 2000 een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 83.227. In dit inkomen is een winst uit onderneming begrepen van ƒ 114.066, van welke winst een bedrag van ƒ 10.431 door eiser is aangemerkt als stakingswinst waarop de stakingsvrijstelling is toegepast. Voorts heeft eiser op de verkoopwinst en de vergoeding waardedaling de landbouwvrijstelling toegepast. De aanslag, die is gedagtekend 15 mei 2002, is conform de aangifte opgelegd.

Naar aanleiding van de bevindingen uit een boekenonderzoek dat verweerder bij eiser heeft doen uitvoeren, heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslag opgelegd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een deel van de verkoopwinst en een deel van de vergoeding waardedaling niet onder de landbouwvrijstelling vallen omdat de desbetreffende gronden in het verleden voor langere tijd verpacht zijn geweest aan derden. Het belastbare inkomen waarnaar de navorderingsaanslag, na vermindering bij de uitspraak op bezwaar, is berekend, kan, voor zover hier van belang, als volgt worden gespecificeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 83.227

niet vrijgestelde verkoopwinst ƒ 59.269

niet vrijgestelde vergoeding waardedaling - 39.847

-------------

ƒ 99.116

Hogere stakingsvrijstelling - 9.569

------------- - 89.547

-------------

ƒ 172.774

Meer dotatie aan oudedagsreserve - 7.679

------------

Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 165.095

3. Geschil

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van een zogenoemd nieuw feit, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), dat navordering van te weinig geheven belasting rechtvaardigt en, als dit zo is, of de vergoeding waardedaling onder de landbouwvrijstelling valt en het niet onder de landbouwvrijstelling vallende gedeelte van de verkoopwinst naar het juiste bedrag is berekend.

Niet in geschil is dat de stakingsvrijstelling terecht is verhoogd met ƒ 9.569 (ƒ 20.000 -/- ƒ 10.431), omdat bij de aangifte een bedrag van ƒ 12.500 dat tot de stakingswinst behoort abusievelijk tot de gewone winst is gerekend.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuw feit. Ingeval moet worden geoordeeld dat wel sprake is van een nieuw feit, stelt eiser zich op het standpunt dat de vergoeding waardedaling in haar geheel onder de landbouwvrijstelling valt en het deel van de verkoopwinst dat niet onder de landbouwvrijstelling valt moet worden vastgesteld op ƒ 22.033. Dit heeft tot gevolg dat er ƒ 2.644 minder kan worden gedoteerd aan de oudedagsreserve en het belastbare inkomen nader dient te worden vastgesteld op ƒ 93.047 (ƒ 83.227 + ƒ 22.033 -/- ƒ 9.569 -/- ƒ 2.644).

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen hun steunen, wordt verwezen naar de stukken.

Eiser concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.047.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de AWR behelst de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een feit dat het opleggen van een navorderingsaanslag rechtvaardigt, dient voorop te worden gesteld dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de regel mag uitgaan van de juistheid van de gegevens in de aangifte en de daarbij geleverde bescheiden. Deze regel lijdt uitzondering als de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. In dat geval moet hij nader onderzoek doen. Heeft de inspecteur bij het beoordelen van een aangifte niet de zorg in acht genomen die redelijkerwijs van hem kon worden gevorderd, dan is navordering van te weinig geheven belasting niet mogelijk.

Eiser heeft aangevoerd dat in de aangifte de onderhavige grondtransacties voldoende duidelijk onder de aandacht van verweerder zijn gebracht, omdat in de bij de aangifte gevoegde jaarrekening berekeningen zijn gegeven van de behaalde stakingswinst en de daarop toegepaste stakingsvrijstelling en landbouwvrijstelling. Voorts is het vermogensverloop weergegeven met onder meer een onbelaste meerwaarde grond van ƒ 413.214,50.

Verweerder heeft gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij bij het opleggen van de navorderingsaanslag de beschikking had over een nieuw feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag gegrond op een feit dat de verweerder niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Niet de grondtransacties maar het bekend worden met de omstandigheid dat de gronden (eerder) voor langere tijd aan derden waren verhuurd vormde de aanleiding voor het opleggen van de navorderingsaanslag. Van die omstandigheid wordt noch in de aangifte, noch in bedoelde berekeningen, melding gemaakt. Ook uit de post “Verhuur land” in de winst- en verliesrekening, die verder niet is toegelicht, valt niet af te leiden dat dit de verhuur van de desbetreffende landerijen betrof en dat de verkoopwinst en de vergoeding waardevermindering daardoor mogelijk niet of niet geheel onder de landbouwvrijstelling zouden vallen. Daarom kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden gezegd dat verweerder, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid daarvan in redelijkheid behoorde te twijfelen en tot het doen van nader onderzoek gehouden was. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat verweerder, ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag, met de verhuur van de gronden bekend was of daarmee redelijkerwijs bekend kon zijn. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding waardedaling in haar geheel onder de landbouwvrijstelling valt omdat deze vergoeding is toegekend in verband met de aanleg van de HSL en de daarmee gepaard gaande waardevermindering van de grond en dus geen verband houdt met in het verleden opgetreden waardeveranderingen. Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze grief. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding is kennelijk uitgegaan van de waarde die aan de grond kon worden toegekend op het moment dat de waardedaling ingevolge de aanleg van de HSL zich voordeed. Deze is aanmerkelijk hoger dan de prijs waarvoor eiser de gronden in eigendom heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is de vergoeding waardedaling toegekend vanwege het feit dat de in het verleden opgetreden waardestijgingen van de gronden niet meer op andere wijze kunnen worden gerealiseerd. Ook in zoverre is het gelijk aan verweerder.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat gedurende de periode dat de gronden waren verhuurd uitsluitend sprake kan zijn geweest van veranderingen van de waarde in verpachte staat en alleen die waardeveranderingen niet onder de landbouwvrijstelling vallen. Deze grief faalt eveneens. Tot de winst uit onderneming behoren alle gerealiseerde waardeveranderingen van de tot het ondernemingsvermogen behorende gronden. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat bij de vaststelling zowel van de verkoopprijs van de verkochte landerijen als de vergoeding waardedaling is uitgegaan van de waarde vrij van huur en pacht, waardoor de veranderingen van de waarde vrij van huur en pacht zijn gerealiseerd. Voor zover deze waardeveranderingen zijn opgetreden gedurende de periode dat de gronden waren verhuurd, vallen zij niet onder de landbouwvrijstelling, ongeacht of er tussentijds tevens waardeveranderingen zijn opgetreden tengevolge van verhuur, pachtontbinding of dergelijke.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de gronden in 1981 heeft verkregen voor ƒ 3,32 per m². Voorts is niet in geschil dat 25 percent van de waardeveranderingen van de gronden kan worden toegerekend aan de periode gedurende welke de gronden waren verhuurd. Het niet onder de landbouwvrijstelling vallende gedeelte van de verkoopwinst is door verweerder dan ook terecht vastgesteld op ƒ 59.269 (25% van ƒ 237.077). Uit de gedingstukken blijkt dat de hoogte van de vergoeding waardedaling is vastgesteld op basis van het op 15 mei 2000 bestaande verschil tussen de waarde van de grond als tuinbouwgrond (ƒ 35 per m²) en als kwekerijgrond (ƒ 17,50 per m²). De met deze vergoeding gerealiseerde waardeveranderingen van gronden betreffen derhalve het verschil tussen de waardeveranderingen van de grond als tuinbouwgrond van ƒ 31,68 per m² (ƒ 35 -/- ƒ 3,32) en de waardeveranderingen van de grond als kwekerijgrond van ƒ 14,18 per m² (ƒ 17,50 -/- ƒ 3,32). Het niet onder de landbouwvrij-stelling vallende gedeelte van de vergoeding is alsdan te bepalen op 25 percent van [10.065 x (ƒ 31,68 -/- ƒ 14,18)] = ƒ 44.034. Nu dit gedeelte bij de uitspraak op bezwaar reeds is verminderd tot ƒ 39.847, moet worden geconcludeerd dat de navorderingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, in zoverre niet te hoog is vastgesteld. Met hetgeen eiser daartoe heeft aangevoerd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Op grond van het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2005 door mrs. G.J. van Leijenhorst, J.P.F. Slijpen en T.J. van Rij, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.