Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV2109

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/9596
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdsverloop / humanitaire redenen / driejarenbeleid / toezegging verweerder / getuigen.

Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door eiser genoemde redenen voor verblijf hier te lande geen reden vormen om toepassing te geven aan artikel 3.4, derde lid, Vb 2000. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hem expliciet de gevraagde verblijfsvergunning, vanwege klemmende redenen van humanitaire aard, heeft toegezegd. Verweerder heeft eiser een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’ onthouden, op de voet van artikel 3.77, eerste lid, Vb 2000 juncto artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 en het beleid, neergelegd in paragraaf B1/2.2.11 Vc 2000. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat verweerder niet het juiste beleid heeft toegepast, aangezien is gesteld noch gebleken dat ander beleid tot een ander resultaat zou leiden. Eiser heeft niet bestreden dat de onthouding van de verblijfsvergunning in overeenstemming is met het betreffende beleid. Verweerder heeft, in de omstandigheid dat het misdrijf bijna vijf jaren geleden is gepleegd en er geen sprake is van recidive, geen aanleiding hoeven te vinden om op de voet van artikel 4:84 Awb van zijn beleid af te wijken, aangezien dat aspecten betreft waarmee in het beleid rekening is gehouden. Vast staat verder dat een getuige van de vreemdelingenpolitie aan eiser heeft medegedeeld dat de betreffende verblijfsvergunning aan eiser verleend zou worden, als het paspoort van eiser authentiek zou blijken. Eveneens staat vast en is aan eiser medegedeeld dat het paspoort authentiek is gebleken. Gelet op de omstandigheid dat de getuige van de vreemdelingenpolitie eiser reeds lang kende, meerdere keren in opdracht van verweerder naar eiser toe is opgetreden en eiser bij het ophalen van het paspoort heeft laten weten dat verweerder gezegd had dat eiser in aanmerking zou komen voor de verblijfsvergunning als het paspoort authentiek zou blijken te zijn, is de rechtbank van oordeel dat de gedane toezegging door deze getuige aan verweerder moet worden toegerekend. Weliswaar was eiser ervan op de hoogte dat hij een misdrijf had gepleegd, maar nu de regels omtrent de openbare orde geen algemeen verbindende voorschriften zijn, maar beleid, waar op grond van artikel 4:84 Awb van kan worden afgeweken, hoefde dit voor eiser geen reden te zijn geen waarde te hechten aan de gedane toezegging. Dit geldt te meer nu eiser ervan mocht uitgaan dat verweerder op de hoogte was, althans kon zijn van het door hem gepleegde strafbare feit. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen dienen te worden gehonoreerd. Beroep in zoverre gegrond; voor het overige ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 05/9596 BEPTDN S2

uitspraak: 11 oktober 2005

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1956,

verblijvende te B,

burger van de Democratische Republiek Congo,

IND dossiernummer: 9307.15.0324,

eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND))

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigden: mr. N.A.P. Trommelen respectievelijk mr. van den Berg, ambtenaren ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 14 januari 1999 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf, vanwege humanitaire redenen, gedaan. Bij beschikking van 28 januari 1999 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 19 januari 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 25 september 2002 heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hiertegen heeft eiser op 22 oktober 2002 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 23 februari 2005 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 2 maart 2005 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 juni 2005. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft op 23 juni 2005 het onderzoek ter terechtzitting geschorst met het oog op het horen van een getuige. Op 29 september 2005 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Tevens zijn als getuigen verschenen en gehoord dhr. C en dhr. D van de vreemdelingenpolitie te E.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking rechtens juist is. Het doel 'klemmende redenen van humanitaire aard' betreft geen beperking als genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en de door eiser genoemde redenen voor verblijf hier te lande vormen geen reden toepassing te geven aan artikel 3.4, derde lid van het Vb 2000. Dat eiser moeilijkheden verwacht bij de grens en bang is om te worden gearresteerd, alsmede dat de economische situatie in het land van herkomst niet rooskleurig is, is in het kader van de behandeling van de asielaanvraag aan de orde geweest en heeft niet geleid tot verlening van een verblijfsvergunning. Dat eiser zou zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, een baan zou kunnen krijgen en dat de situatie in het land van herkomst instabiel en onveilig is, kan volgens verweerder evenmin tot een ander standpunt leiden. Van belang daarbij is dat eiser op 16 juni 2003 is veroordeeld tot 80 uur werkstraf wegens het frauderen met een uitkering. Aangezien dit een misdrijf

betreft waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd en eiser dit misdrijf heeft gepleegd tijdens de driejarentermijn, komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zitting houdende te Zwolle, van 28 april 2004, geen beperking hoeft aan te geven bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er geen redenen zijn voor verlening van de vergunning. Eerst in het bestreden besluit werpt verweerder het punt van de openbare orde tegen. Verweerder is voorts niet ingegaan op de situatie in het land van herkomst. Verder wijst eiser erop dat het reeds bijna vijf jaar geleden is dat hij het strafbare feit heeft gepleegd en dat er geen sprake is van recidive. Bovendien heeft verweerder, wetende van het strafbare feit, eiser expliciet toegezegd dat hem een verblijfsvergunning zou worden verleend, als zijn paspoort echt zou blijken. Aangezien onderzoek heeft uitgewezen dat het paspoort echt is handelt verweerder in strijd met het bij eiser gewekte vertrouwen.

Beoordeling van het beroep

Anders dan eiser stelt, heeft verweerder eiser niet tegengeworpen dat hij geen beperking heeft aangegeven waaronder hem een reguliere verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Verweerder heeft in de bestreden beschikking aangegeven dat het doel 'klemmende redenen van humanitaire aard' geen beperking betreft als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000. De door eiser genoemde redenen voor verblijf hier te lande vormen voor verweerder geen reden om toepassing te geven aan artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Dat eiser moeilijkheden verwacht bij de grens en bang is om te worden gearresteerd alsmede dat de economische situatie in het land van herkomst niet rooskleurig is, is, aldus verweerder, in het kader van de behandeling van de asielaanvraag aan de orde geweest, en heeft niet heeft geleid tot verlening van een verblijfsvergunning. Dat eiser zou zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en een baan zou kunnen krijgen is onvoldoende reden.

Dat geldt ook voor eisers stelling dat de situatie in het land van herkomst instabiel en onveilig is. Eisers situatie wijkt hierin niet af van die van andere landgenoten aan wie evenmin verblijf wordt toegestaan. Verder heeft verweerder van belang geacht dat eiser op 16 juni 2003 is veroordeeld tot 80 uur werkstraf wegens het frauderen met een uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder aldus niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij tot afwijzing van eisers, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende, aanvraag is overgegaan en dat hij niet op de door eiser naar voren gebrachte redenen is ingegaan. Eisers bezwaar betreffende de motivering van dit onderdeel van de bestreden beschikking treft derhalve geen doel.

Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hem expliciet de gevraagde verblijfsvergunning, vanwege klemmende redenen van humanitaire aard, heeft toegezegd. Dit bezwaar leidt derhalve evenmin tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Verweerder heeft eiser een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’ onthouden, op de voet van artikel 3.77, eerste lid, van het Vb 2000 juncto artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid, neergelegd in paragraaf B1/2.2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Weliswaar heeft eiser gesteld dat verweerder niet het juiste beleid heeft toegepast, doch nu gesteld noch gebleken is dat ander, volgens eiser toe te passen beleid, voor wat betreft het in geschil zijnde criterium tot een ander resultaat zou leiden, zal de rechtbank aan deze stelling van eiser voorbij gaan. Dat de litigieuze onthouding van de verblijfsvergunning in overeenstemming is met het door verweerder gevoerde beleid heeft eiser niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, in de omstandigheid dat het misdrijf bijna vijf jaren geleden is gepleegd en er geen sprake is van recidive, geen aanleiding hoeven te vinden om op de voet van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid af te wijken, aangezien dat aspecten betreft waarmee in het beleid rekening is gehouden. Dit bezwaar treft dan ook geen doel.

Voor wat betreft de stelling van eiser dat verweerder hem expliciet een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’ heeft toegezegd overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van de stukken en de ter terechtzitting van 29 september 2005 afgelegde getuigenverklaringen staat vast dat dhr. C van de vreemdelingenpolitie te D aan eiser heeft medegedeeld dat de betreffende verblijfsvergunning aan eiser verleend zou worden, als het paspoort van eiser authentiek zou blijken. Vast staat tevens dat het paspoort authentiek is gebleken. Dit is eiser ook meegedeeld. Gelet op de omstandigheid dat dhr. C eiser reeds lang kende en meerdere keren in opdracht van verweerder naar eiser toe is opgetreden, zo ook toen hij het paspoort bij eiser kwam ophalen, is de rechtbank van oordeel dat de gedane toezegging door dhr. C aan verweerder moet worden toegerekend. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat dhr. C aan eiser, dan wel zijn begeleiders, bij het ophalen van het paspoort, heeft laten weten dat verweerders IND gezegd had dat eiser in aanmerking zou komen voor de verblijfsvergunning, als het paspoort authentiek zou blijken te zijn.

Weliswaar was eiser ervan op de hoogte dat hij een misdrijf had gepleegd, hetgeen kan leiden tot niet verlening van de betreffende verblijfsvergunning, maar nu de regels omtrent de openbare orde geen algemeen verbindende voorschriften zijn, maar beleid, waar op grond van artikel 4:84 van de Awb van kan worden afgeweken, hoefde dit voor eiser geen reden te zijn geen waarde te hechten aan de gedane toezegging. Vorenstaande geldt te meer nu eiser ervan mocht uitgaan dat verweerder op de hoogte was, althans kon zijn van het door hem gepleegde strafbare feit.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen dienen te worden gehonoreerd, door aan eiser geen verblijfsvergunning met als doel ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’ te verlenen. Gelet hierop is het beroep in zoverre gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 966,-, als kosten voor verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voorzover dit is gericht tegen de weigering van verweerder eiser een verblijfsvergunning met als doel ‘Tijdsverloop in de asielprocedure’ te verlenen;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 138,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te voldoen.

Tegen het gedeelte van deze uitspraak waarbij het beroep gegrond is verklaard, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M. van Schuijlenburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2005 in tegenwoordigheid van mr. A. Wisman als griffier.

Afschrift verzonden: