Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV6353

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
09/751003-04 - volledige vonnis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artt. 48 en 57 Sr; art. 8 WOS. (Volledige vonnis. In verkorte vorm gepubliceerd onder LJ-nummer: AU8685.) Verdachte leverde in de jaren tachtig van de vorige eeuw aan Irak chemicaliën die gebruikt werden voor de productie van gifgas. Medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven. Vrijspraak van van medeplichtigheid aan genocide. 15 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummer 09/751003-04

's-Gravenhage, 23 december 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [……..].

1. De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 maart 2005, 10 juni 2005, 02 september 2005, 21 november 2005, 22 november 2005, 23 november 2005, 24 november 2005, 25 november 2005, 28 november 2005, 30 november 2005, 01 december 2005, 02 december 2005, 05 december 2005, 07 december 2005, 09 december 2005 en 23 december 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, is, met uitzondering van 10 juni 2005, 02 september 2005 en 23 december 2005, op de terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich 15 beledigde partijen, respectievelijk genaamd, [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 8], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 10], [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 12], [benadeelde partij 13], [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] gevoegd.

De officieren van justitie mr. F. Teeven en mr. T. Polescuk hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officieren van justitie hebben voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt B, in dit vonnis is gevoegd - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27, 28, 29 (met uitzondering van de tijdschriften) zullen worden teruggegeven aan de verdachte en dat de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36, zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden.

De officieren van justitie hebben primair geconcludeerd tot gehele toewijzing van alle vorderingen van de hiervoor genoemde beledigde partijen, te weten tot het voor de inwerkingtreding van de Wet Terwee (Stb. 1993,29) geldende maximumbedrag van €680,67 (ƒ1.500,=). De officieren van justitie hebben subsidiair geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de beledigde partijen [benadeelde partij 10], [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] en tot niet-ontvankelijkverklaring van de overige hiervoor genoemde beledigde partijen.

De officieren van justitie hebben medegedeeld dat zij voornemens zijn te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2. De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting van 10 juni 2005 ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en voorts na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting van 21 november 2005 - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1, alsmede van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A2.

[ingevoegd: vordering wijziging telastelegging]

VORDERING WIJZIGING TELASTELEGGING

parketnummer : 09/751003-04

De officier van justitie bij het Landelijke Parket te Rotteram, vestiging Schiphol;

gezien de dagvaarding in de zaak tegen

naam : [naam]

voorna(a)m(en) : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

geboren te : [geboorteplaats]

wonende te : zonder vaste woon- of verblijfplaats h.t.l.

adres :

thans verblijvende : P.I. [penitientiaire inrichting]

van oordeel, dat de telastelegging thans dient te worden gelezen als hieronder vermeld

(waarbij cursief de gewijzigde tekst is aangegeven [NB cursivering is niet mogelijk in tekst gepubliceerd op www.rechtspaak.nl] ):

feit 1, primair:

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op of omstreeks 5 en/of 6 juni 1987 en/of augustus 1988 te Zewa en/of

op of omstreeks 16 maart 1988, te Halabja en/of

op of omstreeks 3 mei 1988 te Goktapa (Gukk Tapah) en/of

op of omstreeks 25 augustus 1988 te Birjinni (Bergin),

althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans samenspannend, (telkens) met het oogmerk een nationale of etnische groep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen opzettelijk leden van de groep heeft/hebben gedood en/of zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft/hebben toegebracht door toen en (al)daar tezamen en in vereniging, althans samenspannend, in Irak (te Zewa en/of te Halabja en/of te Goktapa (Gukk Tapah) en/of Birjinni (Bergin) en/of (een) andere plaats(en)) (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) in te zetten tegen personen, behorende tot (een deel van) de Koerdische bevolkingsgroep (op het platteland en/of in Halabja) in Noord-Irak, die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen uit (een deel van) die Koerdische bevolkingsgroep (op het platteland en/of in Halabja) zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel en/of geestelijk letsel hebben opgelopen ((onder meer) daarin bestaande dat die personen uit (een deel van) die Koerdische bevolkingsgroep (op het platteland en/of in Halabja) in e+en (blijvende) toestand van (hevige) angst zijn gebracht)

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen, op (één) (meer) tijdstip(pen) in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Den Helder en/of Zoetermeer en/of te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Bagdad en/of te Samara, althans in Irak en/of te Lugano, althans in Zwitserland en/of te Antwerpen, althans in België en/of te Milaan en/of te Triëst, althans in Italië en/of te Luxemburg-Stad, althans in Luxemburg en/of te Baltimore, althans in de Verenigde Staten van Amerika en/of te Tokio en/of Osaka, althans in Japan en/of te Singapore en/of te Akaba, althans in Jordanië opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) en/of fosforoxychloride (POCL3) en/of (andere) grondstoffen, bestemd voor de produktie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) te leveren aan (de Republiek van) Irak en/of materialen te leveren aan (de Republiek van) Irak ten behoeve van de opbouw van (een) fabriek(en) voor de vervaardiging van chemische strijdmiddelen (Al-Muthanna State Establishment) en/of adviezen te geven aan (de Republiek van) Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

(artikel 1 Uitvoeringswet Genocideverdrag juncto artikel 48 Sr)

en/of

1. subsidiair: indien en voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op of omstreeks 5 en/of 6 juni 1987 en/of augustus 1988 te Zewa en/of

op of omstreeks 16 maart 1988 te Halabja en/of

op of omstreeks 3 mei 1988 te Goktapa (Gukk Tapah) en/of

op of omstreeks 25 augustus 1988 te Birjinni (Bergin),

althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) uiting(en) is/zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van gif of giftige wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Geneve betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (“Vierde Geneefse Conventie, 1949) en/of het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949, (als leden van de regering (van de Republiek) van Irak) behorende tot één van de strijdende partijen in een staat van oorlog en/of in een (niet-internationaal en/of internationaal) gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Irak (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en/of (een deel van) de Koerdische bevolkingsgroep (stelselmatig) werd geterroriseerd ( ,terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Zewa en/of Halabja en/of Goktapa (Gukk Tapah) en/of Birjinni (Bergin), althans burgers van Noord-Irak, en/of de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen en/of het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen)

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen, op (één) (meer) tijdstip(pen) in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Den Helder en/of Zoetermeer en/of te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Bagdad en/of te Samara, althans in Irak en/of te Lugano, althans in Zwitserland en/of te Antwerpen, althans in België en/of te Milaan en/of te Triëst, althans in Italië en/of te Luxemburg-Stad, althans in Luxemburg en/of te Baltimore, althans in de Verenigde Staten van Amerika en/of te Tokio en/of Osaka, althans in Japan en/of te Singapore en/of te Akaba, althans in Jordanië opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) en/of fosforoxychloride (POCL3) en/of (andere) grondstoffen, bestemd voor de produktie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) te leveren aan (de Republiek van) Irak en/of materialen te leveren aan (de Republiek van) Irak ten behoeve van de opbouw van (een) fabriek(en) voor de vervaardiging van chemische strijdmiddelen (Al-Muthanna State Establishment) en/of adviezen te geven aan (de Republiek van) Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

(artikel 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht juncto artikel 48 Sr)

2.

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op of omstreeks 13 en/of 14 februari 1986 en/of 27 februari 1986 (ongeveer) 40 kilometer ten zuiden van Abadan, althans in de omgeving van Abadan, en/of

op of omstreeks 10 en/of 11 april 1987 te Khorramshahr en/of

op of omstreeks 16 en/of 21 april 1987, althans april 1987, te Alut en/of

op of omstreeks 28 juni 1987 te Sardasht en/of te Rash Harmeh (in de directe omgeving van Sardasht) en/of

op of omstreeks 22 juli 1988 te Zardeh en/of

op of omstreeks 2 augustus 1988 te Oshnaviyeh,

althans op (een) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 in Iran, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van gif of giftige wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Geneve betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (“Vierde Geneefse Conventie, 1949)

(als leden van de regering (van de Republiek) van Irak) behorende tot één van de strijdende partijen in een staat van oorlog en/of in een (internationaal) gewapend conflict meermalen

meermalen op plaatsen op het grondgebied van Iran (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) in te zetten tegen personen (militairen en/of burgers) die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen (militairen en/of burgers) zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen ( ,terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Khorramshahr en/of Alut en/of Sardasht en/of Rash Harmeh en/of Zardeh en/of Oshnaviyeh, althans burgers van Iran, en/of de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen (militairen en/of burgers) en/of het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen (militairen en/of burgers))

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging, althans alleen, op (één) (meer) tijdstip(pen) in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Den Helder en/of Zoetermeer en/of te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Bagdad en/of te Samara, althans in Irak en/of te Lugano, althans in Zwitserland en/of te Antwerpen, althans in België en/of te Milaan en/of te Triëst, althans in Italië en/of te Luxemburg-Stad, althans in Luxemburg en/of te Baltimore, althans in de Verenigde Staten van Amerika en/of te Tokio en/of Osaka, althans in Japan en/of te Singapore en/of te Akaba, althans in Jordanië opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft,

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) en/of fosforoxychloride (POCL3) en/of (andere) grondstoffen), bestemd voor de produktie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas(sen)) te leveren aan (de Republiek van) Irak en/of materialen te leveren aan (de Republiek van) Irak ten behoeve van de opbouw van (een) fabriek(en) voor de vervaardiging van chemische strijdmiddelen (Al-Muthanna State Establishment) en/of adviezen te geven aan (de Republiek van) Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

(artikel 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht juncto artikel 48 Sr)

gezien art 313 van het Wetboek van Strafvordering;

vordert, dat deze wijziging zal worden toegelaten.

gedaan ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te

’s-Gravenhage op 21 november 2005

de officier van Justitie,

mr. F. Teeven

3. Verweren inzake de geldigheid van de dagvaarding.

3.1. Ter terechtzitting heeft de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding nietig is wat betreft de in de feiten 1 en 2 weergegeven periode “althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak”, nu deze periode zo ruim is geredigeerd dat het de verdediging niet mogelijk is te begrijpen wat de steller van de telastlegging bedoelt, zodat zij zich tegen deze beschuldiging niet kan verdedigen en het recht als geformuleerd in artikel 6 lid 3 sub a Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

De rechtbank overweegt dat voornoemde periode tegen de achtergrond van het dossier dusdanig ruim is dat voor verdachte onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich dient te verdedigen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de telastlegging ten aanzien van de vorenvermelde periode in de feiten 1 en 2 niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) voldoet en zij zal de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

3.2. Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting aangevoerd dat de telastlegging bij feit 1 primair door het inlassen van de woorden “althans samenspannend” moeilijk te begrijpen en innerlijk tegenstrijdig is, omdat enerzijds het er op lijkt dat gedoeld wordt op het gepleegde grondfeit, tezamen en in vereniging gepleegd, en anderzijds in feit 1 primair het voorbereidingsdelict samenspanning wordt telastgelegd.

De rechtbank acht de telastlegging ten aanzien van de woorden “althans samenspannend” niet innerlijk tegenstrijdig, omdat zij van oordeel is dat deze woorden moeten worden begrepen als subsidiair bestanddeel van het bij feit 1 primair telastgelegde grondfeit, dat – kort gezegd – inhoudt het (meermalen) plegen van genocide door Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hassan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan All-Majid en/of (een) ander(e) (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en)), welk bestanddeel volgt op het “tezamen en in vereniging gepleegd met (een) ander(en)” ofwel het primaire bestanddeel medeplegen.

Dit verweer wordt daarom verworpen.

4. Verweer inzake de rechtsmacht van de rechtbank.

4.1. De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat vanwege het accessoire karakter van de medeplichtigheid tot genocide en oorlogsmisdrijven de rechtbank te ’s-Gravenhage geen rechtsmacht toekomt, indien rechtsmacht ten aanzien van het gronddelict ontbreekt.

De rechtbank verwerpt dit betoog, dat bij juistheid daarvan zou moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.

Medeplichtigheid aan een misdrijf, ook als dit betreft genocide of een oorlogsmisdrijf, is naar Nederlands recht een zelfstandig strafbaar feit met bijvoorbeeld een eigen plaats en tijd van het begaan daarvan. De telastgelegde misdrijven van medeplichtigheid zijn ten aanzien van de zich in Nederland bevindende verdachte die de Nederlandse nationaliteit bezit, ingevolge artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht strafbare feiten waarvoor hij in Nederland kan worden vervolgd, terwijl op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering en de speciale bevoegdheidsregeling in de Wet internationale misdrijven (Wim) niet slechts de Nederlandse rechter doch ook de Haagse rechtbank bevoegd is daarvan kennis te nemen. Dat het hier internationale misdrijven betreft maakt het bovenstaande niet anders.

Het betoog van de verdediging vindt voorts geen steun in het internationale recht. Zeker in het kader van internationale misdrijven, waarbij in de regel een zeer groot aantal organisaties en individuen betrokken is, is het onvermijdelijk dat berechting over verschillende jurisdicties is verdeeld. Een andere opvatting zou resulteren in de straffeloosheid van een aanzienlijk aantal verdachten. Dit verhoudt zich geenszins tot de volkenrechtelijke verplichting tot vervolging van internationale misdrijven. Gelet op de ernst van de misdrijven behoort bij deze verplichting geen onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende deelnemings-vormen.

4.2. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat in onderhavige zaak de rechtbank wordt gevraagd een beoordeling te geven over de strafbaarheid van een regering van een ander land en dat Irak het meest bevoegde land voor berechting van onderhavige feiten zou zijn. Uitoefening van rechtsmacht zou om die redenen volkenrechtelijk ontoelaatbaar zijn.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van dit verweer stelt de verdediging zich op het standpunt dat uitoefening van rechtsmacht in strijd zou zijn met de volkenrechtelijke regels ten aanzien van staatsimmuniteiten.

Dit verweer kan geen doel treffen, nu Nederland geen rechtsmacht uitoefent over natuurlijke personen of rechtspersonen die naar internationaal recht immuniteit van vervolging genieten. Weliswaar is het onvermijdelijk dat de rechtbank in deze zaak een oordeel geeft over de ten aanzien van de grondfeiten in de telastlegging als plegers genoemde personen, maar zulks is geen uitoefening van rechtsmacht, nu dit niet tot een veroordeling of het uitoefenen van dwangmiddelen tegen deze personen kan leiden.

Ten overvloede oordeelt de rechtbank in dit verband dat de ten aanzien van de grondfeiten in de telastlegging genoemde personen thans geen officiële functie bekleden en dat volkenrechtelijke immuniteiten zich derhalve niet verzetten tegen uitoefening van rechtsmacht over volkenrechtelijke misdrijven begaan tijdens uitoefening van hun functie, ongeacht de vraag of uitoefening van rechtsmacht om andere redenen onmogelijk en/of onwenselijk zou zijn.

Wat betreft het argument dat Irak het meest bevoegde land voor berechting zou zijn, oordeelt de rechtbank dat noch de grondfeiten noch de medeplichtigheid van verdachte daaraan naar geldend internationaal recht onder de exclusieve rechtsmacht van enige rechterlijke instantie vallen.

5. Verweren inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

5.1. Verjaring c.q. strijd met het vertrouwensbeginsel c.q. strijd met artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie in deze zaak niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, nu de door verdachte verrichte gedraging is verjaard aangezien in wezen de gedraging die verdachte heeft verricht een overtreding van de In- en uitvoerwet is ten aanzien waarvan op 5 oktober 2003 is besloten tot niet verdere vervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het is de keuze van de officier van justitie op welke wijze hij een feitencomplex telastlegt en de Wet op de economische delicten is niet te beschouwen als een lex specialis van de hier telastgelegde feiten. Het is dus ook niet in strijd met de goede procesorde om de feiten aldus telast te leggen.

5.2. Schending van het Zesde EVRM Protocol

Ter terechtzitting heeft de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie in deze zaak niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu dit verdachte, de in de telastlegging met naam en toenaam genoemde personen en anderen blootstelt aan de geenszins te verwaarlozen kans dat aan hen de doodstraf zal worden opgelegd en voltrokken, dan wel dat zij op buitengerechtelijke wijze de dood zullen vinden. Dit is in strijd met het Zesde EVRM Protocol aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe dat nog los van de vraag in hoeverre dit mensenrechtelijk verbod onder deze omstandigheden opgeld doet, de onafhankelijke en zelfstandige uitoefening van rechtsmacht niet kan worden beschouwd als bijdrage aan een buitenlandse rechtsgang waarin de mensenrechten geschonden zouden worden. Een andere conclusie verhoudt zich niet tot de autonome volkenrechtelijke verplichting van Nederland tot berechting van internationale misdrijven.

5.3. Schending van artikelen 2 en 3 EVRM

Ter terechtzitting heeft de verdediging betoogd dat er sprake is van schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM, nu voor verdachte het gevaar bestaat dat hij buiten de Europese Unie, ongeacht de wijze waarop deze zaak eindigt, het risico blijft lopen van strafvervolging in Irak, Iran of enige andere staat.

Immers - zo verstaat de rechtbank het verweer van de verdediging - de door het openbaar ministerie geleverde bewijsmiddelen dan wel de bewezenverklaring van de rechtbank in deze zaak kunnen dan in geval van strafvervolging in een andere staat tegen verdachte worden gebruikt.

De rechtbank verwerpt dit verweer, overwegende dat een mogelijke toekomstige schending

van het ‘ne bis in idem’ beginsel door een andere staat, aan een vervolging thans van verdachte in Nederland niet in de weg staat.

De verdediging heeft voorts betoogd dat dit gevaar ook bestaat ten aanzien van personen die niet in deze strafzaak terechtstaan.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, overwegende dat dit niet iets is dat verdachte aangaat maar een mogelijk verweer van die andere personen in die andere zaken.

5.4. Schending van equality of arms (artikel 6 lid 3b EVRM)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beginsel van equality of arms in deze strafzaak geschonden zou zijn als gevolg waarvan het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM met voeten zou zijn getreden.

In zijn algemeenheid overweegt de rechtbank ten aanzien van de ‘equality of arms’ als volgt.

Gelijkheid tussen aanklager en verdediging draagt een voornamelijk procedureel karakter en brengt met zich dat de verdediging zich niet in een onredelijk ongelijkwaardige positie dient te bevinden ten opzichte van de vervolgende autoriteiten. Equality of arms vindt ook bescherming in de internationale strafrechtspraak (ICTY, Tadic, zaak nr. IT-94-1-A, vonnis hoger beroep, 15 juli 1999, paragraaf 52). Net als in de Tadic zaak van het ICTY erkent de rechtbank de problemen waarmee de verdediging zich geconfronteerd ziet in strafzaken van een dergelijke complexiteit en internationale omvang. Hierbij dient wel in aanmerking te worden genomen dat het internationale strafproces van een geheel andere aard is dan het Nederlandse. Zo gaat het internationale strafproces, gelijk de common law rechtspraktijk, uit van bewijsgaring door procespartijen, overwegend dan wel uitsluitend ter ondersteuning van het eigen standpunt. De omstandigheid dat in het Nederlandse strafproces de procesdeelnemers wezenlijk andere posities ten opzichte van elkaar innemen en dat deze positionering tot bewijsgaring door de vervolgende en rechterlijke autoriteiten dient te leiden waarin ook het verdedigingsbelang voldoende waarborg vindt, heeft ontegenzeggelijk gevolgen voor inhoud en strekking van de equality of arms. Voor zover de verdediging van oordeel is dat de inzet van vervolgende en rechterlijke autoriteiten onvoldoende tegemoet komt aan de eigen onderzoekswensen biedt het Wetboek van Strafvordering voldoende mogelijkheden tot aanvullend onderzoek (vergelijk artikel 36a Sv.). Daarnaast heeft de rechtbank de bereidheid aan de dag gelegd om ook vanuit een praktische invalshoek zo veel mogelijk tegemoet te komen aan redelijke verzoeken van de kant van de verdediging, zoals toevoeging van meer dan één raadsman en het toekennen van een geldbedrag aan de raadslieden teneinde specialistisch advies in te winnen.

De verdediging heeft voorts ter terechtzitting aangevoerd dat het beginsel van equality of arms is geschonden, omdat zij niet in de mogelijkheid is geweest om op dezelfde wijze als het openbaar ministerie toegang te krijgen tot bepaalde bronnen en bronverzamelingen.

De verdediging heeft op de door het openbaar ministerie gemaakte selectie van documenten verkregen van Human Rights Watch en de Verenigde Naties geen invloed kunnen uitoefenen en daardoor niet kunnen nagaan of ontlastende bronnen buiten het dossier zijn gehouden.

De rechtbank verwerpt dit verweer, overwegende dat niet aannemelijk is geworden dat die documenten van belang zouden kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.

De verdediging heeft ten slotte ter terechtzitting betoogd dat het beginsel van equality of arms is geschonden, omdat de verdediging niet in de mogelijkheid is geweest zelf onderzoek te doen in het buitenland, waaronder de landen in het Midden Oosten, doordat de verdediging, die verdachte op toevoegingsbasis bijstaat, niet de financiële middelen heeft om dergelijk onderzoek te (laten) verrichten alsmede dat de verdediging eigen feitenonderzoek of onderzoek naar potentiële ontlastende getuigen niet heeft kunnen doen.

De rechtbank vermag niet in te zien dat de verdediging geen zelfstandig onderzoek heeft kunnen doen. De verdediging kan immers zelf reizen daartoe ondernemen en zij kan bijvoorbeeld de rechter-commissaris en de officier van justitie verzoeken een onderzoek in te stellen. De verdediging had eveneens de mogelijkheid zelf een deskundige in te schakelen. Bij het ontbreken van financiële middelen had de verdediging verzoeken kunnen doen tot het uitbetalen van voorschotten op grond van de Wet tarieven in strafzaken. Overigens is aan de verdediging ook een voorschot verstrekt teneinde zich van expertise te voorzien.

5.5. Schending van het recht op ondervraging van getuigen à charge en à décharge (artikel 6 lid 3d EVRM)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat het recht op het doen ondervragen van zowel getuigen à charge als getuigen à décharge verdachte toekomt. De verdediging heeft eveneens betoogd dat het recht op het doen ondervragen van getuigen ook kan zijn geschonden, indien de verdediging niet in de mogelijkheid is gesteld díe getuigen à charge, die eigenlijk à décharge hebben verklaard, op die onderdelen nader te ondervragen. Op die wijze is de verdediging de mogelijkheid onthouden om ontlastend bewijs, dan wel bewijs dat het standpunt van verdachte ondersteunt, te vergaren dan wel te verduidelijken en is het recht op een ‘fair trial’ geschonden. De verdediging stelt zich op standpunt dat een dergelijke situatie zich heeft voorgedaan ten aanzien van de getuigen X ,Y, [getuige 112] en overige getuigen (te weten [getuige 113], [getuige 114] en de medewerkers van de AIVD) waarbij de verdediging opmerkt dat de verklaringen van laatstgenoemde getuigen expliciet en uitgebreid zijn voorgehouden door de rechtbank.

De rechtbank verwerpt dit verweer ten aanzien van de getuigen X en Y, omdat de verklaringen als schriftelijk stuk deel uitmaken van het strafdossier. Voorts is tevergeefs getracht deze getuigen nader te (doen) horen.

Ten aanzien van getuige [getuige 112] verwerpt de rechtbank dit verweer reeds omdat deze verklaring niet als bewijsmiddel door de rechtbank wordt gebezigd. Betreffende de getuige [getuige 113] wordt het verweer verworpen, omdat deze ter terechtzitting als getuige is gehoord.

Dit verweer wordt ook ten aanzien van de overige getuigen verworpen, aangezien het horen van de getuigen niet mogelijk was of het verhoor van deze getuigen niet relevant was. Dat de verklaringen van getuigen ter zitting zijn voorgehouden houdt verband met de verplichting dat de korte inhoud van het dossier ter zitting wordt meegedeeld.

5.6. Schending van de onschuldpresumptie (artikel 6 lid 2 EVRM)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie, door het verstrekken van de in het requisitoir gebruikte multimediapresentatie aan de pers, verdachte doelbewust en in strijd met de onschuldpresumptie publiekelijk als dader in plaats van als verdachte heeft afgeschilderd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Niet valt in te zien waarom dit optreden van de officier van justitie zou moeten leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring. Hierbij genoemde presentatie maakt immers deel uit van het in het openbaar uitgesproken requisitoir, waarin de officier van justitie de vrijheid heeft op basis van een voltooid onderzoek te beargumenteren waarom hij bewezen acht dat verdachte het telastgelegde heeft begaan. Bovendien heeft de verdediging dezelfde faciliteiten gekregen ten aanzien van het pleidooi. Dat ondanks een verbod en gemaakte afspraken er toch een opname van het achterhoofd van de verdachte in een televisie-uitzending is getoond, valt te betreuren maar vervolgens zijn er door de rechtbank materiële voorzieningen getroffen teneinde herhaling te voorkomen.

5.7. Schending van het gelijkheidsbeginsel

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat het openbaar ministerie ten aanzien van een aantal concrete verdachten het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur en een redelijke en billijke belangenafweging geschonden heeft door tegen verdachte wel en tegen [getuige 92] en [getuige 36] geen vervolging in te stellen en [getuige 35] na aanhouding en verhoor heen te zenden in de wetenschap dat hij direct het land zou verlaten en dus niet meer voor de vervolging in persoon beschikbaar was.

De rechtbank stelt voorop dat dit betoog feitelijke grondslag mist, nu de officier van justitie ter terechtzitting van 21 november 2005 heeft verklaard dat de getuige [getuige 35] ook nog steeds verdachte is. Hierdoor is thans niet aannemelijk geworden dat [getuige 35] niet zal worden vervolgd. Een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel is dus op dit moment niet aanwezig. Voor zover wel sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat dit niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of strafvermindering. Immers, de grondslag van het betoog van de verdediging ligt in de volkenrechtelijke verplichting tot vervolging van internationale misdrijven. De rechtbank aanvaardt dat de werking van het opportuniteitsbeginsel beperking vindt in deze verplichting, maar benadrukt dat diezelfde verplichting ook beperkingen met zich brengt voor inhoud en strekking van de beginselen van behoorlijke procesorde, indien toepassing van deze beginselen feitelijk zou resulteren in de niet nakoming van de volkenrechtelijke verplichting tot berechting van internationale misdrijven.

Bovendien merkt de rechtbank op dat wegens hun verblijfplaats en nationaliteit [getuige 92] en [getuige 36] in Nederland niet vervolgbaar zijn terwijl zij slechts ter zitting op uitdrukkelijk verzoek van de verdediging konden worden verhoord na het verstrekken van een vrijgeleide door de officier van justitie.

De verdediging heeft ter terechtzitting voorts betoogd dat ook de verschillen in bejegening van verdachte en [bedrijf 1] en [bedrijf 2] alsmede buitenlandse bedrijven welke nog tot in 1987 goederen hebben geleverd die grondstoffen zijn voor mosterd- of zenuwgassen, dient te leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien de twee door de verdediging genoemde gevallen niet kunnen worden gezien als gelijksoortig aan de verwijten die thans aan verdachte gemaakt worden. Ten aanzien van de buitenlandse bedrijven ontbreekt het Nederland aan rechtsmacht om deze te vervolgen.

5.8. Schending van het ‘nemo tenetur’-beginsel

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat de overheid in strijd heeft gehandeld met het nemo tenetur-beginsel, welke bescherming vindt in het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, nu de contacten, mededelingen en adviezen van de AIVD onjuist en misleidend zijn geweest en verdachte ertoe hebben gebracht zichzelf bloot te stellen aan deze vervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe, dat door het openbaar ministerie geen uitspraak is gedaan omtrent de vervolgbaarheid. Nu de uitspraken van de verdachte in het interview dat 6 november 2003 werd uitgezonden bij het beoordelen van het bewijs niet hebben bijgedragen, behoeft het beroep op strijd met het nemo tenetur-beginsel geen bespreking. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een doelbewuste grove schending van de beginselen van een goede procesorde door de officier van justitie.

5.9. Vervolging in strijd met de goede rechtsbedeling

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat, niettegenstaande de wetenschap bij het openbaar ministerie dat de strafbare feiten waarmee verdachte en de door het openbaar ministerie als hoofddaders van de grondfeiten aangemerkte personen in verband worden gebracht in verschillende staten voorwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek, het openbaar ministerie heeft nagelaten in contact te treden met die landen om zo de strafvervolging te concentreren. Door zulks na te laten heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het beginsel van de goede rechtsbedeling.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Voor zover een goede rechtsbedeling al met zich zou brengen dat hoofddaders en andere deelnemers aan de telastgelegde feiten voor hetzelfde gerecht zouden moeten worden vervolgd, dient de stelling dat vervolging in strijd met de goede rechtsbedeling zou zijn reeds te worden verworpen, omdat nergens anders ter wereld de onderhavige feiten als internationale misdrijven worden vervolgd.

6. Toepasselijk recht.

6.1. In onderhavige strafzaak ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag naar de verhouding tussen volkenrechtelijke en nationaalrechtelijke toepasselijke voorschriften.

Ten aanzien van de verhouding tussen het internationale strafrecht en het eigen commune strafrecht bevat de wetsgeschiedenis van de Wim een aantal relevante overwegingen:

“De Nederlandse rechter dient zich dan ook voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof en de op de voet van artikel 9 van het Statuut van het Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven.“

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 5)

“Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook artikel 91 Sr.). Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op de regels betreffende het legaliteitsbeginsel, poging en voorbereiding, deelneming, samenloop, ne bis in idem, verjaring e.d. Het Statuut van het Internationaal Strafhof bevat ook regels over deze onderwerpen, grotendeels in deel 3 «Algemene beginselen van strafrecht».

Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht. Op onderdelen zijn ze echter anders geformuleerd en kunnen de criteria en grenzen iets anders liggen.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 25)

“Zoals hiervoor (...) aangegeven dient de Nederlandse rechter zich wel, voor de bepaling van de reikwijdte van de delictsomschrijvingen- en dus ook de invulling van de subjectieve bestanddelen-, te oriënteren op het internationale recht en de internationale jurisprudentie.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 27)

“Het uitgangspunt dat de algemene regels van het commune strafrecht van toepassing zijn, lijdt uitzondering daar waar het commune strafrecht bepaalde regels niet kent dan wel regels die duidelijk afwijken van hetgeen onder het Statuut van het Strafhof geldt.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 29)

6.2. De rechtbank trekt uit deze overwegingen de conclusie dat indien internationale regels aangaande strafrechtelijke aansprakelijkheid voor internationale misdrijven wezenlijk afwijken van het commune strafrecht eerstgenoemde regels dienen te prevaleren. In aanvulling op hetgeen de wetgever op dit punt overweegt beperkt de rechtbank zich daarbij niet tot de regels in het Statuut van het Internationaal Strafhof.

Immers, bepaalde keuzes in het Statuut van het Internationaal Strafhof vormen geen getrouwe codificatie van geldend internationaal recht, maar regarderen uitsluitend dan wel overwegend de rechtsmacht van het Strafhof. Voor vaststelling van de internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid is derhalve een veelomvattend onderzoek vereist, waarbij ook de jurisprudentie van diverse internationale straftribunalen dient te worden betrokken.

6.3. Een getrouwe toepassing van belangrijke regels van het internationaal strafrecht door de nationale strafrechter dient een tweeledig doel. In de eerste plaats dient voldaan te worden aan de volkenrechtelijke verplichtingen en verwachtingen wat betreft strafbaarstelling en vervolging van internationale misdrijven, hetgeen met zich brengt dat de aansprakelijkheid naar Nederlands recht niet tekort mag schieten ten opzichte van de aansprakelijkheid naar internationaal recht. Daarnaast dienen evenwel ook de grenzen van de aansprakelijkheid naar internationaal recht door de Nederlandse rechter te worden gerespecteerd. Beide elementen acht de rechtbank van belang.

Ten aanzien van het tweede element heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat verdragsrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling minimumverplichtingen bevatten en dat Nederland derhalve altijd verder mag gaan en de internationale grenzen van aansprakelijkheid mag overschrijden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent het openbaar ministerie hiermee de plaats van deze verdragen en misdrijven in een internationaal stelsel van strafrechtelijke normen. Door het aannemen van een verdergaande aansprakelijkheid in het nationale recht dan in het internationaal strafrecht gebruikelijk is kan in sommige gevallen naar nationaal recht een feit als volkenrechtelijk misdrijf aangemerkt worden, terwijl zulks door de internationale gemeenschap niet zo wordt beschouwd.

Een in dit verband zwaarwegende grond voor de rechtbank om aan de volkenrechtelijke grenzen van aansprakelijkheid voor internationale misdrijven voorrang te verlenen boven de nationale aansprakelijkheid heeft betrekking op de aan internationale misdrijven gekoppelde universele rechtsmacht.

Indien bij nationale berechting de volkenrechtelijk grenzen van aansprakelijkheid worden overschreden kan daarmee de volkenrechtelijke basis voor universele rechtsmacht komen te vervallen, nu deze laatste alleen toepassing kan vinden voor gedragingen die naar internationaal recht strafbare feiten opleveren.

Ten aanzien van dit punt heeft het openbaar ministerie betoogd dat in onderhavige zaak geen sprake is van in volkenrechtelijk opzicht excessieve rechtsmacht nu verdachte wordt vervolgd op basis van het actief nationaliteitsbeginsel. De aan deze redenering verbonden noodzakelijke consequentie, dat in het kader van berechting van in het buitenland gepleegde internationale misdrijven voor Nederlanders en buitenlanders verschillende maatstaven van aansprakelijkheid kunnen worden aangelegd, acht de rechtbank onaanvaardbaar, in ieder geval voor zover het het misdrijf genocide betreft.

6.4. Nu gedragingen van verdachte nadrukkelijk en uitsluitend worden vervolgd als volkenrechtelijke misdrijven neemt de rechtbank de volkenrechtelijke grenzen van aansprakelijkheid in beschouwing. Een belangrijke vraag die thans aan de orde komt is in hoeverre deze grenzen volkenrechtelijk gezien duidelijk zijn vast te stellen en als maatgevend gelden.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of zich een discrepantie voordoet tussen het internationaal recht en het nationaal recht voor wat betreft het vereiste opzet van de medeplichtige en de vereiste bijdrage van de medeplichtige aan het gronddelict. Voor wat betreft de bestanddelen van de delictsomschrijving ligt een dergelijke discrepantie minder voor de hand, aangezien het commune strafrecht in dit verband nauwelijks zelfstandige regels kent.

6.5. Wat betreft het voor medeplichtigheid vereiste opzet maakt de rechtbank een onderscheid tussen genocide en oorlogsmisdrijven.

6.5.1. Genocide onderscheidt zich van andere volkenrechtelijke misdrijven vanwege het specifieke oogmerk een bevolkingsgroep op bepaalde gronden geheel of gedeeltelijk uit te roeien. In hoeverre ook de medeplichtige dit opzet dient te hebben is een wezenlijke vraag die in de jurisprudentie van de internationale straftribunalen voor Joegoslavië (ICTY) en

Rwanda (ICTR) regelmatig aan de orde is geweest. Van belang is vast te stellen dat de vroege jurisprudentie aanzienlijke waarde hechtte aan dolus specialis voor zowel pleger als deelnemers, vanwege de bijzondere ernst en specifieke plaats van het misdrijf genocide. Uit de meest recente en gezaghebbende jurisprudentie van de beroepskamer van het ICTY en het ICTR volgt evenwel dat die benadering is verlaten zodat thans een veroordeling van de medeplichtige aan/tot genocide mogelijk is indien de verdachte wetenschap had (knew) van de genocidale opzet van de pleger (ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragraaf 144; ICTR, E. en G. Ntakirutimana, zaken nr. ICTR-96-10-A en ICTR-96-17-A, vonnis hoger beroep, 13 december 2004, paragrafen 500 en 501).

In tegenstelling tot het openbaar ministerie acht de rechtbank de jurisprudentie op dit punt voldoende uitgekristalliseerd, nu deze kwestie regelmatig aan de orde is gesteld en de beroepskamer van het ICTY en het ICTR hierin herhaaldelijk de stand van het recht heeft aangegeven en bevestigd. De rechtbank hecht er ook aan te benadrukken dat het vereiste van daadwerkelijke wetenschap rechtvaardiging vindt als grens voor aansprakelijkheid van de medeplichtige in de verhouding tot het bijzondere oogmerk van de pleger; daarnaast wijst de eerste jurisprudentie van de tribunalen eerder in de richting van een vereiste van verdergaand opzet dan vormen van voorwaardelijk opzet.

Tot slot vindt de door de internationale straftribunalen aangegeven begrenzing van de aansprakelijkheid van de medeplichtige aan/tot genocide haar grondslag in bevestiging van genocide als uniek delict (‘crime of crimes’), ter onderscheiding van andere volkenrechtelijke misdrijven zoals misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Het verleggen van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid doet ontegenzeggelijk afbreuk aan dit unieke karakter.

De rechtbank is van oordeel dat het vereiste van wetenschap voor de medeplichtige in relatie tot het grondfeit genocide een essentieel bestanddeel is van de internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid op dit punt en dat het Nederlands recht, dat lijkt te resulteren in ruimere aansprakelijkheid, in dit opzicht geen toepassing kan vinden.

6.5.2. Dit ligt anders voor de medeplichtigheid tot oorlogsmisdrijven. Voor oorlogsmisdrijven geldt geen bijzonder opzet voor de pleger. De voor de medeplichtige vereiste opzet is in het kader van de internationale strafrechtspraak niet wezenlijk anders dan Nederlands recht op dit punt. Voor zover wel verschillen zijn aan te geven liggen die naar het oordeel van de rechtbank binnen de “toegestane marge”, zoals verwoord door de wetgever in de MvT bij de Wim:

(...) het zou onpraktisch zijn en tot onnodige onzekerheid leiden indien de Nederlandse rechter voor de berechting van internationale misdrijven deelnemingsbepalingen en strafuitsluitingsgronden zou moeten toepassen die even iets anders luiden dan de bepalingen waarmee hij gewend is te werken.

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 29)

6.6. Ten aanzien van de vraag hoe groot het aandeel van de medeplichtige moet zijn met betrekking tot het grondfeit bestaat er naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen wezenlijk onderscheid tussen het internationaal en het nationaal recht.

Weliswaar lijkt de internationale strafrechtspraak uit te gaan van een enigszins verdergaande bijdrage (een substantiële bijdrage aan het gepleegde misdrijf; zie o.a. ICTY, Blaškic, zaak nr. IT-95-14-A, vonnis hoger beroep, 29 juli 2004, paragraaf 48; ICTY, Vašiljevic, zaak nr. IT-98-32-A, vonnis hoger beroep, 25 februari 2004, paragrafen 134 en 135) dan de Nederlandse rechtspraktijk (volvoering van het grondfeit door de dader gemakkelijker maken), maar de rechtbank oordeelt dat dit punt van meer feitelijke aard thans geen wezenlijk onderdeel uitmaakt van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar internationaal recht, zodat niet kan worden gesproken van volkenrechtelijke regels die duidelijk afwijken en de rechtbank derhalve uitgaat van toepassing van Nederlands recht.

7. Overwegingen met betrekking tot het bij feit 1 primair telastgelegde grondfeit van genocide.

7.1. De vaststelling of er sprake is geweest van genocide is niet alleen van belang voor de beantwoording van de vraag of het onder 1 primair telastgelegde feit bewezen is.

Deze vaststelling is ook van belang bij vrijspraak van het onder 1 primair telastgelegde, omdat, indien er sprake is geweest van genocide, tevens vast is komen te staan de in de bij feit 1 subsidiair telastgelegde grondfeiten telastgelegde omstandigheid dat deze grondfeiten zijn begaan "terwijl dat feit/die feiten (telkens) uiting(en) is/zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking."

7.2. Op basis van de Uitvoeringswet genocideverdrag en het geldend internationaal recht gaat de rechtbank er van uit dat het volgende cumulatief dient te worden bewezen ten aanzien van het grondfeit voordat men toekomt aan de vraag van verdachtes medeplichtigheid.

1. De in de telastlegging als plegers genoemde personen hebben opzettelijk een of meer van de handelingen in de zin van artikel 1 sub 1 tot 4 en met 5 Uitvoeringswet genocideverdrag gepleegd, en

2. die handelingen zijn door de in de telastlegging als plegers genoemde personen opzettelijk gepleegd tegen een etnische of nationale groep dan wel een gedeelte daarvan, en

3. die handelingen zijn door de in de telastlegging als plegers genoemde personen gepleegd met het oogmerk om die groep als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen.

Ad. 1

De rechtbank stelt vast dat de in de telastlegging vermelde gedragingen van de als plegers genoemde personen handelingen opleveren in de zin van artikel 1 sub 1 en 2 van de Uitvoeringswet genocideverdrag, te weten het doden van leden van de groep en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan leden van de groep.

Ad. 2

Alleen dan is er sprake van genocide indien de feitelijke handelingen en het oogmerk van gehele of gedeeltelijke vernietiging zich richten tegen een specifieke beschermde groep.

De vraag is in hoeverre de in de telastlegging genoemde Koerdische bevolkingsgroep (op het platteland en in Halabja) in Noord Irak kan worden beschouwd als een etnische dan wel nationale groep in de zin van de Uitvoeringswet genocideverdrag en het Genocideverdrag. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak een nationale groep is in de zin van de Uitvoeringswet en het Verdrag.

Ten aanzien van de kwalificatie etnische groep in de zin van het Genocideverdrag gaat de rechtbank uit van de volgende alternatieve eisen:

- leden van de groep delen een gemeenschappelijke taal en cultuur, of

- leden van de groep beschouwen de eigen groep als een etnische groep, of

- anderen, waaronder de pleger(s) van genocide, beschouwen de groep als etnische groep.

(ICTR, Kayishema en Ruzindana, zaak nr. ICTR-95-1-T, vonnis eerste aanleg, 21 mei 1999, paragraaf 98)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de Koerdische bevolkingsgroep voor wat betreft haar etniciteit in de zin van het Genocideverdrag voldoet aan alle bovenvermelde criteria. Voor dit oordeel heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de volgende bewijsmiddelen.

a. een geschrift, te weten een Iraaks overheidsdocument, opgenomen in een geschrift, Rapportage over de mensenrechtensituatie in Irak van 25 februari 1994, ingediend door de heer Max van der Stoel, Speciale Rapporteur van de Mensenrechtencommissie, ingevolge commissieresolutie 1993/74 (VN Doc. E/CN.4/1994/58, H 74 - pagina 83):

In de naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle

Directoraat van de veiligheid, Gouvernoraat Dohuk/ Politieke Afdeling

Kenmerk: 2241

Datum: 10 februari 1987

Aan: Directoraat van de Openbare Veiligheid / 45 Sectie M

Onderwerp: Informatie

Met betrekking tot uw brief Nr. 1188 gedateerd 15 januari 1987, na een nauwkeurig geheim onderzoek betreffende de persoon die genoemd is in uw bovenvermelde brief, zijn wij het volgende te weten gekomen:

1. Volledige naam: […………]

2. Voormalig adres: […………]

3. Huidig adres: […………], verboden terrein om veiligheidsredenen.

4. Geboortedatum

en plaats: 1978

5. Beroep: Kind

6. Academische

prestaties analfabeet

7. Politieke oriëntatie: Onafhankelijk

8. Etniciteit: Koerdische

9. Godsdienst Moslim

10. Naam moeder [………….]

11. Elementen die

zij ontmoet: Vluchtelingen en subversieve elementen

12. Verdere informatie: 1. Op 13 maart 1982, vluchtte zij samen met haar vader [………………………………]en sloot zich aan bij de gelederen van de subversieven, de kliek van de "afstammelingen van verraad".

2. Overeenkomstig de Openbare veiligheidsbrief

Nr. M 64 Q 2/64735 van 12 december 1982 is besloten haar roerende en onroerende in beslag te nemen.

3. Naar onze mening, zou er een arrestatiebevel voor haar uitgevaardigd moeten worden.

Te uwer informatie. Met vriendelijke groet.

(ondertekend)

Directeur van de Veiligheidsdienst, Gouvernoraat Dohuk

9 februari

b. de ter terechtzitting van 30 november 2005 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 95] die - onder meer - inhoudt:

De doelstelling van de Koerden was het krijgen van erkenning van de etnische nationale rechten, de erkenning van de taal en cultuur. De Koerden wilden als eersterangs burgers deelnemen aan het besluitvormingsproces. De Koerden onderscheidden zich als etnische groep van de andere Irakese bevolking door hun andere normen en waarden, het landschap is anders, de kledingdracht is anders, de eetgewoonten zijn anders. Je bent Koerd als je jezelf zo ziet. Naar mijn mening is een Koerd iemand uit Koerdische ouders, die de Koerdische taal, de eisen van het Koerdische volk, het Koerdische grondgebied en de Koerdische normen en waarden als zijn eigen beschouwt.

(…)

U houdt mij voor dat ik in mijn verklaring van 23 augustus 2005 spreek over identiteitskaarten die de Koerden kregen van de Irakese autoriteiten en u vraagt mij welke criteria er werden gebruikt bij het opnemen van deze gegevens.

Ik antwoord u als iemand Koerdische ouders heeft en deze persoon zichzelf beschouwt als Koerd.

c. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor.

Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – zakelijk weergegeven - de op 30 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 115] (RC - dossier – pagina 1797):

Mijn etnische achtergrond is Koerdisch.

Zie voorts in gelijke zin de bewijsmiddelen:

c.1 het getuigenverhoor van [getuige 116] (7.3. onder k.).

c.2 een geschrift, zijnde een verklaring van [getuige 117] d.d. 29 november 2002, inhoudende, zakelijk weergegeven (H90a – pagina 113):

Ik ben Irakees staatsburger en behoor tot het Koerdische volk.

c.3 een geschrift, zijnde een verklaring van [getuige 118] d.d. 20 november 2002, inhoudende, zakelijk weergegeven (H90a – pagina 134):

Ik ben Irakees en behoor tot de Koerdische bevolkingsgroep.

c.4 het getuigenverhoor van [getuige 102] (12.66).

c.5 een proces-verbaal van verhoor van getuige op 21 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 21 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 14] (G14.I – pagina 893 tot en met 899):

Ik ben Koerd. Ik ben in 1976 in dienst gegaan in het Iraakse leger.

c.6 een getuigenverhoor van [getuige 5] (zie hierna onder e.)

c.7 een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 16], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 9] in de zaak tegen [verdachte], op 14 juni 2005, 15 juni 2005 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 15 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 10] (G10.I – pagina 786 tot en met 789):

Ik ben een Koerd die werkte in het Iraakse leger op de afdeling bevoorrading en transport.

c.8 een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 16], [getuige 8], [getuige10] en [getuige 9] in de zaak tegen [verdachte], op 14 juni 2005, 15 juni 2005 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 14 en 16 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 9] (G9.I – pagina 776 tot en met 781):

Ik ben een Koerd die commandant van de medische dienst in het Iraakse leger was.

Ad. 3

Het onderscheidende element van genocide betreft het bijzondere oogmerk een beschermde groep als zodanig geheel of gedeeltelijk uit te roeien. Zonder direct bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van een bekentenis, kan dit bijzonder oogmerk bij de pleger(s) worden afgeleid uit een aantal omstandigheden. Op basis van de internationale strafrechtspraak spelen ter vaststelling van het genocidale oogmerk de volgende factoren een belangrijke rol:

- het algemene kader waarin de feiten zich hebben voorgedaan;

- de omstandigheid dat de beschermde groep systematisch het slachtoffer is geworden van andere onrechtmatige handelingen;

- de schaal waarop de misdrijven zijn gepleegd;

- systematisch treffen van slachtoffers vanwege hun lidmaatschap van een bepaalde groep;

- de herhaling van vernietigende en discriminatoire handelingen;

- het aantal slachtoffers;

- de wijze waarop de misdrijven zijn gepleegd;

- het gebied waarin de dader actief was;

- de dader’s evidente opzet zijn slachtoffers van het leven te beroven;

- de ernst van de gepleegde genocidale handelingen;

- de frequentie van de genocidale handelingen in een bepaald gebied;

- het algemene politieke kader waarin de misdrijven zijn gepleegd;

- uitlatingen gedaan door pleger ten aanzien van de positie en/of het lot van de beschermde groep.

(ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-A, vonnis hoger beroep, 5 juli 2001, paragraaf 47; ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-T, vonnis eerste aanleg, 14 december 1999, paragrafen 73 – 77; ICTY, Karadžic en Mladic, zaken nr. IT-95-5-R61 en IT-95-18-R61, beslissing in de zin van Regel 61, 11 juli 1996, paragrafen 92, 94 en 95; ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 12 – 14 en 21; ICTY, Miloševic, zaak nr. IT-02-52-T, beslissing in de zin van Regel 98bis, 16 juni 2004, paragrafen 246 – 248; ICTR, Kayishema en Ruzindana, zaak nr. ICTR-95-1-T, vonnis eerste aanleg, 21 mei 1999, paragraaf 93; ICTR, Kajelijeli, zaak nr. ICTR-98-44A-T, vonnis eerste aanleg, 1 december 2003, paragraaf 806; ICTY, Nikolic, zaak nr. IT-94-2-R61, beslissing in de zin van Regel 61, 20 oktober 1995, paragraaf 34; ICTR, Akayesu, zaak nr. ICTR-96-4-T, vonnis eerste aanleg, 2 september 1998, paragraaf 523; ICTR, Simba, zaak nr. ICTR-01-76-T, vonnis eerste aanleg, 13 december 2005, paragraaf 413)

Voor de bewezenverklaring van het genocidale oogmerk maakt de rechtbank een onderscheid tussen systematische onderdrukking en discriminatie van de Koerdische bevolkingsgroep en de immer intensiverende geweldscampagne van de Iraakse overheid tegen de Koerden in het Noorden van Irak die op enig moment naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan worden opgevat dan als bewijs voor een genocidaal oogmerk.

Voor het algemene beeld van onderdrukking en discriminatie van de Koerdische bevolkingsgroep in Irak, welke als algemeen kader een rol speelt ter vaststelling van later genocidaal opzet, maakt de rechtbank gebruik van de volgende bewijsmiddelen.

a. een geschrift, te weten de Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak van 19 februari 1993, opgesteld door Mr. Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, overeenkomstig met de commissies resolutie 1992/71 (VN Doc. E/CN.4/1993/45, H75 - pagina 25 tot en met 27):

Een geschiedenis van onderdrukking

85. Er zijn vele meldingen dat de Koerdische minderheid sinds ten minste het begin van deze eeuw erg onderdrukt is door verschillende nationale besturen. Onder de huidige Regering van Irak, dat wil zeggen het bestuur van de Arabische Baath Partij die aan de macht is gekomen in 1968 is de onderdrukking doorgegaan en zelfs geëscaleerd, ondanks de introductie van lovenswaardige wetgeving die autonomie aankondigde voor de Koerden. Vooral de periode van Presidentschap van Saddam Hussein (juli 1979 tot heden) in heeft bijzonder ernstige onderdrukking met zich meegebracht, wat zijn hoogtepunt bereikte in de gewelddadigheden die de Speciaal Rapporteur eerder heeft beschreven als “genocidaal” van aard (E.CN.4/1992/31, paragrafen 97 tot en met 103).

86. In de jaren ’70 resulteerde in de arabisering van het betwiste Kirkuk en het tot stand brengen van een niemandsland langs de grens met Iran en Turkije, in de gedwongen verhuizing van tienduizenden Koerden in de zogenaamde “collectieve dorpen”; deze dorpen lagen vaak in onvruchtbare gebieden die gemakkelijk toegankelijk waren voor Iraakse troepen. Er kwamen berichten dat slechts enkele Koerden een minimale compensatie kregen voor het verlies van hun huizen en landbouwgronden en dat het hen verboden werd terug te keren naar hun dorpen, die veelal vernietigd waren. Onder de verplaatste Koerden waren leden van de Barzani-clan, die naar verluidt intern waren verplaatst naar woestijnkampen in zuidelijk Irak zonder enige compensatie voor hun vernietigde eigendommen. Een paar jaar later, in 1980, zouden deze Barzanis nogmaals verplaatst zijn van het zuiden naar Qustapha-, en Diyana-kampen nabij Arbil in het noorden. Hun verplaatsing is -naar men zegt- uitgevoerd door de Regering van Irak uit wraak voor het bondgenootschap van de Koerdische partizanen van Massoud Barzani met Iraanse troepen in het begin van de Iran-Irak oorlog in september 1980. Na de Iraanse bezetting van Hajj Omran in juli 1983 in noord Irak, zouden 8.000 Koerdische Barzani-clanleden (waaronder meer dan 300 kinderen) uit de Qustapha-, en Diyana-kampen gehaald zijn en in Iraakse gevangenschap verdwenen zijn. (A/46/647, paragrafen 16 en 55, in samenhang met de latere opmerkingen van de Speciaal Rapporteur in paragrafen 66 en 67). In dit verband wijst de Speciaal Rapporteur op de merkwaardige verwijzing naar de “Barzani groep” in Document 3 van Bijlage I, die lijkt te impliceren dat de Regering van Irak deze personen nog steeds in hechtenis hield. Geen van hen lijkt echter voor te komen op de lijst van 523 namen op de 37 executiebevelen die een onderdeel vormen als bijlagen van het hierboven genoemde document.

87. Klaarblijkelijk om te voorkomen dat de partizanen zich in de bergen en dorpen van Iraaks Koerdistan konden verstoppen werd in het midden van de jaren ’80 een toenemend aantal dorpen vernietigd. Opnieuw werden vele Koerden gedwongen verplaatst naar “gefuseerde dorpen” en overheidscomplexen. Het aantal verplaatste Koerden in deze tweede golf van dorpsvernietigingen wordt geschat op 500.000. Het proces van evacuatie en hechtenis van “subversieve elementen” en hun “familieleden” lijkt te worden bevestigd door de tekst van Document 6 van Bijlage I die door de Director-General is uitgevaardigd. De Speciaal Rapporteur is in het bezit van andere, gelijksoortige documenten.

88. In het begin van 1987, toen de Koerdische partizanen naar verluidt een groot deel van noordelijk Irak in handen hadden, verenigden de troepen van de Koerdische leiders Massoud Barzani en Jalal Talabani zich kennelijk om het Iraakse leger te bevechten. Volgens verschillende waarnemers die op de hoogte waren van deze situatie was dat wellicht het moment dat de Iraakse regering besloot dat in feite alle Koerden potentiële vijanden waren van de staat. Deze veronderstelling werd versterkt door de verwijzing in de eerste zin van de bijlage in Document 8 van Bijlage I, gedateerd 7 juni 1987, die instructies beschrijft “gericht op de beëindiging van de lange lijn van verraders van de Barzani en Talabani clans en de Communistische partij, die zich hebben aangesloten bij de Iraanse invasievijand.” Hier kwamen alle Koerden in gevaar door wat een niet-gerechtelijk gecontroleerd beleid leek te zijn dat gericht was tegen vagelijk omschreven “subversieve elementen”, “saboteurs”, “Irans agenten”, “verraders”, Barzani groep”, “Talabani groep”, samen met “deserteurs” en “ontduikers”. Blijkbaar werd toen de bij de plaatselijke bevolking beruchte en door de overheid aangeduid als “Anfal Operatie” leven ingeblazen.

b. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor.

Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 28 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 119] (RC-dossier – pagina 1487):

Ik zou zeggen dat het regime zich bezig hield met een ernstige profilering van de Koerdische bevolking in Noord-Irak. Ik bedoel daarmee dat als je een Koerd bent in Irak, dan was je verdacht, er is bewezen dat je bent … dat de verdenking niet nodig is om daar te zijn.

c. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor.

Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - de op 29 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 41] (RC-dossier - pagina 1637):

Ik ben in 1977 afgestudeerd. U houdt mij voor dat in de politieverklaring staat dat ik zei dat dat een moeilijke periode was. De Koerden werden altijd vervolgd door het regime van Saddam Hussein en ik was een student die in Bagdad werkte en studeerde. In 1974 brak de oorlog uit tussen de Koerden en de Iraakse regering. Degenen die na mij naar de universiteit kwamen, moeten Baathist zijn, willen zij toegelaten worden tot die universiteit. Het was daarom moeilijk om als niet-Baathist en als Koerd tussen Baathisten te leven. Ik mocht mijn studie voortzetten. Ik moest zeer voorzichtig zijn en geen aandacht trekken.

d. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale recherche, proces-verbaal nummer: 200518040808, d.d. 18 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 41] (G41 – pagina 535):

U vraagt mij hoe de situatie was in Irak in relatie tot de Koerden. De Koerden werden door Saddam behandeld als tweederangs burgers. Op vele manieren werden wij achtergesteld. (…) Er waren executies van Koerden zonder redenen.

e. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 26 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - de op 26 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 5] (G5.I pagina 887 tot en met 890 en RC-dossier - pagina 218 tot en met 221):

Koerden hadden in het leger minder promotiekansen. In het leger werd je na verloop van tijd automatisch majoor. Koerden die kolonel werden, werden met pensioen gestuurd of werden van gevoelige posities geweerd. Ook bij de Baath-partij had een Koerd minder promotiekansen.

f. een proces-verbaal van verhoor van getuigen op 14, 15 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven- de op 14 en 16 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 9] (G9.I. – pagina 776 tot met 785 en RC-dossier – pagina 128):

Ik werd in het Iraakse leger als Koerd achtergesteld ten opzichte van niet-Koerden. Ik was cum laude afgestudeerd, maar mocht geen vervolgopleiding volgen in het buitenland, niet-Koerden met minder goede studieresultaten mochten dat wel.

7.3. Ten aanzien van de intensiverende en verdergaande gewelds- en onderdrukkingscampagne, waaronder de Arabisering van het woongebied van de Koerden, grootschalige verdwijningen, arbitraire executies, de aanvallen op en vernietiging van Koerdische dorpen, en de inzet van chemische wapens, welke campagne haar hoogtepunt in de Anfal operatie vond, gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen.

a. een geschrift, te weten de Rapportage over de mensenrechtensituatie in Irak, ingediend door de heer Max van der Stoel van 25 februari 1994, Speciale Rapporteur van de Mensenrechtencommissie, ingevolge commissieresolutie 1993/74 (VN Doc. E/CN.4/1994/58, H74 – pagina 36 tot en met 43):

De Anfal campagne

109. In de context van de huidige situatie van de Koerdische bevolking van Irak, gelooft de Speciale Rapporteur dat de gebeurtenissen van de Anfal campagne verdere beschouwing vereisen: omdat (a) honderd duizenden personen nog steeds lijden onder de aanhoudende schendingen van verdwijning, vernietiging van bezit, etc; (b) er lijken beduidende overeenkomsten te zijn tussen de gebeurtenissen van de Anfal campagne tegen de Koerden en de berichten van de huidige gebeurtenissen in de zuidelijke moeraslanden van het land; en (c) dezelfde regering is nog steeds aan de macht en voert beleid dat nu een effect heeft en aanleiding geeft tot zorgen over beleid dat de Koerdische bevolking in de toekomst kan treffen. Daarnaast is er een ongekend grote hoeveelheid aan bewijsmateriaal dat ter beschikking staat van de Speciale Rapporteur, die bestaat uit ongeveer 18 metrische ton aan officiële Iraakse documenten, getuigenverklaringen, analytische rapporten, forensische en andere wetenschappelijke rapporten, etc, die evenzeer bestudering vergen in het belang van het vaststellen van feiten en verantwoordelijkheden voor schendingen van de mensenrechten die naar verluidt tegen de Koerdische bevolking zijn gepleegd. Bovendien, aangezien de gebeurtenissen van de Anfal campagne vrijwel geen Iraakse Koerd onberoerd heeft gelaten, neemt de Speciale Rapporteur notitie van het argument aan hem aangegeven door Koerdische leiders dat echte nationale verzoening moeilijk zal zijn zolang de problemen en het effect van de Anfal campagne onopgelost blijven.

110. De beschuldigingen van de genocidenpraktijken die samen de Anfal campagne vormden zijn door de Speciale Rapporteur beschreven in zijn eerdere rapporten aan de Mensenrechtencommissie (E/CN.4/1992/31 paragrafen 97 tot en met 103, en E/CN.4/1993/45, paragrafen 89 tot en met 99). De voortdurende bestudering van bewijs-materiaal laat nu een nadere studie toe van de campagne: de Speciale Rapporteur heeft met name aandacht besteed aan het werk dat gedaan is door de internationale niet-gouvernementele organisatie Middle East Watch die nu ongeveer 40 procent bestudeerd heeft van de meer dan 4 miljoen officiële Iraakse documenten die meegenomen zijn uit kantoren van de regering (voornamelijk kantoren van de veiligheidsdienst) door Koerdische troepen in noord Irak na de opstanden van maart 1991. De Speciale Rapporteur heeft dit materiaal in detail beschreven in zijn laatste rapport aan de Commissie (E.CN.4/1993/45, paragrafen 89 tot en met 90).

111. Hoewel conflicten tussen de Koerdische bevolking, of delen daarvan, en de centrale overheid van Irak een lange geschiedenis kennen, moet de Anfal campagne gezien worden in de specifieke context van de gebeurtenissen tussen 1985 en heden zoals hieronder uitgewerkt. Echter, terwijl het algemene beleid tegen Koerdische groeperingen lijkt te dateren vanaf 1985, de specifieke verrichtingen die de Anfal campagne vormden, kunnen preciezer afgebakend worden als plaats gehad hebbend tussen 23 februari 1988 en 6 september 1988. Volgens officiële Iraakse documenten die ingezien zijn door de Speciale Rapporteur en in overeenkomst met de analyse die is uitgevoerd door Middle East Watch, stelt de Speciale Rapporteur vast dat de Anfal campagne lijkt te hebben bestaan uit acht verschillende operaties: Tabellen 1 tot en met 3 van Bijlage II geven een samenvatting van de essentiële kenmerken van iedere operatie, het gebruik van chemische wapens waarvan men weet, en de belangrijkste gevolgen van de operaties voor de burgerbevolking respectievelijk. De kaart die bij Bijlage II is gevoegd laat ook de geografische locatie zien van de verschillende operaties. De acht Anfal operaties worden beschreven, gelezen samen met de tabellen en kaart, in de paragrafen hieronder volgens informatie die verkregen is uit de documenten en bevestigd door getuigenverklaringen en wetenschappelijke bestudering van fysiek bewijs.

112. De eerste operatie van de Anfal campagne blijkt te zijn begonnen op 23 februari 1988 met een serie chemische en conventionele aanvallen door zowel de luchtmacht als grondstrijdkrachten op de bolwerken van de Patriottistische Unie van Koerdistan (PUK) peshmerga (strijders) in de Jafati valei in het Gouvernoraat Suleimaniyeh. Bijzonder felle aanvallen waren gericht tegen de dorpen Sergalu, Bergalu en Yakhsamar waar belangrijke hoofdkwartieren van de PUK waren gevestigd. De grootste chemische aanval werd gelanceerd op 16 maart 1988 tegen de Koerdische stad Halabja waarbij 3200 tot 5000 van haar inwoners gedood werden. Na bijna acht jaar oorlog met Iran vormden deze massamoorden onderdeel van de duidelijk vaste praktijk van de regering van willekeurige aanvallen op civiele doelwitten. Tijdens de eerste Anfal operatie, bleek dat heel weinig burgers gevangen zijn genomen of uitgezet door regeringsstrijdkrachten; de meeste waren in staat om naar Iran te vluchten. Gebaseerd op een evaluatie die gedaan is van de operaties en opgaven die gemaakt zijn in de documenten met betrekking op deze periode, was het hoofddoel van de Eerste Anfal blijkbaar het elimineren van de PUK bolwerken en de vernietiging van burgernederzettingen in de Jafati valei. Dit doel werd bereikt op 19 maart 1988 met het verslaan van de laatste peshmerga basis in het dorp Bergalu; de meeste van de overgebleven peshmerga eenheden van de PUK vluchtten de grens over naar Iran.

113. De tweede fase van de Anfal campagne lijkt te zijn begonnen op 22 maart 1988 toen strijdkrachten van de regering een chemische aanval uitvoerden op het dorp Sayw Senan in het Qara Dagh district van het Gouvernoraat Suleimaniyeh. Schattingen van het aantal gedode burgers bij deze aanval variëren tussen de 70 en 90. Dit offensief werd gevolgd door gelijksoortige chemische aanvallen op de nabijgelegen dorpen Dukan en Balakajar, Masoyi en Ja'faran gedurende de daarop volgende dagen. Volgens het kenmerkende patroon van Anfal operaties verdwenen, naar verluidt, ettelijke honderden jonge mannen uit de dorpen van Qara Dagh na hun arrestatie en detentie op de basis van de noodtroepen van Suleimaniyeh. De chemische aanvallen resulteerden ook in een massale vlucht van burgers: de meerderheid vluchtte naar het noorden en vonden tijdelijke veiligheid in de woonwijken in de buurt van Suleimaniyeh, terwijl degenen die naar het zuiden gingen en naar zuid Germian trokken in de richting van Kalar, gevangen genomen werden door de oprukkende troepen van de regering. Een groot aantal van deze families is daarna verdwenen, terwijl anderen naar het kamp van Dibs gebracht werden of naar de gevangenis van Nugrat Salman vervoerd werden. Vanuit het perspectief van een militaire operatie, werd de tweede Anfal heel gemakkelijk volbracht aangezien een groot deel van de peshmerga-eenheden naar Iran gevlucht was na hun nederlaag bij Sergalu-Bergalu. De tweede Anfal operatie lijkt te zijn voltooid rond 1 april 1988.

114. De derde Anfal was geconcentreerd op de vlakte van Germian. Op 7 april 1988 begonnen de regeringtroepen een massaal offensief waarbij aanvallen van de infanterie werden ondersteund door artillerie, gepantserde eenheden en de luchtmacht. De troepen lijken te zijn opgerukt in een soort tangbeweging waarbij ze van verschillende punten rond de vlakte van Germian naar elkaar toe trokken. Aangezien er slechts een paar peshmerga-eenheden aanwezig waren in het gebied, rapporteren de strijdkrachten van de regering dat ze vrijwel geen verzet tegen zijn gekomen. In deze fase van de campagne lijken de regeringsstrijdkrachten vooral conventionele middelen te hebben gebruikt: chemische wapens lijken alleen voor enkele doelwitten gebruikt te zijn, zoals het kleine dorpje Tazashar waar de peshmerga erin slaagde om enig verzet te bieden. Er wordt verslag van gedaan dat vluchtende dorpsbewoners in bepaalde banen werden geleid naar specifieke verzamelpunten waarna zij naar gevangeniskampen werden gestuurd in Dibs, Nurgat Salman en Topzawa. Net als in alle fasen van de Anfal campagne verdwenen de gevangengenomen volwassen mannen en masse. Verslagen duiden er echter op dat een groot aantal vrouwen en kinderen ook verdwenen in de loop van de Derde Anfal, vooral in bepaalde specifieke gebieden zoals de zuidelijke delen van de Daoudi en Jaff-Roghzayi gebieden: sommige schattingen ramen het aantal verdwenen personen op ongeveer 10.000 in dit beperkte gebied alleen. Volgens een aantal bevestigende ooggetuigenverslagen waar Middle East Watch verslag van doet, werden duizenden mannen, vrouwen kinderen en ouderen en masse vervoerd vanuit de bovengenoemde kampen naar executie plaatsen bij Hadar, Ramadi en Samawah in noord, midden en zuid Irak respectievelijk. Tegen 20 april 1988 wordt vermeld dat de laatste verzetskernen van de peshmerga samen met alle burgernederzettingen zijn weggevaagd in het gebied van de Derde Anfal.

115. Het vierde stadium van de Anfal campagne lijkt te zijn begonnen op 3 mei 1988 met een zware chemische aanval door de Iraakse luchtmacht op de dorpen Askar en Goktapa in de valei van de Lesser Zab rivier. Volgens ooggetuigenverslagen waarvan Middle East Watch bericht, zijn honderden burgers gedood als gevolg van dit offensief bovendien zijn veel van de overlevenden gevangen genomen door de oprukkende regeringstroepen; ongeveer vijftig families uit het dorp Askar werden naar verluidt gearresteerd en naar het Suseh complex gebracht. Zoals tijdens het vorige stadium van de campagne vielen de strijdkrachten van de regering de dorpen in het gebied van de Vierde Anfal van verschillende kanten aan. Na de militaire bezetting van de dorpen werden de gebouwen gesloopt en de dorpsbewoners volgens de berichten bij elkaar gedreven en met vrachtwagens naar kampen vervoerd zoals die bij Topzawa, Dibs en Nugrat Salman. De volwassen mannen, samen met een groot aantal van de vrouwen kinderen en ouderen verdwenen hierbij. Specifiek zijn er wel 1.600 mensen verdwenen volgens de berichten uit de dorpen Bogrid, Kanibi, Kleisa, Qizlou, Gomashin en Kani Hanjir alleen al. Men gelooft dat veel van hen later gedood zijn bij massa executies. Tegen 8 mei 1988 waren alle dorpen in het gebied met de grond gelijk gemaakt en hun inwoners gevangen genomen, opgesloten of verdwenen.

116. De vijfde, zesde en zevende stadia van de Anfal campagne blijken te hebben geduurd van 15 mei tot 28 augustus 1988 en gericht te zijn geweest op de dorpen in de Shaqlawa en Rawanduz valleien ten noorden van het Dukan meer. In dit gebied hadden de overgebleven peshmerga eenheden zich verzameld in een poging om verzet te bieden aan de oprukkende strijdkrachten van de regering. Op 15 mei 1988 viel de Iraakse luchtmacht het dorp Wara aan met chemische wapens waarbij veel burgers omkwamen.

Meer chemische aanvallen volgden op 23 mei 1988 toen de dorpen van de Balisan, Seran, Hiran en Smaquli valleien gebombardeerd werden. Aangezien de meeste dorpen al verlaten waren als gevolg van de acties die tegen hen ondernomen waren in 1987 vielen er relatief weinig slachtoffers in mei 1988. De overgebleven families werden echter volgens het vaste patroon behandeld: de mannen werden gevangen genomen en verdwenen, de vrouwen en kinderen werden per vrachtwagen afgevoerd naar verzamelcentra waarbij sommige verdwenen. Enkele maanden bleven zware gevechten aanhouden voor de strijdkrachten van de regering er eindelijk in slaagden de PUK te verslaan; de resterende peshmerga vluchtten de grens over naar Iran.

117. De achtste Anfal operatie, waarnaar ook verwezen wordt in officiële Iraakse documenten als de" Laatste Anfal", lijkt te zijn uitgevoerd tussen 25 augustus en 6 september 1988 in het Badinan gebied in noord Irak d.w.z. na het einde van de oorlog tussen Iran en Irak en ver verwijderd van de oorlogszone, maar het was het bolwerk van de peshmerga krijgsmacht van de Koerdistaanse Democratische Partij. Op 25 augustus 1988 werden chemische aanvallen uitgevoerd op Birjinni, Tuka en verschillende andere dorpen. Na deze zware bombardementen vluchtten de dorpelingen uit hun huizen naar de omringende bergen waar honderden van hen naar verluidt omkwamen als gevolg van het koude weer, honger of de nawerking van de chemische aanvallen. Veel van de vluchtende dorpsbewoners zijn later gevangen genomen door de regeringstroepen en naar verzamel-centra gestuurd. Alle mannen die gearresteerd zijn, zijn naar men zegt verdwenen; honderden van hen zijn denkt men gedood tijdens massa executies. De vrouwen kinderen en ouderen zijn later vrijgelaten en achtergelaten in de vlakten ten noorden van Erbil. De Laatste Anfal operatie resulteerde in de nederlaag van de KDP peshmerga.

118. De Anfal campagne lijkt geëindigd te zijn op 6 september 1988 met een algehele amnestie (uitgevaardigd bij de Revolutie Commandoraad Decreet Nr. 736) dat amnestie verleende aan alle Iraakse Koerden tegen wie "gerechtelijke" procedures liepen of die op enige andere manier "achtervolgd" werden voor daden die voorafgaand aan de amnestie gepleegd waren. Echter, ondanks de amnestie, vermelden officiële Iraakse documenten dat Koerden, die voor 6 september 1988 gevangen genomen waren binnen de uitgestrekte gebieden die tot "verboden gebied" verklaard waren, nog steeds geëxecuteerd werden. De Koerdische families die vrijgelaten werden uit de gevangenkampen onder de amnestie werden vervoerd naar woonwijken of gewoon achtergelaten in de open lucht: het was niemand toegestaan om terug te keren naar de gesloopte dorpen in de gebieden die nog steeds als "verboden" gedefinieerd werden. Belangrijk om op te merken: het amnestie decreet (dat maar voor een maand geldig was) ging niet samen met een intrekking van de wetten die de Koerdische bevolking bedreigden. Bijvoorbeeld, volgens een brief, gedateerd 22 november 1988 van de veiligheidsdienst van Erbil, werd de schieten-om-te-doden instructie die vervat is in bevel 28/4008 (zie paragraaf 121 hieronder) nog steeds toegepast "zonder uitzondering". Een ander document gedateerd 11 april 1989, bevestigt dat de orders die vervat waren in bevel 28/ 4008 op die late datum nog steeds van kracht waren. In feite werd pas voorgesteld om bevel 28/ 4008 in te trekken op 22 juni 1990 (zie Document Nr. 14 in Bijlage I).

119. Na de beschrijving van de hoofdpunten van de acht operaties die de Anfal campagne vormden, merkt de Speciale Rapporteur op dat het bewijsmateriaal zijn eerste bevindingen verder bevestigt dat wil zeggen dat de Anfal campagne zoals de meeste handelingen van de regering van Irak heel goed gepland, toegepast en gedocumenteerd was. De directe gevolgen van de Anfal campagne veroorzaakten: (a) de dood van duizenden mannen vrouwen en kinderen door willekeurige executies of moordpartijen zonder aanzien des persoons; (b) de verdwijning van nog eens tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen; (c) de willekeurige arrestaties, detentie en gedwongen verplaatsing van honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen; (e) de vernietiging van duizenden dorpen waaronder essentiële economische hulpbronnen en belangrijk cultureel bezit; en (f) de feitelijke ondergang van de landelijke manier van leven van de Koerden. Deze resultaten werden op een duidelijk stelselmatige manier bewerkstelligd door een opzettelijk gebruik van onmiskenbaar overmatig geweld.

120. Bewijs met betrekking tot de organisatie en toepassing van de Anfal campagne wordt zowel impliciet als expliciet geopenbaard door het raadplegen en bestuderen van de officiële Iraakse documenten in het bezit van de Speciale Rapporteur. Zoals boven vermeld, lijkt het jaar 1985 een keerpunt te zijn geweest in de geschiedenis van onderdrukkende maatregelen die de Koerden troffen. Hoewel veel belangrijke elementen van wat later de Anfal campagne vormde van voor 1985 dateren, bijvoorbeeld het beleid tegen de Barzani stam en het algemene beleid van straffen uitbreiden naar familieleden, stammen en dorpen, blijkt de basis voor een algeheel beleid tegen de Koerden gelegd te zijn in mei 1985 toen militaire bevelen werden uitgevaardigd die het gebruik van "alle soorten wapens" gelastten tegen "subversieve elementen" in het noordelijke Koerdische gebied. Deze instructie staat zichtbaar in verband met latere orders en wetten waaronder, in het bijzonder, de instructie van het Bureau van de President dat "ouderen, vrouwen en kinderen onder de familieleden van subversieve elementen uitgezet moeten worden naar de gebieden waar de subversieve elementen zijn" en "dat detentie van kracht blijft tegen familieleden van subversieve elementen die in staat zijn wapens te dragen". Zulke instructies werden uitgevoerd met nauwgezette aandacht aangezien de Iraakse nationaliteit ontnomen werd aan degenen die uitgezet werden en ze verder aan hun lot werden overgelaten (over de zorg en precisie waarmee de Regering dit programma uitvoerde zie, E/CN.4/1993/45, Document 6 van Bijlage I). Onder het bestuur van de toenmalige Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij, Mohammed Hamza al-Zubeidi, ontwikkelde zich een steeds strenger en complexer beleid van onderdrukking: volgens een alomvattend voorstel van juni 1990 om 13 instructies in te trekken die, wanneer samen gelezen, de elementen van één beleid lijken te vormen, het complex van decreten, richtlijnen en instructies die dat beleid vormen dateren van 4 september 1985 (zie Document Nr. 14 van Bijlage I).

121. Toen Mohammed Hamza al-Zubeidi niet goed genoeg bleek voor de opgelegde taak of, in ieder geval er iemand nodig bleek die sterker en betrouwbaarder was, werd Ali Hassan al-Majid op 18 maart 1988 aangesteld als Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij met enorm en uitzonderlijk gezag over "burgerlijke, militaire en veiligheidsorganen van de Staat" (zie Document Nr. 15 van Bijlage I). Toen hij zijn functie als feitelijk dictator van het gebied aanvaardde, vaardigde Ali Hassan al-Majid een reeks strenge en wrede bevelen uit die duidelijk zijn persoonlijke controle over de staatszaken in het noorden bevestigden en lieten zien dat hij geen enkele sympathie had met zelfs de geringste humanitaire principes. Al-Majid bepaalde de reikwijdte, strategie en bureaucratische structuur van de Anfal campagne door middel van twee bevelen die hij uitvaardigde in juni 1987. De bevelen omvatten een totaal verbod op leven (menselijk en dierlijk) in gespecificeerde gebieden die bijna uitsluitend bewoond werden door Koerden en waarin zich duizenden dorpen bevonden op het Koerdische platteland.

Het eerste bevel, met nummer 28/3659 dat dateert van 3 juni 1987, is een persoonlijk bevel ondertekend door Ali Hassan al-Majid volgens welke de strijdkrachten in het gebied alle mensen en dieren die zich bevonden in het gebied dat "verboden" was verklaard moesten doden (zie document Nr. 16 van bijlage I).

Het bevel legde ook een strenge economische blokkade op aan het gebied die niet toeliet dat voedingsmiddelen, personen, vee of machinerie de verboden dorpen bereikten. Het tweede belangrijke bevel met het nummer 28/4008 dat dateert van 20 juni 1987, werd uitgevaardigd door het "Commando van het Noordelijk Bureau " onder de handtekening van al-Majid (zie Document Nr. 10 van Bijlage I). Bevel 28/4008 breidde de richtlijnen die vervat waren in bevel 28/3650 uit en specificeerde de strategieën die gevolgd moesten worden: het herhaalde het totale verbod van de aangewezen gebieden en bevestigde het beleid van het opzettelijk "doden van het grootste aantal mensen" met gebruik van artillerie, helikopters en vliegtuigen op alle tijden van de dag en nacht.

Bovendien, en dit is nog belangrijker, de richtlijnen bevatten een expliciet bevel aan de Veiligheidsdienst om alle personen die gevangen genomen waren in de aangewezen dorpen vast te houden en te ondervragen waarbij personen tussen de leeftijden van 15 en 70 geëxecuteerd moesten worden nadat bruikbare informatie van hen verkregen was. Deze ingrijpende orders verleenden toestemming om te doden en garandeerden daarna straffeloosheid voor de strijdkrachten en ambtenaren van de Regering die opereerden in de verboden gebieden. Tegen het einde van 1987, duiden de officiële documenten erop dat de mortuaria onder zware druk stonden door de voortdurende instroom van lijken van het groeiend aantal executies.

122. Hoewel het voorgewende doel van het nemen van duidelijk buitensporige maatregelen tegen de Koerdische bevolking naar verluidt was het gebied vrij te maken van "saboteurs", "subversieve elementen", "verraders", "criminelen" en een aantal andere ongewenste elementen, blijkt duidelijk uit de verklaringen van Ali Hassan al-Majid dat de bevelen gericht waren tegen alle Koerden met het doel echte of veronderstelde oppositie uit te schakelen.

Dientengevolge was het beleid het onderdrukken van hen die in bedwang konden worden gehouden in samengestelde dorpen, het vernietigen van de landelijke levensstijl van deze bergbewoners en het liquideren van degenen die oppositionele sympathieën hadden samen met hun hele families, stammen en gemeenschappen. Het feit dat Ali Hassan al-Majid de situatie zo bekeek wordt onthuld in een aantal van zijn opgetekende verklaringen. Bijvoorbeeld, op 15 april 1988 heeft al-Majid volgens een verslag het volgende gezegd tegen de leden van het Noordelijk Bureau van de Baath partij en de Gouverneurs van het Autonome gebied:

"Volgende zomer zullen er geen dorpen meer zijn die hier en daar verspreid liggen maar alleen woongebieden…..Ik zal grote gebieden verbieden; Ik zal alle aanwezigheid erin verbieden. Hoe zou het zijn als we de hele laagvlakte van Qara Dagh tot Kifri tot Diyala tot Darbandhikan tot Suleiymaniyah verboden gebied maakten? Wat hebben we aan deze laagvlakte? Wat hebben we ooit van hun gehad? …Deze hele laagvlakte van Koysinjaq tot hier….Ik ga hem evacueren. …Geen mens behalve op de hoofdwegen. Vijf jaar lang sta ik daar geen enkel bestaan toe… In de zomer is daar niets meer over."

Het moet benadrukt worden dat de locaties die al-Majid noemt uitsluitend Koerdisch zijn. Nog een voorbeeld kwam na de afronding van de Anfal campagne van 1988 toen er een verslag is gemaakt van het volgende dat al-Majid zei op 21 januari 1989 tegen zijn collega's van het Noordelijk Bureau:

"Dus toen lieten we die hogere bevelhebbers op TV die (de saboteurs) hadden overgeleverd. Moet ik die soms in goede conditie houden? Wat word ik verondersteld ermee te doen, die geiten…Nee, ik zal ze begraven met bulldozers. Dan vragen ze me om alle namen van alle gevangenen zodat ze bekend gemaakt kunnen worden. Ik zei, "had u niet genoeg aan wat u op de televisie hebt gezien en in de krant gelezen?' Waar moet ik heen met dit enorme aantal mensen? Ik begon ze te verdelen over de gouvernoraten. Ik moest overal bulldozers naartoe sturen."

Enige maanden later, staat in een verslag van een soort afscheidstoespraak nadat hij zijn periode als Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij had afgerond dat al-Majid op 15 april 1989 het volgende zei:

"Ik zei dat we waarschijnlijk een paar goede onder hen zouden vinden aangezien zij ook onze mensen zijn. Maar we hebben er niet een gevonden. Nooit…. Behalve die twee, er zijn geen loyale of goede…..Ik wil twee punten bespreken: een Arabisering en twee, de gedeelde stukkenland tussen de Arabische gebieden en het Autonome gebied. Het punt waar ik het over heb is Kirkuk. Toen ik kwam vormden de Arabieren en Turkmenen niet meer dan eenenvijftig procent van de totale bevolking van Kirkuk. …Toen hebben we bevelen uitgevaardigd. Ik verbood de Koerden om te werken in Kirkuk, de wijken en dorpen er omheen buiten het Autonome gebied."

123. Het is duidelijk uit de woorden van de almachtige Secretaris Generaal van het Commando van het Noordelijk Bureau dat het Koerdische volk ("hen", "zij", "die geiten", "de Koerden") opzettelijk als groep het doelwit zijn geweest. Naarmate al-Majid de macht overnam in het noorden en zijn beleid tegen de Koerden uitvoerde lijkt het even duidelijk dat de historisch gezien versplinterde Koerden zichzelf ook steeds meer zagen als één groep: in mei 1988 werd het "Koerdistaanse Front" gevormd uit de acht belangrijkste Koerdische groepen die toen geconfronteerd werden met de gezamenlijke vijand van streng beleid van de regering van Irak.

124. Zoals hierboven beschreven in paragrafen 112 tot en met 117, werd de Anfal campagne uitgevoerd onder leiding van Ali Hassan al-Majid tijdens de lente en zomer van 1988. Documenten die in het bezit zijn van de Speciale Rapporteur maken duidelijk dat de Regering tegen die tijd familiebanden gelijk had gesteld met de termen "subversieve elementen" en "saboteurs" zoals al veel eerder gedaan was in het geval van "de Barzanis". De door de Regering gevolgde strategie tijdens de Anfal campagne volgde ongeveer hetzelfde patroon gedurende de verschillende stadia van de operaties: chemische aanvallen vanuit de lucht gericht tegen zowel burgers als peshmerga bolwerken, in combinatie met aanvallen door grondstrijdkrachten op de gebieden; plundering van alle dorpen die overgeleverd zijn aan de genade van de regeringstroepen; massa-arrestaties, detentie en interne deportaties van burgers; en transport van veel gevangen gehouden burgers in konvooien van legertrucks naar bewaringscentra waar, over het algemeen de volwassen mannen werden gescheiden van de vrouwen en verdwenen. De vrouwen, kinderen en ouderen werden meestal naar gevangenkampen gestuurd en vastgehouden in uiterst erbarmelijke omstandigheden. Anderen verdwenen samen met de mannen. Personen die de oprukkende strijdkrachten wisten te ontlopen werden vaak opgespoord in steden in de buurt door de veiligheidsdiensten. In overeenstemming met de verklaring van al-Majid die opgetekend is op 21 januari 1989, duiden de documenten erop dat de aantallen personen die geëxecuteerd werden onhanteerbare proporties hadden bereikt tegen het einde van 1988 toen, op 15 november 1988, de Revolutie Commandoraad Besluit Nr. 840 uitgevaardigde waarbij de grondrechtelijke noodzaak voor ratificatie van doodvonnissen door de President werd opgeheven (zie Document Nr. 17 van Bijlage I); op 14 december 1988 gaf het Kantoor van de President de instructie aan de betrokken ministeries dat ze de executieprocessen moesten bespoedigen (zie Document Nr. 18 van Bijlage I). Ten tijde van deze besluiten, gevolgd door de opgetekende verklaring van al-Majid, moet opgemerkt worden dat de oorlog tussen Iran en Irak al lang voorbij was. Overlevenden en andere ooggetuigen (inclusief een aantal die deel namen aan de executies) berichten dat veel van de mensen die "verdwenen" waren tijdens de Anfal campagne geëxecuteerd waren en, zoals Ali Hassan al-Majid bijna opschepte, werden begraven in massagraven door het hele land heen.

125. Volgens de documenten in het bezit van de Speciale Rapporteur, waren vele van de bovengenoemde individuele decreten, richtlijnen en instructies van kracht tijdens de opstanden van maart 1991 en een aantal is misschien nog steeds van kracht. Het bestaan van zulke bevoegdheden, bevelen en persoonlijkheden in de huidige regering van Irak waar Ali Hassan al-Majid de functie van Minister van Defensie bekleedt, voorspelt een onzekere toekomst voor de Koerden.

b. een geschrift, te weten een Iraaks overheidsdocument, opgenomen in de Rapportage over de mensenrechtensituatie in Irak van 25 februari 1994, ingediend door de heer Max van der Stoel, Speciale Rapporteur van de Mensenrechtencommissie, ingevolge commissieresolutie 1993/74 (VN Doc. E/CN.4/1994/58, H74 - pagina 79 tot en met 80):

BUREAU VOOR DE ORGANISATIE VAN HET NOORDEN - HOOFDBUREAU

Kenmerk: 28/4008 Datum 20 juni 1987

Van: Bureau Voor De Organisatie Van Het Noorden - Hoofdbureau

Aan: De Commandanten van het Eerste, Tweede en Vijfde Legerkorps

Onderwerp: Procedure van aanpak van de dorpen die verboden terrein zijn om veiligheidsredenen

Gezien het feit dat de van officiële zijde aangekondigde tijdslimiet voor het samenvoegen van deze dorpen verstrijkt op 21 juni 1987, hebben wij besloten dat de volgende acties ondernomen moeten worden met ingang van 22 juni 1987: (i) Alle dorpen waarin zich nog steeds subversieve elementen, agenten van Iran en dergelijke verraders bevinden zullen om veiligheidsredenen als verboden terrein beschouwd worden; (ii) Zij zullen beschouwd worden als operationele zones die streng verboden terrein zijn voor alle personen en dieren en waarbinnen de troepen het vuur naar willekeur kunnen openen, zonder enige beperkingen, tenzij zij andere bevelen hebben gekregen van ons Bureau; (iii) Reizen van en naar die zones, alsmede landbouw, veehouderij en industriële activiteiten, zullen verboden zijn en nauwgezet gecontroleerd worden door alle bevoegde instanties binnen hun respectievelijke bevoegdheden; (iv) De korpscommandanten zullen sporadisch bombardementen uitvoeren door middel van artillerie, helikopters en vliegtuigen op alle tijden overdag of 's nachts om het grootst aantal personen die aanwezig zijn in die verboden gebieden te doden en ons op de hoogte houden van de resultaten; (v) Alle personen die gevangen genomen worden in die gebieden zullen vastgehouden worden en ondervraagd worden door de veiligheidsdiensten en degenen van tussen de 15 en 70 jaar zijn zullen geëxecuteerd worden nadat bruikbare informatie van hen verkregen is, waarvan wij naar behoren op de hoogte gesteld dienen te worden; (vi) Zij die zich overgeven aan de autoriteiten van de regering of de Partij zullen ondervraagd worden door de bevoegde instanties voor een maximale periode van 3 dagen, wat verlengd mag worden met 10 dagen, indien noodzakelijk, mits wij van zulke gevallen op de hoogte worden gesteld. Indien de ondervraging meer tijd vergt, moet goedkeuring van ons verkregen worden per telefoon of door middel van een telegram of via Kameraad [………]; (vii) Alles dat in beslag wordt genomen door de adviseurs en troepen van de Nationale Verdedigingsbrigades zal door hen gehouden worden, met uitzondering van zware, gemonteerde en middelgrote wapens. De lichte wapens mogen zij houden waarbij zij ons alleen van het aantal van die wapens op de hoogte moeten stellen. De korpscommandanten zullen dit meteen onder de aandacht van alle adviseurs, de commandanten van de compagnies en pelotonleiders brengen en zullen ons gedetailleerde informatie verschaffen omtrent hun activiteiten in de Nationale Verdedigingsbrigades.

(Ondertekend) Kameraad Ali Hassan al-Majeed

Lid van het Regionaal Commando en Secretaris van het Bureau voor de Organisatie van het Noorden

[Stempel van de Revolutie Commandoraad, Commissie Noordelijke Zaken]

cc: Voorzitter van de Wetgevende Raad;

Voorzitter van de Uitvoerende Raad;

Inlichtingendienst Partij;

Legerleider Algemene Staf;

Gouverneurs (Voorzitters van de Veiligheidscommittees) van Nineveh, Ta'mim, Diyala, Salahuddin, Sulaimaniya, Erbil en Dohuk;

Afdelingssecretarissen van de bovengenoemde gouvernoraten;

Algemeen Directoraat van Militaire Inlichtingen;

Algemeen Directoraat van Veiligheid;

Directeur Veiligheidsdienst van het Autonome Gebied;

Veiligheidsdiensten van het Noordelijk Gebied;

Veiligheidsdiensten van het Oostelijk Gebied;

Hoofden van de veiligheidsdiensten van de gouvernoraten Nineveh, Ta'nim, Diyala, Salahuddin, Sulaimaniya, Erbil en Dohuk;

Voor informatie en actie binnen uw respectievelijke bevoegdheidsgebieden. Houd ons op de hoogte.

c. een geschrift, te weten een Iraaks overheidsdocument, opgenomen in een geschrift, te weten de Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak, opgesteld door Mr. Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, overeenkomstig met de commissies resolutie 1992/71 van 19 februari 1993 (VN Doc. E/CN.4/1993/45, H75 - pagina 82 tot en met 83):

Een Enkele Arabische Natie met een Eeuwigdurende Boodschap

Arabische Socialistische Baath Partij

Iraakse Regio

Hoofdkwartier van het Bureau voor de Organisatie van het Noorden

Bureau van het Secretariaat

(Vertrouwelijk exprestelegram)

Ref: 4350

Datum: 7 september 1987

Aan: Alle veiligheidcomités in de gouvernoraten van de noordelijke regio, Diyala en Salahuddin

Re: opname op een lijst en verbanning van de families van subversieve elementen

Kameraadschappelijke groeten,

In het licht van de bijeenkomst gehouden op 6 september 1987, voorgezeten door

kameraad Ali Hassan al-Majeed, Secretaris van het Bureau voor de Organisatie van het

Noorden en bijgewoond door de hoofden en hogere functionarissen van de

partijafdelingen in de noordelijke regio, zijn de volgende instructies uitgevaardigd:

1. De veiligheidscomités in de noordelijke gouvernoraten dienen lijsten in te dienen

van de families van subversieve elementen, die afgerond dienen te zijn tussen 6 en 15

september 1987. Zodra de lijsten compleet zijn moeten de families in kwestie uitgezet

worden naar de regio’s waar hun subversieve familieleden zijn, met uitzondering van

mannen in de leeftijd van 12 tot en met 50, die in hechtenis moeten worden gehouden.

Families met martelaars, vermiste personen, gevangenen, soldaten of strijders in de

Nationale Verdedigingsbrigades zullen van dergelijke maatregelen worden uitgesloten.

1. Stappen dienen te worden genomen voor het houden van openbare seminars en

administratieve bijeenkomsten die moeten plaatsvinden op 17 oktober 1987, en het dient duidelijk gemaakt te worden dat een ieder die niet deelneemt aan de procedure zonder geldig excuus zijn Iraakse nationaliteit zal verliezen.

3. Subversieve elementen die berouw hebben zullen mogen terugkeren nadat zij eerst hun wapens hebben ingeleverd tussen 6 september en 17 oktober 1987, waarna dit hen niet meer toegestaan wordt, zelfs al leveren zij hun wapens in.

Neem hiervan s.v.p. nota en informeer ons over alle nodige acties die ondernomen worden.

Vriendelijke groet.

(getekend) [……]

Secretaris

Comité Noordelijke Aangelegenheden

Cc:

Alle gezaghebbers van de partijafdelingen in de noordelijke regio, Diyala en Salahuddin

Gezaghebbers Eerste Korps

Gezaghebbers Vijfde Korps

Algemeen Directoraat van Militaire Inlichtingen

Algemeen Directoraat van Veiligheid

Gezaghebbers Tweede Korps

Neem hier nota van. Met vriendelijke groet.

d. een geschrift, te weten een Iraaks overheidsdocument, opgenomen in een geschrift, te weten de Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak van 19 februari 1993, opgesteld door Mr. Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, overeenkomstig met de commissies resolutie 1992/71 (VN Doc. E/CN.4/1993/45, H75, pagina 84):

In naam van God de Genadige de Barmhartige

Oostelijke Regio Inlichtingen Organisatie

Vertrouwelijk en Persoonlijk

Ref: Sectie 3/Divisie 3/2127

Datum: 28 september 1987

Aan: Alle centra naast de afdelingscomités.

Re: Vernietiging van Dorpen

Brief nr. 5866 van 17 september 1987 die aan ons is verstuurd middels

vertrouwelijke en persoonlijke brief nr. 5/1493 van 23 september 1987 van het

Veiligheidscomité in het gouvernoraat Ta’min, bevatte de instructies dat dorpen die geen

bedreiging voor de veiligheid vormen slechts vernietigd dienen te worden met

instemming van dappere kameraad Ali Hassan al-Majeed, Secretaris van het Bureau voor

de Organisatie van het Noorden. Uitgezonderd zijn dorpen van waaruit schoten

gelost worden op militaire konvooien of die gebruikt worden door subversieve elementen

om de overheidsinstallaties aan te vallen en de Staat te tarten.

Neem hier nota van en voer de instructies met precisie uit.

(getekend) Luitenant Kolonel

p.p. De Directeur

Oostelijke Regio Inlichtingen Organisatie

e. een geschrift, te weten een Iraaks overheidsdocument, opgenomen in een geschrift, te weten Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak van 19 februari 1993, opgesteld door Mr. Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, overeenkomstig met de commissies resolutie 1992/71 (VN Doc. E/CN.4/1993/45, H75 - pagina 88):

In naam van God de Genadige de Barmhartige

Bureau van de President van de Republiek

De Secretaris-Generaal

Algemeen Directoraat van Militaire Inlichtingen

Oostelijke Regio Inlichtingen Organisatie

Stempel: Ik kom naar jou vanuit Sheba met stellige berichten

Algemeen Directoraat van Militaire Inlichtingen

S.v.p. het volledige referentienummer vermelden

(de martelaars zullen de edelmoedigsten van ons allen blijven)

Zeer Vertrouwelijk en Persoonlijk

Nr.: Sectie 3/Divisie 3/Saddams Qadisiya/522

Datum: 18 maart 1988

Aan: Sulaimaniya Veiligheidsdirectoraat - Chamchamal – Sayyid Sadiq - Darbandkhan

Re: Gevangenhouding van families van subversieve elementen

Vertrouwelijke expresbrief nr. 297 van 15 maart 1988 van het Hoofdkwartier van

het Bureau voor de Organisatie van het Noorden instrueerde dat de families van de

subversieve elementen die hun toevlucht nemen bij onze eenheden, gevangen gehouden

moeten worden in speciale bewaakte kampen die met dat doel zijn opgezet onder bevel

van functionarissen van de inlichtingendienst van het Eerste en Vijfde Korps.

Neem hiervan s.v.p. nota en informeer ons over alle noodzakelijke acties die genomen zijn.

(getekend) Luitenant Kolonel

p.p. De Directeur

Oostelijke Regio Inlichtingen Organisatie

f. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nummer 200501061400, d.d. 6 januari 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 25] (G25 – pagina 280 tot en met 285):

Ik weet dat er vanuit Kirkuk vele Koerden naar het zuiden van Irak zijn gebracht om de bevolkingssamenstelling te veranderen. Dit terwijl de Arabieren geld kregen om bijvoorbeeld in steden te gaan wonen met overwegend Koerdische inwoners. Dit was bekend onder de bevolking. U vraagt mij hoe die Koerden werden weggebracht naar Arabische steden. Dat gebeurde niet vrijwillig. Ze werden gewoon in vrachtwagens gezet en weggevoerd onder verantwoordelijkheid van de Baath partij. Ik heb het zelf ook gezien; ik zag bijvoorbeeld Koerdische mensen lopen met allemaal huisraad, die kennelijk dus uit hun huis gestuurd waren. U vraagt mij of ik de indruk had dat deze Koerden gedeporteerd werden. Ja, dat is wat er gebeurde. De overheid had de smoes dat de Koerden gebruikt werden voor werkgelegenheid. Dit smoesje werd gecommuniceerd in de kranten en op televisie. U vraagt mij wanneer ik voor het eerst hoorde van deze deportatie; dat was in de laatste tachtiger jaren. Ik denk vanaf 1987 ongeveer. U vraagt mij of deze deportatie algemeen bekend was. Ik weet zeker dat iedereen daarvan op de hoogte was. Dat kwam doordat de media uitgebreid communiceerde dat de Koerden werden weggebracht naar het Arabische zuiden in het kader van werkgelegenheid. Dit geloofde niemand, de media was in handen van de Baath partij en iedere Irakees wist dat.

g. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 120] d.d. 28 januari 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 4):

Op de ochtend van de aanval op Halabja (16 maart 1988) werd ik opgeroepen om te assisteren in de commandokamer. Bij aankomst hoorde ik dat een uur eerder door Saddam Hussein persoonlijk het bevel voor een tegenaanval met chemische wapens was gegeven.

Ik ben van mening dat het doel van de chemische aanval was om de Koerdische bevolking die door Saddam Hussein werd gezien als bondgenoot van Iran af te straffen en angst aan te jagen. Wij wisten meteen dat de bombardementen hadden geresulteerd in de dood van duizenden Koerden.

h. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 121] d.d. 2 mei 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 11):

Als bevelhebber aan het front bij Halabja had ik de algehele controle over de PUK troepen die betrokken waren bij de operatie.

Ik heb in totaal 14 luchtaanvallen op de stad geteld (…). Ten tijde van de chemische bombardementen heb ik aan het hoofdkwartier van de PUK doorgegeven dat er naar schatting 5000 dodelijke slachtoffers waren gevallen.

i. een proces-verbaal van verhoor van getuigen op 17 november 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag en [………..], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - de op 17 november 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 122] (RC-dossier - pagina 2113 tot en met 2119):

In 1991 heeft een Koerdische delegatie onderhandelingen gevoerd met de Iraakse autoriteiten. De Koerdische delegatie stond onder leiding van Barzani. Ik maakte deel uit van de delegatie namens de Socialistische Partij Koerdistan. De delegatie van de Iraakse regering bestond uit tien leden onder leiding van Izzat Duri, de plaatsvervanger van Saddam Hussein.

U vraagt naar de vergaderingen die ik heb bijgewoond waarbij ook Saddam Hussein aanwezig was. Dat zijn er meerdere geweest; in 1970, 1979 en ook tijdens de onderhandelingen in 1991.

In de periode van de Anfal, toen ook chemische wapens zijn ingezet, was Ali Hassan Majid het hoofd van de noordelijke provincies. Ik heb persoonlijk tegen hem gezegd dat Irak chemische wapens had ingezet en dat hij 180.000 mensen heeft laten verdwijnen. Ik was in onze delegatie belast met deze discussie. Ik sprak ook over de chemische wapens. Het gebruik van de chemische wapens en de verdwijningen tijdens de Anfal horen namelijk bij elkaar. Ali Hassan Majid werd kwaad. Hij riep dat wij hem wilden beschuldigen en dat wij hem Ali Chemicali noemden. Hij zei dat hij alleen maar bevelen had uitgevoerd. Verder zei hij letterlijk: “de mensen die wij hebben verzameld waren er nog niet eens 100.000”.

U vraagt wat Saddam Hussein in mijn aanwezigheid heeft gezegd over de Anfal. Hij sprak niet over details. Hij heeft wel in algemene bewoordingen gesproken. Hij zei dat er veel was gebeurd, dat er veel mensen waren gedood en veel mensen waren verdwenen. We moesten dit vergeten en de bladzijde omslaan. Het regime gaf als boodschap ‘gebeurd is gebeurd’, het waren oorlogshandelingen. Wij waren het daar niet mee eens en zeiden: “wat u heeft gedaan was gericht tegen de burgerbevolking”.

j. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor.

Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - de op 29 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 41] (RC-dossier – pagina 1628 tot en met 1703):

In 1980 werkte ik in het Iraakse leger. Ik deserteerde in 1982. Op 23 mei 1987 deserteerde een Iraaks regiment en kwam bij ons bij de PUK. Dat waren allemaal Koerden.

Twee weken nadat Ali Hassan Al-Majid met zijn werk begonnen is, bombardeerde hij ons met gas. De eerste aanval met chemische middelen was op 13 of 14 april 1987, drie of vier dagen vóór de aanval op ons.

U vraagt mij of ik iets weet over de nieuwe nederzettingen, de nieuwe steden zoals het Iraakse regime ze noemde, waar de Koerden naartoe gebracht werden. Dat klopt. Jeznikam was een van de collectieve steden die gebouwd waren rond de stad Erbil en het was gebouwd voor de mensen van Halabja, de laatste Anfal. Mensen van Birjinni en Koreme waren naar Jeznikam gebracht. Ik was in 1991 zelf in Jeznikam.

Alle collectieve steden waren verschrikkelijke plaatsen om in te leven, zonder elektriciteit, zonder water, zonder enige voorzieningen. Ik zag de collectieve steden nadat Koerdistan binnengevallen was. Het leven nadat ik ze zag, drie jaar nadat de mensen gedeporteerd waren, was anders dan de dag waarop zij gebouwd waren, dus ik kan niet beschrijven wat deze mensen hebben meegemaakt.

k. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor. Dit geschrift houdt onder meer in –zakelijk weergegeven- de op 1 november 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 116] (RC-dossier – pagina 2022 tot en met 2112):

Mijn etnische achtergrond is Koerdisch.

U houdt mij voor dat er een mensenrechtenrapport is overgelegd met de titel: “Volkerenmoord in Irak” (H76). Ik heb het. U houdt mij voor dat één van de schrijvers van het rapport, de heer [getuige 111], tegenover de Nederlandse politie heeft verklaard dat hij mij heeft geïnterviewd als zijnde één van de overlevenden van de massa-executie. Dat is correct.

In het begin van de tachtiger jaren begonnen de aanvallen, maar na het jaar 1984 werden die aanvallen geïntensiveerd. 1985, 1986, 1987 waren de jaren waarin we intensief werden aangevallen. U vraagt mij wat voor soort aanvallen dat waren en door wie die dorpen werden aangevallen. Het leger van Saddam met tanks en vliegtuigen, helikopters en jagers. Een jager is een soort vliegtuig dat erg snel kon vliegen en 80 raketten aan boord had. U vraagt mij hoe ik wist dat het Irakese vliegtuigen en helikopters waren. Zij kwamen met het leger en er stond een Irakese vlag op de vliegtuigen.

Van de 12 dorpen in ons gebied zijn er drie dorpen heel vroeg, ik denk 1985 of 1986, volledig door het leger vernietigd omdat ze bij de frontlinies lagen.

Zij beschouwden iedereen als saboteur, een tegenstander van de regering, en zij hadden plannen om al die mensen uit te roeien. U vraagt mij of ik die plannen ook via de radio heb gehoord; ja. Zij maakten daar geen geheim van omdat zij ook vliegtuigen naar die gebieden stuurden. Er werd gebombardeerd. Zij zeiden openlijk dat die mensen saboteurs waren en vernietigd moesten worden. U vraagt mij of er op de radio werd gezegd dat de Koerden vernietigd moesten worden of dat de saboteurs vernietigd moesten worden. Ja, en uiteindelijk hebben ze op de radio gepubliceerd dat al deze mensen saboteurs waren, agenten van Iran. De bewoners van Koerdistan.

U vraagt mij of zij dat letterlijk op de radio hebben gezegd; dat alle inwoners van Koerdistan saboteurs waren en dat zij vernietigd moesten worden. Allemaal ja. We waren met veel mensen en we werden gearresteerd. Er was een aanval begonnen op ons gebied.

De Irakese militairen hebben niets tegen ons gezegd. Auto’s begonnen te rijden, we kwamen aan bij Topez Awa. Het was een grote ruimte, een soort patio. Daarnaast waren grote kamers. Wij zagen leden van de Militaire Inlichtingendienst in de patio. Ze waren gewapend, klaar om te schieten. Ze schreeuwden toen wij uit de auto’s werden gehaald. De auto’s reden weg.

Je kunt de Militaire Inlichtingendienst herkennen aan de kleding. De militairen dragen kakikleurige pakken. De Inlichtingendienst draagt donkergroene uniformen. Ik heb daar ook nog vrouwen en kinderen gezien. We waren allemaal in één kamer en de kamer tegenover ons was vol met vrouwen en kinderen. We konden dat zien. Alle kamers waren vol met tussen de 400 en 500 mensen.

We werden daar ’s nachts heengebracht en de volgende ochtend weer meegenomen. Ik heb geen water of eten gekregen in Topez Awa. Veel mensen zijn flauwgevallen van de honger, dorst, hitte. Ik heb gezien dat een soldaat twee broden gooide naar een andere kamer maar je kunt dat niet beschouwen als het verstrekken van eten.

Er was niet zoiets als het geven van eten. Ze probeerden groepen van tien personen tegelijk naar het toilet te laten gaan. Ze hebben dat twee of driemaal gedaan en daarna zijn ze gestopt omdat het niet mogelijk was. De mensen die flauwvielen in de kamers kregen geen medische verzorging. ’s Ochtends vroeg, 07:00 – 08:00 uur werden zij weer meegenomen. De volgende dag brachten ze witte gesloten auto’s. Er werden alleen mannen meegenomen in die auto’s. Ze lazen de namen hardop voor. Er was plaats voor 34 mensen in zo’n auto. Er was een klein raam naar de chauffeur en er zat een bewaker naast de chauffeur.

De mannen die op die manier werden meegenomen waren 20 of 25, 30 jaar oud, van alle leeftijden. Er waren ook oudere mannen, ouder dan 55 of 60 in de kamers, maar ze werden niet tegelijk met ons meegenomen. Onze groep bestond uit ongeveer 500 mannen. Er werd hen niet verteld waarheen ze werden meegenomen. Er was iemand bij mij in de auto, hij kende de weg, hij vertelde ons: “We gaan naar Mosul” en daarna: “Nu gaan we Mosul weer uit, we gaan naar het Zuiden.”

De naam van de plaats waar we werden doodgeschoten, was Rumadi.

Toen we bij die plaats waren waar het allemaal is gebeurd, hoorden we geluiden van schietpartijen, scheppen. Er waren 15 of 17 auto’s.

De bewaker naast de chauffeur droeg een groen pak en had een Kalashnikov. Op een zeker moment openden zij de zijdeur. Een grote man met een groen pak pakte een jonge jongen. Hij was niet gewapend. Zij deden hem een blinddoek om en overhandigden hem aan een paar mannen die gewapend waren.

We hebben de hand van de man in het groene pak vastgepakt en hem klappen gegeven. De gewapende mensen buiten begonnen op ons te schieten terwijl we allemaal in de auto waren zonder ons eruit te laten gaan. Ik werd geraakt door een kogel in mijn rug en in één van mijn ogen. De schietpartij was afgelopen. Ik zag dat er nog een paar mensen in de auto waren die leefden. Een paar van hen was ook gevlucht. Ik ben ook gaan rennen.

Ik heb schoten gehoord in dat gebied. Toen ik begon te rennen, hoorde ik nog steeds geluiden van schoten en shovels in de verte.

l. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 26 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 26 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 5] (G5.I – pagina 887 tot en met 978 en RC-dossier – pagina 218 tot en met 221):

Ik hoorde pas van Anfal toen Saddam Hussein bekend maakte dat die actie ten einde was. In officiële berichten hoorden wij dat de tegenstanders van de Iraakse regering waren verdreven naar Iran en Turkije. Er werd ook gezegd dat tegenstanders ook werden vermoord. Saddam zei naar aanleiding van de Anfal dat er geen plek was voor degenen die tegen ons waren. Hij noemde daarbij ook expliciet de Koerden. Er werd gezegd dat de dorpelingen hulp boden aan het Koerdisch verzet dat naar het buitenland was verdreven. Door deze hulp konden verzetstrijders op Iraaks grondgebied aanvallen uitvoeren;

Het was duidelijk dat Saddam tegen de Koerden was, maar niet tegen alle. Sommige Koerden stonden aan zijn kant. Ik weet niet of de Anfal alleen over het noorden ging of ook over andere gebieden. Saddam is altijd tegen de Koerdische beweging, die begint bij Mullah Mustafa Barzani, geweest.

De term “Jash” (kleine ezel): een beledigende spotnaam voor Koerden die Saddam Hussein steunden.

m. een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 16], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 9] in de zaak tegen [verdachte], op 14 juni 2005, 15 juni 2005 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 14 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 16] (G16.I – pagina 791 tot en met 797 en RC-dossier – 109 tot en met 115):

Ik werkte als beroepsmilitair bij de chemische afdeling van het Iraakse leger.

Ik ging om met hooggeplaatste militairen en weet daarom dat slechts een select groepje rond Saddam Hussein en zijn familie, waaronder Ali Chemicalie (Ali Hassan Al-Majid), van de aanvallen wist.

De bedoeling van de aanvallen was om mensen te vernietigen en niet om de stad te veroveren. Voorts is het er de Irakezen niet alleen om te doen geweest Iraniërs te treffen, maar ook de Koerden in Halabja / de Koerdische Pershmerga-strijders. Hoe ik dat weet? Dat is een kwestie van militaire strategie. Ik weet dat er Iraanse soldaten in Halabja waren. Ik heb dit gehoord op de Iraakse radio en later vernomen via interviews;

Ik meen dat het niet kan zijn dat Iran de aanval heeft uitgevoerd, omdat er zich nog Iraanse militairen in het gebied bevonden (en geen Irakese militairen meer) en hij begrepen heeft dat Ali Chemicali op tv min of meer heeft bevestigd dat Irak achter de aanvallen zat.

n. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal uitgewerkte transcriptie betreffende een door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag, ten kantore van de Amerikaanse officier van justitie te Baltimore, Maryland, afgenomen getuigenverhoor.

Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – zakelijk weergegeven - de op 30 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 115] (RC-dossier – pagina 1790 tot en met 1858):

U vraagt mij of ik één van de overlevenden ben van massa-executies die plaatsvonden in het noorden van Irak tegen het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ja. (…) Voordat ik werd aangehouden woonde ik in een dorp genaamd Karahasan. Dat was in 1987, maar in 1987 werd het dorp vernietigd door de Irakese autoriteiten.

De Irakese overheid heeft ons in het jaar 1987 gezegd dat zij op het punt stonden om dat gebied als verboden gebied te verklaren. Het waren ongeveer 150 dorpen. Wij werden bevolen het gebied binnen 15 dagen te verlaten. Anders zouden de huizen vernietigd worden terwijl de mensen nog in de huizen zouden zijn.

Dat is ook inderdaad gebeurd. Sommige mensen vonden de dood bedolven door stenen. (…) Binnen twee weken waren de bulldozers aangekomen en werd het dorp vernietigd, ook ongeveer 150 andere dorpen in de omgeving van Kirkuk. De boodschap van de overheid was deze dat het gebied als verboden gebied gehouden moest worden omdat het dicht bij Kirkuk lag.

Ik heb het met mijn eigen ogen gezien. Ik was in Karah(as)an op het bepaalde moment dat het leger binnentrok met bataljons van de volksmilitie (People’s Militia). Later vertelden zij mij dat wij 15 dagen hadden gekregen om het dorp te verlaten, dus dat was het bevel. Wij zijn meteen vetrokken. Zelfs ’s nachts al, want gedurende de dag waren er allerlei helikopters in de lucht die op mensen schoten. Na een week ben ik teruggekeerd naar het dorp. Ik zag dat al onze huizen vernietigd waren.

U vraagt mij of u het goed begrepen heeft uit mijn verhaal dat ik door de Jash werd overgedragen aan de Irakese autoriteiten en dat ik daarna meteen werd aangehouden. Wat u zegt, klopt. De volgende ochtend om 10:00 uur meldden wij ons bij Sheikh [……]. Met een auto werden wij naar een vallei gereden achter het dorp genaamd Aliawa en toen wij daar aankwamen zagen wij een groep van 3000 tot 4000 mensen en zij waren omringd door het leger en Jash militie. Wij werden aan die groep toegevoegd.

De 3000 tot 4000 mensen waren allen Koerden. Wij zijn daar drie nachten gebleven.

In de bussen waren er alleen mannen en in de barakken zag ik dat er ook vrouwen en kinderen waren. We werden gebracht naar Kirkuk, naar Topez Awa, een barak aan het uiteinde van de stad.

Wij kwamen daar tegen het einde van de dag aan. Ik zag zoveel mensen, vrouwen, kinderen, ouderen, iedereen. Ze bleven mensen ondervragen tot middernacht. Daarna gingen wij naar een enorme kamer waar er tussen de 500 en 600 mensen aanwezig waren. Er waren alleen mannen maar vóór ons konden wij een kamer zien waaruit geschreeuw van vrouwen en kinderen hoorbaar was.

Ongeveer 02:00 of 03:00 uur in de ochtend kwamen ze binnen met lijsten en ze lazen allerlei namen hardop voor. Niemand kreeg water of voedsel. Mijn naam werd uitgeroepen samen met die van een neef van mij. Wij werden naar een andere kamer gebracht. In de volgende kamer waar ik heen werd gebracht, zag ik andere mensen. Zij waren geraakt, er was overal bloed op de vloer. Zij waren gemarteld, mishandeld. Om 10:00 uur op diezelfde dag werden wij weggevoerd.

De auto stopte niet onderweg. De auto werd gestopt, deuren gingen open, de twee bewakers die achterin stonden, namen twee van ons uit de auto. Zij hebben hen geblinddoekt met hun eigen hoofddoek, hun handen vastgebonden en hen geëxecuteerd. Dit deden zij telkens, twee aan twee. Ik kon de schoten horen toen zij telkens twee mensen namen. Er lag een soort graf onder ons, wij konden dat niet zien.

Ik denk dat er tussen de acht en tien mensen vóór mij op die manier zijn doodgeschoten.

Nadat ik uit de auto was gekomen heb ik in de verte een schop gezien die werd bediend. De soldaat greep mij en mijn neef, wij moesten ergens gaan liggen en wij werden beschoten.

Ik realiseerde mij dat ik niet geraakt was door kogels. Op een gegeven moment werden wij aan onze benen naar het grote gat gesleept om ons daarin te dumpen. Ik ben stil blijven liggen. Ik hoorde het weer, zij namen twee mensen eruit, ik hoorde de schoten, deze twee werden gedood en daarna ergens naartoe gesleept vlak bij mij.

Ik schoof de blinddoek naar beneden. Ik heb het gat gezien, het zat vol met lijken. Toen kwam een militair. Hij schoot op elke persoon die even bewoog. Hij vloekte op de Koerden. Hij zei: “Jullie horen bij de Taliban-mensen”.

U vraagt mij of de officier een Irakees was. Ja. Hij droeg een groen militair uniform. De andere soldaten die executies aan het uitvoeren waren, waren Irakese militairen. Ik heb hen horen praten en zij waren duidelijk herkenbaar als leden van de Irakese Inlichtingendienst. De pakken die zij dragen, kan je herkennen. Diegene die de mensen executeerde, droeg een uniform van de Militaire Inlichtingendienst.

De mensen die op die dag samen met mij geëxecuteerd werden, waren alleen Koerden. Alle mensen die met mij meegenomen werden, alle mensen die ik in Topez Awa gezien heb, waren Koerden.

In de tijd dat de soldaten weggingen om twee nieuwe mensen, sprong ik naar boven en begon een hele tijd te lopen.

o. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nummer 20051010, d.d. 10 oktober 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 111] (G111.1 – pagina 1487 tot en met 1500):

Eind juni 1992 ben ik dus in Koerdistan geweest voor het Anfal onderzoek. Tijdens deze reis heb ik veel interviews gehad met Koerden.

Een vraag was wanneer de Anfal in hun dorp aankwam en wat er gebeurde. De Anfal campagne had een patroon. Het feit dat de Anfal in een aantal stadia had plaatsgevonden, kwam steeds terug. Een ander duidelijk patroon was de rol van de Koerdische overlopers naar het Iraakse leger, de Jash. Een derde patroon was dat er op de eerste dag van elk stadium chemische wapens gebruikt werden. Dat is een patroon dat na al de interviews naar voren kwam.

Een vierde patroon is dat de Koerden vanuit hun dorpen naar een doorgaande weg vluchten. Daar werden ze in een voertuig geladen en naar een transitkamp gebracht. In het kamp werd dan naargelang het gebied waar je vandaan kwam, leeftijd en geslacht, bepaald wat er met je ging gebeuren. Een laatste patroon is dat in bepaalde gebieden alleen de mannen verdwenen, maar in sommige andere gebieden ook de vrouwen en kinderen. Later hoorden wij van [naam] dat het regime in het gebied rond Kirkuk geen Koerden wilde, terwijl in het overige deel van Koerdistan de Koerden wel mochten wonen, zij het niet in dorpen, maar in wooncomplexen, buiten de dorpen.

Een opvallend patroon was ook dat bepaalde groepen naar specifieke plaatsen werden gevoerd. Er was een transitkamp voor vrouwen en kinderen in Dibbs, oude mannen en oude vrouwen werden afgevoerd naar Nugrat Salman. De mannen werden weggevoerd naar de execution sites. Zij werden rechtstreeks vanuit Topzawa naar de executieplaats weggevoerd.

Het doden van vrouwen en kinderen gebeurde in Kirkuk als gedeelte van de Arabisering in Kirkuk. Ik heb alleen maar meer informatie die de conclusies nog sterker maken. Er is bijvoorbeeld een massagraf van vrouwen en kinderen ontdekt bij Al-Hatra. Er zijn massagraven gevonden waar lijken in lagen met Koerdische kleding. Dat hebben de collega’s van Human Rights Watch onderzocht. Ook heb ik Koerdische officials gesproken die dit vertellen tijdens mijn reizen door Koerdistan. Zij vertelden dat dit massagraven waren van Koerdische mensen, dit bleek uit hun kleding, identiteitsbewijzen en uit het feit dat er een kogel in het achterhoofd was geschoten. Ook is er bij Samara een massagraf gevonden waar vrouwen en kinderen in lagen.

Ik heb bevonden dat chemische wapens gebruikt werden om mensen er toe te bewegen zich over te geven aan het leger. Het was dus een tactisch wapen om de massa-executies die er op volgden te vergemakkelijken. Dat is dus waarom de chemische wapens op de eerste dag van ieder stadium werden gebruikt, om de mensen uit hun dorpen te verjagen, waarna ze werden weggevoerd en geëxecuteerd. De aanval op Halabja heeft bijgedragen aan de angst voor chemische wapens. [Naam] vertelde mij in 1997 dat Halabja door Irak was aangevallen en dat Iran nooit chemische wapens gebruikt heeft tijdens de oorlog. Ik heb zelf nooit documenten gezien of getuigenverklaringen gezien waarin staat dat Iran chemische wapens heeft gebruikt.

Vraag: Het rapport “Genocide in Iraq” concludeert dat in de Anfal campagne gedurende de periode februari – september 1988 tussen de 50.000 en 100.000 personen, veel van hen vrouwen en kinderen, zijn gedood. Kunt u aangeven hoe u tot die schatting bent gekomen?

We hebben nooit een telling gedaan. Koerdische mensenrechtenorganisaties zijn goed in het tellen. Eén zo’n organisatie uit Sulamanya heeft puur de mensen geteld die waren verdwenen, deze kwam tot ongeveer 80.000 verdwenen mensen in het gedeelte waar het Koerdische dialect Surani wordt gesproken, grofweg het gedeelte van Koerdistan rond Sulamanya en Arbil en Kirkuk. Wij hebben uitvoerig gesproken met de man die dit aantal had geteld, zijn naam is [naam]. De conclusie uit dit rapport, inhoudende dat er in de jaren 1987 – 1989 honderdduizenden dorpelingen zijn verdreven, is met name gebaseerd op het aantal vernietigde dorpen. Hoeveel er precies binnen een jaar stierven kan ik niet zeggen.

p. een proces-verbaal van verhoor getuige Raadsman/O.M. van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 20051011, d.d. 11 oktober 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 11 oktober 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 111] (G111.2 – pagina 1503):

Van 21 februari 1988 tot 6 september 1988 ben ik me maar bewust van 1 aanval die niet onder de Anfal viel en dat is de aanval op Halabja. Omdat Halabja een stad was. De mensen van het platteland werden anders behandeld dan de stedelingen.

In de Anfal probeerde Irak voor eens en altijd het Koerdische probleem te beëindigen. Om ervoor te zorgen dat de Koerden zich nooit konden afscheiden van Irak, hebben ze het uiterste gedaan om de Koerdische nationale beweging te vernietigen en Koerden die in en rond Kirkuk wonen te verdrijven, zodat de Koerden nooit de gebieden die olie hebben konden gebruiken om onafhankelijk te worden.

q. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nummer G95.1, d.d. 22 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 95] (G95.1 – pagina 987 tot en met 1003):

Een van de eerste vergaderingen na de aanstelling van Ali Hassan Al-Majid vond plaats in Kirkuk, daarin vertelde hij wat hij van plan was met de regio Noord-Irak. Na die samenkomst werd er door de aanwezigen ieder in hun eigen gebied ook weer een vergadering belegd, waarin werd gezegd wat er door Ali Hassan Al-Majid was verteld. Via personen die op die vergaderingen aanwezig waren kreeg ik mijn informatie.

Er werd over Koerden gesproken en over de verboden gebieden. Het regime beschouwde iedereen die buiten de steden woonde als tegenstanders. Daarom moesten die gebieden aangevallen worden. In het verboden gebied woonden behalve Koerden ook Assyrische christenen. Elk gebied waar Koerden woonden, werd verklaard tot verboden gebied. De Koerden werden anders behandeld dan de christenen. In Harmota en in Shilla, twee dorpen waar ik ben geweest, is dat duidelijk geworden. Shilla, een Koerdisch dorp, werd constant gebombardeerd, maar in Harmota, waar alleen Assyrische christenen woonden, was helemaal niets gebeurd.

Ik ben van mening dat het Baath regime de Koerden wilde vernietigen vanwege hun afkomst.

U vraagt mij op welke manier deze genocide werd uitgevoerd. Door Ali Hassan Al-Majid werd het de Koerden op het platteland verboden om mee te doe aan de volkstelling. Daarvoor was door Saddam Hussein al bepaald dat een ieder die niet bij de volkstelling werd opgenomen de doodstraf kreeg omdat die de Iraakse nationaliteit niet had. Saddam Hussein heeft aan Ali Hassan Al-Majid de bevoegdheid gegeven het platteland van Koerdistan als verboden gebied te bestempelen. Iedereen in dat gebied kon dus gedood worden. Volgens de Iraakse wetgeving is de dood van al die mensen gerechtvaardigd want zij zijn hun Irakese burgerschap kwijtgeraakt omdat ze niet werden meegenomen in de volkstelling.

7.4. De bovenstaande bewijsmiddelen laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de telastgelegde aanvallen gepleegd zijn met het oogmerk van de vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep in Irak. Aan deze conclusie liggen de volgende factoren in het bijzonder ten grondslag:

? een algemeen kader van systematische onderdrukking van de Koerdische bevolkingsgroep;

? het zeer grote aantal dodelijke slachtoffers binnen de Koerdische bevolkingsgroep, dat naar het oordeel van de rechtbank zeker in de tienduizenden bedraagt, als gevolg van aanvallen en massa-executies;

? de grootschalige inzet van chemische wapens tegen de Koerdische bevolking, die naar hun aard, wanneer ingezet tegen dorpen, niet kunnen discrimineren tussen burgers en combattanten, en die niet alleen hevig lijden veroorzaken onder de bevolking, maar deze ook vrees en angst aanjagen en voorts de getroffen dorpen en steden voor lange tijd onbewoonbaar maken;

? de grootschalige vernietiging van Koerdische dorpen in Noord-Irak en daaropvolgende deportaties van de burgerbevolking;

? uitlatingen van vertegenwoordigers van het regime, in het bijzonder Ali Hassan Al-Majid, waaruit minachting spreekt voor de Koerdische bevolkingsgroep.

7.5. De rechtbank is van oordeel dat alle bewezenverklaarde aanvallen zijn gepleegd met genocidaal oogmerk ten aanzien van de Koerdische bevolkingsgroep. De rechtbank dient zich in dit verband uit te spreken over de periode van de genocidale campagne. Zij gaat voor dit oordeel uit van de bovenvermelde bevindingen van VN-rapporteur Van der Stoel, dat de basis voor een algeheel beleid tegen de Koerden blijkt gelegd te zijn in mei 1985 toen militaire bevelen werden uitgevaardigd die het gebruik van "alle soorten wapens" gelastten tegen "subversieve elementen" in het noordelijke Koerdische gebied en dat de Anfal campagne lijkt geëindigd te zijn op 6 september 1988 met een algehele amnestie.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank dat alle aanvallen binnen deze periode, mei 1985 – 6 september 1988, nadrukkelijk gericht tegen de Koerdische bevolkingsgroep, waarbij sprake is van een van de gedragingen in de zin van artikel 1 lid 1 sub 1 tot en met 5 Uitvoeringswet genocideverdrag, deel uitmaken van een genocidale campagne, ongeacht of deze aanvallen formeel binnen de Anfal campagne vallen.

7.6. In het licht van deze bevindingen is de rechtbank voorts van oordeel dat er ten aanzien van de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak gedurende de telastgelegde periode sprake is geweest van een politiek van stelselmatige terreur.

7.7. Ten aanzien van het oogmerk van vernietiging rijst nog de vraag in hoeverre dit de Koerdische bevolkingsgroep, of een gedeelte daarvan, als zodanig treft. Het oogmerk van vernietiging van de groep als zodanig houdt in dat de pleger zich richt op individuele slachtoffers vanwege hun lidmaatschap van een beschermde groep en dat het doden of mishandelen van individuen in feite uiting geeft aan het oogmerk tot vernietiging van de groep. (ICTR, Niyitegeka, zaak nr. ICTR-96-14-A, vonnis hoger beroep, 9 juli 2004, para. 53; ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-T, vonnis eerste aanleg, 14 december 1999, paragraaf 79).

In dit kader plaatst de rechtbank ook het betoog van de verdediging dat de telastgelegde aanvallen niet de Koerdische bevolkingsgroep als zodanig beoogden te treffen, maar een militair strategisch doel hadden, namelijk het bestrijden van rebellerende groeperingen. Hiermee zou in de optiek van de verdediging het genocidale oogmerk niet kunnen worden bewezen. De rechtbank stelt voorop dat het bestrijden van rebellerende groeperingen, ook indien zulks gevolgen zou hebben voor de burgerbevolking, kan duiden op het ontbreken van genocidaal oogmerk (vgl. het oordeel van de VN commissie dat in Darfur, Soedan (vooralsnog) geen sprake is van genocide; Report of the International Commission of Inquiry on Darfur to the United Nations Secretary-General, ingevolge Veiligheidsresolutie 1564 van 18 september 2004, Genève, 25 januari 2005, paragrafen 513 en 514). De rechtbank is er echter van overtuigd dat de geweldscampagne in Irak ten tijde van de telastgelegde periode naar uiterlijke verschijningsvorm het oogmerk van militaire aard verre overstijgt. De mogelijke omstandigheid dat de aanvallen -mede- een militair doel hadden dient derhalve te worden beschouwd als een mogelijk motief voor (bepaalde) aanvallen, hetgeen naar geldend recht niet afdoet aan het eerder al vastgestelde genocidale oogmerk (ICTR, Nahimana, Barayagwiza en Ngeze, zaak nr. ICTR-99-52-T, vonnis eerste aanleg, 3 december 2003, paragraaf 969).

7.8. Ten aanzien van de vraag of het vastgestelde genocidale oogmerk zich richtte op vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep in haar geheel of een gedeelte daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

Nog ongeacht het antwoord op de vraag in hoeverre de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak als zelfstandige etnische groep kan worden beschouwd, oordeelt de rechtbank dat het oogmerk van de vernietiging zich richtte op een gedeelte van de Koerdische groep, nu binnen Irak de genocidale campagne zich niet richtte tegen alle Koerden. Ten aanzien van het oogmerk gericht op gedeeltelijke vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep oordeelt de rechtbank dat hieraan ruimschoots is voldaan, hetgeen niet alleen volgt uit de aantallen slachtoffers, maar ook uit de impact van bepaalde elementen uit de genocidale campagne, zoals die in en rond Kirkuk, voor de Koerdische bevolkingsgroep in Irak als geheel. (vgl. ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 12 en 13).

7.9. Voor wat betreft de vaststelling van genocidaal oogmerk bij de in de telastlegging als plegers genoemde personen overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel naar internationaal recht de identiteit van de plegers niet hoeft vast te staan om tot een veroordeling van medeplichtigheid tot genocide te komen (ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 35, 134 en 137; ICTY, Stakic, zaak nr. IT-97-24-T, vonnis eerste aanleg, 31 juli 2003, paragraaf 533), vereist de grondslag van de telastlegging dat de rechtbank een oordeel geeft over de in de telastlegging als plegers genoemde personen: “Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))”.

Ten aanzien van de categorie onbekend gebleven personen volstaat de rechtbank met de vaststelling dat uit de aard van het misdrijf genocide volgt dat daarbij een grote groep personen is betrokken.

Ten aanzien van de betrokkenheid van Saddam Hussein Al-Tikriti acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat hij ten tijde van de telastgelegde periode absolute macht uitoefende in Irak. In die hoedanigheid was hij direct betrokken bij de bewezen verklaarde aanvallen en de algehele campagne tegen de Koerden.

Voor wat betreft de rol van Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti stelt de rechtbank vast dat hij op tijdstippen in de telastgelegde periode lid is geweest van het hoogste orgaan in Irak, de revolutionaire commandoraad, en –onder verwijzing naar eerder vermelde bewijsmiddelen- dat hij leiding gaf aan de Anfal campagne.

Ten aanzien van Hussein Kamal Hassan Al-Majid is de rechtbank van oordeel dat hij als schoonzoon van Saddam Hussein behoorde tot diens directe vertrouwelingen en dat hij op tijdstippen in de telastgelegde periode deel uitmaakte van de algemene legerleiding.

De rechtbank concludeert dat alle drie genoemde personen vanwege hun leidinggevende rol ten aanzien van Irak in het algemeen en de campagne tegenover de Koerden in het bijzonder de bewezenverklaarde aanvallen tezamen met anderen hebben gepleegd met het oogmerk van de vernietiging van een gedeelte van de Koerdische bevolkingsgroep.

7.10. Bij bovenstaand oordeel gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen, in aanvulling op reeds eerder opgenomen bewijsmiddelen.

a. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 123] opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a, pagina 1 tot en met 3):

Tussen 1977-1984 was ik staatssecretaris Buitenlandse Zaken. Vervolgens heb ik mij twee jaar uit de regering teruggetrokken alvorens ambassadeur van Irak in Zwitserland te worden (1986-1989). Tevens ben ik Secretaris-Generaal van de Revolutionaire Commando Raad geweest en als zodanig was ik verantwoordelijk voor het notuleren tijdens de vergaderingen. De Revolutionaire Commando Raad is het hoogste orgaan in Irak.

Saddam Hussein heeft algehele macht in de Revolutionaire Commando Raad. Ik kan bevestigen dat Saddam Hussein, Tariq Aziz, Mohammed Hamza Al-Zubaydi, Ali Hassan Al-Majid, Ibrahim Izzat Al-Douri en Taha Yasin Ramadan van maart 1987 tot april 1988 lid van de RCC zijn geweest.

b. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 120] d.d. 28 januari 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a, pagina 1 tot en met 5):

Op de ochtend van de aanval op Halabja (16 maart 1988) werd ik opgeroepen om te assisteren in de commandokamer. Bij aankomst hoorde ik dat een uur eerder door Saddam Hussein persoonlijk het bevel voor een tegenaanval met chemische wapens was gegeven.

Over het algemeen kwam het bevel om chemische wapens te gebruiken direct van Saddam Hussein zelf of in sommige gevallen van de Minister van Defensie, Adnan Khairallah Tulfah (inmiddels overleden).

Saddam Hussein had het bevel over de Noordelijke regio aan Ali Hassan Al-Majid overgedragen. Hij had de totale controle over de regio, zowel in politiek als in militair opzicht. Alle militaire bevelhebbers vielen onder zijn gezag en hoewel de bestaande bevelsketen tot Saddam Hussein bleef bestaan, is het ondenkbaar dat een verzoek om chemische wapens te gebruiken de President bereikt zou hebben zonder dat Ali Hassan Al-Majid daarvan afwist en toestemming voor had gegeven. Zijn gezag in de Noordelijke regio was bijna gelijk aan dat van Saddam Hussein zelf.

c. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 124] opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a, pagina 1 tot en met 3):

Ik heb in 1991 de leiding gekregen over de militaire inlichtingendienst voor heel Irak.

De Revolutionaire Commando Raad staat formeel boven aan de bevelsketen van de Irakese overheidsstructuur.

De volgende personen waren van maart 1987 tot april 1988 lid van de Revolutionaire Commando Raad (RCC): Saddam Hussein (President en Voorzitter); Izzat Ibrahim Al-Doeri (Vice-Voorzitter); Tariq Aziz; Taha Yassin Ramadan; Mohammed Hamza Al-Zoebaidi en Ali Hassan Al-Majid. Er bestaat bij mij geen twijfel over dat de leden van de Revolutionaire Commando Raad op de hoogte waren gesteld van de grootschalige aanvallen met chemische wapens in het Noorden in 1987 en 1988 en dat zij binnen een half uur na plaatsvinden op de hoogte werden gesteld van de uitvoering van de individuele aanvallen, zoals die op Halabja in maart 1988. Ik weet zeker dat leden van de Revolutionaire Commando Raad dit beleid goedkeuren en de consequenties ervan konden voorzien en dat zij niet hadden kunnen aanblijven als lid van de Revolutionaire Commando Raad als zij geen actieve instemming lieten blijken. De leden van de Revolutionaire Commando Raad waren zich bewust van het beleid van Ali Hassan Al-Majid in het Noorden, met name zijn acties met betrekking tot het bewust vermoorden van burgers om het gezag van de Revolutionaire Commando Raad in dat gebied kracht bij te zetten.

Ali Hassan Al-Majid rapporteerde over zijn activiteiten in de vergaderingen van de Revolutionaire Commando Raad en de leden van de Revolutionaire Commando Raad hadden een duidelijk idee van waaruit zijn activiteiten bestonden.

d. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 125] opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a, pagina 1 tot en met 4):

Tussen 1985 en 1988 was ik hoofd van de genie van het Derde Leger, dat was gestationeerd in Basra. In 1988 werd ik bevorderd tot brigadier in het Derde Leger.

Orders om chemische wapens te gebruiken, kwamen van het Presidentiële Paleis. Het was heel gebruikelijk om gas te gebruiken. In de praktijk werden er artilleriegranaten gevuld met chemische middelen aan de bevelhebbers afgeleverd zonder dat wij ervan afwisten of ermee hadden ingestemd. Chemische wapens kwamen niet voor in onze aanvalsplannen. De agenten van het presidentiële paleis kwamen aan, presenteerden de wapens aan de bevelhebbers en gaven aanwijzingen hoe ze veilig gebruikt moesten worden.

Als de bevelhebber het chemische wapen dat hem was gegeven niet gebruikte, werd hij gestraft. De machtsstructuur binnen Irak is afhankelijk van Saddam Hussein en de inner circle bestaande uit zijn grootste vertrouwelingen. Ali Hassan Al-Majid en anderen in de Revolutionaire Commando Raad hebben 30 jaar lang hun persoonlijke loyaliteit aan Saddam Hussein bewezen. Gebaseerd op vele jaren ervaringen met de machtsstructuur in Irak heb ik er geen enkele twijfel over dat Ali Hassan Al-Majid persoonlijk verantwoordelijk was voor het toezicht op de aanval met chemische wapens op Halabja in maart 1988. Ali Hassan Al-Majid is één van de mensen die het dichtst bij Saddam Hussein persoonlijk stonden. Ik geloof dat Ali Hassan Al-Majid in het mobiele hoofdkwartier was tijdens de aanval op Halabja op 16 maart 1988 en dat hij de volledige operationele controle over de aanval had alsmede de volledige bevoegdheid van de Revolutionaire Commando Raad (RCC).

De regering en het militaire commando waren van mening dat de Koerdische groeperingen die in militair opzicht met de Iranese gewapende troepen samenwerkten ten tijde van het Irakese bombardement van Halabja op 16 maart 1988 als collaborateurs van Iran en eigenlijk een deel van de vijandelijke troepen tijdens de oorlog tussen Iran en Irak (konden worden aangemerkt). Ze noemden ook andere oppositiegroepen “agenten van Iran”. Ik ben ervan overtuigd dat de volgende personen van tevoren kennis hadden van de aanval op Halabja en deze actief steunden: Saddam Hussein, Izzat Ibrahim Al-Douri, Ali Hassan Al-Majid, Hussein Khamel, Saddam Khamel en Taha Yasin Ramadan.

e. een proces-verbaal van verhoor van getuigen op 19 juli 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven - de op 19 juli 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 39] (G39.I, pagina 804 tot en met 812 en RC-dossier – pagina 137 tot en met 146):

Eind 1985 ben ik directeur geworden van de research and development afdeling van Al Muthana. Als de commandant aan het front verwachtte dat hij met de inzet van conventionele wapens niet uit de voeten zou komen, meldde hij dat bij het hoofd van zijn legeronderdeel. Het verzoek om chemische wapens werd vervolgens in de algemene legerleiding besproken. Daar werd over de inzet beslist. De algemene legerleiding bestond onder anderen uit Saddam Hussein Al-Tikriti, Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en Hussein Kamal Hassan Al-Majid.

8. Vrijspraak van de bij feit 1 primair telastgelegde medeplichtigheid tot genocide.

Zoals hiervoor onder 6. overwogen gaat de rechtbank bij medeplichtigheid tot genocide uit van de daadwerkelijke wetenschap van het genocidale oogmerk van de plegers van het grondfeit. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van de levering van in de telastlegging vermelde materialen wist dat hij hiermee bijdroeg aan aanvallen die als doel hadden de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de Koerdische bevolking in Irak, en spreekt verdachte daarom vrij van het onder 1 primair telastgelegde.

De rechtbank overweegt in dit verband dat pas na de aanval op Halabja op 16 maart 1988 het lot van de Koerden in Irak op uitgebreide schaal in de internationale media aan de orde is gesteld en vóór die datum - om welke reden dan ook - niet de aandacht kreeg die het verdiende.

Voorts is in het dossier geen bewijs aangetroffen van kennis bij verdachte over de behandeling van de Koerden door de Iraakse autoriteiten vóór 16 maart 1988. Nu de leveringen van verdachte aan Irak alle vóór 16 maart 1988 hebben plaatsgevonden dient hij te worden vrijgesproken van medeplichtigheid tot genocide.

9. Bewijsmiddelenverweer.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat processen-verbaal van bewijsoverzichten niet als afzonderlijke bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt en daarom dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer, daartoe overwegende dat zij niet inziet waarom zogenoemde overzichtsprocessen-verbaal niet als bewijsmiddel kunnen worden gebezigd, nu dit weergaven zijn van documenten die zich in het dossier bevinden en de rechtbank dus in staat is de juistheid van deze weergaven te controleren.

10. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de aard van het gewapend conflict.

Met betrekking tot de vaststelling van de aard van het gewapend conflict gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen:

10.1. een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar d.d. 19 mei 2005 inhoudende het verslag van een uitgevoerd bronnenonderzoek door deze opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verslag van dat bronnenonderzoek (F58):

[pagina 6 en volgende]

In hoofdzaak is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

- 'A modern history of the Kurds', third revised edition, 2004, door David McDowell (F58 sub1);

- 'Report on the situation on human rights in Iraq', 19-2-1993, mr. Max van der Stoel, E/CN.4/1993/45 (H74);

- 'Report on the situation on human rights in Iraq', 25-2-1994, mr. Max van der Stoel, E/CN.4/1994/58 (H75);

- 'Genocide in Iraq, The Anfal Campaign against the Kurds', New York, 1993, Middle East Watch/Human Rights Watch (H76);

- 'Bureaucracy of Repression; the Iraqi Government in it's own words', New York, 1994, Middle East Watch/Human Rights Watch (H77);

- de door de Koerden in 1991 in Noord-Irak inbeslaggenomen decreten, orders, rapporten e.d. (H74 en H75);

- 'Chemical Weapons use in Kurdistan', Washington 1988 (H83);

- schriftelijke getuigenverklaring in een Belgisch dossier (H46).

[pagina 12]

Op 22 september 1980 valt Irak Iran binnen en breekt de Iran-Irak oorlog uit.

De vijandelijkheden tussen Iran en Irak eindigen op 20 augustus 1988.

Hernieuwde gewapende strijd tussen georganiseerd Koerdisch verzet en Iraakse troepen bestaat vanaf november 1980. Verschillende Iraaks-Koerdische groeperingen gaan met elkaar samenwerken om het Baath-regime omver te werpen.

In 1986 vormen de Koerdische partijen KDP, PUK, KSP en ICP een gezamenlijk front tegen het Baath-regime van Saddam Hoesein.

In mei 1987 sluiten nog vier partijen zich bij het KDP/PUK/KSP/ICP-front aan en vormen het 'Koerdisch front' dat onder gezamenlijk commando staat. De oorlog in Iraaks Koerdistan van Koerden tegen Iraakse regeringstroepen heeft het karakter van een guerilla-oorlog. Koerdische troepen strijden voorts van tijd tot tijd samen met Iran tegen de Iraakse regeringstroepen.

[pagina 23 en volgende]

Het Anfal-offensief in 1988

Het Iraakse regime brengt in de slot-Anfal naar schatting van Human Rights Watch/Middle East Watch ongeveer 200.000 soldaten in het geweer tegen Koerdische troepen van KDP en PUK, die op zijn hoogst ieder 10.000 man sterk zijn.

10.2. een geschrift, te weten een rapport opgemaakt door […………………] en

[…………………]. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - als resultaat van een bronnenonderzoek (F61):

[pagina 1]

In hoofdzaak is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

- overzichtslijst van het Stockholm International Peace Researche Institute (SIPRI) en het Harvard Sussex Program waarin opgenomen zijn allerlei resoluties en krantenberichten;

- 'Genocide in Iraq: The Anfal Campaign against the Kurds' New York 1993, Middle East Watch/Human Rights Watch;

- een rapport van het Amerikaanse Departement of Navy, 10 december 1990, Stephen Pelletière en Douglas Johnson;

- verschillende historisch-politieke studies. In het bijzonder:

- 'The longest war: The Iran-Iraq military conflict', Paladin, Londen 1990, Dilip Hiro;

- 'The lessons of modern war vol II, The Iran-Iraq war', Westview press Boulder Co 1990;

- 'A modern history of the Kurds', third revised edition, IB Taurus & Co, New York 2004;

- 'The Kurds between Iran and Iraq' in Middle East report, Vol 16, no. 4 juli-augustus 1986.

[pagina 3]

Het begin van het gewapend conflict is te leggen op 22 september 1980 met de daadwerkelijke grootschalige invasie van Iraans grondgebied door Iraakse eenheden en vliegtuigen. Het einde van gevechtshandelingen in het kader van het gewapend conflict kan formeel worden gelegd op 20 augustus 1988, wanneer een wapenstilstand van kracht wordt.

De wapenstilstand is overeengekomen door het aannemen van resolutie 598 van de Veiligheidsraad van 20 juli 1987. Op diezelfde datum accepteerde Irak deze resolutie, terwijl Iran bijna een jaar later volgde op 18 juli 1988.

[pagina 11 en volgende]

Iran trachtte de effectiviteit van het eigen optreden te vergroten door gebruik te maken van de in Irak aanwezige binnenlandse (gewapende) oppositie. Hierbij ging het met name om Iraakse Koerden, maar ook om de Arabische (sji'itische) geloofsgenoten van het islamitische bewind van Iran, die tegen het door soennieten overheerste Baath-regime wilden strijden.

Er was dan ook sprake van verschillende vormen van samenwerking van Iran met Koerdische verzetsgroepen in Irak. [………….. ](= getuige 121], militair verbindingsambtenaar tussen de leiding van de PUK en het Iraanse leger, beschrijft deze samenwerking, waarbij sprake was van logistieke steun van Iran aan Koerdische verzetsgroepen en gezamenlijke militaire operaties. Zowel de KDP als de PUK opereerden in samenwerking met de Iraanse strijdkrachten, en coördineerde operaties met Iraanse operationele hoofdkwartieren.

De Koerdische verzetsgroepen traden op in samenwerking met reguliere Iraanse troepen bij het bestrijden van Iraakse posten en stellingen in het noorden van Irak. Ook werd er instructie gegeven in het gebruik van door Iran geleverde wapensystemen en werden militaire operaties door Iraanse hoofdkwartieren gecoördineerd. De peshmerga hadden als sinds de jaren '60 ervaring met het uitvoeren van relatief grote acties, waarbij gebruik werd gemaakt van lichte en zware wapens.

10.3. de ter terechtzitting van 30 november 2005 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 95] die - onder meer - inhoudt:

Ik heb meegewerkt aan het opstellen van de rapportage door Human Rights Watch. Ik heb in die hoedanigheid veel materiaal aangedragen en bestudeerd. Ik was zelf vroeger betrokken bij de strijd in Irak. Ik ben in 1979 peshmerga geworden. Peshmerga is een Koerdisch woord, dat letterlijk betekent ‘degenen die de dood in de ogen zien’. Het waren ook mensen die met de Koerden streden tegen de Irakese autoriteiten.

Ik heb mij in oktober 1979 aangesloten bij de organisatie. Ik kon mij toen niet direct aansluiten bij de gewapende strijd buiten de stad. Ik heb mij daarom eerst tot oktober 1990 aangesloten bij de gewapende strijd in de stad. Er was een gewapende strijd tussen de beweging van de peshmerga en de gewapende overheid, op een onderbreking van december 1983 tot februari 1985 na. In deze periode voerde de PUK geen strijd. De andere partijen, de KDP, Socialistische Partij en de Communistische Partij gingen in die periode wel door met de strijd. Deze strijd bestond uit een strijd met troepen en beide kanten hadden zware wapens. De zwaarste wapens van de strijders van de PUK waren mortiergranaten van 60 mm, 82 mm en 120 mm, ‘Katushka’ raketten, ‘Doshika’s’, dat zijn middelmatige machinegeweren, een mitrailleur op een standaard met patronen in een band, te gebruiken ter verdediging tegen helikopters en andere vliegtuigen en RPG, zogenaamde ‘rocket propelled grenades’. Aan Irakese kant hadden ze tanks, vliegtuigen, kanonnen van 130 mm, 155 mm en 175 mm en grote, zogenaamde ‘ground to ground’ raketten. De andere partijen hadden wapens die te vergelijken waren met die van de PUK, maar minder in hoeveelheid en verscheidenheid. De Socialistische Partij had geen ‘Katushka’ raketten en geen 120 mm mortiergranaten.

De peshmerga waren een georganiseerde militia-beweging met een bevelstructuur. Het hoogste orgaan was het politbureau, daaronder was een militair bureau. Weer daaronder stonden de regioafdelingen, vervolgens de eenheden en tenslotte de onderverdeling van de eenheden. De andere bewegingen hadden ook een dergelijke structuur, alleen hadden deze dan andere namen.

U vraagt mij hoe het zat met de controle van bepaalde gebieden door de overheid en de groeperingen. Had de Irakese regering controle over totaal Irak, of hadden één van de groeperingen de controle over bepaalde delen. In de periode van mijn aansluiten bij de peshmerga tot de Anfal is dit per periode verschillend geweest. In de periode van februari 1985 tot eind augustus 1988 waren de gebieden buiten de grote steden en de gebieden waar de hoofdweg door liep tot verboden gebied verklaard. In die gebieden bevonden zich de strijders. Irak voerde soms aanvallen van één dag uit op deze gebieden. Twee gebieden waren uitgezonderd, te weten de Jafayati-vallei en het Zewa-gebied in de provincie Duhok. In de Jafayati-vallei bevond zich het hoofdkwartier van de PUK. Dit was zodanig beveiligd dat dit niet in één dag door Irak te overwinnen was. Het Zewa-gebied was onder controle van de KDP.

De gebieden die door de Irakese regering tot verboden gebied waren verklaard, maakten allemaal deel uit van Koerdistan. Er waren geen andere delen van Irak tot verboden gebied verklaard.

Ook was er een strijd tussen Iran en Irak. Deze oorlog is begonnen op 22 september 1980. Er was sprake van een tweeledige strijd, namelijk het conflict tussen de verzetsbewegingen en de regering van Irak en los daarvan de strijd tussen Iran en Irak. Het is wel eens voorgekomen dat de verzetsbewegingen samen met Iran tegen de regering van Irak hebben gestreden. Ook is het voorgekomen dat één van de verzetsbewegingen samen met de Iraanse Koerden tegen Iran hebben gevochten.

De verschillende gewapende groeperingen en Iran hadden allemaal hun eigen doelstellingen welke ze wilden bereiken met betrekking tot Irak. Voornoemde groeperingen waren ook uitsluitend actief in Koerdistan. De Irakese regering werd in die bewuste periode gevormd door leden van de Baath partij. Zij waren allemaal van mening van de Koerden gast waren op het grondgebied van de Arabieren. De Koerden dachten dat het hun land was en daarom werd er strijd geleverd. Ze werden door Irak steeds onderdrukt.

De doelstelling van de Koerden was het krijgen van erkenning van de etnische nationale rechten, de erkenning van de taal en cultuur. De Koerden wilden als eersterangs burgers deelnemen aan het besluitvormingsproces. Na de wapenstilstand tussen Iran en Irak ging het Koerdische verzet door met de strijd tegen Irak. De aanvalsoperaties werden aangeduid met ‘Anfal’, waarvan er in totaal acht waren. In de ‘Anfal’ periode van 23 februari 1988 tot 6 september 1988 werden er alleen legeraanvallen uitgevoerd op die gebieden. Andere gebieden werden in die tijd alleen met helikopters of raketten aangevallen en dus niet met manschappen.

10.4. De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen als resultaten uit bronnenonderzoek zoals onder 10.1. en 10.2. is vermeld en gelet op de getuigenverklaring onder 10.3.:

a. dat er in de periode van 22 september 1980 tot 20 augustus 1988 tussen Irak en Iran sprake was van een internationaal gewapend conflict in de betekenis zoals die uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict;

b. dat er sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in de betekenis zoals deze uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict op het grondgebied van Irak tussen regeringstroepen van Irak enerzijds en gewapende (Koerdische) verzetsgroepen anderzijds. Dit niet-internationaal gewapend conflict was al begonnen ruim voor de telastgelegde periode en zette zich daarna nog voort.

Het feit dat de verzetsgroepen soms samen met de Iraanse troepen optraden, maakt hun optreden nog niet tot deelname aan een internationaal gewapend conflict. Niet is gebleken dat Iran in die gevallen de controle had over de verzetsgroepen en de verzetsgroepen bleven daarbij hun eigen doelstellingen nastreven.

Gezien de schaal van de operaties tussen regeringstroepen en de verzetsgroepen, de wapens die daarbij werden ingezet, het feit dat de verzetsgroepen in staat waren militaire operaties uit te voeren vanuit door hen gecontroleerde gebieden en de wijze van organisatie van deze verzetsgroepen is er niet meer sprake van interne ongeregeldheden, rellen of andere daden van sporadische geweld, maar van een niet-internationaal gewapend conflict in de betekenis waarin deze uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict.

11. Bewijsoverwegingen met betrekking tot het opzet van de verdachte.

Ten aanzien van het opzet van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in ieder geval vóór de eerste zending TDG, eind mei 1985, ervan op de hoogte was dat:

1. de Japanse overheid restricties had gesteld ten aanzien van de export van TDG naar landen in het Midden-Oosten, waaronder Irak, terwijl verdachte in de veronderstelling verkeerde dat dergelijke restricties ook voor de export van TMP golden;

2. de door zijn tussenkomst te leveren chemicaliën, waaronder TDG, Irak als eindbestemming hadden, terwijl door of namens verdachte op de transportdocumenten, naast een onjuiste eindbestemming in Europa, bewust een onjuist eindgebruik werd vermeld;

3. al de door zijn tussenkomst te leveren chemicaliën, waaronder TDG, gebruikt konden worden voor de productie van gifgasen, gezien de onder 1., 2. en 3. weergegeven wetenschap in onderlinge samenhang bezien, deze chemicaliën ook zouden worden gebruikt voor de productie van gifgas;

4. de Republiek Irak in de Iran-Irakoorlog gebruik maakte van gifgas.

Door ondanks de onder 1. tot en met 4. weergegeven wetenschap bij te dragen aan de levering van grote hoeveelheden TDG aan SEORGI heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze TDG, als bestanddeel van een gifgas, aangewend zou worden bij (de in de bewezenverklaring vermelde) chemische aanvallen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorwaardelijk opzet van verdachte reeds volgt uit zijn onder 1., 2. en 3. weergegeven wetenschap. Immers, van degene die chemicaliën levert waarvan hij weet dat ze zullen worden gebruikt voor gifgasproductie door een land dat in een langdurige oorlog is verwikkeld die het zelf is begonnen, kan met recht worden gezegd dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt, dat het te produceren gifgas ook op het slagveld zal worden ingezet. In dat verband is van belang dat verdachte zich in het vooronderzoek uitdrukkelijk niet op het standpunt heeft gesteld, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de chemicaliën door Irak slechts zouden worden aangewend voor ontwikkeling, aanmaak en opslag van chemische strijdmiddelen en hij ter terechtzitting een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan.

Dat de kans dat de TDG, als bestanddeel van een gifgas, aangewend zou worden bij chemische aanvallen niet alleen aanmerkelijk was, maar welhaast honderd procent bedroeg, blijkt uit de verklaringen die de getuige-deskundige [getuige-deskundige] en de getuige [getuige 18] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd. Uit deze verklaringen volgt dat TDG, zeker in de hoeveelheden waarvan in deze zaak sprake is, in Irak geen civiele toepassing kende en dat de TDG werd geïmporteerd ten behoeve van de (wapen)fabriek MSE dat daarmee op bestelling mosterdgas heeft geproduceerd dat binnen afzienbare tijd na de productie ook daadwerkelijk op het slagveld werd ingezet.

De rechtbank leidt de onder 1. tot en met 4. weergegeven vaststaande feiten af uit de navolgende bewijsmiddelen:

a) Op 1 september 1984 bericht [getuige 92] verdachte per telex – aanhef: “betr.: T.M.P. verstrekking kredietbrief” - (H10 8586) onder meer (vertaald uit het Engels): “Wij zijn ook verplicht aan ons Ministerie van Industrie en Instituut voor de Handel [MITI] (Centrale Overheid) te rapporteren waar het trifosfaat naar toe verscheept wordt. En over het eindgebruik, zoals D.D.T. Vertel me op zijn minst de bestemming, want de Japanse overheid vreest dat met dit materiaal een gifgas of buskruit kan worden gemaakt. Ik wil je daarom voorstellen dat deze materialen gebruikt gaan worden voor de productie van insectenverdelgende middelen, zoals D.D.T. Telex me alsjeblieft de naam van de eindgebruiker en de haven waar gelost gaat worden (wat mij betreft vertel je ons een noodzakelijk leugentje).”;

b) Op 3 september 1984 verzendt verdachte vanaf de telex “[bedrijf 4]SING” een telexbericht - aanhef: “betr.: TMP zending” - (H10 8549) onder meer aan [getuige 112], president van Seorgi (vertaald uit het Engels): “belangrijk: Japanse overheid wil bestemming en gebruik van TMP weten, fabriek stelt derhalve voor dat we aangeven dat TMP gebruikt wordt als insectenverdelgend middel zoals D.D.T. en een noodzakelijke leugen plegen met betrekking tot de eindgebruiker. Mijn persoonlijke advies is “brandstof additief” aangeven zoals eerder besproken, en eindbestemming Triëst, Italië”;

c) Op 11 september 1984 ontvangt verdachte op de telex “[bedrijf 4]SING” een telexbericht – aanhef: “betreft / TMP verscheping” - (H10 8585, bovenaan) verstuurd van het telexnummer dat verdachte op 3 september 1984 heeft gebruikt om [getuige 112] te bereiken. In deze telex valt onder meer te lezen (vertaald uit het Engels): “Omdat uw voorstel is eindbestemming Italië, zal de letter of credit als volgt worden geopend: Vanaf Japan naar Italië over zee […] en vanuit Italië naar Bagdad […] per vrachtwagen via Turkije”;

d) Op 26 september 1984 verstuurt verdachte vanaf de telex “[bedrijf 4]SING” een telexbericht aan [getuige 92] - aanhef: “betr.: TMP” - (H10 8551), waarin onder meer is opgenomen (vertaald uit het Engels): “Eindgebruiker is niet mijn cliënt, naam cliënt is

bedrijf 22] in Zwitserland. Lijken erg goede connecties te hebben met Frans/Italiaans consortium dat HF levert als vervanger voor catalysatoren voor lineaire alkylbenzeenfabrieken dat het over de gehele wereld heeft gebouwd. Weet dus eerlijk niet precies waar het heengaat, maar er lijken twee waarschijnlijke mogelijkheden (1) Joegoslavië (2) Egypte”;

e) Het dossier bevat voorts een, onder verdachte in beslag genomen, ongedateerd telexbericht van [getuige 92] aan verdachte – aanhef: “betreft: Thiodiglycol” (H10 8585, onderaan) waarin onder meer is opgenomen (vertaald uit het Engels): “We hebben vier fabrikanten in Japan gevonden. Maar de enige mill kan een offerte voor u maken. De andere zijn te klein. Het is echter wel nodig om een exportvergunning van onze regering te verkrijgen. Dit materiaal is heel gemakkelijk te veranderen om er gifgas van te maken. U moet de naam van de eindgebruiker bekend maken (u kunt het mij zeggen en als het nodig is tegen mij liegen) en de eindbestemming […] De officiële offerte zal gemaakt worden nadat u de naam en het land van de eindgebruiker hebt gegeven. Midden-Oosten is niet beschikbaar”.

Uit de verklaring die getuige [getuige 92] bij de politie te Osaka heeft afgelegd, inhoudende dat deze telex tijdens de onderhandelingen over TMP is verzonden, alsmede de inhoud van deze telex, leidt de rechtbank af dat [getuige 92] deze telex medio 1984 aan verdachte heeft verzonden. De verklaring van getuige [getuige 92] ter terechtzitting, dat deze telex in 1986 of 1987 zou zijn gestuurd, moet op een vergissing berusten. In die jaren werd door [getuige 92] en verdachte immers vanwege de ongunstige koers van de Yen naar Amerikaanse en niet naar Japanse leveranciers gezocht;

f) De in het aan dit vonnis gehechte “proces-verbaal m.b.t. gebezigde vaten” genoemde vrachtbrieven betreffende de zending TMP en de zendingen TDG vermelden allemaal een Europese eindbestemming, alsmede als gebruik van TMP “fuel additive” en als gebruik van TDG “textile additive”;

g) Verdachte heeft bij de recherche onder meer verklaard (C1B1, pagina 10 en 11): “[…] ik [had] een off-shore bedrijf nodig […] [getuige 31] gaf mij een lijst met bedrijven waaruit ik kon kiezen […] Het bedrijf is toen geworden [bedrijf 5]. […] De winst uit [bedrijf 5] was alleen voor mij […] De vrachtbrief, waarmee ik de Bill of Lading bedoel, werd opgemaakt in order of [bedrijf 5]”, (C1B3, pagina 15:) “[Bedrijf 5] is [in 1986/1987] [bedrijf 6] geworden […] De werkwijze zoals bij [bedrijf 5] werd nu overgenomen door [bedrijf 6]. De winst die ik maakte met [bedrijf 6] kwam op een rekening die op mijn naam was geopend”;

h) Verdachte heeft bij de recherche over het eindgebruik van de TDG verklaard (C1B5, pagina 33): “Volgens [getuige 112] [was de TDG bestemd] voor de textielindustrie. Het is een hechtmiddel voor kleurstoffen op weefsel. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik niet weet of ik op dat moment wist dat het een hechtmiddel was”. Voorts heeft verdachte bij de recherche verklaard, na te hebben aangegeven dat hij nooit bij een (civiele) afnemer / gebruiker van de TDG is gaan kijken (C1B7, pagina 46): “Ik denk niet dat ze er erg blij mij zouden zijn als ik zou komen kijken”;

i) Getuige [getuige 92] heeft op de terechtzitting van 2 december 2005 - volledig in lijn met zijn verklaringen bij de politie van Osaka - verklaard dat Japanse handelspartners tijdens de onderhandelingen betreffende TMP, medio 1984, verdachte hebben voorgehouden dat TMP, TDG, PCl3, POCl3 en HF mede voor de productie van gifgas konden worden gebruikt;

j) Verdachte heeft op de vraag van de recherche of hij naast de onder i) genoemde chemicaliën nog andere chemicaliën aan Seorgi heeft geleverd, geantwoord dat hij nog een keer “DMP” aan hen heeft geleverd (C1B7, pagina 47);

k) [Getuige 92] heeft op 15 november 1984 een onder verdachte in beslag genomen telexbericht gestuurd aan [initialen verdachte]-Singapore (H10 8606) waarin onder meer te lezen valt: “Otherwise, DMMP is concerned. It is very difficult to find out mill in Japan. But now there is only one producer in north east Japan. However, this producer said, the buyer should be inform the final usages of DMMC, because they are worry about to use a row material as to make a poison gas. As soos as you can let me know the usages of DMMP, I will be able to obtain offer from producer”;

l) Verdachte heeft bij de recherche onder meer verklaard (C1B2, pagina 10): “Ik heb toen in mijn flat in Singapore een telex ontvangen met een offerte […] Ik heb de offerte aan [getuige 112] laten zien, die vond hem veel te hoog”, en (C1B3, pagina 15): “Tegen mij werd toen gezegd door ene [naam], die directeur was van [bedrijf 7] uit Irak [en van MSE, rechtbank], dat het beter zou zijn dat ik de producten uit Amerika moest zien te krijgen. Het had […] te maken met de prijs” en tenslotte (C1B6, pagina 37): “Verder werd er dus een offerte gemaakt […] Ik deed daar een percentage van 15% tot 20% bovenop”;

m) Getuige [getuige 92] heeft bij de politie te Osaka onder meer verklaard (G92.1, pagina 841): “Ook was de voorwaarde die [verdachte] stelde, een commissie van 15 à 20% van de vrachtprijs, zeer goed in vergelijking met de commissie van 3% voor export van ijzer en staal”;

n) Verdachte is blijkens zijn eigen verklaring (C1B1, pagina 4 en 5) in 1978 in Bagdad gaan wonen. In 1980 heeft hij Bagdad vanwege de (Iran-Irak)oorlog verlaten. In 1984 en 1985 heeft hij zowel in Italië en Zwitserland, als in Singapore gewoond. Begin 1984, toen hij voor [bedrijf 4] Rome werkte, is hij voor [bedrijf 4] naar Singapore vertrokken. Eind 1985 is verdachte uit Singapore teruggekeerd. Uit het onder b), c) en d) aangehaalde telexverkeer blijkt dat verdachte zich in ieder geval in september 1984 in Singapore bevond en dat hij, blijkens een in zijn paspoort opgenomen, in Singapore afgegeven visum (H10 4715) in ieder geval tot eind mei 1985 in Singapore heeft verbleven;

o) De ex-echtgenote van verdachte, die onder meer in de periode 1984/1985 met verdachte heeft samengewoond, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte in die periode geïnteresseerd was in wat er in de wereld gebeurde, het gehele wereldgebeuren volgde en regelmatig kranten en magazines las. Tijdens hun verblijf in Italië en Zwitserland las verdachte voornamelijk Italiaanse kranten zoals de Corriere della Sera. In het buitenland las hij buitenlandse kranten. Voorts heeft zij verklaard dat zij met verdachte regelmatig sprak over de gebeurtenissen in Irak, aangezien Irak een deel van hun leven was geworden. Tenslotte heeft zij verklaard dat verdachte onder meer goed Engels en Italiaans spreekt;

p) Uit het dossier (H103) blijkt dat de Corriere della Sera op 6 maart 1984, 11 maart 1984, 13 maart 1984, 14 maart 1984, 19 maart 1984, 31 maart 1984 en 31 juli 1984 (alsmede op 23 maart 1986) heeft bericht over het gebruik van gifgas door Irak. Voorts blijkt uit het dossier (H131 en F 96) dat in Engelstalige kranten die in Singapore en/of Maleisië zijn verschenen over het gebruik van gifgas door Irak is bericht op 5 maart 1984, 9 maart 1984, 28 maart 1984, 1 april 1984, 9 april 1984, 31 juli 1984, 4 november 1984, 17 januari 1985, 27 maart 1985, 12 april 1985, 25 april 1985 en 27 april 1985 (alsmede op 19 juni 1985).

Ad. 1

Uit de inhoud van de hierboven onder a) en e) aangehaalde telexberichten van [getuige 92] aan verdachte blijkt dat [getuige 92] verdachte vóór het eerste transport TDG schriftelijk heeft medegedeeld dat zowel TMP als TDG niet zonder toestemming van de Japanse overheid kon worden geëxporteerd naar (onder meer) Irak en dat dit verband hield met de vrees dat met deze middelen gifgas zou worden geproduceerd.

Ad. 2

Uit de inhoud van het onder c) genoemde telexbericht blijkt dat verdachte van meet af aan ervan op de hoogte is geweest dat de chemicaliën naar Bagdad vervoerd zouden worden. Desondanks blijkt uit de inhoud van de onder f) vermelde vrachtbrieven betreffende de zendingen TMP en TDG dat daarop een eindbestemming in Europa is vermeld. Uit verdachtes onder g) aangehaalde verklaringen volgt dat hij als enig feitelijk betrokkene bij [bedrijf 5] en [bedrijf 6] de vrachtbrieven moet hebben opgemaakt, althans moet hebben laten opmaken.

Met name vanwege het in de onder b) aangehaalde, door verdachte opgestelde telexbericht van 3 september 1984, waarin verdachte een persoonlijke suggestie doet ten aanzien van het eindgebruik van de chemicaliën, acht de rechtbank bewezen dat, naast een onjuiste eindbestemming, bewust een onjuist eindgebruik werd opgegeven. Indien de stellingname van verdachte – kort gezegd erop neerkomend dat hij overtuigd was van het door Seorgi opgegeven civiele eindgebruik van de chemicaliën (in het geval van TMP “vlamvertrager” (C1B4, pagina 20)) – juist zou zijn, valt niet in te zien waarom hij een persoonlijke suggestie met betrekking tot het eindgebruik moest doen. Indien verdachte inderdaad overtuigd was van bedoeld civiel eindgebruik, dan had die toepassing namelijk (al dan niet vergezeld van een onjuiste eindbestemming) namelijk zonder problemen aan de Japanse overheid kunnen worden opgegeven en op de vrachtbrieven kunnen worden vermeld. Uit het onder e) aangehaalde, ongedateerde telexbericht van [getuige 92] aan verdachte, leidt de rechtbank af dat dezelfde procedure is gevolgd ten aanzien van de zendingen TDG. De vermeende overtuiging van verdachte dat de TDG als “textile additive” zou worden gebruikt, wordt bovendien ontkracht door zijn eigen, onder h) aangehaalde verklaringen.

Ad. 3

Gezien de onder a), e) en k) aangehaalde telexberichten van [getuige 92] aan verdachte, alsmede de onder i) aangehaalde getuigenverklaring van [getuige 92] staat vast dat verdachte van meet af aan van alle zes door zijn tussenkomst ten behoeve van SEORGI te leveren chemicaliën wist, dat zij konden worden gebruikt bij de productie van gifgas. Gecombineerd met het feit dat hij wist dat er ten aanzien van Irak exportrestricties in verband met dit mogelijk gebruik golden, alsmede de omstandigheid dat verdachte bewust onjuiste eindbestemmingen en onjuist eindgebruik opgaf, althans liet opgeven – ad. 1 en ad. 2 - staat vast dat verdachte, net als [getuige 92], wist dat de chemicaliën zouden worden gebruikt ten behoeve van de productie van gifgas. Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat uit de onder l) en m) aangehaalde verklaringen onder meer blijkt dat SEORGI bereid bleek verdachte een zeer hoge commissie te betalen. Ook voor verdachte moet het volslagen onaannemelijk zijn geweest dat een zo hoge commissie werd betaald voor de invoer van een hechtmiddel voor kleurstoffen op weefsel. Dat SEORGI op de hoogte was van het feit dat een hoge commissie werd betaald en verdachte wist dat SEORGI daarvan op de hoogte was, leidt de rechtbank af uit de onder l) opgenomen verklaringen van verdachte, waaruit blijkt dat hij SEORGI op de hoogte bracht van de prijs die de leverancier in rekening bracht en dat hij er (namens SEORGI) vanuit Irak op werd gewezen dat de prijzen van TDG in Amerika lager lagen dan in Japan.

Ad. 4

De rechtbank leidt uit de onder n), o) en p) weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte voor het eerste transport TDG op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat Irak gebruik maakte van chemische strijdmiddelen in de oorlog met Iran.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank zowel het (voorwaardelijk) opzet op de medeplichtigheid, als het (voorwaardelijk) opzet op de bewezenverklaarde oorlogsmisdrijven bewezen.

12. De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in hieronder te vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Met betrekking tot feiten 1 subsidiair en 2:

12.1. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 6 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 6 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B1 - pagina 4 tot en met 7):

In ongeveer 1978 ben ik naar Irak vertrokken, waar ik heb gewoond in Bagdad. Het kantoor van [bedrijf 3] was gevestigd in Bagdad. In 1980 brak de Iran-Irak oorlog uit.

De locatie van het kantoor was riskant en we kregen toestemming van het Ministerie van Olie om met het voltallige personeel te vertrekken naar Amman om vandaar door te reizen naar Zürich. Begin 1984 ben ik naar een bedrijf gegaan waar enkele ex-[bedrijf 3] mensen werkten. Dit bedrijf was genaamd [bedrijf 4] en was gevestigd in Rome. Deze mensen vroegen mij om naar Singapore te gaan want [bedrijf 4] had daar een kantoor. Zij vroegen mij om directeur te worden van hun locatie in Singapore. Ik woonde toen ook in Singapore. In 1985 ben ik teruggegaan naar mijn woning in Bissone.

Ik spreek en schrijf Nederlands, Frans, Duits, Engels en Italiaans. Alle contacten liepen via SEORGI.

12.2. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 7 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 7 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B2 - pagina 10 tot en met 12):

Ik had een off-shore bedrijf nodig. [Getuige 31] gaf mij een lijst met bedrijven waaruit ik kon kiezen. Het bedrijf is toen geworden [bedrijf 5]. De winst uit [bedrijf 5] was alleen voor mij. De vrachtbrief, waarmee ik de Bill of Lading bedoel, werd opgemaakt in order of [bedrijf 5]. De route van verscheping was vanaf Japan naar Triëst in Italië. Dat is tot ongeveer 1986 / 1987. Ik weet dat de containers verscheept zijn vanaf Triëst naar Aqaba in Jordanië. Later begreep ik dat ze wel waren aangekomen. Ook al was ik niet verantwoordelijk voor de eindbestemming, heb ik wel door te vragen aan mensen van SEORGI of de producten waren aangekomen de bevestiging gekregen dat het was gebeurd.

12.3. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 7 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 7 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B3 - pagina 15):

[Bedrijf 5] is [bedrijf 6] geworden. De werkwijze zoals bij [bedrijf 5] werd nu overgenomen door [bedrijf 6]. De winst die ik maakte met [bedrijf 6] kwam op een rekening die op mijn naam was geopend. Tegen mij werd toen gezegd door ene [naam], die directeur was van [bedrijf 7] uit Irak, dat het beter zou zijn dat ik de producten uit Amerika moest zien te krijgen. Het had dus te maken met de prijs. Ik heb toen, in 1986/1987, [getuige 92] gevraagd of hij in Amerika contacten had.

12.4. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 8 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 8 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B4 – pagina 21):

Ik heb ook in de beginjaren tachtig bombardementen meegemaakt. Ik volgde toen het nieuws via de tv, in die tijd waren er twee staatszenders en zelf hadden wij kortegolf radio's.

12.5. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 8 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 8 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B5 – pagina 31 tot en met 33):

[Bedrijf 8] verzamelde de goederen en materialen en vervoerde naar Irak. Volgens [getuige 112] was de TDG, die ik aan Irak ging leveren, bestemd voor de textielindustrie. Het is een hechtmiddel voor kleurstoffen op weefsel. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik niet weet of ik op dat moment wist dat het een hechtmiddel was.

12.6. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 14 december 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 14 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B6 – pagina 36):

Eind 1980 brak de oorlog uit. Je had niet alle vrijheid maar wel redelijke vrijheid om te handelen. Verder heb ik bij de invoer van goederen die bestemd waren voor een staatsbedrijf mij nooit bemoeid met de afhandeling ervan. Het eerste contact was ongeveer in 1984 telefonisch met [getuige 112]. Hij vroeg mij om vier producten te leveren. Voor mij was duidelijk dat dit voor SEORGI was.

12.7. een proces-verbaal van verhoor van verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 7 januari 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 7 januari 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte (C1B7 – pagina 42 tot en met 47):

U vraagt mij in wat voor taal de kranten verschenen in Bagdad. Er was ook wel een tijdje een Engelse krant zoals de Observer in het begin van de tachtiger jaren. Ik volgde gewoon het normale nieuws zoals iedereen dat volgde. U vraagt mij wat ik kan verklaren over de oorlog in Irak. Het verhaal van de Koerden kwam er altijd in voor. U vraagt mij of ik een afnemer/gebruiker van Thiodiglycol in Irak weet te noemen. De afnemer was SEORGI.

Ik denk niet dat ze er erg blij mee zouden zijn als ik zou komen kijken. U vraagt mij of ik naast voornoemde stoffen ook nog andere stoffen aan SEORGI heb geleverd. Er is volgens mij een keer DMP geweest dat ik heb geleverd.

12.8. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 04 mei 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 04 mei 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 90] (G90.I – pagina 822 tot en met 830 en RC-dossier - pagina 40 tot en met 48):

[Verdachte] volgde het hele wereldgebeuren. [Verdachte] en ik spraken regelmatig over de gebeurtenissen in Irak, omdat Irak een deel van ons leven was geworden.

[Verdachte] las regelmatig kranten en magazines zoals bijvoorbeeld de National Geographic. Toen we in Italië en Zwitserland woonden las hij voornamelijk Italiaanse kranten, zoals bijvoorbeeld de Corriere della Sera, en ook buiten die landen las hij wel buitenlandse kranten. Ook keken we veel naar nieuws op de tv. [Vedrachte] spreekt goed Engels, Nederlands, Italiaans en volgens mij spreekt hij ook wel Duits en Frans. Ook in Singapore keek [verdachte] naar het nieuws op de tv. Hij was geïnteresseerd in wat er in de wereld gebeurde.

12.9. acht geschriften, zijnde artikelen uit de Corriere della Sera getiteld respectievelijk:

1) “Gli Stati Uniti accusano l’Irak di usare armi chimiche e l’Iran di non volere pace, Gas: soldato iraniano morto a Stoccolma, due gravi a Vienna” gepubliceerd op 6 maart 1984 (H103/23);

2) “Si chiama «Mikotoxin» ed è stato usato in combinazione con l’Iprite, Un tossicologo belga ha isolato il gas che ha ferito e ucciso i soldati iraniani” gepubliceerd op 11 maart 1984 (103/22);

3) “I militari ustionati da gas tossici sono deceduti tra la notte di sabato en lunedì mattina, Morti a Vienna altri due soldati iraniani intossicati accuse anche ad un’industria chimica italo-francese” gepubliceerd op 13 maart 1984 (H103/21);

4) “Mentre Bagdad smentice le accuse, Teheran: «L’Irak usa ancora i gas»” gepubliceerd op 19 maart 1984 (103/19);

5) “Washington ha le prove sull’uso dei gas tossici da parte irachena” gepubliceerd op 31 maart 1984 (103/18);

6) “«Spiegel» scrive che tecnici tedeschi lavorano sui due fronti, Gas per l’Irak e maschere per l’Iran sarebbero prodotti entrambira Bonn” gepubliceerd op 31 juli 1984 (H103/17);

7) “L’Onu condanna l’Irak per l’uso di gas tossici” gepubliceerd op 23 maart 1986 (103/15);

8) “Per fronteggiare le ondate umane iraniane Bagdad produce a pieno ritmo micidiali gas tossici, Dove nasce la morte invisibile irachena” gepubliceerd op 9 augustus 1987 (H103/14),

waarvan hierna kopieën zijn ingevoegd alsmede de Nederlandse vertalingen daarvan (H103a – respectievelijk 1) pagina 857 tot en met 858; 2) pagina 855 tot en met 856; 3) pagina 852 tot en met 854; 4) pagina 850 tot en met 851; 5) pagina 848 tot en met 849; 6) pagina 846 tot en met 847; 7) pagina 843; pagina 842).

[Afbeeldingen 12.9

Deze kopieën en vertalingen zijn hier niet opgenomen, maar (binenkort) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis in strafzaak Van A.’ te vinden op de pagina Actualiteiten van de rechtbank ’s-Gravenhage.]

12.10. een proces-verbaal met betrekking tot krantenknipsels Singapore Press Holdings van het Korps landelijke politiediensten, d.d. 8 november 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van deze opsporingsambtenaar (F96 – pagina 775 tot en met 778):

Op 19 oktober 2005 bezocht ik de bibliotheek van Singapore Holdings Ltd.Co (SPH) om na te gaan in welke mate in Singapore en Maleisië is gepubliceerd over gifgasgebruik in de Iran-Irak-oorlog en de Iraakse strijd tegen de Koerden. De grootste Engelstalige krant van SPH is de Straits Times. Voorts is SPH uitgever van onder meer de volgende Engelstalige bladen in Singapore: de Sunday Times (de zondagseditie van de Straits Times) en de Business Times. In Maleisië is SPH onder meer uitgever van de New Straits Times en de New Sunday Times (de zondageditie van de New Straits Times).

In genoemde bibliotheek heb ik inzage gekregen in microfilms met Engelstalige krantenknipsels met betrekking tot de Iran-Irak oorlog en losse krantenknipsels met betrekking tot dit onderwerp.

Tot de door mij onderzochte artikelen behoren onder andere:

Straits Times

- “Poison gas hurt 10 Iranians’s claim”, 5-3-1984;

- “UN team says poison gas was used; No specific reference to Iraq in report”, 28-3-1984;

- “Pesticides for Iraq: Kohl demands inquiry”, 31-7-1984;

- “UN slams use of chemical weapons; Security Council appalled at latest incident in Iran-Iraq war”, 27-4-1985;

- “Iraqi’s used chemicals against Iran”, 19-6-1985;

Sunday Times

- “The human horror of chemical warfare”, 1-4-1984;

- “Iraqi nerve gas stocks up”, 4-11-1984;

Business Times

- “Iran accused UK of supplying Iraq with chemical arms”, 5-3-1984;

- “More than one culprit”, 9-3-1984;

- “Assembly deplores use of chemical weapons”, 9-4-1984;

New Straits Times

- “UN Chief: Iraq won’t renounce chemical arms use”, 17-1-1985;

- “US confirms Iraqi use of mustard gas”, 27-3-1985;

- “Iraqi threat to unleash new weapons”, 12-4-1985;

- “Better chance to end Gulf War now”, 25-4-1985;

New Sunday Times

- “Iraq has big supply of chemical weapons”, 4-11-1984.

12.11. 16 geschriften, zijnde krantenartikelen uit Singapore gepubliceerd op 5 maart 1984, 9 maart 1984, 28 maart 1984, 1 april 1984, 9 april 1984, 31 juli 1984, 4 november 1984, 17 januari 1985, 27 maart 1985, 12 april 1985, 25 april 1985, 27 april 1985 en op 19 juni 1985, welke geschriften als bijlage zijn opgenomen bij een schrijven van 01 november 2005 van officier van justitie mr. F. Teeven aan voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Den Haag, mr. R.A.C. van Rossum, waarvan hierna kopiëen zijn ingevoegd alsmede de Nederlandse vertalingen daarvan.

[Afbeeldingen 12.11

Deze kopieën en vertalingen zijn hier niet opgenomen, maar (binnenkort) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis in strafzaak Van A.’ te vinden op de pagina Actualiteiten van de rechtbank ’s-Gravenhage.]

12.12. een geschrift, zijnde een kopie van een op 22 mei 1985 te Singapore aan verdachte afgegeven visum (H10 – pagina 4715), van welk geschrift hierna een kopie is ingevoegd.

12.13. de in het proces-verbaal terechtzitting van 18 maart 2005 opgenomen verklaring van verdachte, voor zover inhoudende, dat hij zelf dan wel door middel van een of meer bedrijven die van hem waren, dan wel waarover hij de feitelijke zeggenschap had, in de telastgelegde periode de grondstof TDG heeft geleverd aan de toenmalige regering van de Republiek Irak, welke grondstof onder meer uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstig was, doch dat die grondstof was geleverd in Akaba.

12.14. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door Japanse politiefunctionarissen op 22 juni 2005 te Osaka (Japan) opgemaakt proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op 22 juni 2005 afgelegde verklaring van getuige [verdachte 92] (G92 – pagina 839 tot en met 856):

[Verdachte] was tussen 1984 en 1988 mijn handelspartner in chemicaliën. Met betrekking tot de handel in chemicaliën met [verdachte] wist ik dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd. In 1984, toen ik begon te onderhandelen met [verdachte], vertelde hij mij dat de eindbestemming Bagdad, Irak, was. Ook had [verdachte] mij verzocht geheim te houden dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd.

Uit de onderhandelingen bleek duidelijk dat de chemicaliën als grondstof zouden worden gebruikt voor chemische wapens. En ik wist dat deze in 1988 werden gebruikt toen er Koerden in Irak werden vermoord. Omdat de handelsvoorwaarden van [verdachte] aantrekkelijk waren, had ik gedacht dat dit winstgevend werk was en heb ik actief deelgenomen in deze handel. Bij handel in Amerika gebruikte ik naast mijn naam de roepnamen Charles en Charlie.

Toen ik in Portland, Oregon, verbleef voor onderhandelingen in niet-ijzerhoudend metaal voor [bedrijf 9], raadde [naam] mij aan om zaken te doen met [verdachte], de general manager van chemicaliënbedrijf [bedrijf 4], filiaal Singapore. [Verdachte] wilde vanuit Japan chemicaliën importeren. [naam] gaf mij het telefoonnummer en telexnummer van [verdachte] bij [bedrijf 4] Singapore. Als betrokkene bij in- en uitvoer wist ik dat [bedrijf 4] een wereldberoemd chemisch bedrijf was en vond dit de grote kans om mijn handel te vergroten. Na mijn terugkeer in Japan heb ik onmiddellijk via telefoon en telex contact opgenomen met [verdachte]. Hij bleek mij te kennen en onmiddellijk benaderde hij mij dat hij de chemische stof TMP wilde importeren. Dit was rond mei of juni 1984.

Tijdens de eerste onderhandeling heeft [verdachte] mij gezegd: “De chemicaliën worden eerst naar Triëst, Italië, verscheept. Daarna wordt het over de weg naar Bagdad, Irak, vervoerd. Houd geheim dat de chemicaliën naar Irak worden geëxporteerd.” Toen ik dit verhaal hoorde, dacht ik dat de chemicaliën zouden worden omgezet in chemische wapens. Ik wist als betrokkene bij export dat er strenge restricties waren voor goederen, die naar het Midden-Oosten en naar Oost-Europa werden geëxporteerd.

Omdat ik dacht dat de chemicaliën gebruikt zouden worden voor de productie van chemische wapens, vroeg ik aan [verdachte] wat het eindgebruik was. Hij legde mij uit dat de chemicaliën zouden worden gebruikt voor consumptiegoederen zoals textiel en leer. Ik dacht dat zijn uitleg een leugen was. Als het wordt gebruikt voor consumptiegoederen als textiel zoals [verdachte] zei, hoeft niet geheim gehouden te worden dat Irak de eindbestemming is. Ook was de voorwaarde die [verdachte] stelde, een commissie van 15 à 20% van de vrachtprijs, zeer goed in vergelijking met de commissie van 3% voor export van ijzer en staal.

Ik dacht dat er een gevaarlijke handel achter deze te goede voorwaarden zat. Ik dacht dat er een beloning bij inbegrepen was voor het feit dat ik geheim zou houden dat de eindbestemming Irak is en de chemicaliën worden gebruikt voor de productie van chemische wapens. Mijn contract met [verdachte] was om de goederen vanuit Japan naar Italië te exporteren. [Verdachte] zou zorgen voor de export vanuit Italië naar Irak. Ik hoefde maar te doen alsof ik niet had gehoord dat de chemicaliën naar Irak werden vervoerd. Het maakte mij dus niet uit dat de chemicaliën naar Irak werden vervoerd en hoe die werden gebruikt.

Daarna heb ik niet meer aan [verdachte] gevraagd waar de chemicaliën voor zouden worden gebruikt. Ook al zou ik van [verdachte] de waarheid hebben gehoord, dat wil zeggen dat de chemicaliën gebruikt zouden worden voor de productie van chemische wapens, zou ik mijn onderhandelingen met hem hebben voortgezet.

Omdat ik een leek was op het gebied van chemicaliën, heb ik bij [bedrijf 10], het bedrijf waarmee ik handelde voor export in staal, een verzoek ingediend om een handelaar in TMP aan mij voor te stellen. Ik werd daarop voorgesteld aan [bedrijf 11], een chemisch bedrijf gevestigd in Tokio. Tijdens de onderhandelingen over TMP legde zowel [bedrijf 10] als [bedrijf 11] uit dat TMP een grondstof is voor gifgas en dat er goed opgelet moest worden bij export. Toen ik dit hoorde was ik er zeker van geworden dat productie van gifgassen in Irak het doel van [verdachte] was. De contactpersonen bij [bedrijf 10] en [bedrijf 11] vroegen om uitleg over de eindbestemming van “TMP” en het eindgebruik hiervan. Als antwoord werd gegeven dat de eindbestemming Triëst, Italië, was en dat het zou worden gebruikt voor

consumptiegoederen als textiel. Mijn contract met [verdachte] was dat de chemicaliën naar Italië werden vervoerd en dat ik alleen maar had gehoord dat het zou worden gebruikt voor consumptiegoederen. De eerste keer dat ik [verdachte] ontmoette was rond juli 1984.

Ik ontmoette [verdachte] op [bedrijf 4] in Singapore. Naast [verdachte] werkte op het kantoor van [bedrijf 4] een vrouwelijke kantoorbediende, die [naam] heette.

De onderhandelingen over TMP met [verdachte] die in mei of juni 1984 waren begonnen, bereikten een overeenkomst en in oktober 1984 werd 80 ton TMP van [bedrijf 11] geëxporteerd vanuit de haven van Yokohama. Dit was de eerste handel met [verdachte]. De chemicaliën werden in eerste instantie verkocht door [bedrijf 11] aan [bedrijf 10] en werd vervolgens doorverkocht aan [bedrijf 9] die exporteerde. Voor de exportprocedures werd de Engelse naam van [bedrijf 9], […….Corporation] gebruikt.

De LC was afgegeven door Banca del Gottardo Lugano Branch van Zwitserland en stond op naam van [verdachte] van [bedrijf 12]. Op L/C waren de details van de goederen vermeld. Ik had het gevoel dat deze [bedrijf 12] een bedrijf was dat [verdachte] had opgericht voor handel in chemicaliën. Ik dacht dat dit bedrijf een nep-bedrijf was. [Verdachte] kon als General Manager bij [bedrijf 4] handelen op deze naam. Het adres van dit bedrijf was het huis van [verdachte] in Milaan. Na juli 1984, nadat ik het kantoor van [bedrijf 4] Singapore had bezocht, heeft [verdachte] zijn vestigingsplaats gewijzigd naar Milaan, Italië.

Tijdens de eerste onderhandelingen met [bedrijf 11] noemde [verdachte] ook andere chemicaliën, waaronder TDG. Van [bedrijf 13] werd TDG gekocht. Tijdens de onderhandelingen werd door het bedrijf uitgelegd dat deze chemicaliën omgezet kunnen worden in chemische wapens zoals gifgas.

U laat mij een Engelse telex van 11 september 1984 gericht aan [verdachte] zien. U vraagt mij wat bedoeld wordt met “Vervoer met vrachtwagen vanuit Italië naar Bagdad via Turkije”. In mei of juni 1984 heb ik van [verdachte] gehoord dat TMP via land naar Bagdad van Irak zou worden vervoerd. [Verdachte] was ervaren op het gebied van export. Hij vroeg mij over de procedures voor de her-export naar Irak nadat de goederen worden geëxporteerd naar Italië.

Toen ik van [verdachte] hoorde dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd, wist ik dat deze gebruikt zouden worden voor de productie van chemische wapens. En dat vroeg ik hem. Hij deed er niet duidelijk over. Hij antwoordde alleen maar dat deze gebruikt worden voor consumptiegoederen als textiel, maar gaf geen details en kwam daarom niet overtuigend over. Het was makkelijk te raden dat de chemicaliën niet voor redelijke redenen naar Irak zouden worden vervoerd. Ook bevestigde de te hoge commissie voor deze handel mijn redenering.

Ik wilde niet, door vragen te stellen over het eindgebruik, dat [verdachte] zich boos maakte en mijn contract zou opzeggen.

U zegt mij dat onder dezelfde telex een telex van mij is gericht aan [verdachte] met titel Thiodiglycol en u vraagt mij wat dat is. Dit is een telex over de chemische stof Thiodiglycol. Tijdens de onderhandelingen over TMP benaderde hij mij ook over Thiodiglycol. Dit is een telex die ik hierover naar [verdachte] heb gestuurd. U zegt mij dat er staat “Voor Thiodiglycol is toestemming van de overheid nodig”. Destijds had ik van chemische bedrijven of van [bedrijf 10] gehoord dat MITI toestemming moest geven om Thiodiglycol vanuit Japan naar het Midden Oosten, zoals Irak, te kunnen exporteren.

U vraagt mij wat “makkelijk te gebruiken voor de productie van gifgas” betekent. Ik had uitleg gehad van [bedrijf 10] en chemische bedrijven dat Thiodiglycol grondstof is voor gifgas.

U vraagt mij wat “voor de eindgebruikers mag ‘Necessary lie’ worden gebruikt” betekent. Dat betekent nodige leugen. Ik had gehoord dat de overheid toestemming moest geven om te kunnen exporteren naar landen in het Midden-Oosten. We hadden dus een land en een eindgebruiker nodig voor welke geen toestemming van de overheid nodig was.

Ik had de chemische bedrijven en [bedrijf 10] verteld dat de eindbestemming van de chemicaliën Triëst, Italië, was en dat het zou worden gebruikt voor de consumptiegoederen als textiel, maar de Japanse bedrijven vroegen mij om meer gedetailleerde uitleg. Ik had wel gehoord dat de chemicaliën naar Irak zouden gaan, maar ik dacht dat ik de verantwoordelijkheid niet op mij hoefde te nemen als [verdachte] “Necessary lie” zou vertellen.

Daarom had ik aan [verdachte] een telex gestuurd met de inhoud dat hij, ook al zou het een leugen zijn, een land en een naam van de eindgebruiker moest doorgeven om de Japanse bedrijven te kunnen overtuigen en om de exportprocedures te vergemakkelijken.

De chemische bedrijven en [bedrijf 10] hebben mij daarna nog verzocht om de eindgebruiker en eindgebruik duidelijk te maken, maar ik heb zonder duidelijkheid de chemicaliën geëxporteerd met als eindbestemming Italië. Zo ver ik weet is [verdachte] twee keer in Japan geweest. De eerste keer was oktober 1984. Ik en [getuige 105] van [bedrijf 10] hebben hem begeleid. Van [bedrijf 11] werd aan [verdachte] gevraagd: “De chemicaliën kunnen makkelijk worden omgezet in gifgas, maar is de gebruiker wel te vertrouwen?”.

Hij antwoordde: “Het is onmogelijk dat het wordt omgezet in gifgas omdat het wordt gebruikt voor textiel en leer in Italië”. Na de uitleg van [verdachte] bleek [bedrijf 10] redelijk overtuigd te zijn en werden geen vragen gesteld over de eindgebruiker in Italië. De tweede keer dat hij Japan bezocht was het jaar daarop, rond maart 1985. Deze keer werd hij vergezeld van zijn vrouw [naam].

Ik heb samen met [verdachte] [bedrijf 14], [bedrijf 13] en [bedrijf 15] in Osaka bezocht. Toen werd ook gevraagd waarvoor de chemicaliën gebruikt zouden worden, maar [verdachte] antwoordde zoals bij [bedrijf 11], dat deze in Italië gebruikt zouden worden voor textiel en dat deze zeker niet gebruikt zouden worden voor de productie van gifgas. Deze drie bedrijven bleken ook overtuigd te zijn van de uitleg die [verdachte] gaf en stelden verder geen vragen. Tijdens de onderhandelingen vertelden de chemische bedrijven en [bedrijf 10] dat afhankelijk van de bestemmingslanden export restricties waren verbonden voor export omdat sommige chemicaliën makkelijk omgezet konden worden in chemische wapens. In 1984 had ik van [bedrijf 10] en [bedrijf 13] gehoord dat voor TDG restricties waren gesteld voor export naar het Midden-Oosten. U vraagt mij of ik deze exportrestricties aan [verdachte] heb verteld.

Ik heb het aan [verdachte] via telefoon of via telex doorgegeven.

Hij bleef zeggen dat de chemicaliën zouden worden gebruikt voor consumptiegoederen en dat de eindbestemming Italië was. U vraagt mij of ik dat geloofde. Ik had gehoord dat de chemicaliën uiteindelijk naar Irak zouden gaan. Ik was er zeker van dat de chemicaliën zouden worden gebruikt voor de productie van gifgas. U vraagt mij of [verdachte] wist dat de chemische stoffen omgezet konden worden in chemische wapens zoals gifgas. Vanaf het begin van de onderhandelingen hebben de Japanse bedrijven en ik het hem verteld. En uit zijn woorden bleek dat hij dit al wist. [Verdachte] had een grote kennis op het gebied van chemicaliën.

De chemicaliën werden tussen oktober 1984 en mei 1986 vanuit Japan geëxporteerd door [verdachte] en mij, zoals het staat vermeld op het overzicht details leveringen nummer 1 tot en met 28. [Verdachte] vroeg nog steeds naar export van de chemicaliën, maar door de stijging van de Japanse yen kwamen we niet overeen met de verkoopprijs van de chemicaliën en werd het daarom moeilijk om te exporteren. Daarom werden de chemicaliën vanuit Japan voor het laatst geëxporteerd in mei 1986. Maar [verdachte] leek de chemicaliën te willen importeren. Tijdens de onderhandelingen vroeg [verdachte] mij of het niet mogelijk is om vanuit Amerika te exporteren. [Verdachte] vroeg mij of ik Amerikaanse chemische bedrijven kon vinden om chemicaliën te exporteren. [Verdachte] zei dat de Amerikaanse chemicaliën goedkoper zijn om te exporteren.

De voorwaarden van de handel met [verdachte] waren aantrekkelijk. Daarom wilde ik de handel met hem voortzetten. Aangezien ik geen contacten had bij chemische bedrijven in Amerika, had ik in de zomer van 1987 aan [getuige 34], de president van [bedrijf 16], gevestigd in New York, met wie ik handelde in staal en ijzer, gevraagd of hij een chemisch bedrijf aan mij kon voorstellen. De inhoud was als volgt: Er is een handelaar die chemicaliën naar Europa wil importeren. Als de onderhandelingen succesvol zijn krijgen u en ik beiden per export commissie van 3 cent per pond. [Getuige 34] was overtuigd van dit verhaal. Tegelijkertijd heb ik dit verhaal ook gedaan aan [naam], president van [bedrijf 17], exportbedrijf in niet-ijzerhoudend metaal, gevestigd in San Francisco, met wie ik ook handelde. Snel kreeg ik antwoord van beide bedrijven. [Getuige 34] stelde [bedrijf 18] voor, die is gevestigd in Baltimore, Maryland en [naam] stelde [bedrijf 19] voor, die gevestigd is in Columbia, North Carolina.

In augustus 1987 ben ik naar Amerika gegaan voor onderhandelingen met de chemische bedrijven. En in New York ontmoette ik [verdachte] die uit Italië kwam. We gingen naar [bedrijf 19] in North Carolina. [Naam], de vice-president van [bedrijf 17], ging ook mee. Wij drieën, de president [naam] en een leidinggevend persoon van de verkoopafdeling hebben onderhandeld. [Bedrijf 19] was zeer geïnteresseerd in deze onderhandeling en nog dezelfde dag werd de onderhandeling afgerond. Het ging om de chemische stof Thiodiglycol en de bestemming van export was België. Over de details onderhandelde [bedrijf 19] met [verdachte] in een aparte kamer.

In oktober 1987 ben ik naar Amerika gereisd voor onderhandelingen met [bedrijf 18]. Vergezeld van vice-president [naam] van [bedrijf 16] en [verdachte] bezocht ik [bedrijf 18].

We hebben met drie vertegenwoordigers van verkoop afdeling onderhandeld. Net zoals bij [bedrijf 19] vertelde [verdachte] dat hij Thiodiglycol naar België wilde importeren en de onderhandelingen werden snel afgerond.

U laat mij foto’s zien die ik enkele dagen geleden vrijwillig heb ingeleverd. Foto 1 is genomen in Royal Hotel te Osaka toen [verdachte] in oktober 1984 voor de eerste keer Japan bezocht. Rechts is [verdachte] en die ernaast met een stropdas, dat ben ik. Foto 2 is gemaakt in augustus 1987 toen ik Columbia, North Carolina, bezocht voor onderhandelingen met [bedrijf 19]. Rechts ben ik, daarnaast [verdachte], president [naam] van [bedrijf 19] en [naam] van [bedrijf 17]. Foto 3 is van oktober 1987 toen ik naar New York reisde om contract te sluiten met [bedrijf 18]. Rechts is [naam], de financiële medewerker van [bedrijf 16], daarnaast is [verdachte] en helemaal links is [getuige 34].

U vraagt mij of de eindbestemming van export vanuit Amerika ook Irak was. Ik heb hierover geen uitleg gehad van [verdachte], maar ik vermoed dat de chemicaliën naar Irak zijn verzonden. Tijdens de eerste onderhandeling heb ik namelijk gehoord van [verdachte] dat de chemicaliën naar Irak zouden gaan.

U laat mij een overzicht details leveringen zien en vraagt mij nummer 29 tot en met 36 uit te leggen. Nummer 29 is export van Thiodiglycol van [bedrijf 19] in september 1987. Dit was de eerste export vanuit Amerika. Vanuit Charleston, Amerika, is via Rotterdam en Antwerpen naar Aqaba (Jordanië) geëxporteerd. Ik weet dat [verdachte] destijds uitleg had gegeven aan de chemische bedrijven dat hij wilde importeren naar België. Ik had het vermoeden dat de Thiodiglycol uiteindelijk naar Irak zou gaan, maar wist niet via welke landen dit zou

worden vervoerd. De details over de export werden besproken tussen [verdachte] en de chemische bedrijven.

Nummer 30 is ook export van Thiodiglycol van [bedrijf 19]. De eindbestemming en de landen via welke het werd vervoerd is dezelfde als bij nummer 29. Nummer 31 tot en met 34 is Thiodiglycol die door [bedrijf 18] is geëxporteerd en die uiteindelijk ook naar Aqaba, Jordanië is geëxporteerd. Voor deze 6 exports heb ik van [verdachte] commissie ontvangen. Bij iedere export werd elektronisch door [bedrijf 12] geld overgemaakt naar mijn rekening bij Ikeda Bank Dojima Branch. In totaal zou ik tussen USD 30.000,= à USD 35.000,= hebben ontvangen.

U laat mij een telex aan [roepnaam] d.d. 21 juli 1987 zien. [roepnaam] is [naam] van [bedrijf 17]. Toen ik [hem] verzocht om een chemisch bedrijf voor te stellen, vreesde hij dat de chemicaliën zouden worden gebruikt voor de productie van chemische wapens.

U laat mij een telex met onderwerp Re: [roepnaam verdachte] d.d. 22 maart zien. [roepnaam] is de roepnaam van [verdachte]. Dit is een telex over [verdachte] die ik naar [getuige 34] heb gestuurd. U vraagt mij van welk jaar die 22 maart is. Waarschijnlijk 1989.

U vraagt mij wat “de vermelding van 1988” inhoudt, die aan het eind van de telex wordt

vermeld. Met betrekking tot het gebruik van chemische wapens tegen de Koerden in 1988 had [getuige 34] [verdachte] er op gewezen dat de chemicaliën die vanuit Amerika werden geëxporteerd gerelateerd is aan de chemische wapens. Ik bedoelde daarmee dat een persoon die betrokken is bij deze export een vermoeden zou moeten hebben gehad en schreef dat zijn vermoeden juist was. Ik hoorde in januari of februari 1989 dat [verdachte] gearresteerd was. Ik heb gehoord dat de reden voor arrestatie illegale export van chemicaliën naar Irak was. Ik heb [verdachte] in 1988 in Italië bezocht. Zijn huis was een luxe appartement in Milaan.

U laat mij de factuur van [bedrijf 9] d.d. 31 maart 1985 zien. Op deze factuur staat “20 feet containers niet retourneren” vermeld. Ik heb het zo vermeld omdat [verdachte] tijdens de onderhandelingen dit had verzocht. [Bedrijf 12] is het bedrijf van [verdachte] gevestigd in Milaan. De vestigingsplaats is zijn huisadres.

In 1986, met het hoge Yen-beleid van de overheid is het export van de chemicaliën vanuit Japan moeilijk geworden. Daarom heb ik via mijn contacten in Amerika, chemische bedrijven voorgesteld aan [verdachte].

12.15. de ter terechtzitting van 02 december 2005 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 92] die - onder meer - inhoudt:

U vraagt mij of het juist is dat aanvankelijk grondstoffen werden geëxporteerd vanuit Japan en dat later vanuit de Verenigde Staten grondstoffen werden geëxporteerd. Dat klopt. Het ging inderdaad onder meer om de grondstoffen TMP en TDG. U vraagt mij of behalve naar Triëst er ook TDG naar Antwerpen is vervoerd. Vanuit Japan is uitsluitend TDG naar Triëst vervoerd. Vanuit de Verenigde Staten is TDG naar Antwerpen vervoerd. Het eerste contract met de heer [verdachte] betrof TMP.

De heer [verdachte] heeft mij gevraagd of hij de stof vanuit Italië via Turkije naar Irak zou kunnen vervoeren, waarop ik tegen hem heb gezegd dat hij dan een tweede Letter of Credit nodig zou hebben en dat dan voor de tweede keer een belading zou moeten plaatsvinden.

U vraagt mij of het mij bekend was dat van TMP en TDG gifgas kon worden gemaakt. Dat is juist. Ik had van Japanse fabrikanten gehoord dat je met deze chemicaliën gifgas zou kunnen produceren. De Japanse fabrikanten vroegen zich dan ook af of de heer [verdachte] van deze chemicaliën gifgas zou produceren. Ik weet dat de Japanse fabrikanten van TMP en TDG aan de heer [verdachte] hebben verteld dat deze chemicaliën in gifgas konden worden omgezet. Ik wist dat omdat de heer [verdachte] zelf bij de fabrikanten op bezoek is geweest en de fabrikanten hem toen dat rechtstreeks hebben verteld. Ik was daarbij aanwezig.

U leest mij voor een telex van 1 september 1984, in het dossier: H10 – pagina 8586, die ik zou hebben verzonden aan de heer [verdachte] en waarin ik onder meer zou hebben geschreven:

“Also, we have a duty to make report to our ministry of industry and trade institute (central government) that where the tri-phosphite is going to be shipped out and the final usages as like as D.D.T. At least you can tell me the destination. Because Japanese government is worry about these material can make a poison gas or gun powder. So, I like to suggest you that these material will be consumed by insect-killing medicine like as D.D.T. and please telex to me the end user’s name and unloading port (I am ok that you can tell us a necessary lie).” Ik heb deze telex inderdaad naar de heer [verdachte] gestuurd.

U toont mij een pagina 8585 van H10, die uit twee telexen bestaat, de bovenste telex is gedateerd 11 september 1984, afkomstig van [naam] en gericht aan de heer [verdachte/bedrijf 4] Singapore. Ik heb deze telex voor het eerst gezien op het politiebureau in Osaka. U zegt mij dat op de onderste telex geen datum staat vermeld. Ik heb inderdaad deze telex verstuurd. Mijn bijnaam is inderdaad Charlie. U zegt mij dat deze telex eindigt met “Mid-east is not available” en u vraagt mij of met “available” “acceptable” wordt bedoeld. Dat klopt. U toont mij een telex van 26 september 1984 van de heer [verdachte] aan [bedrijf 9], in dossier: H10 – pagina 8551. Deze telex heb ik inderdaad ontvangen.

U toont mij een “technical bulletin” van [bedrijf 13]., in dossier: X – pagina 341, waarop staat vermeld dat Thiodiglycol niet dicht bij hydrochloride zuur mag worden geplaatst, aangezien dan mosterdgas wordt gevormd. Dit document is inderdaad afkomstig van het hoofdkantoor van [bedrijf 13] in Osaka. Dit document is tijdens het bezoek aan de fabriek van [bedrijf 13] aan de heer [verdachte] gegeven. Dat was voordat de eerste levering plaatsvond.

U vraagt mij of ik bij de levering Japan – Triëst zelf de verkoop heb geregeld tussen de heer [verdachte] en de Japanse fabrikanten. Ja, ik heb toen van de heer [verdachte] commissie ontvangen. Van de chemicaliën uit de Verenigde Staten heb ik alleen als “finding fee” commissie ontvangen. Mijn zakenassocié [getuige 34] heeft ook commissie ontvangen. [Getuige 34] vertelde mij dat er voor bedrijven uit Philadelphia werd verscheept vanaf de Oostkust van de Verenigde Staten. Vanuit twee fabrieken, te weten [bedrijf 18] en [bedrijf 19], werden de chemicaliën verscheept.

U houdt mij uit de Nederlandse vertaling van mijn politieverhoor op 22 juni 2005 de volgende passage voor: (11) “Alle bedrijven hadden tijdens de onderhandelingen uitgelegd dat deze chemicaliën omgezet kunnen worden in chemische wapens zoals gifgas. En herhaaldelijk vroegen zij waar het naar toe zou worden geëxporteerd en waarvoor het gebruikt zou worden.”

Ik heb dit inderdaad zo verklaard. Dat is aan mij en aan de heer [verdachte] uitgelegd tijdens ons gezamenlijk bezoek aan de fabriek. Dat is waarschijnlijk in oktober 1984 geweest.

U vraagt mij of toen aan de heer [verdachte] en mij is uitgelegd dat TDG, PCl3, POCl3 en HF allemaal konden worden gebruikt voor het vervaardigen van gifgas. Dat klopt.

De onderhandelingen met de fabrieken vonden plaats in de Japanse taal. U vraagt mij hoe de heer [verdachte] dan begreep waarover de onderhandelingen gingen. De Japanse fabrikanten spreken vaak ook Engels. De fabrikant heeft toen Engels met de heer [verdachte] gesproken.

Ik herinner mij dat het technical bulletin van [bedrijf 13] tijdens het bezoek aan de fabriek aan de heer [verdachte] is gegeven. U zegt mij dat ik bij de politie echter heb verklaard: “Waarschijnlijk wel. Ik heb niet gezien dat hij dit heeft ontvangen, maar [bedrijf 13] of [bedrijf 10] zou hem ongetwijfeld hebben gegeven. Want [verdachte] moet deze lijst hebben gezien voordat hij de goederen kocht.” Ik weet zeker dat het aan de heer [verdachte] is gegeven. Ik heb dat gezien, natuurlijk.

U vraagt mij vanaf welk moment ik wist dat de goederen, die de heer [verdachte] had besteld, naar Irak zouden gaan. Ik dacht dat dat het moment was van de telex. Ik bedoel dan de telex die is gedateerd op 01 september 1984 (H10, pagina 8586). Dat is inderdaad een telex van mij aan de heer [verdachte].

U vraagt mij of ik destijds van de heer [verdachte] zelf heb gehoord dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd. Ja, ik heb dat toen direct van hem gehoord, waarschijnlijk was dat in Tokio, Osaka en Singapore. De heer [verdachte] heeft dat dus gezegd in Singapore dan wel in Tokio of Osaka toen hij in Japan was. U vraagt mij of het juist is, zoals de heer [getuige 105] bij de politie in Osaka heeft verklaard, dat ik een keer met de heer [verdachte] bij [bedrijf 13] ben geweest. Ja, dat is juist. Dat was niet alleen een beleefdheidsbezoek, wij hebben toen ook over de goederen gesproken en er is toen een leidraad over het produceren van gifgas uitgereikt. De correspondentie met de heer [verdachte] verliep per telex. De contracten werden op schrift gesteld.

12.16. een geschrift, zijnde een Nederlandse beëdigde vertaling van een door Japanse politiefunctionarissen op 16, 22 en 27 juni 2005 te Tokio (Japan) in de Japanse taal opgemaakt proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op 16, 22 en 27 juni 2005 afgelegde verklaring van [getuige 105] (G105 – pagina 1379 tot en met 1399):

[Bedrijf 10] handelde gedurende de periode 1984 – 1986 met [bedrijf 9] onder meer in Trimethyl phosphite (TMP) en in Thiodiglycol (TDG) met bestemming buitenland. Wij bestelden de chemische producten bij de fabrikanten: [bedrijf 11] voor TMP en bij [bedrijf 13] voor TDG.

Ik legde het contact met de chemicaliënfabrikanten, deed de onderhandelingen en ik bestelde de chemicaliën die [bedrijf 9] bij ons had besteld. [Bedrijf 10] leverde de chemicaliën aan [bedrijf 9] als een binnenlandse verkoverkoop Daarna liet [bedrijf 9] de zendingen door een douane expediteur afhandelen en beladen op de schepen en exporteerde [bedrijf 9] de zendingen naar het buitenland.

Ik heb [verdachte] ontmoet in april of mei 1985, toen ik bij [bedrijf 13] in Osaka was.

Vanaf 11 oktober 1986 ben ik verschillende keren door het Ministerie van Internationale Handel en Industrie opgeroepen.

Dit ministerie had tot taak onderzoek met betrekking tot export van TDG en TMP te doen, want de export van TDG en TMP had betrekking op de export van wapens. Ik heb een lijst waarop de gegevens van de schriftelijke bestellingen van de heer [getuige 92] en de orderbevestigingen van de fabrikanten staan vermeld. TDG werd 13 keer verhandeld. De eerste keer deed getuige 92] op 5 april 1985 twee bestellingen, te weten 32.120 ton en 18.160 ton. [Bedrijf 13] heeft de orders van deze twee bestellingen op respectievelijk 12 april 1985 en 24 april 1985 bevestigd. De TDG van deze bestellingen is op 31 mei 195 verscheept, waarna het is geëxporteerd. De tweede en derde keer is door [bedrijf 13] 16.060 ton TDG en 32.120 ton TDG geleverd, die op 3 juli 1985 en 6 augustus 1985 zijn verscheept. De vierde tot en met zevende keer is totaal 96.360 ton TDG geëxporteerd.

De achtste, negende en tiende keer betrof zendingen van elk 32.120 ton TDG, die respectievelijk op 25 december 1985, 23 januari 1986 en 25 februari 1986 zijn verscheept.

De 11e, 12e en 13 keer betrof zendingen van elk 32.120 ton TDG, die op 3 maart 1986 door de heer [getuige 92] waren besteld.

In juli of augustus 1984 vertelde mijn collega de heer [naam] dat een firma, die al een tijdje met de afdeling Staal handelde als klant, chemicaliën wilde exporteren. De heer [naam] heeft mij de man van die firma geïntroduceerd. Dat was de heer [getuige 92]. In het begin vroeg hij ons of wij van een fabrikant TMP konden kopen en of hij dat kon exporteren.

Toen bleek dat [bedrijf 11] de bestelling wel wilde aannemen, belde ik met de heer [getuige 92], waarop hij de exacte handelsvoorwaarden opgaf: - het gebruik van de

TMP is om leer te looien; - de bestemmingsplaats is Italië waar zij actief zijn met het looien van leer; - hoeveelheid 80 ton. Met deze voorwaarden ging ik naar [bedrijf 11]. Tijdens de onderhandelingen zei de heer [getuige 92] mij over de handel van TMP: de heer [verdachte] is een medewerker van [bedrijf 4]; de eindgebruiker is een aan [bedrijf 4] gerelateerd bedrijf; zij gebruiken de chemicaliën om leer te looien.

De handel betreffende TDG kwam in februari of in maart 1985. De inhoud van de vraag was of wij TDG konden leveren. Ik wist dat als men TDG naar Iran of Irak exporteert, men dan de

toestemming nodig heeft van minister van Internationale Handel en Industrie. Ik had van de heer [getuige 92] gehoord dat die chemicaliën werden gebruikt door een aan [bedrijf 4] gerelateerd bedrijf in Italië. Daarom dacht ik altijd dat die chemicaliën naar Italië gingen. Door de fabrikant van TDG is mij ook gevraagd wie de eindgebruiker is. De heer [getuige 92] heeft tot het einde van de handelsrelatie nooit een duidelijk antwoord gegeven over de eindgebruiker. Dat is ook een van de redenen dat wij de handel met de heer [getuige 92] hebben beëindigd. Wij kwamen tot overeenstemming met [bedrijf 13] die TDG produceerde.

[Verdachte] was toen een medewerker van [bedrijf 4] Italië en was verantwoordelijk voor het kantoor in Singapore. Ik hoorde van de heer [getuige 92] de reden waarom [verdachte] naar Japan is gekomen. Dat was voor de uitleg over de eindgebruiker. Want de fabrikanten en wij hadden daar vaak naar gevraagd en [verdachte] gaf nooit een duidelijk antwoord. Circa juni of juli 1985 ontmoette ik [verdachte] in Osaka. Toen stelde [verdachte] zichzelf voor: Ik ben een medewerker van [bedrijf 4] en ben verantwoordelijk voor de afdeling verkoopbevordering en informatie verzamelen (Singapore en het Verre Oosten) van het kantoor van [bedrijf 4] in Singapore. [Bedrijf 4] is een chemical plant in Italië.

12.17. het proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200509031833, d.d. 9 maart 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 9 maart 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 33] (G33, pagina 417 tot en met 422):

Ik was vanaf 1983 exportmanager bij [bedrijf 18]. [Bedrijf 18] was een bedrijf dat chemicaliën maakte. Het gebruik en export van Thiodiglycol is volgens mij gestart in 1986 of 1987. De eerste verscheping is verscheept in drums en de tweede verscheping in containers. Ik weet dat de verschepingen via Antwerpen naar Aqaba gingen. Over de grote hoeveelheden kan ik mij herinneren dat ze daar ooit een vergadering over hebben gehad. Hierbij waren volgens mij [verdachte], [getuige 45], [getuige 92] en [getuige 34] aanwezig. Deze vergadering ging volgens mij over de prijzen en de verschepingen. De mensen die van [bedirjf 18] bij deze vergadering aanwezig waren zijn [getuige 42], [getuige 44] en [getuige 43]. Volgens mij heeft [getuige 42] ook wel eens gezegd dat het gebruikt kon worden voor het maken van mosterdgas.

Het telexverkeer dat ik met [verdachte] had, ging over de TDG. Ik weet dat [verdachte] betrokken was bij [bedrijf 20]. Ik kan me nog herinneren dat ik opdrachten van [getuige 45] kreeg. [Getuige 45] kreeg de opdrachten denk ik, van [verdachte]. Voor hem werden de goederen namelijk verscheept. U vraagt naar de leveringen van Thiodiglycol. Ze zeiden dat de goederen werden vervoerd met eigen containers. Volgens mij kwam het idee van eigen containers van [verdachte] af.

De door [bedrijf 18] geleverde Thiodiglycol had de handelsbenaming [………] of gewoon Thiodiglycol, ook textile additives werd gebruikt. De brochure “[………TechnicalData” betreffende het product […..Thiodiglycol] geven we aan klanten als ze inlichtingen willen hebben over de producten. Volgens mij hebben we deze ook aan [getuige 45] en [verdachte] gegeven. Ik wist niet dat daar een waarschuwing opstond dat het als een blaartrekkend middel aangemaakt kon worden als het in aanraking zou komen met hydrochloride.

[Getuige 34] was de baas van [getuige 45]. [Getuige 45] was mijn contactpersoon voor de verschepingen Thiodiglycol. [Getuige 92] heb ik een paar keer gesproken. [Bedrijf 5] was volgens mij het bedrijf van [verdachte]. [Bedrijf 20] was de koper zoals ik eerder verklaarde. Ik denk dat [bedrijf 21] de forwarder van [verdachte] was om de goederen bij de douane aan zijn kant aan te geven.

12.18. een proces-verbaal met betrekking tot de leveranties van diverse chemicaliën aan Irak, proces-verbaalnummer 20051010.0900, van het Korps landelijke politiediensten, d.d. 14 oktober 2005, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in hetgeen in de hierna ingevoegde kopie daarvan is vermeld (F90 – pagina 762 tot en met 763).

[12.18

Deze kopie is hier niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

12.19. een proces-verbaal met betrekking tot gebezigde vaten van het Korps landelijke politiediensten, d.d. 5 december 2005, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in hetgeen in de hierna ingevoegde kopie daarvan is vermeld (pagina 1 tot en met 18).

[12.19

Deze kopie is hier niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

12.20. een overzichtsproces-verbaal, documentcode B4, van het Korps landelijke politiediensten, d.d. 14 oktober 2005, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in hetgeen in de hierna ingevoegde kopie daarvan is vermeld (A/B, aanvulling d.d. 20 oktober 2005 – pagina 227 tot en met 237 en pagina 249 tot en met 252).

[12.20

Deze kopie is hier niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

12.21. een geschrift, zijnde een gewaarmerkte vertaling van een op 10 juni 2005 door een Japanse politiefunctionaris in de Japanse taal opgesteld rapport betreffende de exportrestricties van de grondstoffen voor de chemicaliën, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – (H106b – pagina 609 tot en met 612):

Ik bericht u het resultaat van het onderzoek naar de veranderingen in de Japanse binnenlandse wetgeving van de exportrestricties voor de grondstoffen voor de productie van chemicaliën.

De wijzigingen van de overheidsbepaling op de exportrestricties met betrekking tot de grondstoffen voor de productie van chemicaliën: “Gedeeltelijke herziening van het administratief beleid in exporthandel”, datum afgifte 27 juli 1984, ingangsdatum 3 augustus 1984. Ons land is tegen het gebruik van chemische wapens bij conflicten tussen Iran en Irak. Vanuit het oogpunt om het gebruik van de chemische wapens tegen te gaan, is met diverse landen overlegd. Op grond van de rapporten die door het onderzoeksteam van de Verenigde Naties zijn opgesteld is de binnenlandse wet aangepast om de export van 6 substanties te verbieden, die als grondstof gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische wapens waarvan men vermoedt dat deze worden ingezet bij conflicten tussen Iran en Irak.

In de binnenlandse wet van 1984 werd bepaald dat men bij export van goederen waaraan restricties zijn verbonden goedkeuring moet vragen aan de minister van MITI. In de overheidsbepaling (administratief beleid in exporthandel) werd vastgesteld welke goederen tot de restricties behoren. Door deze bepaling werd degene, die de 6 vastgestelde substanties, waaronder Thiodiglycol (TDG), naar Iran of Irak wilde exporteren, verplicht goedkeuring te vragen aan de minister van MITI. Daarnaast werd door middel van een memorandum betreffende de toepassing van de wet op het administratief beleid in exporthandel bericht dat afgifte van goedkeuring “wordt stopgezet”, waardoor het feitelijk werd verboden.

12.22. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gesteld technisch bulletin (H10 – pagina 8598) van [bedrijf 13], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Technisch bulletin nr. 23 [bedrijf 13]

Thiodiglycol (Thiodiethyleen Glycol)

Voorzorgen verpakking/vervoer

Thiodiglycol moet worden behandeld met de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen voor chemische producten (zelfde als ethyleenglycol). Bewaar thiodiglycol nooit in de buurt van zoutzuur. (Chloorethylsulfide wordt gevormd: mosterdgas).

Voorbeelden van toepassingen

Wol: Thiodiglycol 20 – 50 gr

Nylon: Thiodiglycol 20 – 50 gr

Acryl: Thiodiglycol 20 – 50 gr

Zijde: Thiodiglycol 20 gr

12.23. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telexbericht

(H10 –pagina 8586) van [getuige 92] aan verdachte, gedateerd 1 september 1984, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

T.a.v. Dhr. [verdachte]

01/09/84

van: [getuige 92]

Beste [verdachte],

Betr.: TMP verstrekking kredietbrief

Wij zijn ook verplicht aan ons Ministerie van Industrie en Instituut voor de Handel (MITI) (Centrale Overheid) te rapporteren waar het trifosfaat naar toe verscheept wordt. En over het eindgebruik, zoals D.D.T. Vertel me op zijn minst de bestemming, want de Japanse overheid vreest dat met dit materiaal een gifgas of buskruit kan worden gemaakt. Ik wil je daarom voorstellen dat deze materialen gebruikt gaan worden voor de productie van insectenverdelgende middelen, zoals D.D.T. Telex me alsjeblieft de naam van de eindgebruiker en de haven waar gelost gaat worden (wat mij betreft vertel je ons een noodzakelijk leugentje).

Vriendelijke groet,

[getuige 92]

12.24. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telexbericht

(H10 – pagina 8549) van verdachte aan de heer [getuige 112], president van SEORGI, en in afschrift aan de heer [getuige 36], gedateerd 3 september 1984, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[…] 3 sept 84

T.a.v.: de heer [getuige 112], president van SEORGI

Copie: de heer [getuige 36]

belangrijk: Japanse overheid wil bestemming en gebruik van TMO weten, fabriek stelt derhalve voor dat we aangeven dat TMP gebruikt wordt als insectenverdelvend middel zoals D.D.T. en een noodzakelijke leugen plegen met betrekking tot de eindgebruiker. Mijn persoonlijk advies is “brandstof additief” aangeven zoals eerder besproken, en eindbestemming Triëst, Italië.

graag uw mening.

vriendelijke groet,

[verdachte]

[bedrijf 4]SING

12.25. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telex bericht (H10- pagina 8585 bovenaan) van [naam] aan verdachte, gedateerd 11 september 1984, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

2229 […..]

No 3806 11.9.84

Telex no 24884 [bedrijf 4]SING

Uw ref: Telex […]024 DTD 3.9.84

T.a.v. de heer [verdachte]

Betreft / TMP verscheping

Met betrekking tot uw telefoongesprek van 11.9.84 hebben wij met onze bank contact opgenomen om een L/C te openen zoals verlangd en zij stellen het volgende voor:

Omdat uw eindbestemming is Italië, zal de L/C als volgt worden geopend:

Vanaf Japan naar Italië over zee. In dit geval is het volgende nodig: factuur en vrachtbrief.

En vanuit Italië naar Bagdad (zoals nieuwe L/C maar direct gerelateerd aan de eerste) per vrachtwagen via Turkije. In dit geval zijn factuur en FCR nodig. De tweede L/C is alleen voor het dekken van de transportkosten. Uw antwoord per omgaande is dringend nodig voordat de actie door Central Bank ondernomen wordt.

12.26. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telexbericht

(H10 – pagina 8551) van verdachte aan [getuige 92], gedateerd 26 september 1984, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Van: [initialen verdachte]S’Pore

Aan: [bedrijf 9]

Betr.: TMP

Eindgebruiker is niet mijn cliënt, naam cliënt is [bedrijf 22] in Zwitserland. Lijken erg goede connecties te hebben met Frans/Italiaans consortium dat HF levert als vervanger voor catalysatoren voor lineaire alkylbenzeenfabrieken dat het over de gehele wereld heeft gebouwd. Weet dus eerlijk niet precies waar het heen gaat, maar er lijken twee waarschijnlijke mogelijkheden (1) Joegoslavië (2) Egypte.

12.27. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telexbericht

(H10 – pagina 8585 onderaan) van [getuige 92] aan verdachte (ongedateerd), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[bedrijf 4]SING

t.a.v. de heer [verdachte]

[getuige 92] in Houston

Betreft: Thiodiglycol

We hebben vier fabrikanten in Japan gevonden. Maar de enige mill kan een offerte voor u maken. De anderen zijn te klein. Het is echter wel nodig om een exportvergunning van onze regering te verkrijgen. Dit materiaal is heel makkelijk te veranderen om er gifgas van te maken. U moet de naam van de eindgebruiker bekend maken (U kunt het mij zeggen als het nodig is tegen mij te liegen) en de eindbestemming.

Prijsaanduiding is als volgt:

Hoeveelheid 16 M/T maandelijks, er zit in een vat 220 kg – 73 stuks – 16.060 FOB Kobe/Osaka

Prijs USD 1.450,00 per MT.

De officiële offerte zal gemaakt worden nadat u de naam en het land van de eindgebruiker hebt gegeven. Midden-Oosten is niet beschikbaar.

Met vriendelijke groet,

[getuige 92].

12.28. een geschrift, zijnde een in de Engelse taal gestelde telexbericht van [getuige 92] aan [bedrijf 12]-Singapore, gedateerd 15 november 1984, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven

(H10 – pagina 8606):

Attn: Miss [naam]

Nov 15, 1984 TMC

[bedrijf 12]-Singapore

Dear [naam],

Please kindly tell to your boss my great appreciation and also I am awaiting for his comments next items (caustic soda and PCl3, POCl3). Otherwise DMMP is concerned, it is very difficult to find out mill in Japan. But now there is only one producer in North East Japan. However, this producer said, the buyer should be inform the final usages of DMMC, because they are worry about to use a row material as to make a poison gas. As soos as you can let me know the usages of DMMP, I will be able to obtain offer from producer.

Best regards,

[getuige 92].

12.29. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een in de Engelse taal gestelde telexbericht

(H10 – pagina 8668) van verdachte aan [bedrijf 4] Rome, gedateerd 3 mei, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:

03/05 (de rechtbank begrijpt: 3 mei 1987)

van [initialen verdachte]Zwitserland

aan [bedrijf 4] Rome

t.a.v. dhr. [naam]

Mijne heren,

In antwoord op uw telex van 29/4/1987, laten wij gaarne het volgende weten:

Irak is in oorlog, met een uitgeholde economie, waarin slechts streng geselecteerde projecten worden uitgevoerd, die allen worden gefinancierd door een of andere overheid of organisatie. Vandaar dat, wat betreft specifieke technische hulp, in eerste instantie gekeken zal worden naar grotere projecten, hetgeen moeilijker is voor een bedrijf als [bedrijf 4]. De redenen waarom onze rapporten zo slecht zijn, zoals u zo vriendelijk opmerkte, houden verband met die overeenkomstige, slechte marktsituatie in Irak.

We kunnen u verzekeren dat wij ons voortdurend inspannen en dat de naam [bedrijf 4] regelmatig circuleert binnen de bedrijven die te maken hebben met het ministerie van olie. Het moet ook duidelijk zijn dat in Irak alle bedrijfsmatige contacten van, of namens, buitenlandse bedrijven op een zeer persoonlijk vlak spelen en dat daarom, bij iedere serieuze gelegenheid die zich voordoet onder de gegeven omstandigheden, onze eventuele klanten onmiddellijk aan [bedrijf 4] zullen denken.

Vooral vanwege het feit dat ondanks Irak’s enorme problemen, [bedrijf 4] in die periode voortdurend blijk heeft gegeven zaken te willen doen en niet, zoals zo veel andere bedrijven, van het toneel verdween. Ik zou willen zeggen dat [initialen verdachte]’s contacten zich op het allerhoogste niveau afspelen, hoger kan niet.

12.30. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 30 mei 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 30 mei 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige-deskundige] (GI.I – pagina 753 tot en met 768, RC-dossier – pagina 61 tot en met 76):

(2) Ik werk nu voor de NATO in Brussel. Mijn afdeling houdt zich bezig met de verdediging tegen massavernietigingswapens en adviseert over het tegengaan van proliferatie daarvan;

(3) U vraagt naar mijn werk voor de UNSCOM. In 1990 begon de Golfoorlog. Daarna werd UNSCOM samengesteld. In 1992 heb ik zes maanden in Irak gewerkt. Ik heb mij toen bezig gehouden met de vernietiging van wapens in Irak zelf. In 1993 heb ik acht maanden in Irak gewerkt als leider van het team dat wapens vernietigde. Daarna werd ik één van de drie ‘chemical advisors’ van de leiding van UNSCOM, gevestigd in New York. (4) U vraagt naar de FFCD. De controle van de gegevens uit de FFCD vond plaats door middel van verschillende methodes. Ten eerste kregen we informatie van geheime diensten van NAVO lidstaten. Ten tweede werden ter plaatse controles uitgevoerd, bijvoorbeeld van de boekhouding.

U vraagt hoe dan bijvoorbeeld ten aanzien van de verschoten munitie de gegevens werden gecontroleerd. Dat kan worden nagegaan aan de hand van de geïmporteerde hoeveelheden. Daarvan is vrij nauwkeurig vast te stellen hoeveel is geleverd. Verder wisten we hoeveel munitie er over was en dan is een aftreksom te maken. Ook werd bijvoorbeeld in 1998 het ‘Airforce document’ ontdekt in het hoofdkwartier van de Iraakse luchtmacht. Daarin stonden totalen van de per jaar afgeworpen vliegtuigbommen. Daarmee konden we de cijfers van Irak controleren. Verder hebben ook de leden van de Veiligheidsraad veel informatie gegeven;

(5) U vraagt naar de betrouwbaarheid van de cijfers uit de FFCD. Acht jaar lang hebben in totaal 2000 inspecteurs achter de feiten aangejaagd. Al snel bleek dat Irak niet alle gegevens verschafte en de inspecties tegenwerkte. In de eerste declaratie gaf Irak alleen gegevens die wij al lang kenden. Ze gaven al snel het bestaan van het programma voor sarin en mosterdgas toe, omdat bekend was dat dit was gebruikt in de Iran-Irak oorlog. Dat is vastgesteld door middel van genomen monsters. Irak probeerde andere programma’s verborgen te houden. Zoals het VX programma, het biologische wapenprogramma, het nucleaire programma en delen van het raket programma. Het tabun programma was al vrij snel bekend. Het lukt Irak namelijk niet om dit goed te fabriceren en ze zijn daarna overgestapt op sarin. Deze eerste declaratie was slechts zes of zeven pagina’s lang, de uiteindelijke FFCD is een heel boekwerk.

(6) UNSCOM wilde vooral de historie van het wapenprogramma kennen. Zo’n historie is een logisch geheel. Wanneer je daar over beschikt, kun je beter de hiaten herkennen. Eerst wilde Irak dit niet geven. Daarom zijn er in totaal ongeveer zeven versies van de FFCD. De FFCD van 1995 geeft een goed beeld van het wapenprogramma met betrekking tot mosterdgas en tabun. De meeste twijfels zijn blijven bestaan ten aanzien van het VX programma.

(7) Ik ben ervan overtuigd dat Irak ten aanzien van mosterdgas, sarin en tabun heeft geprobeerd zo goed mogelijk eerlijk verslag te doen. Irak had geen belang meer om hierover iets verborgen te houden. Irak wilde de VN inspecteurs zo snel mogelijk kwijt, om zo andere programma’s, zoals het VX programma, te beschermen.

(9) De gehele chemische industrie van Irak is doorgelicht. Letterlijk elke fabriek in Irak is bezocht door inspecteurs. U moet weten dat vrijwel alle chemische fabrieken in Irak compleet zijn geïmporteerd en geassembleerd door de leveranciers. Ze werden niet zelfstandig in Irak ontworpen. Ook de fabrieken voor de textiel industrie werden compleet geïmporteerd en geassembleerd door de leveranciers. Dit brengt mee dat de grondstoffen op een hoog niveau werden ingekocht, zoals drukinkt voor de textielindustrie.

Met hoog niveau bedoel ik dicht bij het eindproduct. Irak formuleerde wel stoffen, daarmee bedoel ik het mengen van grondstoffen. Synthese, daarmee bedoel ik het chemisch produceren van stoffen, deed Irak niet. Irak was in die tijd technisch niet in staat om zelf met behulp van TDG inkt te maken. Ik voeg daaraan toe dat dit economisch ook weinig zin zou hebben. Irak had een kleine textiel industrie. Het is dus veel goedkoper om dit product compleet te importeren. Met 200 liter TDG kun je trouwens een heel pakhuis vol met textiel maken. U vraagt of het volstrekt ondenkbaar is dat in de jaren ’80 in Irak TDG werd gebruikt als textiel ‘additive’. Ja, dat is volstrekt ondenkbaar.

(17) U vraagt naar de toepassingen van TDG op de wereldmarkt. Daar heb ik onderzoek naar gedaan voor het OPCW. In 1988 werd er mondiaal drie tot vijf duizend ton per jaar verhandeld, op een totale productie van vier tot zes duizend ton. Circa 70% van de productie wordt door de producent direct verwerkt tot een eindproduct zoals drukinkt. Ook zijn er nog enkele hele kleine toepassingen. TDG wordt wel geëxporteerd, maar in hoeveelheden van minder dan honderd ton per jaar.

(18) In 1988 waren er naar schatting in Amerika 10 producenten van TDG, in Japan drie en in Duitsland twee. In die tijd waren er in die landen respectievelijk 40, 30 en 25 bedrijven die TDG consumeerden. Circa 100 bedrijven gebruikten maximaal één ton per jaar. Circa 30 firma’s één tot tien ton per jaar. Slechts enkele bedrijven gebruikten meer dan tien ton per jaar. De toepassingen van TDG zijn onder andere kleurstof voor de textielindustrie, inkt, kopieerapparaten en nog enkele hele kleine toepassingen. Zo’n 10% wordt gebruikt voor coatings, smeermiddelen, stabilisatoren, metal plating, elastomeren. (19) U vraagt naar de winstmarges op TDG. TDG is een organic specialty chemical. Dat is een vrij exotisch product. Er worden relatief kleine hoeveelheden van gemaakt. Op dit soort producten zit een vrij grote winstmarge. (22) Wij hebben in Irak geen één fabriek aangetroffen die was ingericht voor de productie van textielverf of drukinkt. Deze stoffen werden altijd geïmporteerd.

(23) Ik kan stellen dat alle fabrieken zijn bezocht. U moet bedenken dat er in Irak geen particulier initiatief was; alles werd centraal vastgelegd. We hebben acht jaar geïnspecteerd. Ik durf te stellen dat zeker 99% van alle fabrieken is bezocht.

(25) U houdt mij voor punt 35 van de verklaring van [getuige 18] op 11 april 2005. U zegt dat je uit dit antwoord zou kunnen afleiden dat er wel enige industrie was in Irak die TDG gebruikte. Ik denk niet dat het kan. Irak had veel industrie waar textiel werd gemaakt, maar niet werd bedrukt. De officier van justitie vraagt of ik denk dat het niet kan dat er industrie was die TDG gebruikte of dat ik het zeker weet. Het is onmogelijk dat er industrie was die TDG gebruikte. De raadsman vraagt hoe ik dat met zekerheid kan zeggen als niet 100% van de fabrieken is bezocht. In alle fabrieken en werkplaatsen die wij hebben bezocht, en in de administratieve bescheiden die wij hebben onderzocht is daar geen enkele aanwijzing voor gevonden.

U vraagt naar het productieproces van mosterdgas. In Irak is op twee manieren mosterdgas gemaakt. Ze zijn begonnen met de combinatie van TDG en SOCl2 (Thionylchloride). SOCl2 werd later ook gebruikt voor de productie van Sarin en VX. Deze stof werd daarvoor bewaard en er werd overgestapt op PCl3 (fosfortrichloride). Het bleek toen dat de productie met PCl3 ook beter ging. Een tijdje zijn beide stoffen naast elkaar gebruikt. Toen werd overgeschakeld naar sarin, werd alleen nog PCl3 gebruikt.

(27) De mosterdgas was van hoge kwaliteit, zeker toen PCl3 werd gebruikt.

(30) De productie van mosterdgas met PCl3 is begonnen rond 1984/1985. Bij de productie van mosterdgas deden zich veel technische storingen voor. Daarom waren op MSE dubbele productietreinen aangelegd. Op deze manier konden storingen in de ene trein worden opgevangen met de andere. De andere methode om bederf van de grondstoffen te ondervangen was om deze zo snel mogelijk te gebruiken. Dit bleek uit de configuratie van de fabrieken, maar ook uit de talloze gesprekken die ik gedurende acht jaar heb gevoerd met productiemedewerkers. Met name PCl3 werd zo snel mogelijk gebruikt. De productie van mosterdgas met PCl3 is begonnen rond 1984/1985. Het bleek dat de combinatie TDG met PCl3 in het productieproces dat Irak toepaste erg goed werkte tegen verontreinigingen;

(32) U vraagt waar mosterdgas werd geproduceerd. In de jaren ’70 is nog in Bagdad mosterdgas gemaakt. Vanaf begin jaren ’80 was Al-Muthanna de enige productieplant voor mosterdgas. MSE lag boven Bagdad. Als je van Bagdad naar Faluja rijdt, ligt rechtsboven Faluja een meer. Daar vlak onder ligt MSE. Het lag ook vlakbij Samarra, in het begin werd het ook aangeduid als Samarra.

(35) U vraagt naar het verschil in geluid tussen de ontploffing van een conventionele en een chemische granaat. De chemische granaat heeft een factor 50 minder explosieven, namelijk alleen in de burstertube. Dat geeft dus een veel geringere knal dan een conventionele granaat. Dit geldt nog sterker voor vliegtuigbommen, waar het verschil in explosieven misschien wel een factor 500 is. De vliegtuigbommen waren bedoeld voor het gebruik van napalm of witte fosfor, ook vloeistoffen. De vliegtuigbommen hadden daarom een vulplug;

MSE had de zogenaamde graveyard. Daar werden mislukte en half mislukte voorraden van zenuwgas neergezet. Als de goede kwaliteit zenuwgas op was, werd uit deze voorraden geput. Ook werd de slechte kwaliteit zenuwgas wel opgemengd met betere kwaliteit.

Op deze graveyard lag in veel mindere mate mosterdgas.

(37) U houdt mij voor dat getuigen verklaren over een wit grijze rook of mist. Door de ontploffing van de burstertube ontstaat binnen de bom een enorme druk. Deze druk doet de huid van de granaat openbarsten en verspreidt tevens de vloeistof als een soort mist. Als er relatief teveel explosief ontploft, ontstaat er een groenige wolk. Hoe optimaler de verhouding tussen explosief en strijdgas, hoe lichter de wolk is. Mosterdgas is donker van kleur, de wolk die ontstaat is grijs. Hoe beter de kwaliteit van het mosterdgas, hoe witter de wolk.

(38) U vraagt hoe mosterdgas ruikt. Mosterdgas heeft een zeer scherpe geur. Het wordt vaak geassocieerd met mosterd, knoflook of uien. Ik kan dat uit eigen waarneming bevestigen. De geur van zoete appelen of fruit past meer bij zenuwgas, zoals Tabun. Dit heb ik niet uit eigen waarneming. Het waarnemen van zenuwgas leidt onmiddellijk tot letsel.

(44) U vraagt naar de munitie die werd gebruikt voor mosterdgas. Dat waren met name 155 mm artillerie granaten. Er zijn ook 122 mm, katousjka-achtige, raketten gebruikt, maar heel weinig. Deze waren meer voor zenuwgas. Vliegtuigbommen waren vooral van het type AB250 en AB500. Ook hebben wij enkele 750 gauge bommen gevonden.

(49) U houdt mij voor dat sommigen zeggen dat Irak ook cyanide heeft gebruikt bij zijn aanvallen. Dat is hoogst onwaarschijnlijk. Het is namelijk in de buitenlucht vrijwel onmogelijk zo’n hoge concentratie cyanide tot stand te brengen dat het dodelijk is. Bovendien is cyanide lichter dan lucht en krijg je het dus heel moeilijk naar de grond. Cyanide werkt razendsnel, maar alleen in afgesloten ruimtes. Het is zinloos om het in bommen te stoppen. Het slachtoffer van cyanide vergiftiging heeft een acuut en massief zuurstofgebrek, hij wordt blauw en valt dood neer. De raadsman vraagt mij naar de term ‘bloodgasses’. Die term ken ik niet. De Nederlandse term bloedgassen is een ouderwetse aanduiding voor cyanide. De term bloodagents ken ik wel. Ook dat is een ouderwetse aanduiding voor cyanide. De juiste term TIC, toxic industrial chemical. De chemische aanduiding van cyanide is HCN gas.

(50) U houdt mij voor dat twee door de verdediging opgevoerde deskundigen verklaren dat slachtoffers in Halabja zijn overleden aan cyanide. Ik zeg u dat op grond van de verschijnselen bij de slachtoffers het ook heel goed het gevolg kan zijn van tabun van slechte kwaliteit. Irak maakte namelijk tabun met een heel hoog zoutgehalte. Dat zout moest eruit worden gecentrifugeerd. Deze centrifuge was echter vaak kapot. 30% van de bom was dan gevuld met zout, cyanidehoudend zout.

Tabun is namelijk een zenuwgas waarvan de actieve groep de cyanidegroep is. Voor sarin is dat de fluorgroep. Voor mosterd is dat chloor of zwavel. Na gebruik van tabun bleef op de grond cyanidehoudend zout achter in de vorm van een wit poeder. Als dat zout vervolgens in contact komt met bijvoorbeeld vocht, ontstaat waterstofcyanide. Een detector die boven dit zout wordt gehouden, zal derhalve waterstofcyanide registreren. Dit is dan niet het gevolg van het gebruik van cyanide, maar van het gebruik van tabun. De verschijnselen bij slachtoffers van tabun zijn rode ogen, pupilvernauwing, ademhalingsproblemen, convulsies, stuipen, schuim op de mond, speekselvloed, het laten lopen van ontlasting, lopende neus maar ook wat cyanide-achtige verschijnselen zoals blauw aanlopen. De overeenkomst met cyanidevergiftiging is dat bij hoge dosis de dood in enkele seconden intreedt. Tabun is echter minder vluchtig dan cyanide en is daarom wel in de open lucht te gebruiken. Uit de literatuur zijn mij slechts enkele dodelijke slachtoffers bekend van het gebruik van cyanide in de buitenlucht in de eerste wereldoorlog.

(51) Mensen die het overgebleven zout aanraken of binnenkrijgen, krijgen verschijnselen van cyanidevergiftiging. Het verschil tussen cyanide- en tabunvergiftiging is voor een leek overigens nauwelijks vast te stellen. Indien het slachtoffer convulsies had, wijst dit op tabun. Een plotselinge dood zonder schuim op de mond of iets dergelijks kan op cyanide wijzen, maar dat hoeft niet. Als een slachtoffer van een zenuwgas aanval tien minuten overleeft, dan overleeft hij het sowieso. Dus wanneer een slachtoffer antistoffen tegen cyanide krijgt toegediend en hier gunstig op reageert, zegt dat niets. Hij zou sowieso niet overlijden. Het antimiddel atropine geeft zelf ook weer bijwerkingen.

(56) U vraagt naar het effect van mosterdgas op mensen. Mosterdgas tast de weefsels aan. Dat komt door alkilering. Dat is een reactie met de nucleofiele plekken in de eiwitten, DNA en RNA, met andere woorden de plekken die daar gevoelig voor zijn. Het geeft een onomkeerbare verandering in alle weefselsoorten, een onherstelbare beschadiging. Een tweede effect is dat mosterdgas de stoffen vernietigt die het lichaam beschermen tegen vrije radicalen. Zichtbare verschijnselen zijn blaren en verbranding van de huid. In de ergste gevallen ziet dat eruit als derdegraads brandwonden. Het eerste worden vochthoudende plaatsen aangetast zoals ogen, oksels en schaamstreek. Niet alleen weefsels worden vernietigd, maar ook de celkernen worden aangetast. Dat leidt tot mutaties, die potentieel kunnen leiden tot kanker. Daardoor zijn er ook lange termijn effecten, soms nog na tientallen jaren. Op langer termijn wordt bijvoorbeeld het beenmerg aangetast.

(57) Direct na blootstelling aan mosterdgas kan de huid nog worden ontsmet. Echter mosterdgas heeft een vertraagde werking, de eerste effecten worden pas na uren of dagen zichtbaar. Als eerste ontstaan oogklachten. Ook de longen worden aangetast. Met name in een warm klimaat geeft mosterdgas sterke vochtvorming in de longen. Je verdrinkt als het ware in je eigen longen. Door de warmte ontstaan niet alleen druppels mosterdgas, maar ook damp, daardoor is de werking sterker. Ook op lange termijn, na twintig jaar kunnen alsnog longproblemen ontstaan. Longblaasjes zijn teer weefsel die ook in de kern worden aangetast. Door het proces van alkilering zijn de longblaasjes permanent beschadigd en is het regeneratieve vermogen verminderd. De uiterlijke verschijningsvormen zijn daardoor gelijkend op astma. Het wordt ook wel aangeduid als broncholitis. Ik weet niet of er ook generatieoverdracht plaatsvindt als gevolg van blootstelling aan mosterdgas.

(58) U vraagt naar het effect van de luchttemperatuur op het ontstaan van een damp van mosterdgas. Dat is mede afhankelijk van de toevoegingen in het mosterdgas. Globaal neemt boven de 20 graden Celcius de kans exponentieel toe om damp in te ademen.

12.31. de ter terechtzitting van 28 november 2005 afgelegde verklaring van de getuige-deskundige [getuige-deskundige] die - onder meer - inhoudt:

FFCD staat voor Full Final and Complete Disclosure en houdt in een declaratie van Irak aan de Verenigde Naties. De eerste versie bestond uit één pagina, de laatste versie uit tienduizenden. In de loop der tijd zijn deze rapporten veel fijner gesneden.

U houdt mij voor dat het dossier de FFCD van 1995 bevat en dat er in 1996 en 2002 ook exemplaren zijn verschenen. Dat klopt. Het exemplaar uit 1995 is betrouwbaar, want in de latere versies zijn er geen gegevens bijgekomen. Er zijn wel stukken toegevoegd ter onderbouwing. Er zijn wel gegevens bijgekomen betrekking hebbende op VX gas, maar die gegevens zijn voor deze zaak niet relevant. U houdt mij voor dat er steeds vanuit is gegaan dat er gebruik is gemaakt van de ‘blaartrekker’ mosterdgas. U vraagt mij of er aanwijzingen zijn van gebruik van de ‘blaartrekker’ lewisiet, welke uit andere grondstoffen is opgebouwd. Ik heb daarvoor geen enkele aanwijzigen gevonden. Ik heb wel lewisiet aangetroffen in een andere vorm. Lewisiet heeft, in tegenstelling tot mosterdgas, een directe werking. Er is ook geen enkele aanwijzing dat Irak dergelijke lewisiet voorhanden had.

U vraagt mij wat er bekend is over de betrokkenheid van het regime bij de leveringsopdrachten en het verbruik. Deze gang van zaken speelde zich af op twee niveaus. Het eerste, onderste, niveau hield zich bezig met de voorbereiding en maakte daarbij gebruik van getypte documenten. Deze documenten gingen vervolgens naar het tweede niveau. Dit niveau bezigde enkel handgeschreven documenten. Hiervan zijn er slechts 2 à 3 teruggevonden. Verder gebeurde er op dit niveau veel telefonisch. De documenten die je terugvindt zien dus vaak alleen op de voorbereiding. Hieruit blijkt wel de grip van het regime op de gehele gang van zaken. U houdt mij voor dat een bepaald percentage van de grondstoffen niet wordt omgezet in mosterdgas. Dit is dan verloren gegaan of vernietigd. In mijn rapportage heb ik aangegeven dat ongeveer 5% weggelekt is, 10 tot 15% achterblijft in de tanks bij het uitpompen en een zelfde percentage achterblijft bij de opslag. Dit laatste is voornamelijk het geval bij TDG. Dit heeft tot gevolg dat deze TDG wordt vermengd met nieuwe grondstof.

U vraagt mij of het mosterdgas dat werd bewaard in 20 en 45 tons tanks werd gebruikt als basis voor het vullen van de munitie? Dat klopt. U vraagt mij hoe leeg de tanks waren. Dit is moeilijk in te schatten. In de jaarrapportages staan alleen de totalen en de eindvoorraad van dat jaar vermeld. Hieruit is gebleken dat in december 1988 50 ton over was. U stelt mij dezelfde vraag, maar dan met betrekking tot de jaarrapporten over de jaren 1985, 1986 en 1987.

U houdt mij voor dat van de grondstoffen die [verdachte] heeft geleverd in ieder geval 800 ton mosterdgas is gemaakt wat ook daadwerkelijk op het slagveld terecht is gekomen en u vraagt mij of het klopt dat dit mosterdgas ofwel is geleverd om in te zetten ofwel is gedetoneerd maar in ieder geval niet terug naar MSE is gegaan. Dat is inderdaad het geval. Als de munitie gevuld met mosterdgas niet werd gebruikt, dan ging dat terug naar MSE. Dan werd het verrekend. Als het is uitgeleverd dan is het op het slagveld gebleven en is het dus niet teruggegaan naar MSE. U houdt mij voor dat mijn conclusies leiden tot schattingen en vraagt mij of de meest logische schatting is dat halverwege 1985 mosterdgas dat op het slagveld werd gebruikt was gemaakt met onder meer grondstoffen geleverd door [verdachte] en dat er vanaf 1985 alleen TDG door [verdachte] werd geleverd. Voor zover wij weten kan dit inderdaad uit betrouwbare stukken worden gehaald.

U houdt mij vervolgens voor dat ik in mijn rapport het meest extreme scenario heb gegeven, dat ziet op de omstandigheid dat alle andere grondstoffen op waren. In dit scenario zou in ieder geval vanaf december 1987 munitie gevuld met uitsluitend mosterdgas gemaakt met TDG geleverd door [verdachte] op het slagveld gebruikt zijn. U vraagt mij waarom ik geen percentage heb gegeven. Dit rapport is onder tijdsdruk gemaakt. Ik wil hierbij direct opmerken dat dit geen afbreuk doet aan de conclusies. Nadat deze rapportage was uitgebracht vond ik nog een tweetal documenten welke van belang waren. Uit deze documenten, welke derhalve niet in de rapportage zijn opgenomen, blijkt dat de voorraad TDG welke is aangetroffen na de Iran-Irak oorlog niet de TDG is welke door [verdachte] is geleverd. Er is namelijk een sterke aanwijzing dat er een voorraadopname is gemaakt.

Op 20 december 1988 zijn alle warehouses geïnventariseerd. Er werden speciale comités benoemd die deze warehouses moesten onderzoeken. Omdat in één van deze documenten de namen van de personen staan genoemd welke deel hebben genomen aan deze comités kan ik u deze niet zomaar overleggen. Het andere document is een inventarisatielijst. Uit deze lijst blijkt dat in warehouse 1 alle precursoren waren opgeslagen. Het enige dat is aangetroffen was TDG. In totaal waren er 1900 vaten van 25 kilogram. Hieruit volgt dat er na de oorlog ongeveer 48 ton TDG over was. De vraag is nu waar deze 25 kilogram vaten vandaan kwamen. Ik denk dat deze uit de tijd stammen dat er nog vrije verhandeling mogelijk was. Ik neem vervolgens aan dat de grote vaten eerder werden gebruikt dan de kleine, en dat deze in de warehouse werden gehouden. Dit pleit ook voor de mengtheorie. Hieruit volgt derhalve dat de TDG welke over was is geleverd door anderen en dat de TDG geleverd door [verdachte] geheel is gebruikt.

U vraagt mij een inschatting te maken wanneer het het meest waarschijnlijk is dat men is begonnen met gebruik op het slagveld van munitie, gevuld met mosterdgas gemaakt van grondstoffen geleverd door [verdachte]. Dit zal hoogstwaarschijnlijk medio 1985 zijn geweest.

Er waren ontzettend veel precursoren, voetbalvelden vol. Daarom werden deze in containers opgeslagen. Deze containers werden, wanneer er bijvoorbeeld luchtalarm was, uit MSE gereden en ergens in de woestijn gezet. Wanneer er geen dreiging meer was, dan werden de containers weer teruggezet. Bij dit proces moeten de containers in volgorde zijn verwisseld. Wanneer er gebruik van gemaakt moest worden, gebruikte men hetgeen het eerst voorhanden was. Hierdoor is het moeilijk te stellen dat er een ‘first in first out’ principe werd gehanteerd.

U vraagt mij of het uitgesloten is dat het anders is gegaan. Ik denk het wel.

U houdt mij voor dat de eerste levering 380 ton bedroeg. U vraagt mij vervolgens over welke hoeveelheid TDG van anderen Irak nog kon beschikken. Dat is enkel te berekenen met het meest extreme scenario. Kijkend naar tabel 5B op pagina 35, tot 1986 denk ik een kleine 1000 ton, geleverd door anderen.

De oudste rechter houdt mij vervolgens voor dat ik in mijn zesde kernconclusie het scenario heb geschetst dat in ieder geval van december 1987 munitie gevuld met uitsluitend mosterdgas gemaakt met TDG geleverd door [verdachte] op het slagveld gebruikt zou zijn en vraagt mij vervolgens of de periode juli 1987 tot december 1987 een periode van productie en afvoer kan zijn geweest. De conclusies op pagina 6 van het rapport zijn berekend op basis van cijfers. Vervolgens heeft een statisticus, rekening houdende met een foutenmarge, gerekend.

De conclusies op pagina 6 zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat elke maand dezelfde hoeveelheid mosterdgas is geproduceerd. Dat weten we dus niet zeker, dat is een statistische benadering.

Op de vraag van de voorzitter vanaf welk moment volgens het hoogst waarschijnlijke -scenario de grondstoffen van [verdachte] een wezenlijke bijdrage gevormd moeten hebben voor de op het slagveld gebruikte mosterdgas, antwoord ik dat op die vraag geen antwoord te geven is. Je moet dan uitgaan van de situatie dat de hoeveelheid die is geleverd, 1100 ton, is verbruikt vóór de oorlog. Vervolgens moet je dan gaan terugrekenen. Dan kom je uit bij het extreme scenario. Het enige dat je weet is dat alles op is. Dan kom je uit in mei 1987.

Alles was op in augustus 1988. Ik geloof zelf het meest in het hoogst waarschijnlijke -scenario. Op de vraag van de oudste rechter wat het verschil is tussen het scenario dat uitgaat van december 1987 en het scenario dat uitgaat van mei 1987, antwoord ik dat in het eerste geval de TDG van anderen het eerst op is en in het tweede geval dat het TDG van [verdachte] op is aan het eind van de oorlog. Dit is gebaseerd op de snapshots.

De oudste rechter houdt mij vervolgens voor dat de situatie van december 1988 vlak na de oorlog is, en op de telastlegging nog een aanval staat vermeld van na de oorlog en vraagt mij of dit van belang kan zijn. Na augustus 1988 draaide de P8 fabriek niet meer. Ze hadden nog wel een voorraad mosterdgas van 50 ton. Er is dus geput uit de voorraad die er nog was.

De jongste rechter houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de situatie van december 1988 gelijk was aan die van augustus 1988, tenzij er mosterdgas is vernietigd, en vraagt mij of het tevens mogelijk is dat het is gebruikt. Deze vraag beantwoord ik bevestigend.

Op de vraag van de jongste rechter of er door UNSCOM bewust is gezocht naar andere industrieën die deze grondstoffen gebruikten, antwoord ik dat dit inderdaad is gedaan en dat uit dit onderzoek is gebleken dat Irak industrieel niet iets anders kon vervaardigen.

U houdt mij voor dat uit deze tabel tevens blijkt dat in de periode 10 maart tot 16 maart 1988 ongeveer 54 ton mosterdgas is verbruikt. Dit is omstreeks de periode van de aanval op Halabja. U vraagt mij of het hoogstwaarschijnlijk is of deze munitie op Halabja terecht is gekomen. Dat is inderdaad hoogst waarschijnlijk

Op de vraag of de zesde kernconclusie verandert, dat wil zeggen of de periode opschuift naar voren, als er uitgegaan wordt van het scenario dat al het TDG dat aan het eind van de oorlog is aangetroffen van anderen is antwoord ik dat dit per definitie het geval is. Het verschil is niet heel groot, ongeveer vier maanden.

U houdt mij tabel III op pagina 6 van de bijlagen voor en vraagt mij of het klopt dat tot en met de eerste maanden van 1986, tot het moment van stilleggen van de productie, TDG is gemengd met SOCl2. Dat klopt. Het stilleggen van de fabriek is ook voor het omzetten van het proces geweest, het mengen van TDG met SOCl2 naar TDG met PCl3. De productie van mosterdgas gemaakt van TDG met PCl3 is opgestart in het najaar van 1986, ongeveer in de maand december. De officier van justitie verwijst naar tabel 3 op pagina 25 en vraagt of uit deze tabel is af te leiden dat in de periode 11 februari 1988 tot 3 augustus 1988 het geproduceerde mosterdgas vrij snel kon worden gebruikt voor het afvullen van munitie. Dat kan er inderdaad uit worden afgeleid.

De officier van justitie vraagt mij vervolgens of bij het berekenen van de productieverliezen rekening is gehouden met de gegevens uit de FFCD dat er problemen waren met het leegzuigen van de 220 liter tanks. Hiervoor is een factor 2,5 genomen. Er zijn twee soorten verliezen, te weten het verlies door het gebruik door Irak van mechanische pompen in het productieproces en het verlies door polymerisatie als gevolg van de manier van produceren. Het was zelfs zo dat de fabriek periodiek werd gesloten om de gepolymeriseerde vaten te kunnen vervangen. Voor dit verlies is een factor 5 genomen. Er is een aparte berekening gemaakt van verliezen welke in één keer zijn geleden, zoals het verlies van 30 ton in 1988.

Op de vraag van de officier van justitie waarom er soms als inhoud van een 500 gauge bom 153 kilogram mosterd wordt gegeven en soms 174, antwoord ik dat dit het verschil is in kilogrammen en liters.

U houdt mij voor dat is gesteld dat TDG op een gegeven moment werd gebruikt in het productieproces, dat er voorraden waren en dat er niet werd gewerkt met het systeem van ‘first in first out’. Tevens houdt u mij voor dat in MSE een buffervoorraad was van 190 ton, waarvan veel in 1 ton containers was opgeslagen. U vraagt mij of, bij het gebruik van deze 1 ton containers, er toch geen systeem van ‘first in first out’ werd gebruikt. Dat hing er vanaf. Tijdens het productieproces werden er veel kwaliteitscontroles genomen. Er werd eerst gekeken naar de zuiverheid van de partijen, waarbij een norm van 88% werd genomen. Als er sprake was van een goede batch, dus met een zuiverheid van meer dan 88%, en er was behoefte, dan zouden deze containers in mijn ogen direct worden gebruikt voor het afvullen van munitie.

Als de norm niet werd gehaald, dan werd er bijgemengd. In het geval van goede mosterd werd het direct in een bulkcontainer gestopt, de bijgemengde mosterd werd in een andere container gestopt en de mosterd die de norm niet haalde in een derde container. Dit waren of 1 ton containers, of er werd direct bijgemengd. Bij hoge nood is het ook wel eens voorgekomen dat er inferieure mosterd is gebruikt. Dit moest dan wel gelijk, anders polymeriseerden de bommen.

De raadsman houdt mij voor dat er geen sprake was van een strikt ‘first in first out’ systeem en dat er in de rapportage is gezocht naar een moment waarop gezegd kan worden dat het mosterdgas is gemaakt met alleen grondstoffen geleverd door [verdachte]. Dit zou in het meest ongunstige scenario zijn begin augustus 1985. In de rapportage staan meerdere opslagtanks vermeld waarin bulkopslag mogelijk was en de raadsman vraagt mij of ik kan uitsluiten of in augustus 1985 er tanks waren welke volledig niet inzetbaar waren voor de productie van mosterdgas. Nee, dat kan ik niet. Ik kan ook niet uitsluiten dat er tanks zijn blijven staan. Het is eveneens mogelijk dat er mosterdgas werd bewaard in deels of geheel lege tanks. Het is eveneens mogelijk dat er tanks waren waarin geen mosterdgas gemaakt met grondstoffen door [verdachte] zat en dus ook bommen zonder dit mosterdgas.

De raadsman verwijst naar pagina 6 van Bijlage F en vraagt mij te kijken naar de rij PCl3 te kijken in het jaar 1986, waaruit blijkt dat dit niet ‘processed’ is en vraagt mij of hieruit niet blijkt dat mijn conclusie dat er in 1986 PCl3 is gebruikt dan wel juist is. De tijdslijn in de FFCD wat betreft het precursorgebruik en precursorproductie is minder strak gehanteerd dan de gebruikscijfers. Er is teruggeredeneerd en daar is uitgekomen dat in 1986 PCl3 is processed.

De raadsman verwijst naar de tabel op pagina 35, waaruit zou moeten blijken dat er 800 ton TDG van [verdachte] op het slagveld terecht moet zijn gekomen en vraagt mij waar die 800 ton is gebaseerd. Deze cijfers zijn gebaseerd op de bestellingen van het leger en komen niet uit de FFCD. De cijfers welke zijn genoemd in het gebruik in de tabel komen ook van het leger.

Er was 1825 ton TDG van andere leveranciers. 1550 Ton bruikbare mosterdgas wordt gemaakt wat overeenkomt met 1550 ton TDG. Per jaar wordt er minimaal 40 ton verbruikt. Als je dan terugrekent van de 2364 ton mosterd uit 1988 dan kom je op ongeveer 700 ton. Dit is dan wel het extreme scenario.

De raadsman verwijst naar F40 en stelt dat wanneer er 2032 ton mosterd is ingezet minus de 1825 ton van andere leveranciers, wat 1550 ton mosterd zou moeten zijn, dan zou het verschil tussen de ingezette mosterd en de TDG geleverd door anderen 425 zijn.

F40 en de FFCD 1995 gaan uit van de theoretische benadering en een theoretische berekening zonder dat men op de hoogte was van de exacte cijfers. Mijn rapport weegt alle cijfers en er vinden correcties plaats met behulp van payloads en UNSCOM data. Alle gegevens en cijfers zijn opnieuw gewogen en bekeken. F40 keek alleen naar de vraag of er wel TDG van [verdachte] over was voor het eind van de oorlog. Mijn rapport kijkt hier beter naar. Daarbij weegt hard dat er in plaats van naar de theoretische verliezen is gekeken naar de daadwerkelijke verliezen welke zijn geleden door de Irakezen.

De raadsman wijst op de tweede kernconclusie op pagina 6 van het rapport, waarin staat vermeld ‘in het meest gunstige scenario voor verdachte’ en stelt dat dit een waardeoordeel impliceert en vraagt mij waarom deze woordkeuze is gebruikt. Als uitgangspunt is genomen het moment waarop er voor het eerst TDG geleverd door [verdachte] in mosterdgasproductie en voorraden terechtgekomen is. Hoe later dit is gebeurd, hoe minder aanvallen daarmee kunnen zijn uitgevoerd. De redenatie is derhalve geweest hoe sneller hoe ongunstiger, hoe later hoe gunstiger.

De raadsman wijst op pagina 8, paragraaf 3.1, tweede alinea waarin staat vermeld dat ‘het leeuwendeel van de mosterdgasproductie plaatsvond in de P8 en vraagt mij waar de rest plaatsvond. De start van de productie was in de jaren 70 tot 1982 in Bagdad. Daar komt ook de eerste 35 ton welke is gebruikt in de oorlog vandaan. Dit was geproduceerd met TDG van andere leveranciers. De P8 fabriek werkte toen nog niet.

De raadsman verwijst naar de lijst op pagina 14 van het rapport. Deze lijst is meer gedetailleerd en is wel congruent met de FFCD van 1995.

De raadsman verwijst naar pagina 21, paragraaf 4.4, 2e volzin en vraagt mij waarop dit is gebaseerd. Ik merk voor de volledigheid op dat er hier wordt gesproken van 1116 ton terwijl getuigen melden dat er 1400 ton is geleverd. Deze 1116 ton is gebaseerd op basis van ‘shipping documents’. In 1990 is er nog 700 ton additioneel gemaakt. Er was meer mosterd aangetroffen dan in de FFCD stond vermeld, dus moeten er additionele leveringen zijn geweest. Dit kan niet worden uitgesloten, want anders klopt het totaal niet. Ik weet niet of deze 700 ton voor of na 1988 is geleverd. Dit weten we alleen van de 50 ton. Deze is na de oorlog nog geleverd.

De raadsman houdt voor dat de in de rapportage beschreven LC’s afkomstig zijn van een overgeschreven lijst welke afkomstig was uit de boxfiles, merkt op dat [getuige 18] daarover heeft opgemerkt dat hij er niet zeker van was of alle LC’s waren overgeschreven en vraagt mij of, als er nu LC’s niet op de zogenaamde Faisal-lijst stonden vermeld, dit de conclusies in het rapport onzekerder zou maken. Er is gebruik gemaakt van de Faisal lijst, maar ook van gegevens van microfiches van de Irakese bank. Dit is echter niet publiek gemaakt. Ik ga er van uit dat in ieder geval de microfiches volledig zijn. Het valt natuurlijk nooit uit te sluiten, maar het is wel heel onwaarschijnlijk dat betaling anders heeft plaatsgevonden. De conclusies zijn dus niet alleen op de Faisal lijst gebaseerd. Er van uitgaande dat de Irakese bank alles heeft, zijn de gegevens in de FFCD compleet.

De raadsman vraagt of er in het kader van het onderzoek tevens onderzoek is geweest naar de mogelijkheid dat Irak buiten Irak fabrieken had om middelen te vervaardigen. Er deden twee geruchten de ronde die hierop betrekking hadden. Daarvan is er één onderzocht. Dit gerucht had betrekking op een Centraal Afrikaans land, recentelijk gebombardeerd door de Verenigde Staten. Dit onderzoek leverde niets op. Er is niets concreets gevonden, niets over strijdgassen of de betaling daarvan. Het tweede gerucht is niet onderzocht door UNSCOM, want dit had te maken met andersoortige munitie.

De raadsman houdt mij voor dat [getuige 39] onder punt 7 van zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat er andere productiefaciliteiten waren waar mosterdgas werd gemaakt. Ja, maar niet tegelijkertijd.

De raadsman houdt mij voor wat ik in mijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris heb verklaard aangaande Tabun en het poeder, zout, dat vrijkwam en vraagt mij of dit aan te raken is zonder daarvan letsel te bekomen. Inderdaad, op een aanvalsplaats van Tabun bleef dit zout achter. Dit kwam omdat Irak zeer slechte Tabun maakte. Dit bestond 30% uit zout. Dit is cyanidezout. Wanneer dit in aanraking komt met vocht ontstaat er cyanide, dat is een zeer giftige stof. Het is dus afhankelijk van de vochtigheidsgraad. Het zout is dus schadelijk, je kan er cyanidevergiftiging van krijgen. Het voorgaande ondersteunt mijn conclusie dat er tijdens de aanval op Halabja geen cyanide is gebruikt.

12.32. de ter terechtzitting van 05 december 2005 afgelegde verklaring van de getuige-deskundige [getuige-deskundige] die - onder meer - inhoudt:

Uit de eerste LC uit 1985 blijkt dat er 386 metricton TDG is afgeleverd, maar het gaat nu om de tweede levering in 1986 van 163 ton TDG. U houdt mij voorts voor dat tijdens het vorige verhoor is gesproken over het feit dat de productie van mosterd in 1986 heeft stilgelegen, waarover ik heb verklaard dat dit in de periode van maart tot december 1986 is geweest. Anderen hebben het over de periode van maart 1986 tot en met januari 1987.

U vraagt mij of uit het vorenstaande de conclusie kan worden getrokken dat voornoemde 163 metricton TDG, dat is binnengekomen in de eerste helft van 1986, alleen gebruikt kan zijn na het opnieuw opzetten van de productie na 1986. Ja, die conclusie kan inderdaad worden getrokken.

12.33. een deskundigenverslag, zijnde het op 10 november 2005 door [geuige-deskundige] uitgebrachte rapport TDG verbruik [verdachte], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (RC-dossier – pagina 1215 tot en met 1387):

Op 14 september legde de rechter-commissaris [………] aan getuige-deskundige [getuige-deskundige] de navolgende vragen voor:

"Kunt u op basis van het dossier' ("Dossier") een datum vaststellen, vanaf welk moment het mosterdgas dat Irak naderhand heeft ingezet, (volledig) moet zijn gemaakt met TDG dat aan Irak is geleverd door de bedrijven [bedrijf 5] en [bedrijf 6].

Zo ja:

1. Kunt u gemotiveerd aangeven welke datum dat is en met welke mate van zekerheid dat geldt;

2. Kunt u aangeven welke factoren nog van invloed kunnen zijn, waardoor dit moment eerder of later in de tijd zou moeten worden geplaatst."

Na de initiële inventarisatie van het "Dossier" bleek dat in de daar aanwezige documentatie en getuigenverklaringen verschillende informatiebronnen diverse leveringsperiodes noemen voor TDG geleverd door de heer [verdachte] aan Irak. Genoemde perioden liggen tussen 1985 tot in 1988.

Ook bleek, na nadere analyse dat de vraag, zoals geformuleerd niet voor 100 procent te beantwoorden is. Er is echter wel volgens een realistisch scenario een tijdvenster aan te geven vanaf welk tijdstip mosterdgas gemaakt met TDG van [verdachte] volgens de wetten van de logica via munitie op het slagveld terechtkomt en vanaf welk tijdstip dit zeker het geval is. Aan beide zijden van dit tijdvenster zijn de extreme maar niet realistische grenzen aan te geven die de uiterste tijdstippen aangeven waarop aan de ene kant munitie op het slagveld gebruikt niet gevuld kan zijn met mosterdgas gemaakt met TDG van [verdachte] zijn en aan de andere kant wanneer munitie gebruikt op het slagveld mosterdgas met [verdachte’s] TDG als grondstof moet bevatten. In de samenvatting zijn deze uiterste grenzen aangegeven.

Volgens de berekeningen in het dossier is 207 ton TDG in theorie de kleinst mogelijke hoeveelheid TDG van de totale hoeveelheid van 1.400 ton TDG geleverd door [verdachte] die in de voor verdachte meest gunstigste geval minimaal in chemische munitiën terechtgekomen moet zijn nadat deze TDG tot mosterdgas (H) verwerkt is.

Als werkwijze is gekozen om alle beschikbare gegevens opnieuw te beschouwen en te wegen.

Kernconclusies:

- Van september 1985 af, is het mogelijk en in een realistisch scenario waarschijnlijk, dat mosterdgas gemaakt met TDG geleverd door [verdachte], aanwezig is in munitie dat op het slagveld gebruikt werd. In 1987 en de eerste helft van 1988 wordt munitie gevuld vrijwel direct verbruikt.

- In het meest gunstige scenario voor de verdachte, maar tevens het meest extreme scenario, zou in ieder geval vanaf december 1987 munitie gevuld met uitsluitend mosterdgas gemaakt met TDG geleverd door [verdachte] op het slagveld gebruikt zijn.

- Zowel TDG van [verdachte] geproduceerd in Japan, als in de VS, komen op het slagveld terecht, minimaal 800 ton TDG.

De in de 1995 FFCD genoemde jaarlijkse productiecijfers voor mosterdgas wijken soms af (in 1986-1988) van de later door UNSCOM en Irak aanvaarde jaarlijkse productiecijfers. De oorzaak is de verfijning van de productietijdlijnen, waardoor mosterdgas soms in een iets andere periode geproduceerd blijkt te zijn dan eerst werd aangenomen. De totale mosterdgas productie in Irak, zoals genoemd in de 1995 FFCD, komt wel nagenoeg overeen met de latere cijfers.

De eerste methode gebruikte één ton TDG en twee ton thionylchloride om één ton mosterdgas te produceren. De tweede methode gebruikte één ton TDG en één ton fosfortrichloride om één ton mosterdgas te maken.

Van 1981 tot half 1986 werd als chloordonor thionylchloride gebruikt, en vanaf de tweede helft van 1986 werd fosfortrichloride gebruikt. De voornaamste reden voor deze verandering is, dat in 1986 een tekort van thionylchloride optrad, mede omdat deze precursor ook nodig was voor sarin productie en er geen alternatief voor was. Eind 1986 was 2860 ton thionylchloride verbruikt (inclusief 508 ton voor de productie van sarin).

Zuivere mosterdgas werd onder andere opgeslagen in 1 ton chloorgas containers. Voor mosterdgas opslag waren ook 5 stuks 20 tons en 2 stuks 45 tons ondergrondse opslag tanks beschikbaar, die gebruik werd om mosterdgas te beschermen tegen bombardementen. De 45 tons tanks behoorden bij de P8 fabriek. Ze werden ook gebruikt voor bulkopslag en het mengen van 2 tons batches waarvan de zuiverheid door bijmenging omhoog gebracht moest worden. Er was daarom een bulkopslagcapaciteit voor mosterdgas beschikbaar van in totaal 190 ton. In tegenstelling tot de 1 tons chloor tanks bezitten deze tanks een ontluchtingssysteem, waardoor de druk van eventuele polymerisatie gereduceerd wordt. Het is in een realistisch scenario mogelijk dat in deze bulk opslag mosterdgas gemaakt met TDG van [verdachte] gemengd wordt met mosterdgas gemaakt met TDG afkomstig van andere leveranciers.

De gevolgde procedure was dat de bestelde chemische munitie een dag voor verbruik bij de verbruikende eenheid ter plaatse werd gebracht en dat de niet verschoten of afgegooide gedeelte van de munitie die overgebleven was, weer terug ging naar MSE.

Tabel 1A TDG leveringen aan Irak volgens 1995 FFCD

[……..]

[……..]

[Deze tabel is hier om technische redenen niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

Tabel 1B. Deelleveringen van [verdachte] aan Irak onder LC 85/31579 volgens ref.F90.

[…….]

[…….]

[Deze tabel is hier om technische redenen niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

Volgens referte F90 wordt onder de 2 LC's in totaal vanaf juni 1985 tot mei 1988 in deelleveringen minimaal 1.116 ton TDG in Irak afgeleverd door [verdachte]. De hoeveelheden per jaar zijn als volgt verdeeld: 193 ton TDG in 1985; 193 ton TDG in 1986; 267 ton TDG in 1987 en 364 ton in 1988.

In onderstaande tabel wordt informatie afkomstig van verschillende bronnen betreffende de hoeveelheden geleverde TDG per jaar met elkaar vergeleken. De vetgedrukte cijfers in de tabel betreffen mogelijke leveringen van [verdachte].

[…….]

[…….]

[Deze tabel is hier om technische redenen niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

De conclusie is dat van de 1400 ton TDG die in de 1995 FFCD genoemd wordt als door [verdachte] geleverd of in of na 1989, het in ieder geval vast staat dat tussen juni 1985 en maart 1988 een minimum totaal van 1116 ton TDG door [verdachte] aan Irak heeft afgeleverd.

Tabel 5B. Gegroepeerd per jaar en getotaliseerd per jaar: de aantallen en types H munitie geproduceerd, de som van de gezamenlijke munitie payloads, de aantallen verbruikte H munitie met behulp van de FFCD / UNSCOM / MSE 88 en F90 cijfers.

[…….]

[…….]

[Deze tabel is hier om technische redenen niet opgenomen, maar (binnenkort) te vinden op de pagina Actualiteiten (van de rechtbank ’s-Gravenhage) onder de kop ‘Afbeeldingen vonnis strafzaak 23 december 2005’. ]

Uit deze tabel is af te leiden dat in het extreme model de 1550 ton bruikbare mosterdgas vervaardigd met TDG van andere leveranciers, en afgevuld in bruikbare munitie, op zijn laatst rond juli 1987 op is en dat munitie daarna uitsluitend uit mosterdgas gemaakt met TDG van [verdachte] geproduceerd wordt. Het moment dat uitsluitend munitie gevuld met mosterdgas gemaakt met TDG van [verdachte] op het slagveld wordt gebruikt, is op zijn laatst ergens in de eerste helft van december 1987. Een andere conclusie is dat zowel de in Japan geproduceerde TDG als een gedeelte van de in de Verenigde Staten geproduceerde TDG, beide behorend tot de leveringen van [verdachte], op het slagveld terechtkomen, omdat minimaal 800 ton TDG geleverd door [verdachte] uiteindelijk op het slagveld terecht komt.

12.34. een deskundigenverslag, zijnde het op 03 december 2005 door [getuige-deskundige] uitgebrachte aanvullend rapport op het rapport TDG verbruik [verdachte] d.d. 10 november 2005, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 1 en 2):

Op grond van twee documenten, die waarschijnlijk beide deel uitmaakten van een inventarisatierapport gedateerd 20 december 1988 is te concluderen dat op die datum in “Pakhuis 1” (warehouse no. 1) zich 1953 vaten met elk 25 kg TDG bevonden, afgerond een totale hoeveelheid van ongeveer 49 ton. Uit de documenten is ook te concluderen dat de locatie “Pakhuis nummer 1” de enige plaats was waar TDG in Al Muthanna State Establishment (MSE) was opgeslagen.

Uit deze gegeven is de conclusie te trekken, dat de TDG die na de oorlog is overgebleven, niet van [verdachte] afkomstig kan zijn, omdat [verdachte] nooit in 25 kg verpakkingen geleverd heeft. Daaruit is weer de conclusie te trekken dat de door [verdachte] geleverde TDG in de mosterdproductie opgebruikt moet zijn voor wat betreft de TDG die voor het einde van de oorlogshandelingen in Irak zijn aangekomen. Dit betreft voor [verdachte] 1117 ton TDG. Een bijkomende conclusie lijkt ook, dat een “mengscenario” hoogstwaarschijnlijk is.

Het “derde” scenario gaat er van uit dat vanwege het feit dat de TDG van [verdachte] op is na het staken van de gevechtshandelingen, er berekend kan worden wanneer het TDG van [verdachte] op zijn laatst in de mosterdgasproductie verbruikt werd. Daarbij wordt uitgegaan van het door UNSCOM berekende TDG verbruik.

In 1988 is 506 ton TDG verbruikt. Uitgaande van 1117 ton van [verdachte], blijkt dan dat er in 1987 nog 611 ton TDG van [verdachte] over is op een totaal verbruik van 922 ton TDG.

Aannemende dat er een gelijkmatig verbruik van rond 77 ton per maand plaatsvindt in 1987, betekent dit dat per 01 mei 1987 TDG van [verdachte] verbruikt gaat worden.

12.35. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 17 november 2004 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Arnhem, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 17 november 2004 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 18] (G18.I – pagina 231 tot en met 241):

Ik was in 1981 als beroepsmilitair belast met de kwaliteitscontrole van onder meer mosterdgas.

12.36. de processen-verbaal van verhoor van getuige op 11, 12 en 13 april 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Deze processen-verbaal houden onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 11, 12 en 13 april 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 18] (G18.II, III en IV – pagina 391 tot en met 404):

(5) Ik ben hoofd geweest van het team dat de Full Final and Complete Disclosure (FFCD) heeft opgesteld. Ik heb van 1985 tot en met augustus 1985 in Engeland chemie gestudeerd. In deze periode heb ik geen contacten gehad met medewerkers van MSE. U vraagt hoe het komt dat ik toch erg veel weet over wat er in deze periode in Irak is gebeurd op het gebied van het chemische wapen programma. Ik zeg u dat dit komt omdat ik in 1991 ben benoemd tot hoofd van het Irakese team dat de UNSCOM-inspecties heeft begeleid. Vanaf de eerste commissies en inspecteurs ben ik erbij geweest. (31) Toen ik in 1988 terugkwam werd ik director of quality control. [Naam] was toen directeur-generaal van MSE. Hij is in 1987 [voorganger directeur-generaal] opgevolgd. Ik heb tot 1985 met [voorganger directeur-generaal] gewerkt.

(6) U vraagt naar de betrouwbaarheid van de cijfers in de FFCD. Ik zeg u dat de informatie uit de FFCD is onderzocht door inspectieteams. Zij hebben ook contact opgenomen met de leveranciers van de grondstoffen. Het ging hen met name om de hoeveelheden die waren geleverd en niet zozeer om de periode waarin was geleverd. Voor het onderzoek was niet van belang wie had geleverd. De cijfers uit de FFCD bevatten voor zeker 80% de waarheid. U vraagt of een gedeelte dan niet de waarheid bevat. De FFCD is naar mijn inschatting voor 80% gebaseerd op documenten en voor de rest op het geheugen van mensen. De FFCD bevat dus voor zeker 80% de waarheid. Ik voeg daar aan toe dat de betrouwbaarheid van de cijfers van de FFCD zijn onderzocht door de ISG onder leiding van [naam] en in orde zijn bevonden.

(7) U vraagt of alle leveranciers hebben meegewerkt. Ik was de directeur van een groep van 20 personen die de FFCD hebben opgesteld. Als wij wisten dat iemand die betrokken was bij leveranties in Irak zat, dan riepen we hem op. Zo is ook [verdachte] opgeroepen.

(8) U vraagt of het moeilijk was om aan TDG te komen. Dat was heel moeilijk. Er gaat namelijk bij bedrijven altijd een lichtje branden. Het was heel duidelijk dat TDG voor 90% voor militaire doeleinden werd gebruikt en hooguit 10% civiel. Dit was met name sinds medio 1984 bekend geworden, omdat de Australiërs hadden gewaarschuwd voor de ‘double use’ van TDG.

(13) Van 1 ton TDG en 1 ton PCl3 kan 1 ton mosterdgas worden geproduceerd.

(20) U vraagt of ik een inschatting kan geven hoeveel personen er in totaal door de voltallige UNSCOM commissie, op de wijze als bij van [verdachte], zijn verhoord. Dat zijn er honderden geweest. Eerst werden de leidinggevenden gehoord, daarna ook de personen daaronder. Op een gegeven moment kreeg ik een lijst van 40 personen waarvan ik de namen niet kende. Dat bleken chauffeurs te zijn. Van de leveranciers zijn er twee gehoord, [naam] en [verdachte].

(2) U houdt mij voor dat ik gisteren heb verklaard (alinea 10) dat ik van [verdachte] een handgeschreven stuk heb gekregen. U vraagt of ik dat stuk nog heb. Nee. U vraagt of dit de enige handgeschreven notitie is die ik van [verdachte] heb gekregen. Ja. U houdt mij voor p. 116 van de FFCD. U vraagt welk gedeelte [verdachte] heeft geschreven. De punten 1 en 2 heeft hij geschreven, vanaf “these information” is het door mij geschreven. U vraagt mij of de handgeschreven notitie van [verdachte] als bijlage bij de FFCD is gevoegd. Het was geen bijlage, maar het is een deel van de FFCD geworden.

(14) U houdt mij voor de tabel op p. 262 van de FFCD. Daaruit valt af te lezen dat in 1990 280 ton TDG is gebruikt in de productie (processed). U vraagt of uit de FFCD valt af te leiden wanneer die grondstoffen zijn ingekocht en van wie ze afkomstig zijn. Deze 280 ton mosterdgas is geproduceerd met de laatst ingekochte partijen TDG. Deze zijn in 1987 ingekocht. Alle bulkleveringen verder in de jaren ’80 gingen via een Letter of Credit. Meer dan 95% van de leveringen is derhalve te herleiden tot een Letter of Credit. U vraagt nogmaals of er TDG is geleverd zonder een Letter of Credit. Wat ik eerder heb gezegd over de kleine hoeveelheden TDG met contante betaling was een voorbeeld van hoe het zou kunnen zijn gegaan. Ik weet dat niet zeker. Nu ik nogmaals kijk naar het overzicht van Letters of Credit op pagina 19 van de FFCD zeg ik u dat het er op lijkt dat alle leveringen van TDG met een Letter of Credit zijn gegaan. Dit is ‘up to the best of my knowledge’.

(14) U vraagt of het juist is dat er in de jaren ’80 nooit grote voorraden TDG waren. Dat is juist. De hoeveelheden TDG werden in de jaren ’80 heel snel verwerkt. De TDG die na ’88 werd geleverd, op een Letter of Credit uit 1987, bleef echter langer bewaard, omdat na beëindiging van de oorlog in augustus 1988 de productie werd gestaakt. U vraagt hoe lang TDG bewaard kan worden. Dat is minstens tien jaar. U houdt mij voor mijn verklaring bij de rechter-commissaris op pagina 8 onderaan en pagina 9 bovenaan. Wat daar staat is op zich juist. TDG werd na aflevering op Al-Muthanna echter tussen enkele weken en enkele maanden verwerkt en niet tussen enkele dagen en enkele weken. De verwerking gebeurde op bestelling.

(17) U vraagt naar de houdbaarheid van mosterdgas. Wij produceerden niet zomaar mosterdgas. Dit gebeurde uitsluitend op bestelling. U vraagt of dat betekent dat het geproduceerde mosterdgas ook snel werd gebruikt. Dat is correct. De productie van mosterdgas neemt niet meer dan 1 dag in beslag. Het afvullen van de munitie duurt iets langer, omdat dit handmatig moet gebeuren. De productie van mosterdgas voor bijvoorbeeld 1000 artilleriegranaten, dat is drie en een halve ton, duurt hooguit 2 dagen, het vullen van die 1.000 granaten duurt ongeveer een week. Bij aerialbombs gaat het vullen sneller, omdat daarin grotere hoeveelheden gaan. Mosterdgas is in bulkcontainers langer houdbaar dan in de munitie. U vraagt of alle geproduceerde mosterdgas werd afgevuld in munitie of dat ook een deel in bulk werd bewaard. Ik zeg u dat mosterdgas ook werd bewaard in containers, in het algemeen van 1 ton. Deze containers hebben we laten zien aan de inspecteurs. U vraagt of het afvullen van munitie ook op bestelling ging. Ja, dat klopt.

(22) U vraagt wanneer alle met SOCl2 geproduceerde mosterdgas was afgevuld in munitie. Ik zeg u dat dit valt af te leiden uit de tabel op p. 262 en de tabel op p. 263 van de FFCD. Alle met SOCl2 geproduceerde mosterdgas is uiterlijk in 1986 afgevuld. Zoals ik eerder heb gezegd werd eerst de oude voorraad opgebruikt, dat betekent dat ten aanzien van de artilleriegranaten deze in de loop van 1987 waren opgebruikt. Dit is een voorbeeld ten aanzien van de artilleriegranaten. Deze zelfde berekening is te maken ten aanzien van de aerialbombs. U stelt dat de in 1988 gebruikte artilleriegranaten dus moeten zijn gevuld met mosterdgas dat is geproduceerd met PCl3. Dat is juist, Mosterdgas gemaakt met SOCl2 is in 1987 opgebruikt.

(23) U vraagt of afgevulde munitie alleen naar de speciale eenheden gingen als ze ook daadwerkelijk werden ingezet. Dat is juist. U vraagt of ook voor deze chemische wapens gold dat eerst de oudste munitie werd gebruikt. Ik zeg u dat het afvullen op bestelling ging. De munitie die niet werd gebruikt bleef niet bij de speciale eenheden, maar kwam terug naar MSE. Als er bijvoorbeeld 50 granaten waren teruggekomen en de volgende keer werden 200 granaten besteld, dan werden die 50 die over waren daarvoor gebruikt, voor zover deze nog voor gebruik geschikt waren. U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat in zijn algemeenheid daar een systeem van ‘first in, first out’ voor werd gebruikt. U vraagt of hier een vast systeem voor was, of daar regels voor waren. Nee, hiervoor waren geen vaste regels opgesteld.

(30) U houdt mij voor de pagina’s 229 onderaan en 230 bovenaan van mijn tweede verklaring. Hieraan wordt gerefereerd op pagina 238 van mijn verklaring bij de rechter-commissaris in november 2004. U vraagt mij wat wordt bedoeld met ‘bottleneck’. Vanaf 1986 was er geen vraag meer naar POCl3. Dat was dus geen bottleneck. Voor TDG lag dat anders. Zodra TDG binnenkwam werd het binnen enkele maanden in productie genomen.

(3) U houdt mij voor dat ik op pagina 217 (G 18.1) heb verklaard dat als er een bevel kwam om chemische wapens in te zetten, er eerst het bevel kwam en daarna de chemische wapens vanuit de opslagplaatsen naar de eenheden werden gebracht. Ik heb eerder verklaard dat er nooit chemische wapens naar de eenheden werden gebracht als ze niet werden ingezet. U vraagt mij hoe ik aan die kennis kom, mede gezien mijn functie als director of quality control in die tijd. Ik zeg u dat ik zelf niet het bevel gaf tot de inzet van chemische wapens. Dat bevel kwam van het regime. Hiervan waren meestal geen documenten, het ging meestal telefonisch. (32) De State Organisation for Refinery and Gas Industry (SORGI) viel onder het Ministerie van Olie. [Verdachte] deed al vanaf 1982 zaken met SORGI. SEPP kreeg in de jaren ’80 vanuit SORGI de tip dat als zij materiaal nodig had dat lastig te verkrijgen was daarvoor het beste [verdachte] kon worden ingeschakeld. U vraagt hoe ik dit weet. Dit heb ik in 1995 van [getuige 112], het toenmalige hoofd van SORGI, gehoord. Hij vertelde over zijn contacten met Al-Muthanna. Hij vertelde dat er goederen binnenkwamen alsof ze voor SORGI waren. (33) U vraagt of het klopt dat ik in 1991 voor het eerst [verdachte] heb ontmoet. Dat klopt. Vanwege de hiërarchie moest hij meteen naar [directeur-generaal MSE]. Bovendien mochten Irakezen geen contact hebben met buitenlanders.

(34) U legt uit dat het voor u van belang is om te weten in hoeverre [verdachte] wetenschap had waarvoor de door hem geleverde grondstoffen werden gebruikt. U vraagt of ik daarover wel eens met hem heb gesproken. Ik zeg u dat deze vraag voor mij niet van belang was. U zegt dat ik eerder heb verklaard dat mij uit gesprekken met [verdachte] is gebleken dat hij wist dat SORGI een covername was. Ja, dat is correct. Vanaf 1987 hebben wij zelf op MSE de covername SORGI gebruikt. We hebben zelf contact opgenomen met [verdachte] en zelf betalingen gedaan. U vraagt of [verdachte] dus rechtstreeks contact had met eerst [voorganger directeur-generaal MSE] en daarna met [directeur-generaal MSE]. Dat is correct. U vraagt hoe ik dat weet. [Verdachte] bezocht hen vaak. [Verdachte] had een goede zakelijke relatie met [directeur-generaal MSE]. U vraag hoe ik dat weet. Dat leid ik af uit het feit dat hij in oorlogstijd een keer vroeg om 50 liter benzine en hij toen 100 liter kreeg. Dan moet hij een belangrijk persoon zijn. U houdt mij voor dat ik op pagina 9 onderaan en pagina 10 bovenaan van mijn verklaring bij de rechter-commissaris heb gezegd dat [verdachte] [voorganger directeur-generaal MSE] persoonlijk kende en dat ik dat van [voorganger] in 1994 of 1995 in Bagdad van [voorganger] zelf heb gehoord. Dat is juist. Tijdens de gesprekken die ik met [voorganger directeur-generaal MSE] had voor de FFCD zei hij ook het een en ander over [verdachte].

(35) U vraagt naar de toepassingen van TDG. TDG kan ook civiel worden gebruikt, maar de gebruikte hoeveelheid daarbij is verwaarloosbaar. Als je spreekt over tonnen TDG, dan is er maar één toepassing mogelijk, namelijk mosterdgas. In de textielindustrie wordt hooguit 1 barrel per jaar, dat is 200 kilogram, gebruikt. U zegt dat Irak niettemin de textielindustrie opvoerde voor de buitenwereld als excuus voor de import van TDG. Dat klopt. U zegt dat je daarmee dan toch niemand kan bedotten. U heeft gelijk. In de beginperiode gebruikten we nog kleine hoeveelheden TDG, maar later zoveel dat dit niet voor de textielindustrie kon zijn. In Irak was ook veel textielindustrie die geen TDG gebruikten.

(8) U houdt mij voor dat [verdachte] heeft verklaard (pagina 32) dat hij alleen heeft geleverd aan SORGI. [Verdachte] verklaart voorts dat hij in 1986 wist dat TDG gebruikt kon worden bij de productie van chemische wapens, maar dat SORGI altijd ontkend heeft dat het voor dat doel gebruikt zou worden. [Getuige 112] zou volgens [verdachte] tegen hem hebben gezegd dat de TDG gebruikt zou worden voor de textielindustrie. U vraagt mij om een reactie. Ik geef [getuige 112] volledig gelijk als hij dit zegt. Hij is immers directeur van SORGI, een civiele instelling. Als hij ook maar iets zou hebben gezegd over militaire doeleinden, was hij direct opgehangen. Personen als een directeur-generaal zijn natuurlijk bang voor hun leven en hun functie. Zij houden zich aan hun instructies. [Getuige 112] was geen chemicus. Hij heeft van ons – in opdracht van hogerhand – gehoord dat hij moest zeggen dat het voor de textielindustrie was. [Verdachte] wist dat hij ook veel meer kon vragen voor de goederen die hij leverde, omdat het moeilijk verkrijgbaar was. Het was een winstgevende handel. Hij kon de drievoudige prijs vragen van wat gebruikelijk was. Hij let niet op waarvoor het wordt gebruikt. Als hem ernaar wordt gevraagd, dan zegt hij dat het voor de textielindustrie was.

(11) U leest mij voor pagina 10, tweede alinea, van mijn verklaring bij de rechter-commissaris. U houdt mij voor dat [verdachte] heeft verklaard dat hij hier heel verbaasd over is en dat hij niet zou weten op welke manier en wanneer hij dat aan mij zou hebben gezegd. U vraagt om een reactie. Ik heb vijf of zes keer met [verdachte] gesproken. Het ging over leveringen, contracten, van alles en nog wat. Het waren geen gesprekken van een kwartier. We hebben hele discussies gehad, ook over de zaken van het leven, maar daarna kwamen we weer terug op de zaak. Het is zelfs niet uitgesloten dat hij mij heeft uitgelegd wat SORGI was. Ik hield hem de lijsten voor. Het zou kunnen dat hij het mij toen heeft uitgelegd. Ik moest alles verantwoorden tegenover UNSCOM. Als zij vroegen naar SORGI, moest ik ook alles weten en kunnen verantwoorden. Ik stelde nauwkeurige vragen. Ik kon geen vragen onbeantwoord laten. Natuurlijk hebben we over die dubbele functie van SORGI gesproken. Ik wijs er nogmaals op dat de eerste helft van pagina 116 van de FFCD door hem is geschreven.

(13) U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat [verdachte] tussenpersoon is geweest tussen MSE en de leverancier. U vraagt of [verdachte] tot en met de wapenstilstand in 1988 rechtstreeks contact had met MSE. Ja, de werkzaamheden van [verdachte] zijn na 1988 niet gestopt. De naam SEPP is op een gegeven moment ontmaskerd. Daarna was de naam verdacht en daarom werd vervolgens de naam SORGI gebruikt. Tussen 1982 en eind 1984 is de naam SEPP gebruikt. Vanaf 1985 tot en met begin 1987 is de naam SORGI gebruikt. We hebben het hier natuurlijk over grondstoffen voor ‘double use’, voor chemische strijdmiddelen. Na 1984 werd de naam SEPP nog wel gebruikt voor andere materialen zoals bijvoorbeeld autobanden. Materialen voor ‘double use’ zoals TDG werden vanaf 1985 tot en met 1987 op de naam SORGI geleverd.

U zegt dat het contact van [verdachte] dan toch met SORGI is en niet rechtstreeks met MSE. Dat is correct.

(16) U houdt mij voor dat ik gisteren in alinea 33 heb verklaard over een incident waarbij [verdachte] om benzine vroeg aan [directeur-generaal MSE]. U houdt mij voor dat ik vanmiddag onder punt 6 ook heb verklaard over een incident waarbij hij om benzine vroeg. U vraagt of dat over hetzelfde incident gaat. Ja, in mijn aanwezigheid heeft [verdachte] slechts één keer om benzine gevraagd. Ik was toevallig bij [directeur-generaal MSE] op de kamer toen [verdachte] daar binnen kwam lopen. Daarom stuurde [directeur-generaal] mij niet weg en kon ik horen dat [verdachte] om benzine vroeg. Ik weet dat hij diezelfde dag benzine in zijn auto heeft gekregen.

(19) Ik heb eerder verklaard dat MSE van SORGI een tip kreeg dat [verdachte] moeilijke materialen kon leveren. U vraagt of MSE daarom had gevraagd of dat SORGI dit spontaan heeft gezegd. Het initiatief ging uit van SEPP.

(20) U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat [verdachte] in de jaren 1982 tot en met 1985 zaken deed met SORGI. U vraagt hoe ik dat weet. Tijdens de voorbereiding van de FFCD heb ik dat gehoord van leden van mijn team die vroeger op MSE hebben gewerkt.

(22) Naar aanleiding van de tweede alinea op pagina 10 van mijn verklaring bij de rechter-commissaris in november 2004 vraagt u mij of [verdachte] aan mij heeft bevestigd dat hij wist dat SORGI ook een covername van MSE was. Ik denk van wel. De rechter-commissaris houdt mij voor dat ik gisteren heb verklaard (alinea 11): natuurlijk hebben wij over die dubbele functie gesproken. Dat is juist. U vraagt of [verdachte] aan mij heeft verteld dat hij ook reeds in de periode tot en met 1988 wist dat SORGI een covername van MSE was. Wij hebben hier ongetwijfeld over gesproken. Voor mij was echter van belang of die partijen van hem afkomstig waren. De rest was voor mij niet van belang. Tot 1987 heeft SORGI een tussenrol gespeeld, maar vanaf 1987 heeft MSE zelf ook die naam gebruikt. Ik wijs u op pagina 19 van de FFCD, waar staat dat de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 5] TDG hebben geleverd met een L/C uit 1987. Nogmaals, we hebben hier ongetwijfeld over gesproken, maar voor mij was alleen van belang of hij had geleverd. Wij hebben besproken dat dit zijn bedrijven waren. Wij hebben ook gesproken over zijn aanhouding in Italië en hoe hij naar Irak is gekomen en ook hoe de Italiaanse politie zijn kantoor had bestormd.

(23) U vraagt mij nogmaals of [verdachte] tegenover mij heeft bevestigd of hij in de periode tot en met 1988 wel of niet wist dat SORGI een covername van MSE c.q. SEPP was. Ik zeg u nogmaals dat wij daar wel over hebben gesproken.

(25) U houdt mij voor pagina 219, eerste alinea van mijn eerste verklaring. U vraagt mij hoe ik aan deze wetenschap kom. Ik heb dit gehoord van een officier van de inlichtingendienst. Deze officier bracht [verdachte] naar ons.

(26) U houdt mij voor de laatste alinea op pagina 219 van mijn eerste verklaring. U vraagt of ik een voorbeeld kan geven van een misleidend antwoord of het achterhouden van informatie. Dat is niet zo gemakkelijk. Ik kan u wel een klein voorbeeld geven. [Verdachte] herhaalde tegenover de commissie wat hij in de eerdere gesprekken met mij had verteld en wat ook in de FFCD staat. Toen ze echter vroegen naar de route die de goederen volgden, merkte ik dat hij telkens vragen ontweek. Dat zorgde voor een gespannen sfeer bij de commissie. Uit deze gespannen sfeer leidde ik af dat de commissie niet alles geloofde wat hij vertelde.

12.37. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 120] d.d. 28 januari 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a - pagina 1 tot en met 5):

Op de ochtend van de aanval op Halabja (16 maart 1988) werd ik opgeroepen om te assisteren in de commandokamer. Bij aankomst hoorde ik dat een uur eerder door Saddam Hussein persoonlijk het bevel voor een tegenaanval met chemische wapens was gegeven.

Over het algemeen kwam het bevel om chemische wapens te gebruiken direct van Saddam Hussein zelf of in sommige gevallen van de Minister van Defensie, Adnan Khairallah Tulfah (inmiddels overleden). De Irakezen maakten tijdens de hele oorlog op grote schaal gebruik van chemische wapens. Met het oog op het specifieke soort “speciale munitie” zoals het werd genoemd, kwam het besluit van het Directoraat Chemische Oorlogsvoering.

Het Hoge Militaire Gezag en Saddam Hussein wisten dat chemische wapens weinig zinvol tegen de Iraanse troepen zouden zijn. In dit late stadium van de oorlog was het Iraanse leger beter voorbereid geworden en er vielen nu minder slachtoffers bij chemische aanvallen door de Irakies. Het Irakese leger wist dat en gebruikte ze vooral om het moreel van Iran te kraken. Ik ben van mening dat het doel van de chemische aanval was om de Koerdische bevolking die door Saddam Hussein werd gezien als bondgenoot van Iran af te straffen en angst aan te jagen. Wij wisten meteen dat de bombardementen hadden geresulteerd in de dood van duizenden Koerden.

Saddam Hussein had het bevel over de Noordelijke regio aan Ali Hassan Al-Majid overgedragen. Hij had de totale controle over de regio, zowel in politiek als in militair opzicht. Alle militaire bevelhebbers vielen onder zijn gezag en hoewel de bestaande bevelsketen tot Saddam Hussein bestaan bleef, is het ondenkbaar dat een verzoek om chemische wapens te gebruiken de President bereikt zou hebben zonder dat Ali Hassan Al-Majid daarvan afwist en toestemming voor had gegeven. Zijn gezag in de Noordelijke regio was bijna gelijk aan dat van Saddam Hussein zelf.

12.38. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 125] opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 4):

Orders om chemische wapens te gebruiken, kwamen van het Presidentiële Paleis. Het was heel gebruikelijk om gas te gebruiken. In de praktijk werden er artilleriegranaten gevuld met chemische middelen aan de bevelhebbers afgeleverd zonder dat wij ervan afwisten of ermee hadden ingestemd. Chemische wapens kwamen niet voor in onze aanvalsplannen. De agenten van het presidentiële paleis kwamen aan, presenteerden de wapens aan de bevelhebbers en gaven aanwijzingen hoe ze veilig gebruikt moesten worden.

Als de bevelhebber het chemische wapen dat hem was gegeven niet gebruikte, werd hij gestraft. De machtsstructuur binnen Irak is afhankelijk van Saddam Hussein en de inner circle bestaande uit zijn grootste vertrouwelingen. Ali Hassan Al-Majid en anderen in de Revolutionaire Commando Raad hebben 30 jaar lang hun persoonlijke loyaliteit aan Saddam Hussein bewezen. Gebaseerd op vele jaren ervaringen met de machtsstructuur in Irak heb ik er geen enkele twijfel over dat Ali Hassan Al-Majid persoonlijk verantwoordelijk was voor het toezicht op de aanval met chemische wapens op Halabja in maart 1988. Ali Hassan Al-Majid is één van de mensen die het dichtst bij Saddam Hussein persoonlijk stonden. Ik geloof dat Ali Hassan Al-Majid in het mobiele hoofdkwartier was tijdens de aanval op Halabja op 16 maart 1988 en dat hij de volledige operationele controle over de aanval had alsmede de volledige bevoegdheid van de Revolutionaire Commando Raad (RCC).

Ik ben ervan overtuigd dat de volgende personen van tevoren kennis hadden van de aanval op Halabja en deze actief steunden: Saddam Hussein, Izzat Ibrahim Al-Douri, Ali Hassan Al-Majid, Hoessein Khamel, Saddam Khamel en Taha Yasin Ramadan.

12.39. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 19 juli 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [………., griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 19 juli 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 39] (G39.I – pagina 804 tot en met 812):

(22) De Iraakse regering heeft aangegeven dat wij over bepaalde onderdelen van het chemische wapenprogramma, zoals de productie van mosterdgas en sarin waarover toch alles al bekend was, volledige openheid van zaken moesten geven, als wij maar niets over biologische wapens en VX-gas zouden zeggen.

(32) Ik ben luitenant-kolonel geweest in het leger en was ook lid van de Baath partij. (31) Als de commandant aan het front verwachtte dat hij met de inzet van conventionele wapens niet uit de voeten zou komen, meldde hij dat bij het hoofd van zijn legeronderdeel. Het verzoek om chemische wapens werd vervolgens in de algemene legerleiding besproken. Daar werd over de inzet beslist. De algemene legerleiding bestond onder anderen uit Saddam Hussein Al-Tikriti, Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en Hussein Kamal Hassan Al-Majid. Ik weet dat vanuit mijn opleiding in het leger en vanuit mijn ervaring als officier in het leger.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair:

12.40. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 126] d.d. 22 september 2003, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a - pagina 44 tot en met 45):

Op 5 juni 1987 bevond getuige zich samen met ongeveer 200 andere personen in Zewa. Tegen 19:00 uur was hij buiten en wilde gaan eten toen ongeveer 15 vliegtuigen in verschillende aanvalsgolven over het gebied vlogen. Deze wierpen bommen af. De bommen detoneerden anders dan gewone bommen en granaten, die getuige van andere aanvallen kende.

De bommen ontwikkelden een geel-blauwe rook en een vreemde geur. Na de aanval vond getuige samen met anderen scherven, die veel groter waren dan die van andere bommen en granaten. Op de scherven zat een geelachtig poeder. De getuige zelf voelde een prikkeling in de ogen en zijn maag gedroeg zich anders dan normaal. Een vertegenwoordiger van de PUK kwam naar de plaats en vertelde dat zij waren blootgesteld aan een gifgasaanval.

12.41. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 127] d.d. 19 september 2003, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a - pagina 46 tot en met 59):

De gifgasaanval op Zewa was op 5 juni 1987. Ik nam om 18:00 uur deel aan een voetbalwedstrijd. Kort voor het einde van de wedstrijd, dat was tegen 19:00 uur, kwamen er vliegtuigen die ons aanvielen. De aanval duurde ongeveer 10 minuten en er werden ongeveer 40 bommen geworpen. De manier van de aanval, dat wil zeggen de ontploffing van de bommen was anders dan bij voorgaande aanvallen. De knal en de kracht van de bommen waren niet zo sterk. De aanval duurde ook veel korter dan gewoonlijke luchtaanvallen. Toen we uit onze schuilplaatsen kwamen, zagen we een wolk boven de dalketel hangen. Het was een grijze wolk en je kon zien hoe de wolk langzaam in het dal zakte. Klaarblijkelijk hadden de vliegtuigen meerdere bommen in een soort halve cirkel boven de basis op de berghelling afgeworpen.

Ik rook een afschuwelijke stank. Volgens mij rook het naar fosfor.

We hebben bij alle personen die bij deze aanval waren, deze symptomen vastgesteld; ze moesten overgeven en hadden ademproblemen. Ook mijn vrouw en ik hadden deze problemen. Ik denk dat het in het begin om 40 personen ging. Veel van deze mensen kregen toen ook last van brandende ogen en sterke duizeligheid. We waren blind. Mijn vrouw had veel problemen met de luchtwegen. We kregen over het hele lichaam zwarte vlekken op de huid. Bovendien traden op de vochtige delen van onze huid, zoals onder de armen, rond de geslachtsdelen of tussen de tenen verbrandingsverschijnselen op en dat ging gepaard met heel veel pijn. Ik hoest nu nog steeds zonder enige duidelijke oorzaak. Bij mijn vrouw is het hoesten nooit opgehouden.

12.42. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 128] d.d. 19 juni 2004, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a – pagina 78 tot en met 95):

Wij Koerden besloten naar Irak te gaan en verplaatsten ons naar het gebied Lolan. In de volgende drie tot vier jaren gingen we steeds verder naar het Westen van Irak, naar het gebied Badinan. Daar ligt ook de plaats Zewa in de buurt van Emadia, waar we in 1985 aankwamen. In de daarop volgende jaren werden de aanvallen van het Irakese leger op de Koerden in Noord-Irak steeds heviger en in 1987 volgde de gifgasaanval op Zewa. Mijn vrouw raakte daarbij ernstig gewond. De gasaanval op Zewa vond plaats in 1987, de 15e Khordad. Dat is de benaming voor de derde maand van de Irakese kalender.

Hier legt de tolk uit dat de 15e Khordad overeenkomt met de 4e of 5e juni, afhankelijk van wanneer het in het betreffende jaar het begin van het jaar is, op de 20e of de 21e mei. Op die dag vond in Zewa een voetbalwedstrijd plaats tussen Iraanse en Irakese jongeren. Het was tegen 17:00 of 18:00 uur, ik geloof kort voor het avondeten. Ik herinner mij dat er 5 vliegtuigen waren die in V-formatie vlogen. Een vliegtuig vloog laag over het dal en wierp twee of drie bommen af. De andere vliegtuigen wierpen bommen af in de hoger gelegen gebieden om Zewa. Op uw vraag of de bommen verschilden van de normale bommen kan ik u zeggen dat zij minder verwoestende kracht hadden. Ook steeg onmiddellijk uit de bomtrechters een witgrijze rook op. Deze zag ik ook op de andere rond Zewa getroffen plaatsen. Deze rook bleef nog lang in de lucht hangen en bewoog zich als een wolk langzaam naar het dal. Ik denk dat het rond middernacht was toen ik wakker werd. Mijn vrouw moest braken, ik moest ook braken. Mensen klaagden over brandende ogen en iemand zei toen dat er waarschijnlijk een of ander chemisch middel bij de aanval was gebruikt. Onze klachten werden hoe langer hoe erger. Al gauw kon ik haast niets meer zien en ook met mijn vrouw ging het erg slecht.

12.43. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 129] d.d. 18 juni 2004, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a – pagina 96 tot en met 110):

U vraagt mij of ik kan aangeven hoeveel mensen in de zomer 1987 in de plaats Zewa verbleven. Ik schat dat er ongeveer 150 tot 200 mannen en vrouwen waren. Voor zover ik me nu nog kan herinneren, werden een of twee bommen direct in de buurt van de huizen afgeworpen. De andere bommen, ik denk dat het er meer dan 40 waren, vielen rondom in de bergen. Over de bommen kan ik u zeggen dat het volgens mij geen gewone bommen waren. Uit deze bommen kwam een vreemde geur, zoals bij een gasfornuis als je gas opendraait maar niet aansteekt. Verder herinner ik mij dat de walm die uit het getroffen gebied opsteeg geelgrijs van kleur was. Ik had de indruk dat de walm van de rondliggende bommen als een soort nevel in de bergen hing en zich langzaam in de richting van het dal bewoog. Daarom dacht ik ook snel aan het gebruik van chemische bommen. Mijn huid begon al snel te jeuken en mijn ogen en hals waren heel erg geïrriteerd. Ik moest overgeven. De blindheid heeft bij mij bijna drie weken geduurd. Mijn huid was op verschillende plekken open geknapt en ik had nog wekenlang grote blaren. Ook mijn man was tijdelijk blind. Ik lijd nog steeds aan de gevolgen van de gasaanval. Ik moet veel hoesten en word snel hees.

12.44. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 130] d.d. 16 juli 2003, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a, pagina 125 tot en met 128):

Getuige was op 5 juni 1987 in Zewa tijdens de aanval op het gebied. Hij verklaarde dat de aanval ’s avonds tussen 18:00 uur en 19:00 uur plaatsvond. Ze waren met ongeveer 150 partizanen, mannen, vrouwen en kinderen. Getuige stelde vast dat er direct na de aanval geen doden waren, maar later op de avond stierven twee personen. Pas later op de avond werd het hem duidelijk dat het om een gifgasaanval ging omdat een aantal personen begon te braken. Anderen zeiden dat het gifgas was. Ook getuige gaf over. Getuige had een aantal wonden op zijn bovenlichaam en onder de armen. De wonden zagen eruit als na een verbranding, waar de huid weg was. Hij was ongeveer 10 dagen blind.

12.45. een geschrift, zijnde de verklaring van getuige [getuige 131] d.d. 6 augustus 2003, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a, pagina 129 tot en met 132):

Getuige ging samen met zijn vrouw naar Koerdistan. Ze gingen naar Zewa in het Noorden van Irak in het Koerdische gebied. Getuige herinnerde zich een bepaalde aanval waarbij chemische bommen werden gebruikt. Die vond plaats op 5 juni 1987 tussen 18:00 uur en 19:00 uur. Hij zag 8 vliegtuigen en de inslag van de bommen. Bij de inslag ontwikkelde zich een sterke rook. Sommige mensen zeiden dat het chemische bommen waren. Later op de avond merkte getuige zélf dat zijn lichaam begon te gloeien, zijn ogen waren geïrriteerd en rood. Hij kon niet zien. Hij schatte dat circa 50 personen na de aanval gewond waren. [Naam] stierf in de loop van de nacht. Getuige is ongeveer een maand blind geweest. Zijn middenrif zat onder de met vloeistof gevulde blaren. Hij had nog steeds klachten; op zijn rechterschouder was een bruinachtige plek te zien van 20 tot 25 cm lang. Hij had soortgelijke vlekken in de liesstreek. Hij had voortdurend ademhalingsproblemen. Artsen concludeerden dat ongeveer 60% van de longfunctie verloren was gegaan. De longklachten en ademhalingsproblemen waren een direct gevolg van de chemische inwerking. [Naam] overleed 5 tot 7 dagen na de aanval.

12.46. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 118] d.d. 20 november 2002, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a, pagina 133 tot en met 151):

Op 5 juni 1988 bevond ik mij in Zewa. Ik bevond mij boven in de bergen en kon beneden de plaats Zewa zien. Tegen 18:00 uur ’s-middags zag ik dat eerst 4 Russische gevechtsvliegtuigen van het type “Sichoy” (Sukhoy) kwamen en bommen op Zewa wierpen. Vier andere, iets hoger vliegende gevechtsvliegtuigen wierpen direct daarna hun bommen af. In totaal werden ongeveer 16 tot 20 bommen geworpen.

De aanval duurde ongeveer 7 minuten. De ontploffing van de bommen was naar mijn gevoel minder sterk dan bij andere bomexplosies. Er verspreidde zich een knoflooklucht. We kwamen in Zewa aan en daar zag ik twee verbrande doden. Ze waren volgens mij direct door de bom getroffen. Na een paar uur voelde ik een brandend gevoel in de ogen en rook ik nog steeds die sterke knoflooklucht. Enkele personen konden na ongeveer drie uur helemaal niets meer zien. Veel mensen hadden een droge hals en mond en zwellingen van de testikels. Diegenen die zich niet gewassen hebben, werden blind.

Een chemicus die ook bij ons was, zei dat het waarschijnlijk gifgasbommen waren geweest. Ik schat het aantal slachtoffers op in totaal 200 personen, van wie velen blind zijn gebleven. Na juni 1988 werden per vliegtuig pamfletten verspreid waarop in het Koerdisch en Arabisch stond dat de Koerden over een paar dagen zouden worden vernietigd. De wapenstilstand tussen Irak en Iran kwam op 8 augustus 1988 tot stand. Daarna zou een groot offensief van Irak tegen Koerdistan plaatsvinden. Ik kon niet naar bases in Koerdistan vluchten omdat zich overal militairen bevonden. Het leger ging toen naar het Noorden. Daarna begon het offensief in Noord-Irak en ik hoorde voortdurend vliegtuigen en explosies. Het was alsof heel Koerdistan brandde.

12.47. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 132] d.d. 15 juni 2004, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a, pagina 152 tot en met 169):

Ik herinner mij speciaal een bepaalde plaats Zewa omdat hier een aanval van het Irakese leger heeft plaatsgevonden op de Koerdische vluchtelingen, waarbij gas werd gebruikt. De rivier waaraan Zewa ligt, heet Zab. Het was 5 juni 1987; de dag van de aanval op Zewa waarbij het Irakese leger gifgas gebruikte. Ik heb de eigenlijke aanval zelf niet meegemaakt. De aanval op Zewa vond laat in de middag plaats. We kregen radiografisch het bericht door. We moesten terug naar onze basis en kwamen toen langs Zewa.

We zagen de bomtrechters rondom Zewa. Daarom kan men zeggen dat de aanval niet direct het centrum van Zewa had getroffen, maar dat de bommen in een halve cirkel van 100 tot 150 meter rondom Zewa waren afgeworpen. In totaal waren er circa 150 gewonden. De meesten van hen hadden ademhalingsproblemen en hevig brandende ogen. Vooral degenen die naar de bomtrechters waren gelopen om vast te stellen waar het om ging, hadden deels ook huidverbrandingen omdat ze direct contact hadden gehad met de bommen en het vrijgekomen gas. Twee mannen Irakese Koerden kwamen in de volgende twee uur zo sterk in ademnood dat zij uiteindelijk stikten.

12.48. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 133] d.d. 17 juni 2004, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a, pagina 170 tot en met 187):

Ik was persoonlijk in de plaats Zewa toen daar in juni 1987 een gifgasaanval plaatsvond en heb deze aanval meegemaakt. De aanval was op 5 juni 1987 was heel anders. Ik bevond mij in de basis 1 (Asnad) en het was precies 18:35 uur toen de aanval plaatsvond. Bij normale aanvallen was het mijn taak een luchtafweergeschut in basis 1 te bedienen. Ik weet vrijwel zeker dat het ging om 14 bommen die werden afgeworpen. Het aantal vliegtuigen lag tussen de 14 en 18. Het waren Russische MIG vliegtuigen, die ik al jaren kende. De hele aanval duurde maar twee of drie minuten. De aanvallers gooiden twee bommen op basis 3 (Hamayeh). De andere bommen werden verdeeld over een cirkel aan de voet van de bergen, iets boven de bases. Na circa vier minuten kwamen de vliegtuigen nog en keer over en verdwenen daarna. Gewoonlijk zijn er harde explosies. Deze explosies waren veel zachter, bijna zonder knal.

Ik heb een inslag gezien, er ontstond op die plek vrijwel meteen een geeloranje walm. Ik geloof dat de hele aanval heel precies gepland was en uitgevoerd werd. U vraagt mij waarom juist steunpunt 3 werd gebombardeerd en niet de overige steunpunten. Steunpunt 3 lag precies in het midden van het dal en kon waarschijnlijk het gemakkelijkst worden getroffen. Hier bevonden zich gewoonlijk de meeste vrouwen en kinderen. Gelukkig vond er op het tijdstip van de aanval in de buurt van steunpunt 2 een voetbalwedstrijd plaats en waren de meeste mensen daar. De walm die uit de bommen opsteeg, bleef nog lang hangen. Zo tegen 19:30 uur voelde ik een hevig brandend gevoel in mijn keel. Daarom vermoedde ik dat we met chemische middelen waren aangevallen.

12.49. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 134] d.d. 5 mei 2003, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a – pagina 203 tot en met 209):

In Zewa vond de eerste aanval met chemische wapens plaats. Zewa ligt onmiddellijk aan de grens met Turkije, in de buurt van de rivier Zab, in een gebied tussen twee bergketens en twee dalen. Hier bevond zich de communistische basis, waar een partijconferentie was gepland. Voordat de conferentie kon plaatsvinden, werd het gebied met chemische wapens en artillerie om 19:00 uur gebombardeerd. De getuige bevond zich ten tijde van het bombardement op de basis. Het waren 6 vliegtuigen. 2 vliegtuigen wierpen gelijktijdig bommen af terwijl de andere vliegtuigen rondvlogen. Het waren Iraakse vliegtuigen, MIGS en Sukhoy. De Turken gebruikten Amerikaanse vliegtuigen; Phantom. Het konden geen Iraanse vliegtuigen zijn. Zij wisten dat het Iraakse vliegtuigen waren. Het waren Russische vliegtuigen en de Iraakse piloten konden in bergachtige streken zeer handig omgaan met vliegtuigen, beter dan de Turken en Iraniërs. Bovendien hebben personen bij de Iraakse Veiligheidsdienst in Mosul en Dohuk zelf verklaard dar zij de hoofdbasis van de communisten met de aardbodem gelijk hadden gemaakt. Hij wist dat het om chemische wapens ging omdat het naar knoflook en zwavel rook.

Een gevechtsstrijder werd aan zijn been verwond en hij werd helemaal zwart. De getuige wilde gaan helpen en werd ook zelf zwart. De bom explodeerde wel, maar gaf geen sterke detonatie. Er kwam geelrood poeder uit, dat zich hechtte aan bomen en gras. De getuige zag niets meer en moest overgeven. Als hij ademde ontstond in de oksel en de lies een brandend gevoel.

De getuige was 3 weken blind.

12.50. een geschrift, zijnde de verklaring van [getuige 8] d.d. 17 december 2002, inhoudende -zakelijk weergegeven- (H90a – pagina 210 tot en met 213):

Op 5 juni 1987 was getuige samen met zijn vrouw en hun 50 dagen oude kind in Zewa. Op die dag werden zij getroffen door een aanval met chemische wapens. De getuige verklaarde, dat de aanval om 19:00 uur begon; hij zag enkele vliegtuigen. Van anderen hoorde hij dat het in Rusland gebouwde vliegtuigen waren die men “Sukhoi” noemt. Hij nam aan dat het om 4 of 5 vliegtuigen ging. Ze waren snel boven het gebied en wierpen een aantal bommen af. De vliegtuigen vlogen een rondje en wierpen nog een keer bommen af. Na de eerste aanval hoorde de getuige dat men sprak over een geelachtige rook na de inslag en direct daarna – toen de getuige naar binnen liep – rook hij een geur die de getuige als een knoflookgeur beschreef. Er waren circa 200 mensen. In de loop van de nacht kreeg de getuige pijn in zijn ogen en ademhalingsproblemen.

’s Morgens zag de getuige dat de bomen bedekt waren met een bruinachtige laag. Hij zag ook veel dode vogels. Er hing een vreemde geur in de lucht. Bij daglicht moest de getuige de ogen sluiten en 15 dagen daarna had hij nog steeds klachten als hij de ogen opendeed. De getuige verklaarde dat hun kind vanwege het gifgas gehandicapt is. Het kind heeft een hersenbeschadiging opgelopen. De echtgenote heeft sinds de aanval vaak ademhalingsproblemen.

12.51. een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 16], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 9] in de zaak tegen [verdachte], op 14 juni 2005, 15 juni 2005 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 15 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 8] (G8.I – pagina 769 tot en met 775):

(3) Ik was aanwezig in Zewa op 5 juni 1987. Ik heb Iraakse vliegtuigen bommen zien gooien in formaties van vier vliegtuigen. Ik had lessen gevolgd in het herkennen van (Iraakse) vliegtuigen, herkende Russische Sikhoy 9’s. Ik zag op de vliegtuigen een Iraakse vlag in ronde vorm op het staartgedeelte, het betrof khaki toestellen met zwarte camouflagevlekken. (24) Ze vlogen laag over. (4) Ik rook aangebrande knoflook, zag gele rook. (23) De knallen die ik op 5 juni 1987 heb gehoord waren anders dan andere explosies. Het waren knallen waarbij je de grond onder je voeten voelt trillen en het lijkt alsof je enige tijd niets meer hoort;

(5) Ik constateerde ongeveer zeven uur na de bombardementen dat er gezondheidsklachten ontstonden. Ik zag bij de slachtoffers: wit braaksel, blaren, tranende/gesloten ogen, ontstoken voeten en verandering van huidskleur. Ik weet dat er twee personen ten gevolge van de aanval zijn overleden;

(3) Wij hebben uiteindelijk 37 bominslagen geteld en verkleurde bomen gezien. (20) Ik zag op de bommen(resten) een Arabische J (volgens hem symbool voor het Iraakse leger);

(3) Ik hoorde een dag na de aanval van locale boeren dat de officieren van de (locale) veiligheidsdienst hadden gezegd: “gisteren hebben wij de communisten een klap toegebracht waardoor zij hand in hand moeten lopen omdat ze blind worden”. Ik maakte uit dat laatste op dat de aanval met name gericht was op de communisten;

(6) Ik en mijn gezin ondervinden nog dagelijks ernstige hinder fysieke hinder van de aanvallen. Mijn vrouw raakt soms enkele dagen haar stem kwijt. Ik slaap slecht en heb geregeld last van opzwellende ogen. Mijn zoon van 18 is ernstig gehandicapt. Hij functioneert op het niveau van een vierjarige.

12.52. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 2 oktober 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 2 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 81] (G81.I – pagina 975 tot en met 978):

(6) Enkele dagen na de aanval is de stelling van onze unit nog beschoten met gasgranaten. Enkele dagen na de aanval ben ik naar de stad gegaan. De meeste dode mensen waren al afgevoerd. Zelf heb ik zo’n 20 à 30 gewonden gezien. Zij hadden blaren op hun gezicht en hun ogen traanden. Ook op hun armen hadden ze grote blaren en de huid liet los. Hun gezicht was donker vanwege zuurstofgebrek. (8) Er was geen geur van gifgas meer. Bij de aanval op onze unit heb ik wel de geur van knoflook geroken.

12.53. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 22 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [………], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 22 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 2] (G2.I – pagina 883 tot en met 886):

(3) Ik herinner mij nog goed de dag van de aanval op Halabja en de dag daarvoor. Ik was toen ruim vier jaar oud. Na de aanval zijn wij met de familie met de auto Halabja ontvlucht. (4) Ik had last van pijnlijke en tranende ogen en ik werd steeds wakker en viel dan weer in slaap. Mijn huid was verbrand. Ik werd pas wakker op een brancard in het vliegtuig naar België. (6) Boven het gebied net buiten Halabja heb ik één wit-grijze atoomwolk gezien met de vorm van een paddestoel. Een gedeelte van de wolk was zeer geconcentreerd, een ander gedeelte was mogelijk door de wind deels weggewaaid.

(5) Ik ben in 1988 behandeld door dokter [naam] uit België. Het weefsel dat in Amerika is onderzocht zou restanten van een cocktail van chemische middelen hebben bevat. Verder ben ik vanaf 1993 behandeld door de kinderarts/longspecialist [naam uit Maastricht. Hij heeft mij gezegd dat het om mosterdgas zou gaan. (7) De medische prognose is somber. Mijn longcapaciteit is maar 33%. Ik werk of studeer momenteel niet omdat ik door mijn letsel vaak gewoon niet (fysiek) aanwezig kan zijn. Ik zal mij hele leven medicijnen moeten blijven gebruiken.

12.54. een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 16], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 9] in de zaak tegen [verdachte], op 14 juni 2005, 15 juni 2005 en 16 juni 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [………], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 14 juni 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 16] (G16.I – pagina 791 tot en met 797 en RC-dossier pagina 108 tot en met 134):

(3) Ik werkte als beroepsmilitair bij de chemische afdeling van het Iraakse leger. (4) Ik wist dat als er werd gezegd dat Iran een aanval met chemische wapens zou gaan uitvoeren waarop zij zich moesten voorbereiden, dat dit dan werkelijk betekende dat het Iraakse regime dit zou doen. (4) Ik ging om met hooggeplaatste militairen en weet daarom dat slechts een select groepje rond Saddam Hussein en zijn familie, waaronder Ali Chemicalie (Ali Hassan Al-Majid), van de aanvallen wist. (6) Ik ben tijdens de aanval op Halabja in maart 1988 op 20 kilometer afstand van Halabja aanwezig geweest in het plaatsje Sayyid Sadiq. (10) Ik heb één en ander met een verrekijker goed kunnen zien.

Ik heb Iraakse Sukkoj- en Mig-toestellen gezien in formaties van vier en bovendien Russische en Allouite-helicopters met Irakese tekens. (14) Ik heb gezien dat er vliegtuigen uit de richting van Darbandikhan kwamen, zodat ze op Jalawla, Kirkuk of Bagdad kunnen zijn opgestegen. (6) De bedoeling van de aanvallen was om mensen te vernietigen en niet om de stad te veroveren. Voorts is het er de Irakezen niet alleen om te doen geweest Iraniërs te treffen, maar ook de Koerden in Halabja / de Koerdische Pershmerga-strijders. (15) Hoe ik dat weet? Dat is een kwestie van militaire strategie.

12.55. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G1, d.d. 17 juni 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 17 juni 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 1] (G1 - pagina 001 tot en met 007):

Op 16 maart 1988 zat ik ’s morgens met mijn gezin thuis. Mijn woning stond in Halabja. Ik zag omstreeks 16:00 uur dat er acht vliegtuigen aan kwamen vliegen. Ik zag en hoorde deze vliegtuigen aankomen. Deze vliegtuigen waren van het merk Hunter. De kleur was tussen kaki en grijs. Ik zag dat het propellervliegtuigen waren. De vliegtuigen kwamen uit de richting van de plaats Darbandi Khan. Ik veronderstelde dat de vliegtuigen uit Kirkuk kwamen. In Kirkuk was de luchtmachtbasis van de Irakese noordelijke luchtmacht gevestigd. Ik zag dat deze vliegtuigen ballonnen loslieten. Ik besefte dat het werd gedaan om de windrichting te bepalen. Nadat de twee voorste vliegtuigen de ballonnen hadden gelost, zag ik dat er bommen uit de vliegtuigen werden losgelaten.

Ik zag dat deze zes vliegtuigen allemaal bommen dropten. Ik heb van een bommenwerper het aantal bommen dat deze liet vallen geteld. Ik telde dat het vliegtuig acht bommen liet vallen. Nadat de bommen waren gedropt door de vliegtuigen en deze richting Anab vlogen, zag ik dat er een tweede formatie van acht vliegtuigen aankwam en uit deze formatie werden ook bommen op de stad gedropt. Ik zag dat boven de stad Halabja een dikke laag witte rook ontstond. De rook ontstond nadat de bommen op de grond kwamen. Ik zag dat de bommen naar beneden vielen, de grond raakten en vervolgens zag ik een vuurbal en de witte rook ontstaan. Ook hoorde ik dat er explosies plaatsvonden. Bij de tweede formatie van vliegtuigen kon ik zien dat dat Irakese vliegtuigen waren, omdat ik zag dat de Irakese vlag het vliegtuig stond, aan de zijkant van de romp.

Ook zag ik dat het propellervliegtuigen waren, soortgelijk als de eerste. Aan het geluid van de explosies kon ik horen dat het geen “gewone” bommen waren. De volgende dag ben ik samen met mijn vrouw naar Halabja terug gegaan. Nadat ik de stad Halabja in reed, heb ik veel lijken gezien. Ik heb veel auto’s vol met lijken gezien. Bijvoorbeeld de bak van de bestelauto of de bak van een tractor waren vol geladen met op elkaar gestapelde dode mensen. Ik ben toen naar het huis van mijn ouders gegaan. Het eerste wat ik toen zag was mijn moeder die mijn dochter in haar armen hield. Ik zag dat het gezicht van mijn dochter vol met blaren zat. Ook de huid was verkleurd. Ook zag ik dat er schuim en bloed uit haar mond kwam. Ik zag daarna dat mijn vader mijn zoon in zijn armen had. Mijn vader, mijn moeder en mijn twee kinderen waren allemaal overleden. Ik zag dat er geen verdere uiterlijk verwondingen waren.

Ik heb in schuilkelders honderden lijken gezien, die ook geen uiterlijke verwondingen hadden. Ook bij de andere doden zag ik dat de huid vol zat met blaren en dat er schuim uit de mond van de doden kwam. Ik rook de geur van fruit. Het leek op de geur van appels of sinaasappels. Er zijn eigenlijk alleen maar burgerslachtoffers gevallen. In Halabja heb ik geen militaire slachtoffers gezien. Ik heb van mijn verblijf in Halabja letsel gekregen. Mijn longen zijn aangetast en ik heb pijn in mijn hoofd. Ook zijn mijn ogen sterk achteruit gegaan. Mijn eigen kinderen en vader en moeder hadden een rode huid en rode blaren, maar een stukje verderop in de straat hadden de lijken zware verbrandingen en waren de lichamen soms verkoold.

12.56. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G2, d.d. 15 juni 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 15 juni 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 2] (G2 - pagina 008 tot en met 010):

De dag van de gifgasaanval op Halabja kan ik me nog wel herinneren. Ik was toen 5 jaar oud. De volgende dag herinner ik me dat ik het geluid van overvliegende vliegtuigen hoorde. Ook hoorde ik knallende geluiden. Ik weet nog dat we met het hele gezin naar de schuilkelder gingen. Er kwam iemand binnen die vertelde dat er gas gebruikt werd. Wij zijn toen naar buiten gegaan. Nadat we een tijd gelopen hadden kregen we allemaal last van kortademigheid en moesten wij braken. Ik ben op een gegeven moment flauwgevallen. Ik kwam weer bij en ik zag dat ik in een vliegtuig op een brancard lag. Ik kwam bij in het vliegtuig naar België.

Ik weet nog dat ik een vreemde geur rook ten tijde van de explosies. Ik heb geen explosies gezien. Wel zag ik de rook. De rook was overal aanwezig. Het was een witgrijze rook. De rook stonk. Ik voelde dat ik moeite had met ademhalen. Ik was erg verwond. Ik heb nu nog 33% capaciteit van mijn longen over. Ook was ik aan de buitenkant van top tot teen verbrand. Ik had overal verband op mijn lichaam. Na verloop van tijd zijn deze brandwonden genezen. Ik ben na een maand in het ziekenhuis in België gelegen te hebben terug naar Iran gegaan. Ik ben naar Iran gegaan en heb een paar dagen in een ziekenhuis daar gelegen. Na een tijdje werden de verwondingen van binnen veel erger. Mijn longen stonden in brand. Ik ben toen steeds in ziekenhuizen terechtgekomen in Iran. Een arts hier in Nederland, dokter [naam], heeft mij hier behandeld. Er is een stukje uit mijn longen gehaald en dit weefsel is naar Amerika gegaan voor onderzoek. Daar is geconcludeerd dat mijn longen zijn aangetast door een cocktail van chemische middelen.

12.57. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G3.1, d.d. 15 juni 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 15 juni 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 3] (G3.1 - pagina 011 tot en met 013):

Op 16 maart 1988 ben ik in Iran naar Halabja gegaan. Mijn broer was een peshmerga, een strijder van de PUK. Mijn broer heeft mij geïnformeerd wat er in Halabja was voorgevallen. Ik ben toen met hem naar Halabja gegaan om te zoeken naar familieleden die daar woonden. Wij vonden alleen nog maar dode mensen. Van mijn familie vonden we mijn moeder, een broer en een zus in een ziekenhuis. Die waren toen al overleden. Ik heb bij de gifgasaanval op Halabja mijn moeder, twee broers, een zuster en twee neven en mijn tante verloren. Ik kwam in Halabja aan ongeveer 10 dagen nadar de aanval was geweest. Ik ben zelf geen ooggetuige geweest van de aanval.

12.58. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G3.2, d.d. 23 augustus 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 23 augustus 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 3] (G3.2 - pagina 014 tot en met 015):

Ik ben in het bezit van een videoband die ik in het begin van de jaren negentig ontvangen heb van dokter [naam] uit Gent, België. Dokter [naam] is een vooraanstaand toxicoloog uit België. Ik ontving deze band omdat mijn neefje [naam] na de aanval op Halabja op 16 maart 1988 in België behandeld werd. [Neefje] werd aan zijn verwondingen behandeld in het ziekenhuis in Brussel. [Neefje] werd onder andere behandeld door dokter [naam].

12.59. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200408040900, d.d. 4 augustus 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 4 augustus 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 7] (G7.1 – pagina 108 tot en met 111):

Ik ben vanaf 1986 actief als jachtpiloot, tot halverwege 1988. De bombardementen werden uitgevoerd door Mirage vliegtuigen in vier squadrons. Een bombardement met chemische wapens was makkelijk uit te voeren. We hadden de MIG-23 en een “Sukkoj”. Ieder squadron was in staat om een bombardement met chemische wapens uit te voeren. De bommen kwamen uit een centraal magazijn.

Voor een bombardement met chemische wapens kreeg de staf rechtstreeks opdracht van Saddam. Hassan El Majid (Ali Chemicali) had een soort carte blanche om chemische wapens te gebruiken wanneer het hem goed leek. Op een gegeven moment kreeg ik de briefing voor de missie. Ik was een van de plaatsvervangende piloten. Bij de luchtmacht werd het woord chemische wapens nooit gebruikt. Ze zeiden dan altijd dat het om speciale munitie ging, wij wisten dan dat het om chemische wapens ging. De commandant van de vliegbasis en de commandant van het squadron gaven de briefing. Wij kregen de coördinaten op van de locatie die gebombardeerd moest worden. Een man van de inlichtingendienst vertelde ons waar de moskee stond in het dorpje Halabja en nog wat andere zaken.

12.60. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200410151000, d.d. 15 oktober 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 15 oktober 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 11] (G11.1 - pagina 139 tot en met 146):

Op de dag van de gifgasaanval in 1988 bevond ik mij in de binnenstad van Halabja. Op de dag van de aanval waren we in de schuilkelder van mijn oma. Tegen de avond kwamen wij uit de schuilkelders. Ik kan me herinneren dat er witte laag over de spullen in de keuken lag. Ik herinner me dat ik erg dorst had en dat ik een kopje water uit de emmer dronk. Ik moest toen direct overgeven. Wij werden naar Teheran naar een vrouwenziekenhuis gebracht. Ik werd aan mijn ogen en aan mijn longen behandeld. Ik had moeite met ademhalen. Ook moest ik erg veel hoesten. Tijdens het hoesten kwam er zwart slijm mee. De artsen vertelden dat het door de chemische aanval kwam.

Toen ik in het ziekenhuis aankwam had ik een bruine vlek om mijn neus en mond door de doek die ik voor mijn gezicht had gehouden. Deze vlek werd langzaamaan zwart. Op een gegeven moment verscheen er nieuwe huid op deze plaats en was het over. In Nederland constateerden de artsen dat een deel van mijn rechterlong zwart was geworden en niet meer functioneerde. Men besloot om dat gedeelte van de long weg te laten halen. De dokter hier heeft mij hetzelfde gezegd als wat de dokter in Iran had verteld. Hij vertelde dat de luchtpijp was uitgerekt. Ik ben in Deventer behandeld door dokter [naam], de longspecialist. Ik werd in 1999 geopereerd. Ik werd mede geopereerd omdat er bij het hoesten slijm en bloed vrijkwam. Dokter [naam] heeft verteld dat mijn long lijkt op de long van iemand die heel veel heeft gerookt.

12.61. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 2005, d.d. 5 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 5 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar alsmede [getuige-deskundige] (getuige-deskundige) afgelegde verklaring van [getuige 78] (G78.1 - pagina 682 tot en met 689):

U vraagt mij hoe ik weet dat de slachtoffers aan mosterdgas zijn overleden en niet aan een andere oorzaak. Velen van hen stierven enkele dagen of weken na de aanval en hadden duidelijke symptomen van mosterdgas namelijk een verlaagd aantal witte bloedlichamen, blaren. Je kon het mosterdgas ruiken bij de patiënten die ernstig besmet waren. Mosterdgas wordt opgenomen door de huid en haar. Nadat de patiënt was overleden wilden de nabestaanden het lichaam meenemen om te begraven. We namen dan bij de ernstige gevallen een proef met mosterdgas, detectiepapier om besmetting van de nabestaanden te voorkomen. Vaak bleek dat de overleden patiënten nog besmet waren met het mosterdgas. De chronische effecten van mosterdgas duren nog steeds voort. Ieder jaar sterven er nog mensen aan de gevolgen van mosterdgas.

De eerste dagen kwamen er honderden slachtoffers naar onze hulppost. Dit waren duidelijk slachtoffers van zenuwgas. Ik wil nog toevoegen dat er duidelijk zenuwgas was gebruikt omdat er veel slachtoffers op de behandeling met atropine reageerden. Mijn conclusie is dat er maar twee manieren zijn waarop deze mensen zo snel konden sterven; zenuwgas en cyanide. Omdat er zoveel lichamen en grote aantallen doden lagen over een groot gebied verspreid, concludeerde ik dat dit geen cyanide kon zijn. Cyanide is namelijk te vluchtig daarvoor. Bovendien had ik al veel patiënten met zenuwgassymptomen behandeld uit Halabja en geen enkele patiënt met cyanidevergiftiging-symptomen.

12.62. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505061340, d.d. 6 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 6 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 78] (G78.2 – pagina 690 tot en met 696):

Ik ben twee keer naar Halabja gegaan, de eerste keer was twee dagen nadat de mensen in mijn hospitaal binnenkwamen. Ik ben twee of drie uur in Halabja gebleven en zag daar honderden lijken. In de eerste instantie zag ik in Halabja slachtoffers van zenuwgas omdat ik me volgens mij in een gedeelte van Halabja bevond waar zenuwgas was gebruikt. Daarvoor, in de kliniek van Iran waar ik werkte, heb ik vele slachtoffers uit Halabja gezien met symptomen van blootstelling aan mosterdgas.

Enkele dagen later, volgens mij twee, ben ik weer teruggegaan naar Halabja, met een ambulance. Ik bleef drie of vier uur in Halabja. Onderweg naar Halabja zag ik hevige vliegtuigaanvallen. De vliegtuigen waren wit of zilverkleurig. Ik heb geen explosies gehoord van de bombardementen. Ik heb tijdens mijn tweede bezoek aan Halabja ook geen slachtoffers gezien met symptomen die wijzen op mosterdgas. Patiënten uit Halabja gingen niet alleen naar onze medische hulppost maar ook naar andere in Iran. Ik weet dat ze ook naar Sarvabad gebracht werden. Ik heb gehoord van dokters daar dat ze vele slachtoffers hadden uit Halabja met symptomen van blootstelling aan mosterdgas.

12.63. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200529041000, d.d. 29 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 29 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 80] (G80 – pagina 697 tot en met 700):

Mijn basis was 10 tot 20 kilometer van Halabja. U vraagt mij of ik chemische aanvallen heb meegemaakt. Ja, ik kan me de dag nog heel goed herinneren, het was de laatste dag van de Ramadan. Het was ongeveer 08:00 uur in de ochtend. 10 minuten later zagen we een vliegtuig aankomen. Hij vloog erg hoog voorbij onze basis. Daarna keerde hij om en vloog weer terug in Irakese richting. Hij deed verder niets. Na 15 minuten na dat vliegtuigje kwam de eerste golf van vliegtuigen uit de richting van Irak aanvliegen op grote hoogte. De tweede golf, twee of drie vliegtuigen, kwam even later heel erg laag over. Daarna begonnen de vliegtuigen erg rustig over te vliegen. Ineens hoorde ik een raar geluid. Ik was volgens mij geraakt door een voorwerp dat rondvloog.

Er was vlakbij me een bom gedropt, bleek toen, ik zag een hele rare stof die ik nog nooit eerder had gezien. De stof was wit van kleur. Ik wachtte tot de stof weer zou neerdalen, echter de stof verspreidde zich alleen maar. De stof kwam uit de bom. Ik rook een erg vieze lucht gelijkend op erg rotte knoflook. Ik zette mijn gasmasker verkoop Na een paar uur was de stof een beetje weggetrokken. Ik deed mijn masker af. Een van mijn vrienden schrok en zei dat ik erg rode ogen had, hij gaf mij een spiegel en ik zag dat het witte gedeelte van mijn ogen helemaal rood was.

We gingen later naar het veldhospitaal. Aldaar werden er twee oogdruppels in mijn ogen gedaan, ik voelde verder niets. Net toen ik op wilde staan, zag ik allemaal rode vlekken op mijn handen. Ik begon te lopen maar ik werd erg duizelig. Ik ben naar de rivier gelopen om water te drinken. Ik begon erg misselijk te worden en moest steeds overgeven. Er stopte een busje waar de stoelen uit waren gehaald. In die bus zag ik vele mensen. Ik zag dat het allemaal, Koerdische vrouwen, mannen en kinderen slachtoffers waren van de chemische aanval. Ik ging de bus in. Ik bleef steeds overgeven. Er zat ook bloed bij. De andere slachtoffers in de bus hadden ook allemaal dezelfde symptomen als ik. Ik werd overgebracht naar een ziekenhuis in Sari. Ik raakte steeds weer tijdelijk buiten bewustzijn. Ik realiseerde mij toen voor het eerst dat ik niets kon zien. Ik was voor een week helemaal blind. Na 13 dagen kon ik weer wat zien. Dit was in maart 1987.

De vliegtuigen vlogen vanuit Irakese richting en gingen later ook weer die kant terug. De vliegtuigen bombardeerden ons, waarmee weet ik niet. De bom viel op de grond, ik hoorde geen luide explosie maar een soort plop. Ik rook een rotte visgeur, rotte knoflook. Toen ik de eerste keer wakker werd in het Sari hospitaal zeiden de artsen mij dat ik was blootgesteld aan mosterdgas. Ik zag overal blaren op mijn lichaam. Nu 18 jaar later gaat het steeds slechter met mijn gezondheid. Ik krijg bij weersveranderingen vaak klachten aan mijn longen. Mijn ogen gaan steeds meer pijn doen en ik ben erg snel moe.

12.64. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 20052104, d.d. 28 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 28 april tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 81] (G81 – pagina 701 tot en met 705):

Ik heb verschillende keren chemische aanvallen meegemaakt. De eerste keer was in de buurt van Khoramshahr, de plaats Shalamchec in Iran. Het was een aanval met vliegtuigen en met artillerie. Dat was ongeveer in 1986. Het waren Irakese vliegtuigen, MIG’s 23. Ik weet dat omdat ik daar als soldaat les in heb gehad. In Iran hadden wij geen MIG en Mirage’s. Iran had alleen Amerikaanse vliegtuigen Phantom en F14. In die aanval is een aantal Iraakse vliegtuigen neergeschoten. Ik heb zelf gezien dat de Iraakse vlag op deze vliegtuigen te zien was. U vraagt mij wat voor munitie er werd gebruikt; bommen en granaten, er werd ook met verschillende munitie geschoten. De explosie die ik hoorde was een soort plop. Het waren geen zware explosies. Ik rook een sterke knoflookgeur.

Ik ben aan veel chemische aanvallen blootgesteld maar de grootste hoeveelheid was Halabja. De grote aanval was op 16 maart 1988, ik kan mij dat herinneren omdat het een paar dagen voor het Iraanse nieuwjaar was. Ik was gestationeerd ten noorden van Halabja in de buurt van een meer dat Darbandi heet in de bergen die Shakh-e-Shamran heten. De afstand tot de stad Halabja was ongeveer tussen de 5 en 10 kilometer. Het Iraanse leger was buiten de stad Halabja gestationeerd. Er was geen basis in Halabja.

Tijdens de grote aanval op 16 maart 1988 zag ik een aantal vliegtuigen, ze kwamen in aantallen van twee à drie. Ze kwamen in verschillende aanvalsgolven. Het waren Iraakse vliegtuigen van het type MIG en Mirage 23. De stad Halabja zelf werd zwaar gebombardeerd en er werd met artillerie geschoten. De stad Halabja werd gebombardeerd door vliegtuigen. Nadat de bommen waren gevallen zag ik dat er een grote witte wolk ontstond. Het geluid was ook niet zo luid als normale bommen, het was een soort plop. Op mijn positie werden wij met granaten beschoten. Zij kwamen uit de richting waar het Iraakse leger gestationeerd was.

U vraagt mij hoe ik weet dat de granaten een chemische lading hadden. Er kwamen witte wolken uit de granaten en ik rook de scherpe geur van knoflook. Ik zag dat een aantal van mijn collega-soldaten schuim op hun mond kregen en bijna gelijk neervielen en dood gingen. Dat waren er zeker drie. Ik ging de gewonden helpen, mijn gasmasker zat in de weg en heb deze afgedaan. Ik kreeg na een paar minuten last van mijn brandende ogen, tranende ogen, ik werd misselijk. Ik herkende het gas als zijnde mosterdgas. In elke eenheid was er iemand die gespecialiseerd was in chemische wapens. Die kon dus het gas direct herkennen. Bij beide aanvallen werd er geschreeuwd dat het Khardal betrof. Later in het ziekenhuis is er door de artsen bevestigd dat het mosterdgas betrof.

12.65. een proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G102.1, d.d.17 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 17 augustus 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 102] (G102.1 – pagina 1077 tot en met 1083):

Ik ben Koerd. Vanaf 1980 woonde ik in Halabja met mijn familie, ouders, drie broers en twee zussen.

U vraagt mij hoe de aanval op Halabja plaatsvond. Op 16 maart 1988 zijn wij met de familie rond de middag volgens mij 11:20 of 12:20 uur uit Halabja weggegaan omdat het eerste bombardement door de Irakezen had plaatsgevonden. Ik zag toen wij weggingen dat er meerdere burgers de stad verlieten. Toen ik buiten de stad was, zag ik dat er vier vliegtuigen kwamen aanvliegen. De vliegtuigen vlogen heel laag; je kon de kenmerken, zoals de vlag van Irak, goed zien. Bij de eerste bombardementen zag ik dat er nadat de bommen neerkwamen er zwarte en witte rook vrij kwam. De bommen kwamen in het begin in het noorden van de stad terecht waar overheidsgebouwen zaten zoals de rechtbank, gemeentehuis en een militaire kazerne. Het aantal vliegtuigen nam toe vanuit verschillende richtingen. Ze kwamen in vluchten van acht, gooiden hun bommen en er kwamen weer acht andere vliegtuigen, die bommen over de hele stad gooiden. Ik bevond mij toen de aanval op Halabja plaatsvond in een aantal grotten in de buurt van de dorpen Ababayale en Jalila. Dit was een half uur lopen van waar ik woonde in Halabja.

Omstreeks 17:00 uur werden de bombardementen anders, het geluid was anders, de explosie was gedempt. Er kwam veel rook vrij, met een witte soms gele en roze kleur. Er kwam een geur van appel, knoflook en een bloemachtige geur vrij. Ik heb dit zelf geroken. We waren gewaarschuwd dat als er een chemische aanval was geweest wij natte doeken voor onze mond moesten doen. Ik heb dit ook gedaan. De bombardementen duurden tot 18:00 à 19:00 uur. Toen ik met mijn broer [naam] terugging naar Halabja was het wat donkerder. Ik zag mensen die Halabja verlieten, huilen, overgeven en lachen. Dit waren voornamelijk burgers. Het was een verschrikkelijk gezicht; de mensen die lachten hadden volgens mij hun verstand verloren.

Door mijn klachten aan mijn ogen werd ik met een ambulance naar Kermanshah gebracht naar een ziekenhuis. Na vier dagen werden we met zijn zessen met een helikopter naar Teheran gebracht naar het Iman Khomeini ziekenhuis, waar ik 45 dagen ben behandeld aan mijn ogen. De doktoren zeiden dat het door een gifgas kwam waaraan ik was blootgesteld. Andere patiënten die waren blootgesteld aan de aanval bij Halabja waren verbrand. Er zijn er ook veel overleden. Ik heb gezien dat ze ernstige brandwonden hadden, de huid liet los en zij hadden ernstige littekens op hun gelaat. Er waren veel mensen met oogproblemen, er waren mensen blind geworden. Veel patiënten hadden ook ademhalingsproblemen.

12.66. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 135] d.d. 9 februari 2000 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 5):

Op 16 maart 1988 om 12:20 uur begonnen Irakese vliegtuigen het gebied te bombarderen. Om ongeveer 16:00 uur kwamen de Irakese vliegtuigen terug, ze kwamen uit de richting van Kirkuk en Suleimanya. Ik zag de Irakese vlag duidelijk op de romp toen ze heel laag overvlogen.

We wisten dat dit geen gebruikelijke bommen waren. Als ze ontploften was het geluid meer een plof dan een luide knal. Bij sommige kwam er witte rook, bij andere donkere. Ook leken er geen granaatscherven te zijn. De vliegtuigen kwamen elke keer na ongeveer vijftien minuten terug, eerst bombardeerden ze de voorsteden en daarna het centrum van de stad. Mijn ogen begonnen te jeuken. We roken naar knoflook.

12.67. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 120] d.d. 28 januari 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 5):

Op de ochtend van de aanval op Halabja (16 maart 1988) werd ik opgeroepen om te assisteren in de commandokamer. Bij aankomst hoorde ik dat een uur eerder door Saddam Hussein persoonlijk het bevel voor een tegenaanval met chemische wapens was gegeven. Over het algemeen kwam het bevel om chemische wapens te gebruiken direct van Saddam Hussein zelf. Ik ben er vijf keer getuige geweest dat er bevelen voor chemische luchtaanvallen werden gegeven, waaronder de aanval op Halabja. In het geval van de chemische aanval op Halabja op 16 maart 1988 werden er vanaf vier vliegbases vliegtuigen weggestuurd. Er vertrokken ongeveer 16 Soekhoi, 22 jachtbommenwerpers vanaf Kirkuk; ongeveer 16 Mirage jachtbommenwerpers vanaf de luchtbasis Al-Bakr en tenslotte vetrok er één zware bommenwerper, een TU-22, vanaf de basis Habaniye.

De meeste vliegtuigen waren van oranje, beige en groene woestijncamouflagekleuren voorzien. De eerste keer werden er reguliere bommen gebruikt. Hierna was er een doorbraak vanuit de Iraanse sectoren en vielen zij de stad binnen. Daarop werden er chemische bommen gebruikt. Wij wisten wat het effect van chemische bommen was op mensen en burgerbevolking, op het volk en de burgers en er werd geen waarschuwing gegeven. Het bevel was gegeven om een bomtapijt uit te werpen over de stad. Wij wisten allemaal dat de stad vol burgers was.

12.68. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 125] opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 4):

Orders om chemische wapens te gebruiken, kwamen van het Presidentiële Paleis. Het was heel gebruikelijk om gas te gebruiken. In de praktijk werden er artilleriegranaten gevuld met chemische middelen aan de bevelhebbers afgeleverd zonder dat wij ervan afwisten of ermee hadden ingestemd. Chemische wapens kwamen niet voor in onze aanvalsplannen. De agenten van het presidentiële paleis kwamen aan, presenteerden de wapens aan de bevelhebbers en gaven aanwijzingen hoe ze veilig gebruikt moesten worden. De machtsstructuur binnen Irak is afhankelijk van Saddam Hussein en de inner circle bestaande uit zijn grootste vertrouwelingen. Ali Hassan Al-Majid en anderen in de Revolutionaire Commando Raad hebben 30 jaar lang hun persoonlijke loyaliteit aan Saddam Hussein bewezen.

Gebaseerd op vele jaren ervaringen met de machtsstructuur in Irak heb ik er geen enkele twijfel over dat Ali Hassan Al-Majid persoonlijk verantwoordelijk was voor het toezicht op de aanval met chemische wapens op Halabja in maart 1988. Ali Hassan Al-Majid is één van de mensen die het dichtst bij Saddam Hussein persoonlijk stonden. Ik geloof dat Ali Hassan Al-Majid in het mobiele hoofdkwartier was tijdens de aanval op Halabja op 16 maart 1988 en dat hij de volledige operationele controle over de aanval had alsmede de volledige bevoegdheid van de Revolutionaire Commando Raad (RCC). De regering en het militaire commando waren van mening dat de Koerdische groeperingen die in militair opzicht met de Iraanse gewapende troepen samenwerkten ten tijde van het Irakese bombardement van Halabja op 16 maart 1988 als collaborateurs van Iran en eigenlijk een deel van de vijandelijke troepen tijdens de oorlog tussen Iran en Irak (konden worden aangemerkt).

Ze noemden ook andere oppositiegroepen “agenten van Iran”. Ik ben ervan overtuigd dat de volgende personen van tevoren kennis hadden van de aanval op Halabja en deze actief steunden: Saddam Hussein, Izzat Ibrahim Al-Douri, Ali Hassan Al-Majid, Hoessein Khamel, Saddam Khamel en Taha Yasin Ramadan.

12.69. een geschrift, zijnde een verklaring van getuige [getuige 121] d.d. 2 mei 2001 opgemaakt door Belgische opsporingsambtenaren. Dit geschrift houdt onder meer in (H46a – pagina 1 tot en met 11):

Ik ben momenteel lid van het Leiderschap Comité van de Patriottistische Unie van Koerdistan (PUK) in Suleimanya in Noord-Irak. Als bevelhebber aan het front bij Halabja had ik de algehele controle over de PUK troepen die betrokken waren bij de operatie. In de nacht van 13 op 14 maart 1988 bezetten de troepen van Iran en de SCIRI de heuvels langs de grens. Op 14 maart 1988 namen de diverse Koerdische troepen hun positie in. De PUK troepen begonnen met het innemen van een aantal van de buitenposten rond de stad Halabja en de om de stad heen gelegen heuvels. Op 15 maart 1988 trokken de Irakies zich terug en om 15:30 uur ging ik de stad Halabja binnen met PUK troepen; ongeveer om diezelfde tijd voegden wij ons bij de troepen van de KDP en de KSP.

In de ochtend van 16 maart 1988 organiseerden wij een ontmoeting tussen de leden van het Koerdistan Front en de Iraanse verbindingsambtenaar. Ik was met de briefing van de groep bezig toen wij vliegtuigen hoorden overvliegen. De wachten buiten rapporteerden dat er op grote hoogte zeven Irakese vliegtuigen overkwamen. Deze vliegtuigen kwamen rond 11:20 uur terug, vlogen toen laag over de stad en begonnen te bombarderen. Het leken vooral Mirage en Sukhoi vliegtuigen te zijn. Sommige waren in camouflagekleuren geschilderd, licht bruin, grijs en wit. De bommen vielen op de stadswijk Sara. De bomen bevatte conventionele springstoffen. Er kwamen zeven burgers en twee Peshmerga om. Omstreeks 17:15 uur stond ik met andere Peshmerga op het dak van het hoofdkwartier van de Istikhabarat. Ik zag door mijn verrekijker dat er acht vliegtuigen vanuit de richting van Seyed Sadiq op de stad af kwamen vliegen. Ze vlogen één keer over de stad en begonnen toen met een serie bombardementen. De bommen vielen in de stad. Ik wist meteen dat deze bommen chemische stoffen bevatten. Het geluid van de explosies klonk namelijk anders en er kwam een ander soort rook uit dan bij conventionele bommen. De rook was deels wit en deze steeg op in een kleine paddestoelvormige wolk alvorens op de grond neer te komen. Deels was de rook ook zwart en bij sommige bommen was de rook geel van kleur. De burgers hadden meteen te lijden.

Overal lagen dode en stervende mensen. Veel van de lichamen werden zwart. De mensen hadden schuim om hun mond staan en velen van hen bloedden uit hun neus, ogen en oren. Mijn ogen deden pijn, mijn oksels waren rood en pijnlijk en ik moest overgeven. Ten tijde van de chemische bombardementen heb ik aan het hoofdkwartier van de PUK doorgegeven dat er naar schatting 5000 dodelijke slachtoffers waren gevallen. Deze schatting werd doorgegeven aan Iran en dat gaf het weer door aan de media. Sindsdien is dit het aantal dat door iedereen wordt genoemd met betrekking tot het aantal doden dat in Halabja is gevallen.

12.70. een proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200508241550, d.d. 25 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 25 augustus 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 99] (G99.1 – pagina 1045 tot en met 1047):

Ik woonde in Guktappa vanaf 1986 tot en met 1988. Ik woonde daar met zeven broers en zussen en met mijn moeder. Guktappa ligt in de provincie Kirkuk. In 1988 was ik 16 jaar oud. Op 3 mei 1988 is ons dorp Guktappa door het Iraakse regime aangevallen met chemische wapens. Aan het einde van de dag, rond half zes hoorde ik bommen ontploffen. De knallen van deze bommen waren veel minder hard dan de ontploffingen die ik eerder bij andere aanvallen had gehoord. Ons dorp was namelijk eerder aangevallen met gewone bommen. Gelijk na het horen van de zachte explosies zag ik vliegtuigen vliegen uit de richting van het Garmain gebied, uit de richting van Kirkuk.

Ik zag dat het gevechtsvliegtuigen waren. Ik heb vier van deze vliegtuigen gezien. De vliegtuigen zijn na de explosies gelijk weer weggevlogen richting Kirkuk. Na het horen van de zachte explosies zag ik witte rook onze kant opkomen. Ik kreeg toen van mijn moeder een natte doek die ik voor mijn mond moest houden. We hadden nog nooit eerder rook gezien met zo’n witte kleur. Mijn moeder had van peshmerga’s verhalen gehoord over chemische aanvallen en herkende deze aanval als een chemische aanval.

Wij zijn toen naar onze buren gegaan. Onderweg hoorde ik mijn broer klagen over zijn ogen. Ik rook een geur van knoflook en rotte appels. Wij renden naar een rivier die in de buurt lag, maar toen we in de buurt kwamen bleek dat die rivier vergiftigd was. We zagen dode vissen drijven. Mijn zus is richting ons huis gegaan om oogdruppels te halen voor mijn broer en is nooit teruggekomen.

Daarna werden wij met tractoren uit Guktappa weggebracht. Mijn broer en ik sprongen van de tractor omdat wij onze zus terug wilde vinden. Ook mijn moeder is van de tractor gegaan. De rest is vertrokken met die tractoren. Later bleek dat al die mensen op de tractoren zijn opgepakt door het leger van Irak. Wij hebben ons in naburige dorpen schuilgehouden de weken na de aanval.

Na de chemische aanval kreeg ik last van benauwdheid. Ik zag toen ik een heuvel opliep veel mensen, die gewond waren geraakt. Ik zag dat hun lichamen helemaal opgezwollen waren. Ik zag veel mensen met schuim op hun mond, ook zag en hoorde ik velen die pijn hadden aan hun ogen. Er zijn tijdens en na de aanval ruim 100 mensen omgekomen door de chemicaliën. Ons dorp Guktappa is aangevallen met het gas dat Khardal werd genoemd.

Ik heb dat van verschillende bewoners uit Guktappa gehoord. In Iran waar ik naar toe ben gevlucht ben ik langdurig behandeld met injecties en pillen om mijn lichaam te reinigen.

Ik heb regelmatig veel last van benauwdheid, kennelijk zijn mijn longen aangetast.

Mijn moeder heeft meer gezondheidsklachten dan ik. Haar zenuwstelsel is aangetast. Er is echter niet aangetoond dat dat het gevolg is van de blootstelling aan chemicaliën. Mijn moeder is sinds de tijd na de chemische aanval erg snel geïrriteerd. Voor de aanval was ze altijd rustig van karakter. Mijn broer heeft momenteel nog steeds veel last van zijn ogen en zijn ademhaling.

12.71. een proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200508241550, d.d.30 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 augustus 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 98] (G98.1 – pagina 1031 tot en met 1035):

Ik heb vanaf 1963 tot 1988 in Guktappa gewoond. Ik woonde daar met mijn 8 kinderen.

De aanval op Guktappa op 3 mei 1988 verliep als volgt. Rond 4 uur ’s middags heb ik helikopters gezien die ballonnen lieten vallen. Het waren Iraakse helikopters omdat ze uit de richting kwamen waar het Iraakse leger was. Ik herkende de helikopters omdat ze een lange neus hebben. Om 18.00 uur kwamen er vliegtuigen, die donker van kleur waren. Ik heb er vier gezien. Ze zijn drie keer over het dorp gevlogen en de vierde keer wierpen ze hun bommen af. Ik bevond mij met mijn gezin buiten het dorp in onze zomerhut. Mijn dochter [naam] had een FM radio waarop de communicatie van de piloten te horen was in het Arabisch. Er werd gesproken dat ze moesten schieten. Ik hoorde dat een van de piloten zei dat het vrouwen en kinderen waren waarop ze schoten, een andere piloot zei toen dat hij door moest gaan.

De bommen vielen, het waren doffe knallen. Ik zag een soort lichtblauwe, lichtgrijze wolk. Ik rook een geur van verbrand plastic en de geur van aangebakken knoflook en uien. Ik heb veel gewonden en doden gezien die op de grond lagen. Ik zag dat de huid zwart was geworden en opgezwollen, sommigen hadden schuim om hun mond en bloed uit hun neus. Ik zag deze mensen op de vluchtroute uit het dorp. Zelf had ik last van mijn ogen; ze brandden hevig en traanden, ik zag alles mistig. Mijn zoon [naam] had opgezwollen ogen en kon slecht zien. Toen wij in Iran kwamen heb ik medicijnen gehad, mijn zoon [naam] heeft nu nog steeds last van zijn ogen. Ik heb nu nog last van mijn ogen, ze worden snel rood en sinds die tijd ben ik ook snel nerveus en heb ik last van mijn nieren.

Ik heb gehoord dat er Khardal gebruikt is. De meeste slachtoffers waren burgers, voornamelijk vrouwen en kinderen. Mijn buren, de familie [naam] bestond uit man, vrouw en kinderen, die allen bij deze aanval zijn omgekomen. Een kennis genaamd [naam] met 6 kinderen, zijn ook omgekomen. Ik heb mijn dochter [naam] nooit meer gevonden, ik weet niet wat er met haar gebeurd is.

Met betrekking tot feit 2:

12.72. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 5 oktober 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [………], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 5 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 110] (G110.I – pagina 1480 tot en met 1486):

(2) Ik ben getuige geweest van een chemische aanval op Khoramshahr op 11 april 1987. Ik bewaakte samen met drie anderen een waterzuiveringsbedrijf. We hoorden het geluid van artillerie uit de richting van Irak. Verderop hoorden wij het geluid van een explosie. Het geluid was meer gedempt dan normaal. Daarna hoorde ik een sissend geluid, alsof er water vrijkwam.

12.73. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 4 oktober 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 4 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 109] (G109.I – pagina 1474 tot en met 1479):

(2) Ik ben getuige geweest van de chemische aanval in Khoramshahr. (4) ’s Middags hadden we Iraakse vliegtuigen zien overkomen; grijze vliegtuigen die onder vuur werden genomen door de Iraanse luchtafweer. Rond middernacht hoorden wij drie à vier explosies; het geluid daarvan was minder hard dan normaal. (4) Toen we begrepen dat het een chemische aanval betrof, zijn wij naar boven gelopen om daar op het dak onder de douche te gaan staan. Het water was daar echter afgesloten. (5) We zijn naar beneden gegaan. Na vijf minuten begon ik slechter te zien. Toen ik beneden onder de douche stond, merkte ik dat ik niets meer kon zien. Kort daarna ben ik buiten bewustzijn geraakt.

(6) Ik heb meerdere dode mensen gezien. (7) Ik heb last van kortademigheid en van mijn zenuwen. Ik ben traag van begrip geworden en heb bevende handen en voeten. Ik heb zes maanden niet kunnen werken toen ik behandeld werd aan mijn longen.

12.74. de ter terechtzitting van 23 november 2005 afgelegde verklaring van getuige [getuige 67], voor zover inhoudende:

U houdt mij voor dat ik ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring heb afgelegd met betrekking tot de datum waarop de aanval op Alut heeft plaatsgevonden en u vraagt mij of ik nog weet welke datum dit was. Ik heb steeds verklaard dat het het begin van de lente was.

Ik heb nooit een dag genoemd. Misschien is het door de tolk verkeerd omgerekend. Ik heb alleen gezegd dat het aan het begin van de lente was. Dit heb ik steeds gezegd.

U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris op zijn vraag of ik uit mijn hoofd wist wanneer de aanval op Talut had plaatsgevonden heb geantwoord, dat het de 27e dag van de 2e maand 1366 was. Ik herinner mij dat niet goed. Farsi is ook niet mijn moedertaal. Ik heb alleen gezegd dat het aan het begin van de lente was.

U houdt mij voor dat ik eerst de datum 16 mei 1987, toen de tweede maand en vervolgens heb gezegd dat mijn hoofd niet goed was. Mijn geheugen werkt inderdaad niet goed. Ik weet zeker dat het aan het begin van de lente was. Ik heb dat steeds willen zeggen. Met het begin van de lente bedoel ik de eerste maand van de lente, genaamd Farwardin.

12.75. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 2 oktober 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 2 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 67] (G67.I – pagina 926 tot en met 929):

(2) De aanval op Alut was op 16 mei 1987. De datum die ik bij de politie heb genoemd is niet correct. (3) Die dag werkte ik op het landbouwveld van mijn vader. Rond 12:00 uur zag ik drie vliegtuigen uit de richting van Irak aankomen. Ze gooiden bommen en maakten een draai in de richting van Sardasht en vlogen toen terug in de richting van Irak.

(4) De onderkant van de vliegtuigen had een crème of witte kleur. Dat zou ook door de reflectie van de zon kunnen komen. Mensen uit het dorp vertelden mij dat het MIG’s waren. (9) Dat vertelden zij mij nog dezelfde dag. Ik weet niet hoe zij dat wisten. (4) Ze vlogen niet erg hoog. (3) In de omgeving van mij en [getuige 68] zijn vier bommen gevallen. Verderop zijn er nog drie gevallen. De explosies waren niet zo luid. Ik zag zwarte rook die steeds witter werd. De rook steeg niet op, maar bleef hangen. Ik rook de scherpe geur van knoflook. Mijn ogen begonnen te tranen en ik kreeg moeite met ademhalen en moest hoesten. (8) Ik heb bomrestanten begraven. Het waren rubberachtige restanten. Ze waren niet van metaal. (5) Ik heb gewonden geholpen. Ik zag brandwonden en zwarte plekken in de gezichten. Ze hadden blaren op hun huid. Ik heb zelf zes gewonden gezien, waaronder twee gewonden uit het gezin [van getuige 68].

Van anderen hoorde ik dat er veel meer gewonden zijn geweest. Ik weet dat een jongetje genaamd [naam], de zoon van [naam], in Baneh aan zijn verwondingen is overleden. Het dorp was onbewoonbaar na de aanval. (6) Na de aanval had ik veel jeuk. Jaren later kreeg ik last van ademhalingsproblemen. Mijn neus werkt niet goed meer, mijn ogen zijn slecht en mijn geheugen is aangetast. Ik kan veel minder dan vroeger. Ik werk nog wel op een Bazaar. (17) Mijn vrouw, mijn zoon en mijn dochter hebben dezelfde problemen als ik. Mijn zoon, die nu 18 is, wordt door zijn letsel beperkt in zijn maatschappelijk functioneren.

12.76. het proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200530041830, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 66] (G66 – pagina 651 tot en met 653):

Ik woon nu zes jaar in Sardasht, in 1987 woonde ik in Alut. Alut is een plaatsje direct bij de grens tussen Iran en Irak. De chemische aanval vond plaats om 11:30 uur. Op 16 april 1987 om 11:30 uur in de ochtend zag ik drie vliegtuigen. Ik was thuis hoog in de bergen. Ik zag dat een vliegtuig erg hoog vloog, ik zag twee andere vliegtuigen lager vliegen. Deze twee vliegtuigen waren de stad tegenover de onze aan het bombarderen. Alut is een erg klein en dunbevolkt dorpje. De huizen liggen ver verspreid van elkaar. Ik zag de twee vliegtuigen naar beneden duiken, even later zag ik ze weer opstijgen. Ik hoorde het geluid van bommen die afgingen. Het was geen harde explosie, maar een hele zachte klap. Toen ik naar de overkant keek, zag ik vanuit de vallei donkere rook. Toen die verder optrok, zag ik de rook steeds lichter van kleur worden. Na een half uur kreeg ik last van jeuk op mijn huid. Ik had ook erg last van brandende ogen.

Toen ik weer thuis was, voelde ik dat ik geen adem meer kreeg. Ik weet wel dat er meerdere gewonden waren. Ik weet van 7 of 8 mensen dat ze gewond zijn aan hun ogen, huid en longen. Ik heb na het bombardement een sterke knoflookgeur geroken. Ik had na de aanval veel jeuk aan mijn huid en enkele kleine blaren. Ik had de tijd van de aanval veel last van mijn ogen en mijn longen zijn gedeeltelijk aan elkaar geplakt. Tijdens de aanval was ik met mijn vrouw, geboren in 1944, en mijn kinderen in huis. Twee dagen na de aanval heb ik mijn vrouw naar het ziekenhuis in Sardasht gebracht. Ze had erg veel last van ademhalingsproblemen. In mijn dorpje woonden geen militairen, alleen maar burgers.

12.77. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504301430, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 67] (G67 – pagina 654 tot en met 656):

U zegt mij dat u begrepen heeft dat ik getuige/slachtoffer ben van een aanval waarbij chemische wapens zijn gebruikt, u vraagt mij wanneer de aanval plaatsvond. Het was in Alut, 27-1-1366 Perzisch, dat is op of rond 18 april 1987. Ik zag drie vliegtuigen. Er werkten zo’n 20 à 25 mensen op de boerderij waar ik was en die was vlakbij, de meesten daarvan zeiden dat het MIG’s waren. Ik weet dat zelf niet maar ik zag dat de onderkant van de vliegtuigen een lichte kleur hadden. Ze kwamen uit Irak, gooiden de bommen, draaiden naar Sardasht en vlogen toen weer naar Irak. Het was 12:00 uur ’s middags. In het gebied waar ik werkte, vielen vier bommen. Ze kwamen allemaal uit hetzelfde vliegtuig, daardoor overleed de familie [naam]. Ik hoorde lichte explosies. De rook was even zwart en werd daarna wit of beige. Ik rook een sterke knoflookgeur. Ik kon echter niet meer goed zien en waste eerst mijn gezicht. Twee personen op mijn boerderij stierven direct, zij hadden een zwarte huid en wit schuim om hun mond, zij stonden heel dicht bij de inslag. Er waren zes gewonden. Ondertussen kreeg ik een geïrriteerde huis en ogen, ik moest hoesten, ik waste mijn gezicht. De restanten van de bom waren anders dan normaal, er waren een soort plastic/fiber-delen bij. Ik werd zo’n vier jaar na de aanval behandeld in Teheran, de dokter daar zei me dat ik was blootgesteld aan mosterdgas.

Er was geen legerpost in Alut, alleen een politiepost met een paar agenten. Er waren alleen burgerwoningen en boerderijen waar ik werkte. Ik heb nu nog ademhalingsproblemen en last van mijn ogen. Als het warm wordt, krijg ik ademnood. Mijn kinderen hebben ook allemaal gezondheidsklachten, mijn dochter die 4 à 5 maanden oud was tijdens de aanval heeft een slecht gezichtsvermogen en last van droge hoest. Mijn zoon van 17 jaar heeft hartproblemen en gezichtsproblemen. Mijn vrouw was zo’n 100 meter bij me vandaan tijdens de aanval. De eerste anderhalf à twee jaar na de aanval had zij weinig klachten, maar toen begon ze dezelfde klachten te ontwikkelen als ik. Ze heeft ook “nervous breakdowns”.

12.78. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 2005042301745, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 68] (G68 – pagina 657 tot en met 659):

Op 16 april 1987 was ik niet thuis toen het dorp Alut gebombardeerd werd. Ik hoorde bomexplosies uit de richting van het dorp Alut. Ik kon de rookontwikkeling van de explosie waarnemen. Het was toen ongeveer 11:30 of 12:00 uur. Ik zag vliegtuigen in de lucht. Ik herkende de vliegtuigen als MIG’s. Ik wist dat de MIG’s van Irak waren. Iran heeft namelijk geen MIG’s. Ik zag dat de vliegtuigen wegvlogen in de richting van Irak. Toen ik thuiskwam, zag ik dat een van mijn kinderen, mijn dochter [naam], aan het stikken was. Zij overleed later. Zij was op dat moment zes jaar oud. Mijn andere dochter, die zes maanden oud was, was aan het overgeven. Hun ogen waren helemaal rood. Toen ik dit zag, heb ik mijn hele familie met mijn auto naar Banaj gebracht. De familie bestaat uit mijn vrouw, mijn twee dochters, mijn broer en mijn zus.

Vanaf Banaj zijn we naar een ziekenhuis naar Teheran gebracht. Ik ging zelf ook naar Teheran maar ik werd niet opgenomen in het ziekenhuis. Ik had ook wel blaren en moest ook overgeven maar ik wilde mijn familieleden niet in de steek laten. Het was bij mij niet zo erg als bij hen. Na twee dagen raakte mijn dochter [naam] bewusteloos. Vervolgens werd ik door de UN-missie gevraagd om hen naar de plaats van de bominslagen te brengen. Vervolgens zijn we samen terug naar Alut gegaan. De UN-missie onderzochten mijn huis en adviseerde dat het huis en alles wat erin zat, moest worden ontsmet en vernietigd. Er bleken zeven bommen afgeworpen te zijn rondom mijn huis.

De afstand tot mijn huis was verschillend; sommige waren op afstanden variërend van 25 tot 100 meter. Ik nam fragmenten waar van polyester of rubber. Daarnaast rook ik een zware knoflooklucht. De UN-missie vertelde mij dat het mosterdgas was wat gebruikt was. Toen ik terugkwam, hoorde ik dat mijn vrouw en dochter inmiddels waren gestorven. Ik wil nog graag opmerken dat mijn vrouw op dat moment zeven maanden zwanger was. Mijn andere dochter, die op dat moment zes maanden oud was, was op dat moment bewusteloos in een ziekenhuis in Teheran. Op dit moment is ze voor 70% invalide verklaard.

De gevolgen die ik nu nog ondervind van de chemische aanval zijn de volgende: ik ben allereerst nerveus, ik heb moeite met ademhalen, ik heb een hartprobleem, mijn ogen, huid en maag zijn aangetast. Ik krijg elke week blaren in mijn mond. Ik kan niet normaal eten. Mijn dochter heeft een jaar geleden een oogoperatie ondergaan. Zij is nu bijna 18 jaar. Zij heeft gezichtsproblemen. Met bril kan zij buiten 15 meter niemand herkennen Ze is voor 70% invalide verklaard. Ook mijn zuster is voor 70% en mijn broer is voor 45 % invalide verklaard.

12.79. een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 20], [getuige 58], [getuige 64], [getuige 65] en [getuige 71] in de zaak tegen [verdachte], op 24 september 2005, 25 september 2005, 27 september 2005 en 28 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [……….], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 24 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 20] (G20.I – pagina 900 tot en met 905):

(7) Voorafgaande aan de aanval op 28 juni 1987 was er in Sardasht, dat vlak bij de grens van Iran en Irak ligt, al een oorlogssituatie; de dagen ervoor werden wij al gebombardeerd door Irak. (9) Er waren Iraanse troepen gelegerd in de omgeving van Sardasht, maar niet in Sardasht zelf. (10) Noch in Sardasht, nog in de omgeving ervan waren Peshmerga-troepen aanwezig. (11) Ik heb ten tijde van de aanval geen vliegtuigen gezien, maar wel gehoord. (14) Ik kan niet de geluiden van de verschillende vliegtuigen onderscheiden. (23) Tijdens mijn politieverhoor heeft de tolk, (22) die overigens niet arabisch maar koerdisch tolkte, (23) mij kennelijk niet goed begrepen. Het is namelijk niet juist dat ik Mirages en Sukkojs herkende aan hun geluid.

(16) Ik kan niet aangeven hoeveel bommen er zijn gevallen toen ik de woning in de Pirozistraat invluchtte. De aanval duurde naar mijn gevoel één minuut. Later kwamen de vliegtuigen terug en bombardeerden de binnenstad. Ik heb de slachtoffers zien liggen; Het waren alleen burgers, geen militairen; (17) Ik heb luchtafweergeschut gehoord; Ik kan niets zeggen over de richting van dit geschut. (21) Voor de aanval heb ik wel Iraanse militairen in Sardasht gezien, maar er waren geen militaire activiteiten in Sardasht; het waren bijvoorbeeld soldaten op doorreis. Er was in Sardasht geen militaire basis of luchtafweer. (26) Er zitten nog sporen van de aanval in mijn lichaam. Ik heb af en toe ademhalingsproblemen. Ik heb psychische klachten. Ik ben onder behandeling van een dermatoloog, longarts en oogarts. Ik heb niet de illusie dat ik nog zal genezen.

12.80. een proces-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 20], [getuige 58], [getuige 64], [getuige 65] en [getuige 71] in de zaak tegen [verdachte], op 24 september 2005, 25 september 2005, 27 september 2005 en 28 september 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [……….], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 25 september 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 58] (G58.I – pagina 910 tot en met 915):

(4) Het tijdstip van de aanval weet ik nog goed; het was het tijdstip van het middaggebed. Ik hoorde vliegtuigen overvliegen en ik rook de geur van knoflook. (5) Ik heb niet gezien dat de vliegtuigen de bommen afwierpen. Ik zag dat boven de stad een rookwolk hing. Daarna zag ik twee grijze vliegtuigen die in de richting van Irak vlogen. Ik heb geen onderscheidings-tekens op de vliegtuigen gezien. (10) Ik heb wel luchtafweergeschut gehoord.

(8) Kort na de aanval heb ik zes bominslagen gezien. Vier daarvan heb ik bij de politie op een kaart aangegeven. De plaatsen van de twee andere inslagen stonden niet op de kaart. Dat betrof de inslagen in Rash Harmeh. (18) Ik heb in die plaats, die twee kilometer van Sardasht ligt en waar ik pas twee maanden na de aanslag voor het eerst weer kwam, geen slachtoffers gezien. (22) Ik heb wel gehoord dat er daar slachtoffers zijn gevallen. (8) Ik heb geen bomresten gezien. In mijn eigen huis heb ik veel wit poeder zien liggen na de aanval.

(9) In de periode voor de aanval was er in en rondom Sardasht geen militaire activiteit. Er was geen legerpost in Sardasht, alleen één ongeveer twee kilometer buiten de stad. Dat was overigens geen post van waaruit oorlogshandelingen werden verricht. (21) Ik heb last van mijn ademhaling en van mijn ogen. Ik heb jeuk aan mijn lies. Ik ben nog steeds onder doktersbehandeling. Ik ben voor 30% invalide verklaard.

12.81. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer G13.1, d.d. 19 oktober 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 19 oktober 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 13] (G13.1 – pagina 161 tot en met 165):

Ik woonde in de jaren tachtig in Sardasht in Iran. Wanneer vond de eerste chemische aanval plaats? Dat was op 28 juni 1987. Ik was aan het werk in het ziekenhuis van Sardasht. Vlak voor de aanval liep ik in het ziekenhuis. Ik liep naar buiten. Ik keek omhoog en zag vier vliegtuigen. Ik hoorde doffe knallen. Dat was niet het geluid van een normaal bombardement. Volgens mij waren de vliegtuigen Mirages. Ik weet dat Mirages van Irak moesten zijn omdat Iran die niet heeft. In de binnenstad van Sardasht kwamen drie bommen neer. Het eerste wat mij opviel, was de vreemde geur en het geschreeuw van mensen. Ook zag ik een wolk van rook. Ik rook een sterke knoflookgeur. Ik wist toen dat het een chemische aanval was geweest. Ons was door de legerartsen verteld dat de stof mosterdgas stinkt naar knoflook. De kleur van de rook was wit.

Ik ben snel naar mijn auto gegaan en ingestapt. Ik deed de ramen dicht en reed snel naar huis. Ik zag veel mensen die hoestten en slijm overgaven. Ik zag dat ze wonden en blaren hadden op hun lichaam. Ik ben doorgereden naar mijn huis en heb mijn gezin in veiligheid gebracht. Ik ben direct weer teruggereden naar het ziekenhuis. Ik kwam even later in het ziekenhuis aan. Ik zag ontzettend veel gewonde mensen liggen in de gangen. Ik zag en hoorde dat de gewonden benauwd waren en ik zag dat ze grote blaren op hun lichaam hadden. Zowel vrouwen als kinderen en mannen waren gewond. Het waren allemaal burgers. Totaal zijn er volgens mij 530 mensen omgekomen tengevolge van deze aanval.

12.82. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504301120, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 29 april 2005 tegenover deze verbalisant en [getuige-deskundige] afgelegde verklaring van [getuige 46] (G46 – pagina 565 tot en met 568):

Op 28 juni 1987 bevond ik mij in Sardasht. De aanval vond ongeveer rond 16:15 uur plaats. Toen ik de vliegtuigen hoorde, keerde ik snel terug naar mijn huis. Vervolgens greep ik mijn twee zonen bij de arm en ik sprong met hen in een greppel. Nadat we in de greppel waren gesprongen, hoorde ik het geluid van de explosie. Het geluid was echter niet zo hard als een explosie van een conventionele bom en daarom nam ik aan dat de bom ver van mij vandaan was gevallen. Maar daarna merkte ik dat de bom heel dichtbij op circa 25 meter van ons vandaan was gevallen. Ik zag ook dat er een grijze stofwolk in de staat hing. Ik rook een sterke geur van knoflook. Het was een aantrekkelijke geur die uitnodigde om er steeds meer van in te ademen.

Pas later begreep ik dat er een chemische aanval had plaatsgevonden toen mijn broer mij vertelde dat er een chemische aanval had plaatsgevonden. Mijn broer was getraind op het gebied van chemische wapens. Ik bracht iedereen uit de stad en ik stopte bij een beek. Daar zag ik een zwart vliegtuig laag overvliegen. Ik herinner mij alleen dat het een zwart vliegtuig was en dat het vliegtuig richting Irak vloog. Daarna zei mijn broer, genaamd [getuige 52] dat hij zich erg slecht voelde. Mijn broer had rode ogen, trilde en gaf aan dat hij moest overgeven. Vervolgens zijn we teruggegaan naar Sardasht naar een plaats waarvan ik dacht dat deze niet besmet was met chemische strijdmiddelen. Ik heb daar mijn kinderen en vrouw bij een huis van verwanten afgezet en heb vervolgens mijn broer naar het stadion gebracht waar zich een militair medisch centrum bevond. Daar werden de ogen van mijn broer gereinigd en vervolgens behandeld met medicijnen. Vervolgens ben ik teruggegaan naar mijn vrouw en kinderen. Aldaar zag ik dat ze dezelfde symptomen hadden als mijn broer. Ze trilden ook erg en gaven over. Ik heb hen vervolgens ook naar hetzelfde medisch centrum gebracht. Mijn ogen voelden zo slecht aan alsof ze zand in mijn ogen hadden gestrooid. Op dezelfde dag werden ik, mijn broer [getuige 52], mijn vrouw, mijn twee kinderen en moeder overgebracht naar een ziekenhuis in Baneh, zo’n vijftig kilometer van Sardasht. Onderweg naar Baneh sloten onze ogen zich volkomen, we konden niets meer zien, we begonnen over te geven.

We gingen naar verschillende ziekenhuizen. We werden allen blind. Tien dagen nadat ik in Tabriz aankwam, hoorde ik dat mijn vader was overleden. Na 20 dagen hoorde ik dat mijn moeder ook gestorven was. Tevens hoorde ik dat er tien mensen van mijn familie gewond en besmet waren geraakt. Toen ik in Tabriz was, werd mij gezegd dat ik mij moest laten behandelen bij een dermatoloog.

Al mijn familie was op dat moment opgenomen in verschillende ziekenhuizen in Teheran. Vervolgens werd ik weer overgebracht naar Teheran voor opname. Iedereen was opgenomen in Teheran op mijn broer na, die bevond zich in Madrid. Iedereen was een maand na de aanval uit het ziekenhuis ontslagen. Nu na 17 jaar verslechtert de gezondheidstoestand van mij en mijn familie nog steeds. Mijn huidige gezondheidstoestand is als volgt. Mijn ogen branden, Ik kan niet meer slapen omdat ik ademhalingsmoeilijkheden heb. Soms jeukt mijn huid zo erg dat ik continu moet krabben. Het heeft ook gevolgen voor mijn mentale toestand. Ik word steeds nerveuzer en ben soms agressief.

Op dit moment lijden tien van mijn familieleden aan de gevolgen van deze chemische aanval. Ik moet heel vaak naar het ziekenhuis voor behandeling. Soms moet ik drie dagen blijven voor behandeling met cortizonen. Ik ben gemiddeld een maand per jaar opgenomen in Teheran. Ik weet dat ik blootgesteld ben aan mosterdgas. Ik ben zelf geen expert maar er is mij verteld dat het mosterdgas was en zenuwgas. Volgens de dokters was het een mix van mosterdgas en zenuwgas. In totaal heb ik in Sardasht vier plaatsen gezien waar een bom gegooid was.

12.83. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504292000, d.d. 29 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 29 april 2005 tegenover deze verbalisant en Officier van Justitie F. Teeven afgelegde verklaring van [getuige 47] (G47 - pagina 569 tot en met 575):

Op 28 juni 1987 omstreeks 16:15 uur werd de stad Sardasht aangevallen. Ik was thuis en hoorde explosies. Er ontplofte een bom vlakbij mijn huis. Na enkele minuten rook ik een geur van verrotting, een knoflookgeur. Vervolgens ben ik met mijn familie naar de schuilkelder in ons huis gevlucht en daar hebben we ongeveer 15 minuten gezeten. Toen we uit de schuilkelder kwamen, merkte ik dat mijn dochter van twee jaar oud last had van haar ademwegen en haar longen. Ik moest zelf overgeven en we hadden allemaal last van onze ogen en een branderig gevoel in onze longen.

Vervolgens zijn we naar het ziekenhuis gegaan waar mijn ogen werden gereinigd. Ik ben vervolgens naar huis gegaan en ben vervolgens nadat ik na twee uur weer moest overgeven teruggegaan naar het ziekenhuis. Dit is het gewone ziekenhuis in Sardasht. Bij de tweede keer ben ik naar een stadion gestuurd waar een militair veldziekenhuis was gevestigd. Vanuit dit veldziekenhuis ben ik vervolgens naar Tabriz gestuurd naar een ziekenhuis. Nadat we daar onderzocht waren, bleken onze verwondingen zo ernstig dat we onmiddellijk naar een ziekenhuis in Teheran werden gestuurd voor verdere behandeling. Dat gold voor mijn hele familie. Hiermee bedoel ik mijn man, ikzelf en mijn drie dochters die op dat moment 6, 3,5 en 2 jaar oud waren. We werden in Teheran behandeld in het militaire ziekenhuis genaamd: “Baghiyatollah”. Na twee weken behandeling in Teheran werden we op 10 juli 1987 naar Spanje, Madrid, gestuurd. Daar werden we 40 dagen lang behandeld. Het ziekenhuis in Spanje heet Gomez Ocha, het was een groot militair ziekenhuis, We kwamen terug in Iran op 20 augustus 1987. Toen ik terugkwam op 20 augustus kon ik niet meteen geopereerd worden. Ik moest wachten anders zou ik blind worden. Na twee maanden ben ik wel geopereerd. Mijn linkeroog functioneert weer goed maar met mijn rechteroog kan ik nog steeds slecht zien. Mijn longen bleken ook heel erg beschadigd. Het voelde alsof ik stikte.

Ik gebruik nu drie sprays, siroop en antibiotica. Mijn longen functioneren nog steeds niet goed omdat het longweefsel aan elkaar plakt waardoor ik niet mijn volledige longinhoud kan gebruiken. Ik heb ook erg last gehad van blaren. Vanaf het begin had ik last van jeuk. Na twee of drie dagen kreeg ik blaren.

Door alle aandoeningen die ik heb opgelopen aan ogen, huid en longen ben ik ook zeer zenuwachtig geworden. Al mijn familieleden hebben dit. Dit komt doordat ons zenuwstelsel is aangetast. Al mijn familieleden hebben last van hun longen. Mijn man heeft blaren over zijn hele lichaam. Sommige blaren komen steeds terug en gaan dan weer weg. Mijn dochter van 3.5 jaar had ook hele grote blaren op de borst. Mijn jongste dochter van 2 jaar stierf vijf dagen na de aanval. Zij stierf op 3 juli 1987. Zowel mijn dochters als ik zijn onder behandeling in het ziekenhuis. Minstens twee keer per week moeten we ons laten behandelen. De dokters hebben ons verteld dat onze longen zo beschadigd zijn door het mosterdgas dat wij nooit meer zullen genezen. Mijn man heeft veel gezondheidsklachten. Hij krijgt namelijk veel infecties.

12.84. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504291800, d.d. 29 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 29 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 49] (G49 – pagina 581 tot en met 584):

In 1987 begonnen de Iraki’s vanwege de Iraanse overwinningen civiele doelen te bestoken met chemische wapens. De eerste stad die getroffen werd door chemische wapens was Sardasht. In Sardasht wonen Soennitische Koerden. Er zijn verschillende expert-opinies schattingen tussen de 5000 en 7000 slachtoffers. Toen de aanval begon omstreeks 16:30 hoorde ik vliegtuigen, het luchtalarm ging af en ik zocht dekking in een loopgraaf. Pas toen ik de loopgraaf weer verliet, merkte ik dat het een chemische aanval was. Ik zag ook dat er paniek was en dat er mensen neervielen. Ik rook echter toch een geur van rotte vis, knoflook en komkommer.

Ter voorbereiding op conventionele bombardementen hadden we vooraf aan de chemische aanval een stadion ingericht voor de behandeling van grote hoeveelheden van slachtoffers. De meeste slachtoffers waren gewond aan hun ogen, huid en longen. Zij kregen ademnood, ernstige benauwdheid dan wel borstbeklemming en het gevoel dat zij stikten. Zij hoestten zeer zwaar. Ik heb nu nog steeds problemen met mijn longen en ogen. Ik heb ademhalingsproblemen. Ik heb nu ook last van huidproblemen, zoals acne. Ik gebruik sprays om mijn ademhaling te vergemakkelijken. Nadat ik besmet ben geraakt in Sardasht heb ik een dochter gekregen, deze dochter heeft een heleboel gezondheidsproblemen zoals toevallen, de doktoren weten niet waarvan het komt. Ik denk door de besmetting maar dat staat niet vast. De doktoren vermoeden dat ook maar het staat medisch niet vast.

12.85. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504301430, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de tegenover deze opsporingsambtenaar op 30 april 2005 afgelegde verklaring van [getuige 50] (G50 – pagina 585 tot en met 589):

De aanval vond plaats op 28 juni 1987. Ten tijde van de aanval bevond ik mij in Teheran, ik kwam de dag erna terug naar Sardasht. U vraagt mij hoe laat de aanval plaatsvond; het was 16:16 uur in de middag. Ik hoorde dat van mijn broer. Mijn broer [naam] vertelde dat hij een minuut nadat de vliegtuigen langskwamen, een soort plop hoorde. Anders dan normale bommen. Mijn broer hoorde de explosies die vanuit de richting van onze woning kwamen en rende naar het huis. De familie en de buren gingen naar de kelders om te schuilen. In totaal waren er 40 mensen in die kelders. Niemand heeft het overleefd. Mijn broer die het vertelde, overleed 4 maanden later. Niemand is nog in leven. De dag erna zag ik wat in de stad was gebeurd. Ik arriveerde om 17:00 uur in Sardasht. Ik was op dat moment soldaat en gelegerd in Kirman. Ik had verlof en was in Teheran. Ik belde om 17:00 uur naar huis in Sardasht om door te geven dat ik die nacht naar huis zou komen. Zijn (de rechtbank leest: mijn) vader zei toen dat de aanval had plaatsgevonden en dat de bom net naast hun huis was gevallen.

Mijn vader zei dat er gezegd werd dat het een chemische bom was. U vraagt mijn wat de ligging is van mijn woning in de stad Sardasht; in welke wijk. Ik zal het op de plattegrond aangeven. Er was geen militaire basis daar in de buurt. Toen ik werd blootgesteld aan de chemicaliën had ik brandende ogen en een prikkelende huid. Dat komt waarschijnlijk omdat ik thuis geslapen heb. In het Terbiz hospitaal hoorde ik van een longspecialist dat er Khardal (mosterdgas) gebruikt was.

U vraagt mij wat voor effect van de chemische aanval ik zag bij andere mensen zoals mijn overleden en gewonde familieleden. Ik zag dat een aantal stukken zwarte huid had, maar het meeste zag ik hele grote blaren op hun huid.

U vraagt mij naar mijn verwondingen. Zoals omschreven de eerste symptomen, grote blaren onder mijn rechteroksel en onder mijn linkerarm werd het helemaal zwart. Ik kreeg een crème om het in te smeren en oogdruppels om mijn ogen te wassen. Ik heb nu nog steeds last van huidproblemen en kortademigheid. Ik ben nog steeds onder behandeling bij de kliniek voor chemische slachtoffers in Sardasht. Ik heb deze verwondingen indirect opgelopen omdat ik niet tijdens de aanval aanwezig was maar later.

12.86. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200504301520, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de tegenover deze opsporingsambtenaar op 30 april 2005 afgelegde verklaring van [getuige 51] (G51 – pagina 590 tot en met 593):

Op 28 juni 1987 woonde ik op het terrein van het ziekenhuis. Het was rond 16:00 uur in de middag. Ik hoorde het luchtalarm afgaan op de militaire basis. Ik rende de tuin van het ziekenhuis in en daar hoorde ik een bom exploderen. Het geluid van de explosie was anders dan de vorige keren. Het geluid was niet zo hard. Vervolgens zag ik een tweetal vliegtuigen in de lucht. Bij de vorige bombardementen gingen de vliegtuigen na het afwerpen van hun bommen meteen terug richting Irak. In dit geval was het anders, want de vliegtuigen bleven rond het dorp cirkelen. Vijf minuten na de explosies rook ik een knoflookgeur. Vervolgens ben ik naar mijn moeders huis gegaan. Dat was vlakbij een van de bomkraters. Deze plaats heet “Char Rah Farmandari”. Ik ben vervolgens de huizen in de buurt binnengegaan. Ik zag (dat) er in het huis en op de mensen witte stof lag.

Ook de mensen in die buurt waren bedekt met een wit poeder. Op die dag zijn in Sardasht drie of vier mensen om het leven gekomen. Ik weet dat omdat ik in het ziekenhuis werkte. Het aantal doden nam echter met de tijd toe. Uit mijn contacten met andere ziekenhuizen weet ik dat na de aanval echter gemiddeld tien mensen per dag het leven lieten. Ik kreeg zelf na vier dagen blaren op mijn rug.

Ik had al tijdens de eerste nacht na de aanval eerder moeten overgeven, maar ik dacht dat dat kwam omdat ik zo moe was. Pas toen ik blaren kreeg, realiseerde ik me dat ik aan chemische wapens was blootgesteld. Drie dagen nadat de blaren opkwamen, werd mijn gezichtsvermogen aangetast en ik ben ongeveer 20 dagen bijna blind geweest. Ik was zes maanden zwanger op dat moment. Ik weet van alle vrouwen die destijds zwanger waren, hebben dat de uit deze zwangerschappen geboren kinderen nu problemen hebben. Ook mijn zoon is geaccepteerd door de commissie als slachtoffer van chemische wapens en krijgt nu medicatie. Over mijn gezondheidstoestand kan ik zeggen dat slachtoffers van chemische wapens geen sociaal leven hebben. Een chemisch slachtoffer zal nooit genezen. ’s Winters heb ik erg veel last van mijn longen en ’s zomers krijg ik erg veel jeuk op de plaatsen waar ik eerst blaren had. Ook moet ik vaak naar de dokter. Voor uitgebreide behandeling moet ik naar Teheran. Ook is mijn moeder twee maanden na de aanval van 28 juni compleet blind geworden en zij is nog steeds blind. Buiten de genoemde slachtoffers te weten mijn broer, mijn moeder en mijn zoon is mijn oom gestorven aan de gevolgen van de chemische aanval. Daarnaast zijn de volgende familieleden besmet: mijn drie zusters, mijn echtgenoot, een broer, mijn schoonzus en mijn vier neefjes.

12.87. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale recherche, proces-verbaalnummer 200530041525, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 52] (G52 – pagina 594 tot en met 595):

Op 28 juni 1987 was ik in Sardasht en hoorde het geluid van vliegtuigen. Ik hoorde niet normale explosies. Kort daarna hoorde ik dat de eerste bommen de drie omringende dorpen troffen en de tweede serie bommen het centrum van de stad. Ik zag toen de bommen neergekomen waren een wit-grijze rook. Het was op dat moment ongeveer 16:25 of 16:20 uur in de middag. Na het bombardement was er overal rook boven de stad. Ik weet nog wel dat ik knoflook rook. 3 uur na de aanval werden mijn ogen rood. Bij de mensen in de auto zag ik 4 uren na de aanval tranende ogen, sommigen gaven over, sommigen hadden direct na de aanval al ademhalingsproblemen, pijn in de longen. 7 uren na de aanval ging het met een aantal mensen zeer slecht. Om 20:30 uur zijn we met de auto naar Baneh gegaan. Bij Baneh was een veldhospitaal gevestigd. Toen ik daar druppels voor mijn ogen kreeg, verloor ik het zicht in mijn ogen.

Van Baneh zijn we per bus naar Tabriz gestuurd. Maar daarvoor zijn we nog langs het hospitaal in Saghez gegaan. Ik had last van een verbrande huid onder mijn oksels, maar de pijn in mijn ogen was het ergst. In het Bobac hospitaal in Tabriz kwam ik de volgende dag aan; 29 juni 1987 om 13:00 uur. In Tabriz ben ik doorgezonden naar het Iman Khomeini Hospital. Ik was toen steeds bewusteloos. Ik had blaren van het gif in mijn schaamstreek en onder mijn oksels. Vanuit Tabriz ben ik vanwege mijn ernstige verwondingen naar Teheran gestuurd. Ik ben behandeld met siroop voor mijn keel.

In Teheran wilde ik een douche nemen omdat ik het zo heet had. Ik had ook last van hallucinaties. Als ik kijk naar de periode van juni 1987 tot en met nu april 2005 dan zie ik eigenlijk geen verbeteringen. Na een week in Teheran kon ik weer iets beter zien. Ik kon echter niet in de verte zien. In vergelijking met het verleden ben ik wel beter geworden. Ik kom echter nog steeds wel adem tekort. Ik word nog behandeld door oogartsen en KNO artsen voor letsel aan de ogen en de keel. Ik moet nog crème gebruiken voor de schade aan mijn huid.

12.88. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200530041950, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 53] (G53 – pagina 596 tot en met 598):

Ik weet nog dat de chemische aanval op Sardasht was op 28 juni 1987 rond 16:15 uur. Sardasht werd aangevallen met vliegtuigen. Ik heb zelf vier vliegtuigen gezien. Toen de bom neerkwam, hoorde ik een hele zachte klap, geen harde klap zoals bij een normale explosie. Ik ben naar de plek gelopen waar de eerste bom neer was gekomen. Ik rook een duidelijke geur van rotte knoflook. Vanaf het moment dat ik thuis kwam tot de tijd dat we wilden eten, hadden erg veel familieleden de neiging over te geven. We hadden dus geen trek in eten. We hadden ook erg veel last van onze ogen; we hadden allemaal tranen in onze ogen. We hadden ook erg veel last van onze huid bijna overal op ons lichaam, op mijn armen, onder mijn oksels en bij mijn schaamstreek. Bij mij thuis woonden op dat moment 5 personen; mijn vader en moeder, mijn vrouw en mijn oudste dochter. Mijn dochter was 4 jaar oud. Mijn dochter had erg veel last van de huid op haar enkels. Met name ik en mijn vader hadden last van onze ogen. In de avonduren werd onze pijn steeds erger. Ik had zelf twee problemen; ik had ten eerste heel erg veel jeuk. Ten tweede moest ik steeds overgeven alleen het lukte niet. Mijn vrouw had met name veel jeuk, mijn moeder moest overgeven, mijn vader had veel oogproblemen en werd langzaam blind, mijn dochter had grote blaren op haar voeten waar heel veel vocht in zat.

Mijn vrouw was negen maanden zwanger, vier dagen na het bombardement werd mijn zoon geboren. Een van mijn familieleden is aan zijn verwondingen overleden, hij had overal grote blaren. Ik bracht mijn familie naar het 250Bet Ziekenhuis in Mahabad waar ze verzorgd werden. Ik ging door naar Tapriz met mijn vader. We kregen daar een behandeling met crème en oogdruppels. Ik hoorde in Tabriz van een kennis dat mijn vrouw er slecht aan toe was. Ik ging dus weer terug naar Mahabad.

Gedurende de laatste 18 jaren heb ik erg veel last van mijn ogen. Ik heb van mijn huid ook nog erg veel last, het brandt nog steeds met name bij mijn schaamstreek. Mijn zenuwstelsel breekt ook af. Wanneer het koud is, krijg ik veel last van ziekte. Ik kreeg dan oprispingen, als ik dan spuug is mijn speeksel zwart. Mijn vrouw heeft last van ademhalingsproblemen en haar zenuwstelsel wordt steeds slechter. Ook heeft ze last van jeuk op haar huid ter hoogte van haar enkels. Mijn dochter heeft last van een jeukende huid ter hoogte van haar enkels. Ze heeft ook problemen met haar zenuwstelsel. Mijn vrouw heeft dus 4 dagen na de aanval een kind gekregen, toen ze moedermelk gaf, bleek dat erg slecht te zijn voor het kind. Als dat kleine jongetje ziek wordt duurt dat soms een jaar lang, zijn immuunsysteem is dus niet goed meer. Mijn zoon is nu 18 jaar oud. Mijn zoon moet vaak hoesten. Hij heeft ook problemen met zijn ogen. Mijn vader en mijn moeder zijn inmiddels overleden, dat was 3 jaar na de aanval.

12.89. de ter terechtzitting van 23 november 2005 afgelegde verklaring van getuige [getuige 54], voor zover inhoudende:

Op de dag van de aanval op Sardasht, 28 juni 1987 is, kwam ik ongeveer om kwart voor drie uit mijn werk. Ik hoorde het scherende geluid van vliegtuigen boven de stad. Ik ben naar buiten gegaan, het was toen ongeveer 16.00 uur. Ik keek omhoog en heb met mijn eigen ogen vier vliegtuigen gezien. De vliegtuigen vlogen niet te hoog, maar ook niet te laag. Ik kon met het blote ook een geelachtig ding naar beneden zien vallen. Ik hoorde op dat moment het geluid van luchtafweergeschut, dit kwam van de kant van de Iraanse staat.

Toen ik de vliegtuigen voor de eerste keer zag kwamen ze van de linkerkant, later van de andere kant. De Irakese grens ligt aan de linkerkant van Sardasht. De vliegtuigen kwamen dus van Irakese kant. De gele dingen die uit de vliegtuigen waren gevallen heb ik alleen in de lucht gezien, ze lagen niet bij mij in de buurt.

Die dingen maakten een klein beetje geluid, een zachte explosie, bij het neerkomen. Ik weet niet precies wat er naar beneden is gekomen, of het nu een soort bom was of een soort parachute. Ik weet alleen dat er iets naar beneden is gekomen. De explosie vond plaats toen ik nog op straat was, niet ver van mijn huis. Ik hoorde de explosie toen ik nog met mijn broer in de sloot lag. De knal kwam van dat gele ding dat naar beneden was gegooid. Ik heb dit geluid veel vaker gehoord. Het was namelijk niet de eerste keer dat ik vliegtuigen hoorde. Ik heb eerder meegemaakt dat er op andere plekken werd gebombardeerd.

Ik heb zowel een vieze knoflookgeur geroken als de geur van rotte appels. Ik heb ook gezien dat boven Sardasht een witte rookwolk hing. Ik heb de plekken van de inslag bezocht, dat waren er in totaal vier. Op al die plekken heb ik dezelfde geuren geroken. De plekken van de inslag lagen dicht bij elkaar. Er lag ook nog iets op de grond, het leek op bloem, meel, en de kleur was gebroken wit, wittig, dat heb ik met mijn voet aangeraakt. Na korte tijd kreeg ik jeuk op mijn voet. Na vier of vijf uur kreeg ik een blaar op mijn voet.

Ik ben naar het ziekenhuis van Sardasht gegaan. Toen ik daar aankwam zag ik veel mensen op bedden liggen. Sommigen hoestten, sommigen huilden. De klachten die de mensen hadden waren overgeven, ze hadden het heel warm, een rode huid, na enige tijd kregen ze veel jeuk en kleine blaartjes op hun lichaam. De kleur van hun huid werd zwart. Mensen kregen het ook erg benauwd. Ze ademden heel snel, maar dat kostte veel moeite. De mensen die ik daar heb aangetroffen zijn niet opgeknapt, de meeste van hen zijn doodgegaan. Tegen middernacht werd ik zo zwak, dat ik niets meer kon. Ik ben toen met de auto naar huis gebracht. Om ongeveer drie uur in de nacht werd ik blind en had ik overal jeuk. Mijn broer en andere familieleden waren ook ziek geworden. Mijn voornaamste klachten waren pijn, blaren en blindheid. De pijn in mijn ogen en longen was het ergst.

De klachten van mijn broer heb ik door mijn blindheid niet kunnen zien. Ik heb alleen zijn stem herkend. Mijn broer heeft zelfs bloed overgegeven. Later heb ik wel van de klachten van mijn broer gehoord. Hij is op dezelfde manier als ik hersteld. Hij heeft nog steeds last van zijn ogen, huis en ademhaling. Mijn klachten zijn vooral mijn ogen, huid, longen en mijn geestelijke toestand. Mijn ogen geven veel last en doen pijn bij kou en warmte. Ik kan geen twee bladzijden tekst lezen zonder last te krijgen. Ik kan niet goed zien, ik heb wel een bril maar die is lang niet afdoende. Mijn huid jeukt overal. Ik krijg daar pillen en zalf voor. Als gevolg van mijn longklachten kan ik niet een periode achter elkaar lopen. Ook traplopen is lastig en ook het wassen van kleding. Wij hebben daarvoor geen elektrische apparaten. Zelfs koken is voor mij lastig. Vóór de aanval had ik deze klachten nog niet. Ik was toen even krachtig als een man. Er zit geen verbetering in voor de toekomst. Mijn man heeft ook klachten. Hij heeft longproblemen als gevolg van de aanvallen. Hij was ook in Sardasht. Onder de slachtoffers heb ik alleen mensen gezien uit mijn eigen stad. Dit waren allemaal Koerden. Alle inwoners van Sardasht zijn Koerden. In totaal zijn er in Sardasht en de nabij geleden dorpen denk ik ongeveer 170 dodelijke slachtoffers gevallen.

Voor de aanval op Sardasht in 1987 waren er in de binnenstad in het geheel geen militairen.

De plekken die tijdens de aanval werden gebombardeerd waren woongebieden. De Iraanse militairen bevonden zich alleen buiten de stad. Daar stond ook het luchtafweergeschut.

U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat er wat betreft mijn gezondheid geen verbetering optreedt en vraagt mij of mijn gezondheidstoestand stabiel is of achteruit gaat.

Mijn gezondheid gaat alleen maar achteruit. Vroeger weigerde ik nog wel eens mijn medicijnen te slikken, maar nu kan ik echt niet meer zonder. Ik slik medicijnen voor mijn longen, maag en geestelijke toestand. Ik weet niet hoeveel het er zijn. Ik heb zakjes vol met medicijnen voor mijn klachten. Ik laat u deze zien.

12.90. de ter terechtzitting van 23 november 2005 afgelegde verklaring van [getuige 55], voor zover inhoudende:

U vraagt mij of ik iets kan vertellen op de aanval op Sardasht of Rash Harmeh.

Ik heb de datum van de aanval niet opgeschreven, omdat ik analfabeet ben. Ik weet alleen hoe laat de aanval heeft plaatsgevonden. Er was één hele grote aanval in de zomer. Het was toen mooi weer en ik bevond mij in het dorp Maragany in de buurt van Sardasht. Om ongeveer om 16.00 uur hoorde ik in Rash Harmeh de sirenes. Later kreeg ik te horen dat mijn kinderen in Sardasht gewond waren geraakt bij de chemische aanval. Je kon Sardasht vanuit Maragany zien liggen omdat het hoger ligt.

Ik heb twee vliegtuigen terug zien vliegen naar Irak. Later werd mij verteld wat er was gebeurd. Ik heb niet gezien dat de vliegtuigen bommen afwierpen. Ik heb wel knallen gehoord. Die waren beduidend minder hard dat andere knallen die ik heb gehoord. Er zijn vier bommen gevallen in Rash Harmeh. Ik heb daar alleen de kraters gezien. Die moeten zijn veroorzaakt door dezelfde vliegtuigen als die ik heb zien vliegen, het was namelijk hetzelfde tijdstip Maragany ligt ongeveer één kilometer van Rash Harmeh vandaan. Voordat mijn kinderen naar mij toe kwamen rook ik heel licht iets, maar dat viel niet erg op Nadat mijn kinderen waren gebracht en ik ze vast hield, rook ik de vieze lucht van knoflook. Ik heb mijn kinderen lang vastgehouden. Daarna had ik gelijk last van de huid op mijn handen. Ik was op het moment van de explosies aan het werk in Maragany, mijn gezin was in Rash Harmeh. Aangekomen bij het ziekenhuis in Baneh hoorde ik dat ik mijn kinderen eerst moest wassen om daarna pas naar het ziekenhuis te gaan. Mijn kinderen waren toen al erg ziek. Ik had zelf toen al blaren op mijn handen. De blaren waren begonnen toen ik mijn kinderen waste in het badhuis. Na het wassen gingen mijn kinderen trillen.

Ik had twee zonen genaamd [naam] en [naam], zij waren tweeling, een dochter genaamd [naam] en mijn vrouw was op dat moment hoogzwanger. Zij hadden allemaal last van oogproblemen en een brandende huid. Nadat wij het advies hadden gekregen de kinderen te wassen gingen wij terug naar het ziekenhuis. Toen werden wij naar het ziekenhuis in Tabriz gestuurd. Daar keek een arts naar mijn kinderen en vertelde dat hij niets kon doen en dat wij direct naar Teheran moesten gaan.

Ik kreeg in Baneh blaren, maar ik heb er geen aandacht aan besteed omdat ik bezorgd was om mijn kinderen. Ik kreeg ongeveer twee uur nadat ik in contact was gekomen met de kleding van mijn kinderen blaren. Terwijl ik bezig was mijn kinderen naar de ambulance te brengen die ons naar Teheran te brengen, ik moest dat zelf doen want niemand durfde ze aan te raken, is mijn vrouw bevallen. De ambulance had haast en wilde daar niet op wachten. Ik heb daarom mijn kinderen weer uit de ambulance gehaald. Mijn vrouw was inmiddels bevallen van een dochter. Kort daarna zijn wij naar het vliegveld gebracht. Wat er daarna gebeurd is weet ik niet meer. Ik weet wel dat ik op het vliegveld nog met mijn vrouw en kinderen was. Onze pasgeboren dochter hebben wij achter moeten laten en ik heb haar nooit meer gezien. Toen wij nog op het vliegveld waren vroeg mijn zoon om water. Ik ben dit voor hem gaan halen, maar toen ik terug kwam was hij overleden.

Op dit moment gaat het slecht met mij. Ik ben kortademig, heb het benauwd, jeuk, blaren op mijn handen. Ik kan niet werken, maar ik moet wel. Ik heb nu namelijk nog zes kinderen. Ik gebruik ook medicijnen. Mijn gezondheidstoestand gaat achteruit. De benauwdheid en de jeuk worden steeds erger. U vraagt mij of er in Rash Harmeh ook militairen waren. In Rash Harmeh waren er geen militairen. In Rash Harmeh staan 22 huizen en alle inwoners waren Koerden. Ook ik ben Koerd.

12.91. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200530041115, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 56] (G56 – pagina 604 tot en met 608):

De aanval vond plaats op 28 juni 1987. De bom sloeg in de buurt van het centrum van de stad in. Er was geen militaire basis in de buurt van het centrum, er waren wel wat militairen maar niet in grote aantallen. Het was 16:15 uur in de middag. Ik hoorde het geluid van een vliegtuig en even daarna het vallen van bommen. Het geluid van de bommen die vielen, hadden een ander geluid dan de normale bommen. Het geluid leek op een soort plop.

Ik hoorde 3 à 4 ontploffingen in mijn buurt. Gewone bommen maken veel meer geluid. Ik zag dat er witte rook uit de plaats van inslag kwam. De bom die het dichtst bij mij viel, was op een afstand van ongeveer 50 meter.

Ik rook een sterke knoflookgeur, uiengeur. Ik voelde in het begin niets. Ik had last van mijn ogen, misselijkheid, zo erg dat er bloed mee kwam, ik kreeg grote blaren op mijn huid. Alles brandde op mijn huid, ook bij mij kruis was alles verbrand. Ik kon op dat moment niets zien, ik weet niet hoe mijn huid eruit zag. Ik heb ongeveer 30 dagen niets kunnen zien. Na 30 dagen kwam mijn zicht langzaam terug. Die blaren begonnen pas te genezen na drie maanden behandeling in het ziekenhuis. Ik heb 18 familieleden verloren bij deze aanval. Ik heb vanaf het begin longproblemen, gedurende de jaren wordt het slechter en slechter. Ik kan slecht tegen weersveranderingen. Ik moet dagelijks medicijnen gebruiken en heb altijd zuurstof bij mij. Ik heb ook een injectie nodig met Imukin. Ik heb over mijn hele lichaam littekens van de blaren. Ik heb nu nog steeds huidproblemen, oogproblemen en longproblemen.

12.92. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200530041115, d.d. 30 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 30 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 57] (G57 – pagina 609 tot en met 611):

De aanval vond plaats op 28 juni 1987. Ik woonde destijds in het centrum van de stad Sardasht. Er was geen militaire basis daar in de buurt. Het was rond 16:15 uur in de middag. Ik hoorde vliegtuigen. We waren wel vaker gebombardeerd. Het was een ander geluid dan eerdere bommen, een laag geluid. Er vielen kleine deeltjes van in onze voortuin, de bom sloeg zo’n 50 meter van ons vandaan in. Er kwamen kleine vlammen uit de gedeelten die bij ons vielen en toen een rare grijze mist, die was in de hele voortuin. Het was een rare geur, vies, als rottende knoflook. Ik zei mijn moeder om de stad uit te gaan en ben toen naar het CMR gerend, dat was een centrum voor slachtoffers van chemische wapens. Daar zag ik drie mensen op bed liggen waarvan een mijn broer [naam] was, hij was nog bij bewustzijn.

Ik vroeg hem wat er mis was en hij zei dat hij een kleine hoofdwond had en dat zijn hele lichaam brandde.

Mijn broer was heel rusteloos en begon plots te braken. Er kwam een bus, [broer] ging met veel anderen met die bus naar het ziekenhuis in Baneh. Ik ging met mijn andere broer en moeder de stad uit, naar een dorp genaamd Nalas. Pas later, in het ziekenhuis in Mahabad, hoorde ik dat [broer] al die eerste nacht is overleden. Toen de avond viel begonnen mijn ogen te branden en huid te jeuken, met name mijn arm waar [broer] tegen geleund had. Ik had pijn en kon tegen middernacht niet meer goed zien. Toen we in het CMR aankwamen, kon mijn moeder ook niet meer zien. Ik begon te braken. In het ziekenhuis kreeg ik grote blaren op mijn handen. Ik zag niets meer.

Na ongeveer een week kon ik mijn ogen weer openen. Ik heb nu nog huidproblemen, jeuk op verschillende plaatsen. Mijn ogen zijn ook vaak branderig en ik heb verminderd zicht, maar het grootste probleem is mijn ademhaling. Mijn moeder heeft soortgelijke klachten als ik. Mijn vrouw heeft ook klachten; longproblemen, huidproblemen en vrouwenklachten. Ik moet minimaal een keer per maand naar de dokter, maar veel mensen hier in Sardasht zijn er veel slechter aan toe dan ik.

12.93. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505061340, d.d. 6 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 6 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 78] (G78/2/G79 - pagina 690 tot en met 696):

U vraagt mij naar de slachtoffers van de chemische aanval op Sardasht die ik heb behandeld. Bijna alle slachtoffers die ik heb gezien, hadden last van blaren. In de groep patiënten uit Sardasht waren vele mensen die in verschillende gradaties slecht konden zien. De slachtoffers uit Sardasht hadden ook longproblemen, na twee dagen was het epitelium (de buitenste laag) van de luchtpijp aangetast alsof het verbrand was. Als ze moesten hoesten, kwam er met het sputum materiaal van dat epitelium mee naar boven.

12.94. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 2005, d.d. 5 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 5 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar alsmede [getuige-deskundige] (getuige-deskundige) afgelegde verklaring van [getuige 78] (G78/1/G78 – pagina 682 tot en met 689):

In Teheran heb ik ongeveer 600 slachtoffers van Sardasht behandeld die daar naartoe gebracht waren. Het was een aanval met mosterdgas, niets anders. Iedereen had de symptomen van het gebruik van mosterdgas. Het staat voor mij vast dat het mosterdgas is geweest dat gebruikt is bij de grote aanval op 28 juni 1987 te Sardasht.

12.95. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505031200, d.d. 4 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 4 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 64] (G64 – pagina 641 tot en met 643):

Ik ben slachtoffer geweest van een chemische aanval te Zardeh, Iran. De aanval vond plaats op 6:00 uur in de ochtend op 31 Tier 1367 (Perzisch), dat is 22 juli 1988. Ik zag op gegeven moment twee vliegtuigen aankomen, ik zag dat ze erg laag vlogen vanuit de richting van Irak richting Zardeh. Ik hoorde een kleine explosie. Ik zag gelijk daarna de vliegtuigen weer terugvliegen vanuit Zardeh richting Irak. De explosie die ik hoorde, was duidelijk zachter dan de explosies die ik eerder gehoord had. Nadat de vliegtuigen weer wegvlogen richting Irak stond ik op en keek naar de stad Zardeh.

Ik zag een lichtkleurige rook over heel Zardeh. Ik bevond mij toen op ongeveer 2 of 3 kilometer afstand van Zardeh op een hoge berg, ik keek dus neer op Zardeh. Ik ben toen direct naar Zardeh toegegaan. Toen ik daar aankwam, hoorde ik dat het water vergiftigd was. Vele mensen die het gebruikten om zich te wassen, raakten gelijk daarna buiten bewustzijn. Ik heb vele doden gezien. Ik heb daar 21 personen uit mijn familie dood aangetroffen waaronder mijn vader en mijn broer. De lichamen die ik aantrof, zag ik onder de blaren zitten. Ook de gewonden hadden blaren en ik zag rode ogen. Ik heb bij verschillende gewonden gezien dat ze een zwart uitgeslagen huid kregen na enkele uren. Ik voelde zelf ook dat ik gewond was.

Tijdens het begraven van de doden kreeg ik voor het eerst last. Ik had wel wat zakdoekjes voor mijn mond, maar ik moest toch overgeven. Ook had ik al snel jeuk aan mijn handen en last van mijn ogen. Ik had ook al snel last van blaren, dat waren verschillende kleine blaren op mijn handen van ongeveer een halve centimeter. Door de aanval zijn 27 personen uit mijn familie overleden. Mijn moeder heeft het wel overleefd maar heeft zware ademhalingsproblemen. Ik heb serieuze ademhalingsproblemen op dit moment. Ik moet constant medicijnen slikken anders gaat mijn huid overal jeuken. De doktoren vertelden mij dat mijn longen verbrand waren. De longen zijn hun elasticiteit kwijt en hebben dus veel minder capaciteit. Mijn zoon heeft ook ademhalingsproblemen. Na de aanval heb ik nog twee kinderen gekregen, die kinderen hebben beide last van astmatische problemen. Als het koud wordt, krijgen ze last van hun huid.

12.96. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505031100, d.d. 4 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 4 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 65] (G65, pagina 644 tot en met 650):

De oproep die we kregen om naar Zardeh te gaan, kregen we op de dag van de aanval. Het duurde ongeveer 1 uur of 1,5 uur voordat we in Zardeh arriveerden. Het was 31 Tier 1367 (Perzisch), dat was een vrijdag. Toen ik de stad naderde, rook ik een duidelijke geur van kruiden. Van anderen heb ik gehoord dat er negen bommen waren gedropt op drie verschillende locaties. Bij de dode personen zag ik een zwart uitgeslagen huid. Ik zag dat de gewonden vele blaren op hun huid hadden, ook zag ik dat ze rode ogen hadden. Tijdens het transport richting Islamabad zag ik vele slachtoffers overgeven. Volgens mij waren er in totaal meer dan 1000 gewonden, sommige van hen zijn overleden. Ik weet dat er op het moment van de aanval op Zardeh geen militairen waren in de stad. Op die dag was er een offerfeest aan de gang, er waren daar alleen burgers. Ik heb sinds die tijd wel last van mijn ademhaling, ik had ook enkele kleine blaren. Ook had ik last van rode ogen.

12.97. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505041105, d.d. 4 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 4 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 61] (G61 – pagina 627 tot en met 631):

Op het moment van het bombardement op 22 juli 1988 bevond ik mij in Zardeh. Ik was toen twaalf jaar oud. Het was zes uur in de ochtend toen het bombardement begon. Ik hoorde het geluid van vliegtuigen. Vervolgens hoorde ik het geluid van explosies. Toen ik buiten kwam, zag ik twee vliegtuigen. Ik zag dat er een multi-kleurige rook hing. Ik ging water drinken uit een bron en toen ik water dronk, voelde ik mijn ogen branden. Ik rook een vreemde lucht die ik niet thuis kon brengen. Het rook een beetje als rotte uien. Mijn keel begon te branden en ik spuugde bloed. Op het moment van de aanval werden er meer mensen gedood. Sommige mensen overleden meteen nadat ze het verontreinigde water hadden gedronken en sommige hebben net als ik last gekregen van hun ogen, hun huid en longen. Ik kreeg blaren op mijn huid en mijn ogen traanden erg.

Op dit moment heb ik weer blaren op mijn gezicht. Ik ben nu blind. Ik zie alleen verschil tussen licht en donker, ik zie geen vormen. Mijn gezichtsvermogen is geleidelijk slechter geworden. De dokters gaven mij antibiotica, penicilline en anti-irritatie medicijnen. In 1992 zaten mijn longen vol vuil. Op dat moment begon ik zelf te vermoeden dat ik het slachtoffer was van een chemische aanval. Ik ben toen zelf naar een dokter gegaan in Kermanshah die mij vertelde dat ik een slachtoffer van een chemische aanval was. De symptomen, brandende en tranende ogen hielden een jaar aan. Ik verloor langzaam mijn gezichtsvermogen. Ik heb last van allergieën en jeuk over mijn hele lichaam. Ik kan niet zonder hulp van iemand lopen.

Mijn vader heeft nu jeuk door de blaren op zijn handen, last van keel en bronchiën, mijn moeder is erg nerveus. Na de aanval werden mijn vader en zijn oudste dochter naar het ziekenhuis gebracht. Zij hadden allebei blaren. De zoon uit 1976 is ook behandeld en heeft een medisch dossier voor dezelfde symptomen. Nu hebben ze last van jeuk op de plaats waar hun blaren gezeten hebben en zijn erg nerveus. Daarnaast hebben ze grote ademhalingsproblemen en hoesten veel.

12.98. het proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505041150, d.d. 4 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 4 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 62] (G62 - pagina 632 tot en met 637):

Op het moment van de aanval in 1988 had Zardeh volgens mij 1400 inwoners. De datum was volgens mij 31 Tier 1367 dat is 22 juli 1988.

De aanval vond plaats omstreeks 6:00 uur in de ochtend. Ik bevond mij in mijn huis, ik was al wakker. Ik zag dat er twee vliegtuigen overvlogen. Er gebeurde op dat moment nog niets. Het waren in ieder geval hele snelle vliegtuigen. Ze vlogen de eerste keer over vanuit de richting van het westen, daar ligt Irak. De grens naar Irak is ongeveer 30 kilometer. Ik zag dat de twee vliegtuigen terugkwamen en een soort duikvlucht maakten en hun bommen afwierpen. Ik zag nog dat de vliegtuigen wegvlogen in de richting van het westen, naar Irak. Ik hoorde op dat moment verschillende explosies. Ik begreep later dat er 9 bommen waren gevallen. Het geluid van de explosies was niet zoals van gewone bommen, de explosie was niet zo hard. Ik zag een rookwolk met daarin verschillende kleuren, maar niet zo donker. Ik rook een geur van gekookte groenten, zoals het Iraanse gerecht Ghormeh. Ik kreeg ademhalingsproblemen, brandende en tranende ogen en kon later niets meer zien. Ik raakte bewusteloos en ben door hulpverleners naar het genoemde ziekenhuis gebracht. De bommen waren als een lijn parallel aan ons dorp gevallen, vanaf de tombe naar het eind van het dorp. Nadat ik was bijgekomen, had ik last van mijn ogen, ik kon weer zien maar alleen op korte afstand, een jeukende huid vooral op mijn borst, ik had grote en kleine blaren op mijn lichaam, vooral op mijn handen en plaatsen die ten tijde van de aanval onbedekt waren geweest en ademhalingsproblemen. Toen ik in het hospitaal werd behandeld, werd mijn gezichtsvermogen beter, maar mijn gezichtsvermogen is nooit meer hetzelfde geworden als voor de aanval. Ik heb nog steeds ademhalingsproblemen, hoofdpijn, duizeligheid, tranende en brandende ogen. Ik zie en hoor dat er nog steeds mensen uit mijn dorp sterven door de gevolgen van de beschreven chemische aanval.

Ten tijde van de aanval was ik in het gezelschap van mijn vader, moeder, 2 broers en zus. Mijn broer [naam] overleed dezelfde dag aan de gevolgen van de aanval, hij was toen 18 jaar oud. Mijn zuster [naam] overleed aan longkanker in het Taleghani Hospital in Kermanshah in 2002, zij was toen 45 jaar oud. Mijn vader [naam] overleed ook aan longkanker in 1994 hij was toen 63 jaar oud. Mijn moeder [naam] overleed in 2000 ook aan longkanker. De doktoren vertelden dat de longkanker waarschijnlijk was veroorzaakt door de chemische aanval. Mijn andere broer [naam] leeft nog maar heeft ongeveer dezelfde problemen als ik. Op het moment van de aanval was ik militair, maar ik had verlof en daarom was ik thuis. Ik was militair vanaf 13 april 1987 tot 16 november 1989.

12.99. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505041215, d.d. 4 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 4 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 63] (G63 – pagina 638 tot en met 640):

Op het moment van het bombardement van Zardeh op 22 juli 1988 was ik 20 jaar oud. Toen het bombardement plaatsvond, bevond ik mij in Zardeh. Om 6:00 uur vond het bombardement plaats. Ik hoorde het geluid van vliegtuigen. Ik zag twee vliegtuigen en daarna hoorde ik het geluid van explosies. Ik hoorde ongeveer 9 bomexplosies. Toen zag ik een multi-kleurige rook (geel, violet, wit en groen). Ze bombardeerden op drie verschillende plekken in ons dorp. Na de explosies ging de rook omhoog en daarna kwam het weer beneden en het hele dorp kwam onder de rook te staan. Het had verschillende geuren deze rook. Het rook naar groente en kauwgum en brandende banden en verrotte knoflooklucht. Omdat ik tot de Basiji (volksmilitie) behoorde, had ik een basale chemische training ondergaan. Ik herkende dan ook dat er een chemische aanval plaatsgevonden had.

Een bom ontplofte in de bron waaruit de mensen hun drinkwater putten. De meeste mensen wisten niet dat het een chemische aanval was. Iedereen dronk dan ook gewoon van het water. Mensen die gedronken hadden, gaven dan ook over. Hun kots was geel van de kleur als van kaas. Hun ogen werden rood van kleur en zij kregen blaren op hun huid die erg jeukten. Sommigen raakten blind. Sommigen gingen dood.

De slachtoffers kregen ademhalingsproblemen en gaven over, werden nerveus. Ik zag tevens dat ze blaren hadden. Ook hadden ze brandende ogen waardoor het gezichtsvermogen gereduceerd werd. Ik en mijn huidige vrouw zijn beiden gewond geraakt. Mijn vrouw heeft maar een beperkte longcapaciteit en zij hoest de hele tijd. Na de aanval moest ik overgeven, kreeg blaren op mijn lichaam. Deze blaren zijn nu littekens geworden. Ik toon u de littekens. Toen ik na een week naar het dorp terugkeerde, hoorde ik dat er 150 personen overleden waren aan de gevolgen van de chemische aanval. Nu hebben veel mensen bloedkanker en geven bloed over. Ook zijn er veel mensen van blind geworden. Ook zijn er veel kinderen van deze mensen mismaakt geboren. Mijn vader die ook in het dorp woont, heeft last van zijn ogen, mijn oudste broer is nerveus, mijn zuster heeft beperkte longcapaciteit, is ook erg nerveus. We hebben allemaal wel iets overgehouden aan het bombardement. We zijn allemaal onder doktersbehandeling.

12.100. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505011310, d.d. 1 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 1 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 70] (G70 – pagina 663 tot en met 664):

U zegt mij dat u heeft begrepen dat ik getuige ben van de gevolgen van een aanval waarbij chemische wapens zijn gebruikt. U vraagt mij wanneer de aanval plaatsvond en op welke plaats. Dat was in Oshnaviyeh. Ik denk in het jaar 1367 (Perzisch), dat is 1988. Het was zomer.

Ik werkte als Behyak, dat is een soort hulpverlener, in Oshnaviyeh sinds 1979. Het was rond 16:00 uur. Ik weet dat omdat ik op de klok keek. Er begonnen veel mensen binnen te komen met verwondingen, in groepjes van 5 à 6 ongeveer. De mensen hadden last van hun huid, ademhalingsproblemen en last van hun ogen. Hun huid en ogen waren vaak rood, velen hadden ook blaren en veel jeuk. Ze zagen er verbrand uit. Ik zag ook mensen braken, met bloed erbij. Velen konden niet goed meer zien. Daarna stuurden we ze door naar andere ziekenhuizen, met name in Urumyeh. Ik heb zelf die dag geen doden gezien, maar ik herinner me dat ik later meneer [naam] zag, die was naar Tabriz gegaan. Toen ik hem zag, had hij longproblemen, hij braakte met bloed erbij en hij had zwarte plekken op zijn huid en ook wat blaren. Hij stierf ongeveer een week na de aanval.

12.101. een proces-verbaal van verhoor van getuige op 1 oktober 2005 opgemaakt en ondertekend door [………], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en [………], griffier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – de op 1 oktober 2005 tegenover de rechter-commissaris voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 70] (G70.I – pagina 949 tot en met 970):

(2) Ik kan mij de aanval op Oshnaviyeh in 1988 nog goed herinneren. Ik woonde in het centrum van Oshnaviyeh. Om 08:00 uur ging ik naar de Rode Kruispost waar ik als verpleegkundige op de eerste hulpafdeling werkte. Toen ik aankwam, waren daar allemaal gewonden. De gewonden hadden verwondingen aan hun ogen en hun huid. (3) De gewonden kwamen allen uit Oshnaviyeh. (5) Het waren er 300 à 350. (22) Er waren ook kleine kinderen bij; ze hadden verbrande handen en ademhalingsproblemen. Ook hadden zij verwondingen aan de neus en huid. (26) Er zijn veel mensen die nog last hebben van hun verwondingen, ze komen naar onze post. Ze hebben last van hun hoofd en hun huid is aangetast.

(5) Ik heb de gehele dag gewonden behandeld. De meeste hadden longproblemen, verbrandingen op de huid, problemen met hun neus en ogen, overal jeuk en last van zenuwaanvallen. (6) Er zijn die dag geen mensen overleden op mijn post. Wel zijn er personen overleden die naar andere ziekenhuizen zijn overgebracht, zoals [naam], waarvan ik de ziekenhuisgegevens bij mij heb. (7) Ik heb met de gewonden gesproken. Ze vertelden over een knal rond 2 uur ’s nachts, dat er een geur van verbrand plastic hing en dat hun handen blaren kregen. De aanval zou binnen de stad hebben plaatsgevonden. Sommigen hadden Irakese vliegtuigen gezien die uit de richting van Irak kwamen (11) en weer naar Irak terugvlogen.

12.102. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505011310, d.d. 1 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 1 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 69] (G69 – pagina 660 tot en met 662):

U vraagt mij wanneer de aanval plaatsvond en op welke plaats. Dat was in Oshnaviyeh in de nacht van 2 op 3 augustus 1988. Ik was aan het werk op de boerderij. Ik zag geen vliegtuigen. Het was 01:00 ’s nachts. Ik hoorde een hard geluid van iets in de lucht, het geluid nam geleidelijk aan toe, het leek op het geluid van een propeller, het kan een helikopter of propellervliegtuig zijn geweest. Ik hoorde twee explosies, 1 naast de rivier en een achter mijn tuin ongeveer 100 meter bij mij vandaan. Ik probeerde de restanten van de bom weg te halen, maar rook op dat moment een walgelijke geur. Het was omstreeks 03:00 uur en ik ging de politie waarschuwen dat er een bom lag. Om 12:00 uur zei een vriend van mij dat mijn handen en benen onder de blaren zaten. Ik kreeg waterige en brandende ogen en benauwdheidsproblemen. Ik werd met de ambulance weggebracht naar Urmieh en in het hospitaal opgenomen. Ik was daar vier dagen. Ik kreeg crème op mijn blaren, siroop voor mijn benauwdheid en druppels voor mijn ogen. Ik had wel veel last van mijn ogen maar behield mijn gezichtsvermogen. Er was geen militaire basis in de buurt van Oshnaviyeh; een paar buitenposten met 4 of 5 militairen, geen grote basis of iets dergelijks.

Later ben ik gaan kijken en zag dat de bomrestanten van de binnenkant wit waren en van buiten kakikleurig. Het was een geluid van een explosie, maar niet zo luid als een normale explosie. Een jongen van 17 à 18 jaar die [naam] (familienaam) heet die gelijk met mij in het ziekenhuis opgenomen en ook gewond was geraakt bij de aanval overleed twee jaar later. Hij had kleine blaren op zijn huid en grote problemen met zijn ogen. Hij had grote benauwdheidsproblemen.

Ik sta nog steeds onder medische behandeling in verband met de aanval. Ik heb last van mijn ogen en benauwdheid. Ik bezoek nog verschillende keren per jaar de dokter voor deze klachten. Volgens mij waren er een stuk of 25 gewonden.

12.103. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505011300, d.d. 1 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de op 1 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 71] (G71 – pagina 665 tot en met 666):

De chemische aanval vond plaats om 01:00 of 02:00 uur in de nacht, volgens mij op 2 augustus 1988 of kort daarna. Ik hoorde toen buiten het geluid van vliegtuigen. Mijn huis ligt in de buitenwijken van Oshnaviyeh. Ik heb wel de bommen gehoord die gedropt werden. Het was niet zoals eerdere bombardementen, het geluid week nu erg af van eerdere bombardementen waar ik getuige van ben geweest. Ik rook direct na het neerkomen van de bom 300 meter van mijn huis een erg vieze geur, het leek erg op rotte groente, ik dacht knoflook. 10 minuten later had ik erg last van brandende ogen en brandende lippen. Ik voelde ook mijn neus en tong erg branden. Ik kreeg ook direct last van jeuk op mijn huid, daar heb ik nu nog steeds last van.

Het was een grote slachtpartij. Velen waren getroffen. Op het moment van de aanval waren de volgende mensen in mijn huis aanwezig: mijn moeder toen 61 jaar, mijn zus van toen 23 jaar en iemand die bij ons logeerde. Deze gast is anderhalf jaar na de aanval overleden. Ik heb vanaf een week na de aanval veel last van brandende ogen, overgeven, pijn in mijn longen, jeukende huid met name op mijn armen en rug. Ik had ook erg pijn in mijn borst. Ook waren mijn nieren geïnfecteerd, omdat ons water in de stad was vervuild. Ik had ook enkele plekken op mijn voeten die erg jeukten. Ik ben niet blind geworden, maar ik had wel last van brandende ogen. Mijn moeder had de week na de aanval last van ademhalingsproblemen en pijn op haar borst. Mijn zuster had alleen last van brandende ogen. Maar mijn buren hadden wel last van blaren op hun voeten en armen. De gast die bij ons logeerde, had ook erg last van ademhalingsproblemen. Ik ben behandeld in het ziekenhuis Sheikh Sarmasht Hospitaal, dat ligt vlak bij het vliegveld van Oruniyeh. We hadden hier in Oshnaviyeh wel een kleine medische faculteit, maar daar kwamen al snel 2000 slachtoffers binnen. We werden dus snel doorgestuurd naar Orumiyeh. De laatste jaren heb ik nog veel last van brandende ogen, mijn linker borst doet pijn. Ook heb ik nog jeuk op mijn rug en armen. Soms blijf ik overgeven en heb ik weinig trek om te eten.

12.104. een proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, proces-verbaalnummer 200505011420, d.d. 1 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 1 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 72] (G72 - pagina 667 tot en met 668):

Volgens mij vond het bombardement plaats ergens in de eerste dagen van augustus 1988. Het was in de nacht volgens mij rond 02:00 uur. Mijn huis stond in een buitenwijk in Oshnaviyeh. Ik rook even na het neerkomen van de bommen een sterke rottingsgeur. Het leek op de geur van urine. Ik heb mijn gezicht gewassen. Een uurtje daarna kreeg ik ineens over heel mijn gezicht blaren. Er kwam heel veel vocht uit die blaren. Iedereen die het water gebruikte, raakte besmet. Ik kreeg ook bruine plekken op mijn lichaam, ik laat u nu zien dat ik nog steeds last heb van die bruine plekken, ze zijn nog steeds op mijn huid.

12.105. het proces-verbaal van verhoor van getuige van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale recherche, proces-verbaalnummer 2005042302010, d.d. 1 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 1 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 73] (G73 - pagina 669 tot en met 671):

De eerste dagen van augustus 1988 werd het dorp Oshnaviyeh aangevallen met chemische wapens door Irakese vliegtuigen. Het was ’s nachts rond een of twee uur. Ik was een soldaat en ik stond op de wacht in Oshnaviyeh bij een kleine militaire basis. Deze basis is genaamd Seidabad. Hier werkten zestien of zeventien soldaten die het dorp bewaakten. Ik hoorde een geluid dat tussen het geluid van een helikopter en een vliegtuig inzat. Van een heuvel in het dorp hoorden we het geluid van een explosie. Deze explosie was ongeveer 3 kilometer weg. Daarna zagen we een groot licht. Na het licht zag ik een grote wolk van de plaats van de explosie komen.

De wind dreef de wolk weg van mij. Hierdoor werd onze post maar heel licht besmet. De wolk werd grotendeels naar de berg gedreven. Na vier uur werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Ik had last van mijn maag. Het brandde in mijn maag. Mijn ogen waren ook een beetje rood. Later bleek dat er ongeveer 2500 mensen uit het dorp blootgesteld waren aan chemische wapens. Ik weet dat het Irakese leger verantwoordelijk was voor de chemische aanval. Ik weet namelijk dat Irak heel dichtbij ligt. Ik heb nog steeds last van de gevolgen van de chemische aanval. Volgens de dokters heb ik een longprobleem. Daarnaast heb ik last van huidproblemen.

13. Overwegingen inzake de causaliteit tussen de TDG leveringen en de mosterdgasaanvallen.

Nu vaststaat dat verdachte heeft bijgedragen aan leveringen van TDG die is gebruikt voor de productie van mosterdgas en bovendien vaststaat dat bij de bewezenverklaarde aanvallen mosterdgas is gebruikt, rijst de vraag naar de causaliteit tussen deze leveringen en deze aanvallen.

De rechtbank stelt voorop dat van strafbare medeplichtigheid in deze zaak slechts sprake kan zijn, indien de leveringen waaraan verdachte heeft bijgedragen het uitvoeren van de bewezenverklaarde aanvallen - die hebben plaatsgevonden in de periode van 11 april 1987 tot en met 2 augustus 1988 - hebben bevorderd of gemakkelijk hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is geweest.

In dit verband zijn van belang de rapporten van getuige-deskundige [getuige-deskundige] van 10 november 2005 en 3 december 2005. In zijn rapport van 10 november 2005 concludeert [getuige-deskundige] in de eerste plaats dat minimaal 800 ton van de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG op het slagveld terecht is gekomen. Voorts heeft [getuige-deskundige] geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat deze TDG, naast TDG van andere leveranciers, vanaf september 1985 op het slagveld terechtgekomen is.

Voorts heeft [getuige-deskundige] in zijn rapport van 10 november 2005 een scenario geschetst, waarin uitgegaan wordt van de – hoogstwaarschijnlijk volslagen hypothetische – situatie dat bij de productie van mosterdgas op MSE eerst al de TDG die door andere leveranciers was geleverd zou zijn gebruikt, alvorens over te gaan tot het gebruik van de TDG die door tussen komst van verdachte is geleverd. [Getuige-deskundige] concludeert dat in die situatie het mosterdgas dat vanaf december 1987 op het slagveld terechtgekomen is moet zijn geproduceerd met behulp van de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd.

Ter terechtzitting van 28 november 2005 heeft [getuige-deskundige] de rechtbank echter te kennen gegeven dat hij bij de berekeningen die tot de zojuist genoemde conclusie hadden geleid, niet had betrokken twee pas na het uitbrengen van zijn rapport van 10 november 2005 (terug)gevonden documenten. Uit deze twee documenten leidt [getuige-deskundige] af, dat zich aan het einde van de Iran-Irakoorlog in augustus 1988 in Pakhuis nummer 1 van MSE nog (afgerond) 49 ton TDG bevond in 1953 vaten van elk 25 kilogram. Wolterbeek heeft verklaard dat de 25-kilovaten niet door tussenkomst van verdachte waren geleverd en dat deze kleine vaten veel minder praktisch waren bij de productie van mosterdgas dan de veel grotere vaten waarin de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG was vervoerd en afgeleverd. [Getuige-deskundige] heeft eveneens verklaard dat indien in het bovengenoemd scenario rekening zou worden gehouden met de vondst van de 25-kilovaten, de datum vanaf wanneer het mosterdgas dat op het slagveld terechtgekomen is geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd, zou verschuiven.

De rechtbank heeft [getuige-deskundige] naar aanleiding van laatstgenoemde verklaring opdracht gegeven de vondst van de 25-kilovaten in het scenario te verwerken, hetgeen geresulteerd heeft in het rapport van 3 december 2005.

In laatstgenoemd rapport concludeert [getuige-deskundige], dat indien eerst al het TDG van de andere leveranciers zou zijn gebruikt - met uitzondering van de genoemde 25-kilovaten - het mosterdgas dat vanaf 1 mei 1987 op het slagveld is terechtgekomen geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd.

Aangezien de rechtbank het feitenmateriaal waarop [getuige-deskundige] zijn conclusies baseert betrouwbaar acht en deze conclusies alle op het terrein van de specifieke deskundigheid van [getuige-deskundige] liggen, neemt de rechtbank bovengenoemde conclusies over en maakt deze tot de hare. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de cijfers, waaronder de cijfers van de FFCD en de cijfers van de UNSCOM, heeft de rechtbank niet alleen acht geslagen op de verklaringen van [getuige-deskundige] dienaangaande, maar ook op die van [getuige 18] en [getuige 39]. In de verklaringen van de twee laatstgenoemde getuigen valt een bevestiging te lezen van de verklaring van [getuige-deskundige], inhoudende dat Irak volledige openheid heeft betracht ten aanzien van het mosterd- en zenuwgasprogramma, teneinde de inspecteurs zo spoedig mogelijk het land uit te krijgen, zodat deze niets te weten zouden komen over het (geheime) VX-programma.

De rechtbank leidt het volgende af uit de conclusie dat in bovengenoemd scenario het mosterdgas dat vanaf 1 mei 1987 op het slagveld terecht is gekomen, geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd. Daaruit volgt namelijk, dat indien de leveringen waarbij verdachte betrokken is geweest niet zouden hebben plaatsgevonden, de TDG en daardoor het mosterdgas na 1 mei 1987 “op” zou zijn geweest (de 25-kilovaten TDG even buiten beschouwing gelaten). Daaruit volgt dat de mosterdgas-aanvallen na 1 mei 1987 ofwel (deels) zijn uitgevoerd met TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd, ofwel mogelijk zijn geweest doordat deze TDG (deels) bij aanvallen vóór 1 mei 1987 is gebruikt. In dat laatste geval zou immers na 1 mei 1987 TDG van andere leveranciers over zijn gebleven waarmee de aanvallen na deze datum (deels) konden worden uitgevoerd. De TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd heeft het tenslotte kennelijk ook mogelijk gemaakt de voor de productie onpraktische 25-kilovaten ongebruikt te laten staan. Uit het voorgaande volgt dat de leveranties waarbij verdachte betrokken is geweest, de aanvallen van na 1 mei 1987 mogelijk, althans in ieder geval gemakkelijk hebben gemaakt.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde aanvallen die vlak vóór 1 mei 1987 hebben plaatsgevonden, te weten de aanval op Khorramshahr van 11 april 1987 en de aanval op Alut omstreeks 16 april 1987, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit tabel 1B op pagina 19 van het rapport van [getuige-deskundige] d.d. 10 november 2005 blijkt dat in de periode eind mei 1985 tot en met mei 1986 een substantiële hoeveelheid van 385.440 kilo TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd in een constante stroom in Irak is aangekomen. Uit de ter terechtzitting van 28 november 2005 door [getuige-deskundige] afgelegde verklaring blijkt dat de productie van mosterdgas in MSE van maart tot december 1986 heeft stilgelegen en pas daarna weer is opgestart, alsmede dat een behoorlijk deel van de zojuist genoemde hoeveelheid TDG pas na december 1986 kan zijn verwerkt. [Getuige 18] heeft bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, inhoudende dat in de jaren tachtig nooit grote voorraden TDG en evenmin grote voorraden mosterdgas aanwezig waren op MSE. Mede in acht genomen de conclusie van [getuige-deskundige], inhoudende dat de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG waarschijnlijk reeds vanaf september 1985 op het slagveld terechtgekomen is, volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat genoemde aanvallen die medio april 1987 zijn uitgevoerd mogelijk, althans in ieder geval gemakkelijk zijn gemaakt door de leveranties TDG waarbij verdachte betrokken is geweest.

14. De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding als 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - zoals weergegeven in de hieronder vermelde bewezenverklaring.

1. subsidiair:

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op 5 juni 1987 te Zewa en

op 16 maart 1988 te Halabja en

op 3 mei 1988 te Goktapa (Gukk Tapah)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) uiting(en) is/zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) en/of het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949, als leden van de regering van de Republiek van Irak behorende tot één van de strijdende partijen in een niet-internationaal en/of internationaal gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Irak opzettelijk chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en/of een deel van de Koerdische bevolkingsgroep stelselmatig werd geterroriseerd, terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Zewa en Halabja en Goktapa (Gukk Tapah) en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en onmenselijke behandeling en verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen

tot het plegen van welke misdrijven verdachte op tijdstippen in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Bagdad en/of te Antwerpen en/of te Triëst en/of te Akaba opzettelijk middelen heeft verschaft

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de productie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas) te leveren aan de Republiek van Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

2.

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op 11 april 1987 te Khorramshahr en

op of omstreeks 16 april 1987 te Alut en

op 28 juni 1987 te Sardasht en te Rash Harmeh (in de directe omgeving van Sardasht) en

op 22 juli 1988 te Zardeh en

op of omstreeks 2 augustus 1988 te Oshnaviyeh,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) als leden van de regering van de Republiek van Irak behorende tot één van de strijdende partijen in een internationaal gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Iran opzettelijk chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen personen (burgers) die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen (burgers) zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, terwijl die chemische strijdmiddelen werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Khorramshahr en Alut en Sardasht en Rash Harmeh en Zardeh en Oshnaviyeh, en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en onmenselijke behandeling en verminking van deze personen (burgers) en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen (burgers))

tot het plegen van welke misdrijven verdachte op tijdstippen in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Bagdad en/of te Antwerpen en/of te Triëst en/of te Akaba opzettelijk middelen heeft verschaft,

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de productie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas ) te leveren aan de Republiek van Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

15. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

16. Overwegingen met betrekking tot verandering van wetgeving.

De Wet Oorlogsstrafrecht (WOS) zoals deze ten tijde van de telastgelegde periode gold, is daarna enkele malen gewijzigd en bij de inwerkingtreden van de Wet internationale misdrijven (Wim) op 1 oktober 2003 zijn de oorlogsmisdrijven uit de WOS overgeheveld naar die Wim.

Van belang voor de vaststelling of de latere bepalingen gunstiger zijn voor de verdachte dan de wet zoals deze gold ten tijde van de telastgelegde periode zijn alleen de wijzigingen bij de wetten van 27 maart 1986 (Stb. 1986, 139) en van 14 juni 1990 (Stb. 1990, 369).

Bij de wet van 27 maart 1986 werd een nieuw artikel 10a ingevoegd in de WOS waarin de bijkomende straf genoemd in artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) (ontzegging van het actief en passief kiesrecht) mogelijk wordt gemaakt bij - onder andere - een veroordeling wegens het begaan van oorlogsmisdrijven, terwijl bij de wet van 14 juni 1990 de doodstraf als mogelijke straf uit de WOS werd verwijderd.

De WOS zoals deze luidt per 1 januari 1991 na de wijziging bij de wet van 14 juni 1990 is enerzijds gezien de strafbedreigingen gunstiger voor de verdachte en anderzijds gezien de mogelijkheid van de bijkomende straf van ontzegging van het kiesrecht ongunstiger.

Van de overheveling van de strafbepalingen die betrekking hebben op de oorlogsmisdrijven uit de WOS per 1 oktober 2003 naar de Wim kan niet gezegd worden dat dit gunstigere bepalingen oplevert voor de verdachte.

Op grond van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr. zal moeten worden uitgegaan van de WOS zoals deze luidde met ingang van 1 januari 1991 met uitsluiting van artikel 10a.

17. Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Vast is komen te staan dat verdachte bewust en uit louter winstbejag een essentiële bijdrage heeft geleverd aan het chemische wapenprogramma van Irak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn bijdrage heeft een groot aantal met mosterdgas uitgevoerde aanvallen op weerloze burgers mogelijk gemaakt, althans vergemakkelijkt. Deze aanvallen vormen zeer ernstige oorlogsmisdrijven. De medeplichtige kan zijn medeplichtigheid aan dit soort oorlogsmisdrijven uiteraard niet wegredeneren door zich erop te beroepen dat het niet zijn beslissing is geweest chemische aanvallen uit te laten voeren en evenmin door zich erop te beroepen dat deze misdrijven ook zonder zijn bijdrage zouden hebben plaatsgehad, omdat dan zeker een ander deze bijdrage voor zijn rekening zou hebben genomen.

De aanvallen hebben de dood van veel mensen veroorzaakt en de talrijke overlevenden veel leed toegebracht, waaronder het gemis van overleden kinderen, echtgenoten en familieleden, alsmede zeer ernstige, in veel gevallen met het verstrijken van de tijd verergerende, gezondheidsklachten. De overlevenden hebben dit leed nu reeds vele jaren onverminderd moeten dragen en zullen dit hun hele verdere leven moeten blijven doen.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan dermate ernstig zijn, dat zelfs het opleggen van de maximum (gevangenis)straf daaraan nog onvoldoende recht doet. Van dit oordeel staat geheel los de vraag of verdachte ook na de aanval op Halabja het Iraakse regime heeft (willen) voorzien van middelen ten behoeve van de productie van gifgassen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat dit niet onomstotelijk is komen vast te staan, maar dat het feit dat verdachte vrijwel direct na het zien van beelden van de slachtoffers van de aanval op Halabja zijn handel in TDG, omgedoopt tot Fixsol, wilde voorzetten en verdachte reeds in ieder geval rond 28 juli 1988 zich weer in Bagdad bevond en aldaar een medewerker in Europa instrueerde niemand te vertellen waar hij zich bevond, getuigen op zijn zachtst gezegd niet van spijt of inkeer. Van spijt, inkeer of mededogen van de zijde van verdachte is de rechtbank overigens in het gehele onderzoek niets gebleken.

Het feit dat de medeplichtigheid tot genocide niet is bewezenverklaard, brengt niet met zich dat met een lagere straf dan de geëiste 15 jaar zou moeten worden volstaan. Er bestaat immers wat ernst betreft geen rangorde tussen oorlogsmisdrijven en genocide. Dit wordt onder meer tot uitdrukking gebracht doordat voor beide misdrijven een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd en voor medeplichtigheid maximaal 15 jaar.

Ook naar internationaal recht is er ten aanzien van de strafbedreiging geen onderscheid tussen genocide en oorlogsmisdrijven; voor beide kan in de internationale strafrechtspleging een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Weliswaar lijkt de internationale rechtspraktijk uit te gaan van genocide als ernstiger vorm van internationale aansprakelijkheid dan misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdrijven –vanwege het aan genocide ten grondslag liggende bijzondere oogmerk - (ICTR, Kambanda, vonnis eerste aanleg, paragraaf 16; ICTR, Musema, zaak nr. ICTR-97-23-S, vonnis eerste aanleg, 4 september 1998, paragraaf 981; ICTR, Rutaganda, zaak nr. ICTR-96-3-T, vonnis eerste aanleg, 6 december 1999, paragraaf 451), maar stelt ten aanzien van de straftoemeting voor internationale misdrijven eveneens dat de ernst van de strafbare gedraging alsmede vorm en niveau van deelneming centraal dienen te staan, ongeacht de juridische kwalificatie (ICTY, Krnojelac, zaak nr. IT-97-25-T, vonnis eerste aanleg, 15 maart 2002, paragraaf 522; ICTY, Celebici, zaak nr. IT-96-21-A, vonnis hoger beroep, 20 februari 2001, paragraaf 731; ICTY; Blaškic, zaak nr. IT-95-14-A, vonnis hoger beroep, 29 juli 2004, paragraaf 683).

Gezien het hierboven aangeduide, ondanks het verstrijken van de tijd niet in intensiteit afnemende leed van de slachtoffers alsmede gezien de onverjaarbaarheid van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank een matiging van de straf vanwege tijdsverloop en de leeftijd van verdachte niet op zijn plaats. Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die tot matiging van de straf zouden moeten leiden.

De maanden waarin verdachte in Italië in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, zullen niet in mindering worden gebracht op de op te leggen straf. Deze detentie had namelijk geen betrekking op de bewezenverklaarde feiten, maar op overtreding van Amerikaanse exportvoorschriften.

18. Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27, en 28.

Nu de officieren van justitie hebben gevorderd dat voorwerp genummerd 29 ofwel de goederen die als zodanig zijn vermeld op de kennisgeving van inbeslagneming (E1.2) onder 6.1 - te weten een strip met medicijnen, gekopieerde artikelen uit tijdschriften en kranten omtrent [verdachte], Saddam Hussein en de gifgasaanvallen, alsmede een rekening van hotel Van der Valk - aan verdachte zal c.q. zullen worden teruggegeven, maar met uitzondering van de tijdschriften, zal de rechtbank voorts de teruggave aan verdachte gelasten van voorwerp genummerd 29, voor zover dit betreft genoemde strip met medicijnen en genoemde hotelrekening.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36, in eigendom toebehoren. De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

19. De vorderingen van de beledigde partijen.

De hieronder vermelde personen, genaamd:

1. [beledigde partij 1];

2. [beledigde partij 2];

3. [beledigde partij 3];

4. [beledigde partij 4];

5. [beledigde partij 5];

6. [beledigde partij 6];

7. [beledigde partij 7];

8. [beledigde partij 8];

9. [beledigde partij 9];

10. [beledigde partij 10];

11. [beledigde partij 11];

12. [beledigde partij 12];

13. [beledigde partij 13];

14. [beledigde partij 14];

15. [beledigde partij 15];

hebben zich ieder als beledigde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, telkens ƒ1.500,= (thans € 680,67)

Met betrekking tot de ingediende vorderingen door de beledigde partijen zijn de artikelen 332 en volgende van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, zoals deze artikelen luidden vóór de inwerkingtreding van de Wet van 23 december 1992 (Stb.1993, 29) in het arrondissement 's-Gravenhage, nu de bewezen verklaarde feiten dateren van vóór 1 april 1995.

De rechtbank stelt vast de beledigde partij [……….] zijn vordering heeft ingetrokken, zodat over diens vordering niet meer behoeft te worden beslist.

De rechtbank behoeft geen oordeel te geven omtrent een mogelijke verjaring van de vorderingen, nu daarop door verdachte geen beroep is gedaan.

De rechtbank stelt vast dat de schade die de beledigde partijen stellen te hebben geleden, is veroorzaakt door de gevolgen van het afwerpen van bommen, gevuld met gifgas, door de regering van Irak. De ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde handelingen betreffen het leveren van grondstof tot het vervaardigen van dat gifgas. De geschonden norm van medeplichtigheid aan het medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog strekt mede tot bescherming tegen schade zoals de beledigde partijen hebben geleden.

Met betrekking tot het materiële recht zijn de navolgende artikelen van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wcod) van belang:

Artikel 3:

1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.

2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed (...) elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.

3. Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats (...) hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing.

Artikel 6:

1. Indien partijen het op de verbintenis uit onrechtmatige daad toepasselijke recht hebben gekozen, is in afwijking van de artikelen 3 (...) tussen hen dit recht van toepassing.

Door partijen is niet een keuze als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Wcod gedaan.

Op grond van het eerste lid van artikel 3 Wcod zou het materiële recht blijkens de bewezenverklaring voor de aan verdachte verweten feiten beheerst worden door het recht van Irak (Bagdad) en/of België (Antwerpen) en/of Italië (Triëst) en/of Jordanië (Akaba).

Op grond van het tweede lid van artikel 3 Wcod komen echter de rechtsstelsels van Irak (feiten 1) en Iran (feiten 2) voor toepassing in aanmerking, aangezien de schade van de beledigde partijen in die Staten is ontstaan.

Ten aanzien van de beledigde partijen [beledigde partij 14], [beledigde partij 15] en [beledigde partij 10], die allen thans in Nederland wonen, is door hun advocaat en de officier van justitie betoogd dat op grond van de uitzondering van artikel 3, derde lid, Wcod Nederlands recht voor toepassing in aanmerking zou komen, omdat verdachte thans ook zijn woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank verwerpt dit betoog, aangezien op het moment van het plegen van de onrechtmatige daden door verdachte en de regering van Irak en het ontstaan van de schade voor deze beledigde partijen zij niet in dezelfde Staat woonden. Verdachte woonde immers destijds achtereenvolgens in Zwitserland, Singapore en Italië, terwijl [beledigde partij 14] en [beledigde partij 15] toen in Irak woonden en [beledigde partij 10] in Iran woonde.

Ten aanzien van de beledigde partijen [beledigde partij 14] en [beledigde partij 15] zal derhalve Iraaks worden toegepast en ten aanzien van de overige beledigde partijen Iraans recht.

De artikelen 202 en 204 van het Iraakse Burgerlijk Wetboek (1951) luidden destijds (in een Engelse vertaling):

202:

“Any conduct injurious to the person of another whether resulting in death, injury, beating up or any other type of harm shall render the person causing harm to be liable for damages.”

204:

“Any wrong causing others (their property or their person) any other injury not mentioned in the preceding articles shall merit reparation.”

De artikelen 1 en 5 (voor zover relevant) van de Iraanse Wet van Civiele Aansprakelijkheid (1960) luidden destijds:

1:

“Ieder die zonder wettelijke bevoegdheid willens en wetens of door onachtzaamheid leven, gezondheid, vermogens, vrijheid, eer, goede handelsnaam of welke wettelijke rechten dan ook van een ander beschadigt, waardoor de rechthebbende een materiële of immateriële schade lijdt, moet de door diens handeling ontstane schade vergoeden.”

5:

“Indien door een schade aan het lichaam of aan de gezondheid van iemand een gebrek in diens lichaam optreedt of diens arbeidsvermogen wordt verminderd of tenietgedaan of de kosten van levensonderhoud van het slachtoffer worden verhoogd, is de dader aansprakelijk voor het vergoeden van alle door hem ontstane schades (..)”

Uit de bewezen verklaarde medeplichtigheid tot het verschaffen van middelen ten behoeve van het vervaardigen van het mosterdgas voor het vullen van de bommen die ook daadwerkelijk zijn gegooid en schade hebben veroorzaakt volgt voldoende dat de verdachte een onrechtmatige daad heeft gepleegd naar Iraaks burgerlijk recht en Iraans burgerlijk recht en dat dit hem kan worden toegerekend.

Door verdachte is niet weersproken dat de beledigde partijen de door hen gestelde schade hebben geleden als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. De vorderingen behoren derhalve als noch onrechtmatig noch ongegrond te worden toegewezen.

Het bedrag van iedere vordering van ƒ1.500,= (thans € 680,67) is ingevolge het tot 1 april 1995 geldende Nederlandse recht het maximum aan iedere beledigde partij in een strafprocedure toe te wijzen bedrag. Dit bedrag moge dan niet in verhouding staan tot de werkelijk door de beledigde partijen geleden schade, maar dit bedrag is geen symbolisch bedrag waardoor toewijzing daarvan niet mogelijk zou zijn, zoals door de raadslieden van verdachte is betoogd.

Nu de vorderingen van de beledigde partijen zullen worden toegewezen, behoort verdachte verwezen te worden in de kosten door hen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op € 100,= voor iedere beledigde partij als kosten voor rechtsbijstand, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

20. De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen:

- 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht.

21. De beslissing.

De rechtbank,

verklaart de gewijzigde dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 telastgelegde, voor zover betreffende “althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak”;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 1 als primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding als 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt en terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

- medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt en terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 06 december 2004;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 09 december 2004;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27 en 28;

gelast voorts de teruggave aan verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 29, voor zover dit betreft een strip met medicijnen en een rekening van hotel Van der Valk;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36;

wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de beledigde partijen en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

1. [beledigde partij 1];

2. [beledigde partij 2];

3. [beledigde partij 3],

4. [beledigde partij 4];

5. [beledigde partij 5];

6. [beledigde partij 6];

7. [beledigde partij 7];

8. [beledigde partij 8];

9. [beledigde partij 9];

10. [beledigde partij 10];

11. [beledigde partij 11];

12. [beledigde partij 12];

13. [beledigde partij 13];

14. [beledigde partij 14];

15. [beledigde partij 15];

telkens een bedrag van € 680,67, zijnde een totaalbedrag van € 10.210,05;

met veroordeling tevens in de kosten door de beledigde partijen gemaakt, tot deze uitspraak als kosten voor rechtsbijstand voor iedere beledigde partij begroot op € 100,= , zijnde totaal € 1.500,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R.A.C. van Rossum, voorzitter,

D.R. Glass en J.R.G. Jofriet, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs M. Gest en B.J. de Koning, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2005.