Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV6489

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
AWB 04/57669
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsdoel / medische noodsituatie / geen procesbelang.

Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'medische behandeling' gevraagd. Bij besluit van 3 september 2004 is hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ voor vijf jaar verleend. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij met de aan hem verleende verblijfsvergunning in een slechtere situatie is gebracht, dan wanneer hij een verblijfsvergunning onder één van de andere gevraagde beperkingen - ‘medische behandeling’ danwel ‘conform beschikking minister’ - zou hebben gekregen. In artikel 3.5, tweede lid, onder n, Vb 2000 is bepaald dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met ‘het ondergaan van medische behandeling’ het verblijfsrecht tijdelijk is. Artikel 3.5 derde lid, Vb 2000 bepaalt dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald. De beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ is zo een beperking die niet wordt genoemd in het tweede lid van artikel 3.5 Vb 2000 en mitsdien onder het derde lid thuishoort. In het besluit van 3 september 2004 heeft verweerder niet bij de verlening bepaald dat het gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard, zodat uit het derde lid van artikel 3.5 Vb 2000 voortvloeit dat met de aan eiser verleende verblijfsvergunning een niet-tijdelijk verblijfsrecht is toegekend. Het feit dat in hoofdstuk B8/3 Vc 2000 staat vermeld dat de verblijfsvergunning met de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ ingevolge artikel 3.5, derde lid, Vb 2000 een verblijfsrecht van ‘tijdelijke’ aard toekent, niet kan leiden tot een ander oordeel. Deze vermelding in het beleid is evident in strijd met de tekst van artikel 3.5, derde lid, Vb 2000. In een beleidsregel in algemene zin afwijken van een algemeen verbindend voorschrift is niet mogelijk. Ook ten opzichte van de verblijfsvergunning met de beperking ‘conform beschikking minister’, welke vergunning eveneens wordt verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, is de rechtbank niet gebleken dat de positie van eiser ongunstiger zou zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep bij de rechtbank. Inhoudelijke bespreking van de overige gronden kan mitsdien achterwege blijven. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zitting houdende te Dordrecht

Reg.nr : AWB 04/57669

Uitspraak in de zaak van

A, eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. E.G. Aalbers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 24 februari 2003 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ aangevraagd.

Bij besluit van 3 september 2004 (verzonden op 21 september 2004) heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ verleend met ingang van 24 februari 2003, geldig tot 24 februari 2008.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 oktober 2004 bij verweerder bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 1 december 2004 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 27 december 2004 beroep ingesteld.

De zaak is op 17 november 2005 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen bij mr. drs. C.R. Jansen, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vreeemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) luidt – voorzover van belang – als volgt:

1. De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:

(…)

r. het ondergaan van medische behandeling;

(…)

3. Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.

Artikel 3.5 van het Vb 2000 luidt – voorzover van belang – als volgt:

1. Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet-tijdelijk.

2. Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met:

(…)

n. het ondergaan van medische behandeling;

(..)

3. Indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, is het verblijfsrecht niet-tijdelijk, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.

In artikel 3.46 van het Vb 2000 is – voorzover van belang – het volgende bepaald:

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

(…)

In verweerders beleid, als neergelegd in B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is onder meer bepaald dat in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, de Minister ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid. Ingevolge artikel 3.5, derde lid, van het Vb 2000 gaat het hier om een verblijfsrecht van tijdelijke aard.

2. Verweerder stelt dat eiser niet heeft aangetoond te beschikken over een toereikende ziektekostenverzekering, zodat hij niet voldoet aan alle voorwaarden genoemd in artikel 3.46 van het Vb 2000 om voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ in aanmerking te komen. Daarentegen voldoet eiser wel aan de voorwaarden welke worden gesteld aan verblijf op grond van de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’, zodat deze vergunning aan hem is verleend.

3. Eiser meent dat hem ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ is verleend. In het besluit in primo wordt erkend dat hij aan alle beperkingen voldoet voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Het is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, dat eerstens in de beschikking op bezwaar een reden voor afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning wordt gegeven. Eiser meent dat het ontbreken van een deugdelijke ziektekostenverzekering niet aan hem mag worden tegengeworpen. Eiser is op grond van de ZRA-regeling verzekerd voor ziektekosten. Eiser heeft, omdat het hem niet is toegestaan arbeid te verrichten en hij gelet op zijn ziektebeeld daartoe ook niet in staat is, geen keuze om op andere wijze voor ziektekosten te zijn verzekerd.

Tenslotte heeft eiser gesteld dat verweerder gebruik diende te maken van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 4:84 van de Awb en hem op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 in bezit diende te stellen van een verblijfsvergunning onder de beperking – zoals ter zitting toegelicht – ‘conform beschikking minister’.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

Vast staat dat eiser bij besluit van 3 september 2004 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ voor vijf jaar is verleend, met ingang van 24 februari 2003 en geldig tot 24 februari 2008.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij voor een reguliere verblijfsvergunning onder één van de genoemde andere beperkingen – ‘medische behandeling’ danwel ‘conform beschikking minister’ – in aanmerking wenst te komen, omdat deze hem in een beduidend betere situatie zou hebben gebracht dan de thans verleende vergunning. De andere beperkingen hebben naar eisers mening geen tijdelijk karakter en kunnen na vijf jaar worden omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Verweerder heeft zich ter zitting met betrekking tot de beperking ‘conform beschikking minister’ op het standpunt gesteld dat geen verschil in positie ten opzichte van de aan eiser verleende vergunning bestaat, omdat alle op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 verleende vergunningen van tijdelijke aard zijn.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij met de aan hem verleende verblijfsvergunning in een slechtere situatie is gebracht, dan wanneer hij een verblijfsvergunning onder één van de andere gevraagde beperkingen zou hebben gekregen. In artikel 3.5, tweede lid, onder n, van het Vb 2000 is bepaald dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met ‘het ondergaan van medische behandeling’ het verblijfsrecht tijdelijk is. Artikel 3.5 derde lid, van het Vb 2000 bepaalt dat indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald. De beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ is zo een beperking die niet wordt genoemd in het tweede lid van artikel 3.5 van het Vb 2000 en mitsdien onder het derde lid thuishoort. In het besluit van 3 september 2004 heeft verweerder niet bij de verlening bepaald dat het gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard, zodat uit het derde lid van artikel 3.5 van het Vb 2000 voortvloeit dat met de aan eiser verleende verblijfsvergunning een niet-tijdelijk verblijfsrecht is toegekend.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het feit dat in hoofdstuk B8/3 van de Vc 2000 staat vermeld dat de verblijfsvergunning met de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ ingevolge artikel 3.5, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsrecht van ‘tijdelijke’ aard toekent, niet kan leiden tot een ander oordeel. Deze vermelding in het beleid is evident in strijd met de tekst van artikel 3.5, derde lid, van het Vb 2000. In een beleidsregel in algemene zin afwijken van een algemeen verbindend voorschrift is niet mogelijk.

Ook ten opzichte van de verblijfsvergunning met de beperking ‘conform beschikking minister’, welke vergunning eveneens wordt verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, is de rechtbank niet gebleken dat de positie van eiser ongunstiger zou zijn.

Nu eiser in het bezit is gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ en hij gelet op hogeroverwogene niet in een gunstigere positie zou komen te verkeren door de verlening van een vergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ danwel ‘conform beschikking minister’, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep bij de rechtbank. Inhoudelijke bespreking van de overige gronden kan mitsdien achterwege blijven.

Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

5. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 december 2005

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Men dient een afschrift van de uitspraak mee te zenden.