Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV7716

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
30-03-2006
Zaaknummer
AWB 04/57343, 04/57099
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV7699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgeleid vluchtelingenschap / artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw 2000.

Verweerder heeft de aanvraag van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen, omdat eisers geen documenten hebben overgelegd ter staving van hun relaas. Eisers zoon heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en aan hem zal waarschijnlijk een vergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Eisers stellen dat het besluit van verweerder om aan eisers geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te geven onzorgvuldig is voorbereid en berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering. Naar de mening van eisers kan verweerder het argument van toerekenbare ongedocumenteerdheid niet meer aan hen tegenwerpen wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 kan worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling. De in deze bepaling aan de minister toegekende beleidsvrijheid wordt aangewend volgens de beleidsregels neergelegd in paragraaf C1/4.6.1 Vc 2000. Blijkens die paragraaf kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of het minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van een van de gronden a tot en met d. De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking komen, feitelijk te behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd en kinderen behoren niet langer tot het gezin en worden niet langer als afhankelijk van de hoofdpersoon beschouwd, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. Uit de tekst van de wet en het hierboven uiteengezette beleid, blijkt dat uitsluitend aan de echtgenoot, echtgenote of het minderjarig kind (dat behoort tot het gezin) van de hoofdpersoon een verblijfsvergunning kan worden verleend. Tevens blijkt hieruit dat er bij toepassing van deze grond sprake dient te zijn van een afhankelijke positie van de hoofdpersoon. Aangezien de dochters van eisers de zussen van de hoofdpersoon zijn en zich dus niet in een situatie ten opzichte van die hoofdpersoon bevinden die is weergegeven in voornoemd artikel, faalt het beroep op dit artikel. Verweerder heeft mitsdien terecht overwogen dat de dochters van eisers niet hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 04/57343 BEPTDN/BE

Awb 04/57099 BEPTDN/BE

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

A,

geboren op […] 1961,

eiser,

B,

geboren op […] 1964,

eiseres,

alsmede hun minderjarige kinderen:

C, geboren op […] 1990,

D, geboren op […] 1991,

allen van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 0101.30.8064,

tezamen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn;

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. van Willegen, ambtenaar ten departemente.

1. Procesverloop

Op 30 januari 2001 hebben eisers, mede namens hun minderjarige kinderen, aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Op 26 juli 2001 heeft verweerder de voornemens tot afwijzing van de aanvragen bekend gemaakt. Bij brief van 21 augustus 2001 hebben eisers hierop gereageerd met een zienswijze. Bij besluiten van 4 oktober 2001 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij brief van 19 oktober 2001, aangevuld bij schrijven van 5 augustus 2003 is daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 februari 2004 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, dit beroep gegrond verklaard en bepaalt dat verweerder in zoverre nieuwe besluiten neemt met inachtneming van die uitspraak.

Op 13 oktober 2004 heeft verweerder opnieuw voornemens tot afwijzing van de aanvragen bekend gemaakt. Bij brief van 12 november 2004 hebben eisers hierop gereageerd met een zienswijze. Bij besluiten van 1 december 2004 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij brief van 22 december is daartegen door eiseres beroep ingesteld. Eiser heeft bij brief van 23 december 2001 daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is aangevuld bij brieven van 21 januari 2005. Op 30 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 11 oktober 2005 behandeld. Eisers zijn niet verschenen, maar hebben zich doen bijstaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Standpunten

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Daartoe is – samengevat - het volgende aangevoerd.

Eisers hebben onvoldoende documenten overgelegd om hun nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen en zijn niet in staat om gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Nu eisers niet aannemelijk hebben weten te maken dat dit hen niet is toe te rekenen, is de oprechtheid van het relaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid daarvan. Verweerder verwijst hierbij voor de motivatie naar het voornemen van 26 juli 2001, het besluit van 4 oktober 2001 en hetgeen hieromtrent in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, d.d. 20 februari 2004 is overwogen. Eiser heeft in de zienswijze thans geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een ander inzicht.

Eisers komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hierbij wordt ook verwezen naar voornoemde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle. Voorts komen eisers niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de d-grond van voornoemd artikel. Evenmin komen eisers in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de e- en f-grond van voornoemd artikel. Eisers worden niet gevolgd in hun standpunt dat hun dochters D en C in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000. Niet kan immers worden gesteld dat zij zich ten opzichte van hun broer E, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, in een positie bevinden die gelijk is aan één van de in paragraaf C1/4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) omschreven situaties.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het besluit van verweerder om aan eisers geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te geven onzorgvuldig is voorbereid en berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering.

Naar de mening van eisers kan verweerder het argument van toerekenbare ongedocumen-teerdheid niet meer aan hen tegenwerpen wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Reeds in de zienswijze hebben eisers aangevoerd dat verweerder niet in de nieuwe voornemens die zijn genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle d.d. 20 februari 2004, waarin niet is meegegaan met het eerst in het verweerschrift gebezigde standpunt van verweerder met betrekking tot de algehele ongeloofwaardigheid, maar het beroep inhoudelijk is beoordeeld en gegrond is verklaard, de geloofwaardigheid ter discussie kan stellen en kan betrekken bij de beoordeling van de aanvragen. Dat verweerder in de bestreden besluiten niet op deze stelling is ingegaan achten eisers onzorgvuldig.

Voorts kunnen eisers zich niet verenigen met de wijze waarop verweerder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 uitlegt. Zij blijven van mening dat D en C in aanmerking komen voor een vergunning op grond van voornoemd artikel. Eisers zoon E heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en aan hem zal waarschijnlijk een vergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Verweerder heeft voor eisers gewezen op de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij een gezinslid dat een medische behandeling ondergaat’ in te dienen. Verweerder stelt ten onrechte dat, om in aanmerking te komen voor een verblijfs-vergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000, sprake moet zijn van een afhankelijkheid in onderhoud van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend. Dit volgt niet uit paragraaf C1/4.6 Vc 2000. Voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000 geldt voornoemd vereiste wel. Nu echter in de wet expliciet onderscheid wordt gemaakt, betekent dit dat ook in de beleidsregels ter invulling dan wel uitwerking van die wet dit moet worden gerespecteerd. Op grond van het voorgaande menen eisers dat uit de context van de betreffende paragraaf in de Vc 2000 volgt dat geen sprake hoeft te zijn van afhankelijkheid.

3. Overwegingen

Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 wordt de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

(…)

e. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, is verleend;

(…)

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beperkt het geschil zich tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat eisers ongedocumenteerd zijn en of D en C in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000.

Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onderdeel f, Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door voornoemd artikel in de huidige procedure aan eisers tegen te werpen.

Bij besluit van 4 oktober 2001, waarin het voornemen van 26 juli 2001 als herhaald en ingelast is beschouwd, heeft verweerder zich reeds op het standpunt gesteld dat eisers toerekenbaar onvoldoende documenten hebben overgelegd om hun nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen en dat eisers niet in staat waren om gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven, gelet waarop is geoordeeld dat afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas. De rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft vervolgens bij uitspraak van 20 februari 2004 geoordeeld dat verweerder dit in redelijkheid aan eisers heeft kunnen tegenwerpen. De stelling van eisers, dat verweerder thans niet in nieuwe voornemens, die naar aanleiding van voornoemde uitspraak zijn genomen, de geloofwaardigheid ter discussie kan stellen, wordt derhalve niet gevolgd. Evenmin worden eisers gevolgd in hun stelling dat verweerder in de bestreden besluiten niet op voorgaande stelling is ingegaan. De rechtbank verwijst daarbij naar de tweede alinea onder punt 4 van de besluiten van 1 december 2004, waarin verweerder heeft verwezen naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vorenstaande, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eisers kan worden tegengeworpen.

Blijkens de bestreden besluiten en de daarin ingelaste overwegingen uit het voornemen heeft verweerder vervolgens getoetst in hoeverre eisers, uitgaande van het asielrelaas, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw 2000. De rechtbank concludeert hieruit dat verweerder zich - niettegenstaande de door verweerder verwoorde twijfels aan de geloofwaardigheid van eisers’ relaas - op het standpunt heeft gesteld dat ondanks het bestaan van de hiervoor genoemde omstandigheden van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaat en dat het asielrelaas geloofwaardig wordt geacht.

Mitsdien beperkt de rechtbank zich bij de verdere beoordeling van het beroep tot de vraag in hoeverre eisers, uitgaande van de door hen gestelde feiten, voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 Vw 2000 in aanmerking komt. Het beroep beperkt zich daarbij, zoals reeds hiervoor is overwogen, tot de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers dochters, D en C, niet in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 niet juist uitlegt en dat hun dochters in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning op grond van voornoemd artikel.

Zoals reeds hiervoor is overwogen kan een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling.

De in deze bepaling aan de minister toegekende beleidsvrijheid wordt aangewend volgens de beleidsregels neergelegd in paragraaf C1/4.6.1 Vc 2000. Blijkens die paragraaf, voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of het minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van een van de gronden a tot en met d. De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking komen, feitelijk te behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd en kinderen behoren niet langer tot het gezin en worden niet langer als afhankelijk van de hoofdpersoon beschouwd, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

Uit de tekst van de wet en het hierboven uiteengezette beleid, blijkt dat uitsluitend aan de echtgenoot, echtgenote of het minderjarig kind (dat behoort tot het gezin) van de hoofdpersoon een verblijfsvergunning kan worden verleend. Tevens blijkt hieruit dat er bij toepassing van deze grond sprake dient te zijn van een afhankelijke positie van de hoofdpersoon. Aangezien de dochters van eisers de zussen van de hoofdpersoon, E, zijn en zich dus niet in een situatie ten opzichte van die hoofdpersoon bevinden die is weergegeven in voornoemd artikel, faalt het beroep op dit artikel.

Verweerder heeft mitsdien terecht overwogen dat de dochters van eisers niet hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000.

Het beroep is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P. Maten en in tegenwoordigheid van K.M. van der Zalm als griffier in het openbaar uitgesproken op 2 november 2005

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden