Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV7175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/24366
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sudan / Nuba-gebergte / twijfel aan juistheid taalanalyse / geen contra-expertise.

Verweerder heeft de gestelde herkomst en etniciteit van eiser niet geloofwaardig geacht. Verweerder komt tot deze conclusie op grond van het feit dat eiser geen documenten heeft overgelegd en op grond van de uitkomsten van een taalanalyse. De uitkomst van de taalanalyse is dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Noord-Kordofan in Sudan, en niet tot die van het Nuba-gebergte, zoals hij had gesteld. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat de taalanalyse onzorgvuldig tot stand is gekomen en bovendien onjuistheden bevat. Eiser heeft geen contra-expertise laten verrichten. De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de taalanalyse meer dan kritische kanttekeningen betreft en of er voldoende concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de taalanalyse. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het eerste concrete aanknopingspunt is dat in het rapport van de taalanalyse herhaaldelijk staat vermeld dat eiser heeft verklaard te behoren tot de Nyimang-stam, terwijl door verweerder is erkend dat eiser nimmer heeft verklaard tot deze stam te behoren. Eiser heeft gesteld tot de Abbassiya-Tegali stam te behoren. Het rapport van de taalanalyse is op dit punt naar het oordeel van de rechtbank evident onjuist. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om de betrokken taalanalist met deze onjuistheid te confronteren en hem om een reactie te vragen. Nu verweerder dit heeft nagelaten en hij noch ter zitting noch anderszins afdoende duidelijk heeft gemaakt hoe de onjuistheid in het rapport is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse. Hier komt als tweede concreet aanknopingspunt het volgende bij. Blijkens het rapport taalanalyse heeft de taalanalist op grond van (onder meer) het feit dat eiser geen kennis heeft van een inheemse taal, met name niet van het Nyimang en het Dilling, geconcludeerd dat eiser noch uit het Nuba-gebergte afkomstig is noch dat hij etnisch Nuba is. In zijn zienswijzen heeft eiser aangegeven dat het Arabisch één van de officiële talen is die onder de Nuba wordt gesproken. Tevens heeft hij een verklaring gegeven voor het feit dat hij alleen Arabisch spreekt. Eiser heeft zijn argumenten onderbouwd met een rapport van Herman Bell. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van verweerder om expliciet te reageren op hetgeen eiser op dit punt naar voren heeft gebracht. Nu verweerder dit heeft nagelaten, geeft ook dit aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse. De rechtbank concludeert dat verweerder zich in redelijkheid niet heeft kunnen baseren op het rapport van de taalanalyse voor het standpunt dat de verklaringen van eiser omtrent zijn herkomst en etniciteit ongeloofwaardig zijn. De resultaten van de taalanalyse hadden niet zonder nadere motivering in overwegende mate aan de bestreden beschikking ten grondslag mogen worden gelegd. Het bestreden besluit is in strijd met de motiveringsplicht en derhalve verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 05/24366 OVERIO S6

uitspraak: 1 december 2005

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1966,

verblijvende te B,

van Soedanese nationaliteit,

IND dossiernummer: 0004.01.8009,

eiser,

gemachtigde: mr. P.M. van der Roest, advocaat te Emmen,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Schuldink, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 1 april 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan.

Bij beschikking van 8 juni 2000, uitgereikt op 30 juni 2000, heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Wel heeft verweerder aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 1 april 2000 en geldig tot 1 april 2001.

Eiser heeft tegen bovenstaande beschikking bij brief van 26 juli 2000 bezwaar gemaakt.

Op 5 maart 2001 heeft eiser een aanvraag gedaan om verlenging van de vvtv.

Bij beschikking van 3 mei 2005 heeft verweerder het bezwaar tegen de beschikking van 8 juni 2000 ongegrond verklaard en tevens de aanvraag om verlenging van de vvtv van 5 maart 2001 niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 30 mei 2005 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikking van 3 mei 2005. Eiser heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 september 2005. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is geboren op [...] 1966 te C in Soedan. Hij is afkomstig uit het Nuba-gebergte en behoort tot de Abassiya-Tegali stam. Hij hangt het soefisme aan. Hij heeft van 1986 tot en met 1990 in Caïro gestudeerd. In die periode was hij aangesloten bij de studentenbond voor studenten uit Zuid-Kordofan. Gedurende twee jaren is hij voorzitter van deze bond geweest. In januari 1991 is hij naar Soedan teruggekeerd. De autoriteiten hebben hem direct gearresteerd en in Khartoem gedetineerd. Hij werd beschuldigd van het verlenen van financiële steun aan de oppositie en van het plegen van vijandige activiteiten tegen de regering van Soedan. In oktober 1991 is hij vrijgelaten, onder de voorwaarden dat hij zijn activiteiten voor de Nuba-bevolkingsgroep zou beëindigen en zijn soefistische opvattingen zou laten varen. Hij heeft daartoe een verklaring getekend. Na zijn vrijlating heeft hij zijn activiteiten voor de Nuba-bevolkingsgroep voortgezet, door zich in te zetten voor de vereniging voor afgestudeerden van de Nuba-stam. Van februari 1993 tot september 1993 is hij wederom gedetineerd geweest. Ook de periodes maart 1995 tot augustus 1995 en april 1997 tot juli 1997 heeft hij in detentie doorgebracht. Tijdens elke detentieperiode is hij mishandeld en gemarteld. Telkens werd hij vrijgelaten, onder dezelfde voorwaarden als die bij zijn eerste vrijlating waren gesteld. Daartoe ondertekende hij steeds een verklaring. Sinds 1998 heeft eiser als leraar op een school in D gewerkt. Op 10 februari 2000 heeft hij Kaunda verlaten en vertrok hij naar zijn geboorteplaats C. Op 12 februari 2000 werd hij in C door de Soedanese veiligheidsdienst gearresteerd en afgevoerd naar Khartoem, alwaar hij werd gedetineerd. Ditmaal werd hij beschuldigd van hoogverraad en collaboratie met de vijand. De autoriteiten gaven hem te verstaan dat hij zonder proces gedood zou kunnen worden. Hij had immers de voorwaarden waaronder hij de voorgaande keren was vrijgelaten, geschonden. Op 25 maart 2000 is hij met de hulp van een veiligheidsagent uit de gevangenis gevlucht. Vervolgens is hij ’s nachts met een vliegtuig naar Caïro gereisd. Vanaf Caïro vloog hij naar Amsterdam, alwaar hij op 26 maart 2000 aankwam.

Eiser vreest bij terugkeer naar Soedan gedood te worden vanwege zijn politieke en godsdienstige overtuigingen, alsmede vanwege zijn etnische afkomst.

Verweerder heeft de aanvraag om toelating als vluchteling afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid in samenhang met het tweede lid, onderdeel f, van de Vw 2000. Eiser heeft naar de mening van verweerder ter staving van zijn aanvraag onvoldoende reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden overgelegd, welke noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze documenten hem niet valt toe te rekenen. Om die reden wordt op voorhand de oprechtheid van eisers asielrelaas aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid ervan. Vanwege het ontbreken van documenten heeft verweerder in de bezwaarfase een taalanalyse laten verrichten. Uit het rapport taalanalyse van 14 mei 2003 blijkt dat eiser niet eenduidig herleid kan worden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van het Nuba-gebergte, maar tot die van Noord-Kordofan. Eiser behoort aldus niet tot de Nuba-bevolkingsgroep. In bezwaar heeft eiser een geboortecertificaat heeft overgelegd, welke door de KMar vals is bevonden. Het feit dat eiser onjuiste inlichtingen heeft verstrekt vormt een contra-indicatie voor het verlenen van een verblijfsvergunning.

Aangezien de gestelde herkomst en etniciteit van eiser niet aannemelijk zijn geworden, kan geen waarde worden gehecht aan de door hem afgelegde verklaringen omtrent de door hem gestelde ondervonden problemen. Het is derhalve niet aannemelijk geworden dat eiser verdragsvluchteling is of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan van eiser niet kan worden verlangd terug te keren, is evenmin gebleken. Eiser komt op grond van het bovenstaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De op 8 juni 2000 verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf is aan eiser op grond van zijn gestelde etniciteit verleend. Voor de Nuba-bevolkingsgroep gold ten tijde van de aanvraag een vvtv-beleid. Gezien de uitkomst van de taalanalyse is verweerder van mening dat de vvtv destijds op onterechte grond is verleend. Om die reden heeft verweerder de aanvraag om verlenging van de vvtv afgewezen.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning. Hij heeft aangevoerd dat de bestreden beschikking op een onjuiste en onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en heeft ter onderbouwing het volgende naar voren gebracht.

Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eiser heeft afgezien van het laten uitvoeren van een contra-expertise. Tot op heden is geen contra-expertise uitgevoerd omdat er geen geschikte specialist is gevonden en niet omdat eiser daar van heeft afgezien. Verder is de taalanalyse niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en bevat het van de taalanalyse opgemaakte rapport bovendien onjuistheden. Zo staat in het rapport dat eiser gezegd zou hebben dat hij tot de Nyimang stam behoort. Hij heeft echter nooit verklaard tot deze stam te behoren. De conclusies die in het rapport taalanalyse worden getrokken op basis van het gegeven dat eiser tot de Nyimang stam zou behoren, zijn dan ook op voorhand niet juist. Eiser heeft tevens aangevoerd dat in het rapport taalanalyse ten onrechte is geconcludeerd dat hij niet uit het Nuba-gebergte afkomstig is, omdat hij geen kennis heeft van enige inheemse taal, met name niet van het Nyimang en het Dilling, heeft. Volgens eiser betekent het feit dat hij alleen Arabisch spreekt, niet dat hij niet afkomstig is uit het Nuba-gebergte. Het Arabisch is immers één van de officiële talen die onder de Nuba wordt gesproken. Zijn familie is afkomstig uit E en blijkens het overgelegde rapport van Herman Bell, genaamd “The Nuba Mountains: Who spoke what in 1976”, spreekt 99% tot 100% van de inwoners in en rondom die plaats Arabisch. Uit genoemd rapport blijkt verder dat rondom Dilling, waar eiser stelt een groot aantal jaren gewoond te hebben, 90% tot 100% van de inwoners Arabisch spreekt.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, daar eiser geen contra-expertise heeft laten uitvoeren en slechts kritische kanttekeningen bij de taalanalyse heeft geplaatst.

Beoordeling van het beroep

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar en de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de vvtv, de toetsing aan geschreven en ongeschreven regels kunnen doorstaan.

Inzoverre het bestreden besluit betrekking heeft op het bezwaar van 26 juli 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. De Vw 2000 voorziet niet in een expliciete regeling van overgangsrecht met betrekking tot het toepasselijke materieelrechtelijke rechtsregime voor de te nemen beslissing op bezwaar. Aangezien verweerder in de bezwaarfase, op de voet van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot een volledige heroverweging van het besluit in primo is overgegaan en daarbij, overeenkomstig vaste bestuursrechtelijke uitgangspunten, ook het nieuwe materiele recht heeft moeten toepassen, tenzij dit ten nadele zou zijn van degene die bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit in primo, zal de hierboven genoemde toets materieelrechtelijk plaatsvinden aan de hand van de Vw 2000. Eerst na deze toetsing zal de rechtbank bezien of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor eiser als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre verweerder toepassing had dienen te geven aan dat rechtsregime.

In zoverre het bestreden besluit betrekking heeft op de aanvraag om verlenging van de vvtv wordt het besluit ingevolge artikel 117 van de Vw 2000 aangemerkt als een beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in de Vw 2000.

Ingevolge het bepaalde in artikel 120 Vw 2000, staat hoger beroep slechts open tegen deze uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag van 5 maart 2001 om verlenging van de vvtv. Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar staat derhalve geen hoger beroep open.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat de gestelde herkomst en etniciteit van eiser niet geloofwaardig zijn geacht. Verweerder komt tot deze conclusie op grond van het feit dat eiser geen documenten heeft overgelegd en op grond van de uitkomsten van de taalanalyse. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de taalanalyse onzorgvuldig tot stand is gekomen en bovendien onjuistheden bevat.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden, die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Derhalve is het aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken, niet aan verweerder om het tegendeel aannemelijk te maken. Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel f van de Vw 2000, wordt bij de beoordeling van bovengenoemde vraag betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag verweerder in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit, dan wel het land of de plaats van herkomst van de vreemdeling een taalanalyse laten uitvoeren. Door dat te doen komt verweerder de desbetreffende vreemdeling tegemoet in de voldoening aan de ingevolge voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel gerezen is aan de gestelde identiteit en nationaliteit, waaronder in voorkomende gevallen begrepen de stamafkomst of plaats van herkomst. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan die vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Hiertoe kan hij, indien hij van mening is dat de analyse niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel anderszins onvolkomenheden bevat, de band, waarop het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is opgenomen, door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige laten beoordelen en zo nodig van commentaar laten voorzien. De vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan (vgl. ABRS 26 augustus 2003, JV 2003, 455).

Het staat vast dat eiser tot op heden geen contra-expertise heeft laten verrichten. De gerezen twijfel omtrent de herkomst en etniciteit van eiser is derhalve niet door middel van een contra-expertise weerlegd. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de taalanalyse meer dan kritische kanttekeningen betreft en of er voldoende concrete aanknopingspunten zijn om niettemin twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de taalanalyse. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het rapport taalanalyse staat vermeld dat eiser verklaard heeft dat hij tot de Nyimang stam behoort. Eiser heeft in zijn zienswijze van 17 juni 2003 onder meer naar voren gebracht dat hij nimmer heeft verklaard tot de Nyimang stam te behoren. Het Bureau Land en Taal (BLT) geeft in zijn reactie van 29 april 2004 aan dat het tijdens het gesprek lang onduidelijk bleef tot welke stam eiser nu behoorde en dat eiser uiteindelijk heeft verklaard tot de Abbasiya Tegali stam te behoren. In de reactie van het BLT van 12 oktober 2004 op de zienswijze van 12 juli 2004, staat dat het de analist en de begeleidende linguïst bij aanvullende beluistering van de opname grote moeite heeft gekost om de mededeling van eiser aangaande zijn etnische achtergrond op de band te lokaliseren. Volgens het BLT vermeldt eiser de naam van zijn stam slechts in een korte, nauwelijks verstaanbare zin. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat verweerder uit gaat van de stelling van eiser dat hij tot de Abbasiya Tegali stam behoort.

Verweerder erkent derhalve dat eiser nooit heeft verklaard dat hij tot de Nyimang stam behoort. Derhalve is ten onrechte in het rapport taalanalyse vermeld dat eiser verklaard zou hebben tot de Nyimang stam te behoren. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport taalanalyse op dit punt evident onjuist. De reacties van het BLT bevatten geen verklaring voor deze onjuistheid. Ook heeft verweerder ter zitting niet afdoende duidelijk gemaakt hoe deze onjuistheid in het rapport taalanalyse is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om de betrokken taalanalist te confronteren met de onjuistheid en hem om een reactie te vragen. Verweerder heeft dit echter nagelaten. Deze onjuistheid en het ontbreken van een afdoende verklaring daarvoor, geven aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse.

Hier komt nog het volgende bij.

Blijkens het rapport taalanalyse heeft de taalanalist op grond van (onder meer) het feit dat eiser geen kennis heeft van een inheemse taal, met name niet van het Nyimang en het Dilling, geconcludeerd dat eiser noch uit het Nuba-gebergte afkomstig is noch dat hij etnisch Nuba is. In de zienswijze van 17 juni 2003 geeft eiser aan dat het Arabisch één van de officiële talen is die onder de Nuba worden gesproken. Het BLT schrijft in zijn reactie van 29 april 2004 op deze zienswijze dat het onduidelijk blijft waarom eiser niet ten minste enige actieve kennis heeft van het Nyimang, daar het Nyimang algemeen gangbaar is in het openbare leven van Dilling. Ook schrijft het BLT dat er in Soedan maar één officiële taal is, te weten het Standaard Arabisch (ook wel Klassiek Arabisch genoemd), maar dat dit een schrijftaal is en in het dagelijks leven door niemand wordt gesproken. In zijn zienswijze van 12 juli 2004 heeft eiser een verklaring gegeven voor het feit dat hij alleen het Arabisch beheerst. Eisers familie is afkomstig uit E. Uit het overgelegde rapport van Herman Bell blijkt dat in de plaats E 99% tot 100% van de inwoners Arabisch spreekt. Uit genoemd rapport blijkt verder dat rondom Dilling, waar eiser stelt een groot aantal jaren gewoond te hebben, 90% tot 100% van de inwoners Arabisch spreekt. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van verweerder om expliciet te reageren op hetgeen eiser, ondersteund door het rapport van Herman Bell, naar voren heeft gebracht. Temeer, daar het BLT in de reactie van 29 april 2004 heeft geschreven dat het (Standaard of Klassiek) Arabisch een schrijftaal is, die door niemand wordt gesproken. Verweerder heeft dit echter nagelaten. Ook het bovenstaande geeft aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse. De rechtbank acht de reacties van het BLT onvoldoende om de twijfel aan de juistheid van de taalanalyse weg te nemen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid niet kunnen baseren op het rapport taalanalyse voor diens standpunt dat de verklaringen van eiser omtrent zijn herkomst en etniciteit en derhalve ook omtrent zijn ondervonden problemen ongeloofwaardig zijn. De resultaten van de taalanalyse hadden niet zonder nadere motivering in overwegende mate aan de ongegrondverklaring van het bezwaar en aan de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de vvtv ten grondslag mogen worden gelegd. Dat de gestelde herkomst en etniciteit kennelijk aanvankelijk -blijkens de beschikking van 8 juni 2000- geloofwaardig zijn geacht, maakt dit des te klemmender.

Het bestreden besluit is voor zover het de beslissing op bezwaar betreft strijdig met artikel 7:12 van de Awb, en voorzover het de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de vvtv betreft, strijdig met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep zal worden gegrond verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Nu niet gesteld of gebleken is dat toepassing van de voor 1 april 2001 geldende regelgeving met betrekking tot de toelating als vluchteling dan wel de verlening van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf leidt tot een voor eiser gunstiger resultaat dan onder het thans geldende rechtsregime, was verweerder niet gehouden toepassing te geven aan het oude rechtsregime.

Er is aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00 als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,00, wegingsfactor 1).

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 mei 2005;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van 26 juli 2000 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van 5 maart 2001 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding ad € 644,00, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de beslissing op het bezwaar van 26 juli 2001, staat geen hoger beroep open.

Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de beslissing op de aanvraag om verlenging van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf van 5 maart 2001, kunnen partijen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2005 in tegenwoordigheid van mr. A.A. Reah als griffier.

Afschrift verzonden: