Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV2095

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2005
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
AWB 02/24924, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid / Azerbeidzjan / gemengd gehuwden / ambtsbericht / onderliggende stukken / driejarenbeleid.

Relaas, gelet op bijzondere omstandigheden, ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat in Azerbeidzjan geen Armeense mannen onder de zestig jaar meer voor zouden komen. In het ambtsbericht staat vermeld dat er in Azerbeidzjan geheel geen mannen van Armeense afkomst, dan wel geen mannen beneden de zestig jaar van Armeense afkomst meer voorkomen. Uit andere openbaar toegankelijke en in het ambtsbericht genoemde bronnen blijkt evenwel niet van een zo grote stelligheid als in het ambtsbericht met betrekking tot de vraag of er in Azerbeidzjan in het geheel geen mannen van Armeense afkomst jonger dan zestig jaar meer voorkomen. Zo wordt slechts gesproken over het “merendeel van” en “de meeste” of “bijna alle” Armeniërs die zijn vertrokken ten tijde van de etnische zuiveringen. In het rapport van de UNHCR van september 2003, dat nog niet bij het ambtsbericht van 2003 is betrokken, wordt er kennelijk vanuit gegaan dat er nog steeds, hoewel niet in grote getale, sprake kan zijn van aanwezigheid van Armeense mannen in Azerbeidzjan van jonger dan zestig. De rechtbank verwijst in dit verband naar hoofdstuk V.2 van dit rapport, waarin niet valt te lezen dat de geschetste problemen slechts vrouwen van Armeense afkomst betreffen, terwijl in paragraaf 122 nadrukkelijk wordt gesproken over problemen die kunnen ontstaan indien bij een gemengd huwelijk in het geval de Azeri partner wegvalt. Desgevraagd is vanwege het ministerie van Buitenlandse Zaken als verklaring voor de discongruentie tussen de hierboven genoemde bronnen en met name het rapport van de UNHCR, en de stellige standpuntbepaling in de algemene ambtsberichten gegeven, dat de andere bronnen onder mannen van Armeense afkomst ook rekenen diegenen die van gemengde Armeense afkomst zijn. Het is de rechtbank evenwel niet duidelijk geworden waarop deze stelling is gebaseerd. Uit het UNHCR rapport blijkt dit, gelet op de tekst van het rapport, niet. De rechtbank is van oordeel dat bovenvermeld rapport van de UNHCR een concrete aanwijzing biedt dat het ambtsbericht op het in geschil zijnde punt enige nuancering behoeft. Weliswaar lijkt het aannemelijk dat er slechts zelden sprake is van Armeense mannen die na 1994 nog in Azerbeidzjan verbleven, doch verweerder kan in redelijkheid, indien de vreemdeling bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan hij langer in Azerbeidzjan verbleef, niet zonder nadere onderbouwing en zonder op deze bijzondere omstandigheden in te gaan het relaas als ongeloofwaardig afdoen. Eiser heeft gesteld dat hij ondanks zijn Armeense afkomst in Azerbeidzjan kon verblijven dankzij de bescherming van de oom van zijn Azerische echtgenote. Deze oom genoot aanzien en respect in het dorp waar eisers woonden en had gezag vanwege zijn positie in het leger. Eisers woonden bij deze oom. Na het overlijden van deze oom in september 1998 werd de situatie van eisers onhoudbaar en zijn zij Azerbeidzjan ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd als bovenbedoeld. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 02/24924 BEPTDN A S2, AWB 02/24946 BEPTDN A S2, AWB 03/43946 BEPTDN A S2 en AWB 03/43949 BEPTDN A S2

uitspraak: 10 oktober 2005

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1972, eiser

B,

geboren op [...] 1974, eiseres

verblijvende te C,

mede namens hun minderjarige kinderen,

van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

IND dossiernummer: 9810.26.8062,

eisers,

gemachtigde: mr. M. Grimm, advocaat te Hoogezand,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. De Kok, werkzaam bij de IND.

PROCESVERLOOP

Op 27 oktober 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikkingen van 13 september 2000 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eisers hebben daartegen bij brieven van 27 oktober 2000 bezwaar gemaakt. Bij brief van 29 januari 2002 hebben eisers verzocht in aanmerking te komen voor een vergunning op grond van het driejarenbeleid. Bij beschikkingen van 7 maart 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder besloten eisers niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”

Bij beroepschriften van 3 april 2002 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers; AWB 02/24924 BEPTDN A S2 en AWB 02/24946 BEPTDN A S2. Eisers hebben bij brieven van 3 april 2002 bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder hen niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Bij beschikkingen van 6 augustus 2003 heeft verweerder de bezwaren van 3 april 2002 ongegrond verklaard. Bij beroepschriften van 12 augustus 2003 hebben eisers beroep ingesteld tegen de beschikking van 6 augustus 2003. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers; AWB 03/43946 BEPTDN A S2 en AWB 03/43949 BEPTDN A S2.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 maart 2004. Eisers zijn daarbij verschenen bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft besloten het onderzoek op grond van artikel 8:68 Awb te heropenen en heeft eerst aan verweerder en vervolgens aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opgevraagd, onder andere met betrekking tot onderliggende stukken van het algemeen ambtsbericht inzake Azerbeidzjan van juni 2003. Ten aanzien van (een deel van) deze stukken is bij uitspraak van 2 november 2004 artikel 8:29 Awb toegepast en bepaald dat beperking van de kennisneming van de lijst met geraadpleegde bronnen gerechtvaardigd is. Aan partijen is verzocht om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid. Partijen hebben deze toestemming gegeven.

Aan partijen is voorts verzocht ingevolge artikel 8:57 Awb in te stemmen met afdoening van de zaak zonder nadere zitting. De rechtbank heeft, nadat partijen deze toestemming hebben gegeven het onderzoek gesloten.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eisers hebben ter ondersteuning van hun aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser behoort tot de etnisch Armeense bevolkingsgroep en eiseres tot de etnisch Azerbeidzjaanse bevolkingsgroep en eisers zijn afkomstig uit D in Azerbeidzjan. In december 1988 werden Azeri’s door de Armeniërs uit hun gebied verdreven. In die tijd zijn de ouders van eiseres gevlucht en is de broer van eiser gedood. Eisers werden tot 1990 lastig gevallen door de Armeniërs omdat eiseres moslim was. Eind 1991 werd eiser met een mes in zijn bovenbeen gestoken. Daarop zijn eisers naar het huis van de ouders van eiseres gegaan en zijn zij daar in de kelder gaan wonen. Daar werd het kind van eisers ziek. Eisers hebben toen hun kind ondergebracht bij de ouders van eiser. Op 5 mei 1992 werd er een tegenaanval uitgevoerd door de Azeri. Daarbij werd het huis van de ouders van eiser getroffen, waarbij de ouders van eiser en hun kind zijn omgekomen. Eisers verbleven in de kelder tot de oom van eiseres hen kwam opzoeken.

Hij vertelde eiseres dat haar ouders waren omgekomen tijdens hun vlucht. Eisers zijn vervolgens meegegaan naar het huis van de oom van eiseres en zij hebben daar van 1992 tot aan 1998 verbleven. De oom van eiseres had een aanzienlijke positie in het leger. Eisers genoten bescherming van deze oom. In die tijd kregen eisers twee kinderen. In het dorp kwamen ze er achter dat er een Armeniër in het dorp woonde en eisers kregen problemen. E, een vriend van de oom van eiseres, beschermde eisers als de oom in verband met gevechtshandelingen afwezig was. De oom van eiser zei tegen de dorpsbewoners dat eisers de enige familie waren, die nog in leven waren en dat hij wilde dat zij bij hem bleven. Op 28 september 1998 vernamen eisers van E dat zij hun spullen moesten pakken, omdat de oom van eiseres was omgekomen en hij eisers daarom geen bescherming meer kon bieden tegen de bewoners van het dorp. Daarop zijn eisers op 30 september 1998 vertrokken uit Azerbeidzjan.

Verweerder heeft de aanvragen primair afgewezen, omdat de asielrelazen niet geloofwaardig worden bevonden. Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiseres als Azeri vrouw gehuwd met een etnisch Armeense man tot hun vertrek op 30 september 1998 in Azerbeidzjan hebben gewoond nu uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 december 1999 en 14 augustus 2001 (kenmerk; DPC/AM-667435 en DPC/AM-708848) blijkt dat gemengde huwelijken waarbij de man van etnisch Armeense afkomst is, niet meer in Azerbeidzjan voorkomen. Alle gemengd gehuwden waarvan de man etnisch Armeens is en de vrouw etnisch Azeri hebben tussen 1998 en 1990 Azerbeidzjan verlaten en een enkeling heeft het land nog verlaten tussen 1990 en 1992. Subsidiair heeft verweerder overwogen dat eisers een vestigingsalternatief hebben in Armenië.

Verweerder heeft voor wat betreft het beroep op het driejarenbeleid overwogen dat eisers ingevolge hoofdstuk C2/9.3 onder b en e Vc 2000 niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop gedurende de asielprocedure”. Daartoe is gesteld dat er ernstige twijfels bestaan over de identiteit van eiser nu uit het algemeen ambtsbericht van 10 juni 2003 (kenmerk; DPV/AM-808662) blijkt dat gemengd huwelijken, waarbij de man van etnisch Armeense afkomst is, niet meer in Azerbeidzjan voorkomen, hetgeen bevestigd wordt in het algemeen ambtsbericht van 10 juni 2003, waarin vermeld staat dat etnisch Armeense mannen jonger dan 60 jaar niet meer voorkomen in Azerbeidzjan. Eiser heeft niets aangevoerd dat de gerezen twijfel wegneemt. Het aanhalen van het bericht van de International Federation for Human Rights van juli 2000 leidt niet tot een andere conclusie.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het bericht van de International Federation of Human Rights van juli 2000 door verweerder niet wordt weersproken en dat er derhalve vraagtekens gezet moeten worden bij de stelling van verweerder dat de gegeven informatie niet juist zou zijn. Voorts wijzen eisers erop dat in het ambtsbericht van juni 2003 wordt gesteld dat de etnisch Armeense bevolking in Azerbeidzjan voor het grootste deel uit etnisch Armeense vrouwen in een gemengd huwelijk met een etnisch Azeri man bestaat, echter dit betekent niet “alleen maar” en “uitsluitend” en is bovendien te vaag om te kunnen concluderen dat het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn.

Eisers stellen voorts dat zij bij terugkeer naar Azerbeidzjan geen vestigingsalternatief hebben in Armenië nu zij daar geen banden mee hebben. Voorts wijzen eisers erop dat de UNHCR in een notitie van april 2003 een nader standpunt heeft bepaald met betrekking tot gemengd gehuwden uit Azerbeidzjan en een mogelijk vestigingsalternatief in Armenië. Voorts hebben eisers een brief overgelegd van verweerder aan het advocatenkantoor Kroeze Israels gedateerd 10 juli 2003 alsmede een handgeschreven verslag van het bezoek aan de heer G. Djamil in de ambassade van de republiek Azerbeidzjan in Berlijn van 16 april 2003 door de heren Basseri, Kamminga en Meetsma.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

De rechtbank heeft allereerst verweerder en vervolgens het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht informatie te verstrekken omtrent de bronnen waarop de stelling in het ambtsbericht dat er geen Armeense mannen van onder de 60 na 1992 in Azerbeidzjan meer verblijven is gebaseerd. De rechtbank heeft om informatie hieromtrent verzocht omdat in het ambtsbericht geen nadere onderbouwing van deze stelling is gegeven noch wordt verwezen naar een concrete bron, terwijl in de in de ambtsberichten genoemde algemene bronnen slechts wordt gesproken over het “merendeel van” en “de meeste” of “bijna alle” Armeniërs die zijn vertrokken ten tijde van de etnische zuiveringen.

De rechtbank heeft daarbij voorts verzocht bij de informatie te betrekken het rapport van de UNHCR van september 2003 ('International protection considerations regarding Azerbaijani asylum-seekers and refugees'), dat nog niet bij het laatste ambtsbericht was betrokken, met name het gestelde in paragraaf 122.

Beoordeling van het beroep

Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vw (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. De Vw 2000 voorziet niet in een expliciete regeling van overgangsrecht met betrekking tot het toepasselijke materieelrechtelijke rechtsregime voor de te nemen beslissing op bezwaar. Aangezien verweerder in de bezwaarfase, op de voet van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot een volledige heroverweging van het besluit in primo is overgegaan en daarbij, overeenkomstig vaste bestuursrechtelijke uitgangspunten, ook het nieuwe materiele recht heeft moeten toepassen, tenzij dit ten nadele zou zijn van degene die bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit in primo, zal de hierboven genoemde toets materieelrechtelijk plaatsvinden aan de hand van de Vw 2000. Eerst na deze toetsing zal de rechtbank bezien of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor eisers als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre verweerder toepassing had dienen te geven aan dat rechtsregime.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

Verweerder heeft eisers asielrelaas ongeloofwaardig geacht op grond van het feit dat eiser heeft gesteld dat hij in 1998 Azerbeidzjan is ontvlucht, terwijl uit de algemene ambtsberichten van december 1999, augustus 2001 en juni 2003 blijkt dat geen mannen beneden de leeftijd van 60 jaar van Armeens etnische afkomst meer in Azerbeidzjan voorkomen en dat zij allen in de periode voor 1992 Azerbeidzjan zijn ontvlucht.

Namens eiser is gesteld dat het ambtsbericht op dit punt uitgaat van een stelligheid die niet overeenstemt met de praktijk, in elk geval verkeerde hij in zodanig uitzonderlijke omstandigheden, dat hij, zolang hij en zijn echtgenote nog konden rekenen op de bescherming van de oom van zijn echtgenote, die van Azeri afkomst was en een hoge positie als militair bekleedde, in Azerbeidzjan kon verblijven.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. De Minister mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

In het ambtsbericht staat vermeld dat er in Azerbeidzjan geheel geen mannen van Armeense afkomst, dan wel geen mannen beneden de 60 jaar van Armeense afkomst meer voorkomen. Uit andere openbaar toegankelijke en in het ambtsbericht genoemde bronnen blijkt evenwel niet van een zo grote stelligheid als in het ambtsbericht met betrekking tot de vraag of er in Azerbeidzjan in het geheel geen mannen van Armeense afkomst jonger dan 60 jaar meer voorkomen. Zo wordt slechts gesproken over het “merendeel van” en “de meeste” of “bijna alle” Armeniërs die zijn vertrokken ten tijde van de etnische zuiveringen.

In het rapport van de UNHCR van september 2003 ('International protection considerations regarding Azerbaijani asylum-seekers and refugees'), dat nog niet bij het ambtsbericht van 2003 is betrokken, wordt er kennelijk vanuit gegaan dat er nog steeds, hoewel niet in grote getale, sprake kan zijn van aanwezigheid van Armeense mannen in Azerbeidzjan van jonger dan 60. De rechtbank verwijst in dit verband naar hoofdstuk V.2 van dit rapport, waarin niet valt te lezen dat de geschetste problemen slechts vrouwen van Armeense afkomst betreffen, terwijl in paragraaf 122 nadrukkelijk wordt gesproken over problemen die kunnen ontstaan indien bij een gemengd huwelijk in het geval de Azeri partner wegvalt. “ In addition, caution should be exercised when addressing cases of mixed couples where the Azeri component of the family dies and leaves behind an ethnic Armenian woman/man with mixed children, as these people may be particularly targeted.”

Desgevraagd is vanwege het Ministerie van Buitenlandse Zaken als verklaring voor de discongruentie tussen de hierboven genoemde bronnen en met name het rapport van de UNHCR, en de stellige standpuntbepaling in de algemene ambtsberichten gegeven, dat de andere bronnen onder mannen van Armeense afkomst ook rekenen diegenen die van gemengde Armeense afkomst zijn. Het is de rechtbank evenwel niet duidelijk geworden waarop deze stelling is gebaseerd. Uit het UNHCR rapport blijkt dit, gelet op de tekst van het rapport, niet.

De rechtbank is van oordeel dat bovenvermeld rapport van de UNHCR een concrete aanwijzing biedt dat het ambtsbericht op het in geschil zijnde punt enige nuancering behoeft. Weliswaar lijkt het aannemelijk dat er slechts zelden sprake is van Armeense mannen die na 1994 nog in Azerbeidzjan verbleven, doch verweerder kan in redelijkheid, indien de vreemdeling bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan hij langer in Azerbeidzjan verbleef, niet zonder nadere onderbouwing en zonder op deze bijzondere omstandigheden in te gaan het relaas als ongeloofwaardig afdoen.

Eiser heeft gesteld dat hij ondanks zijn Armeense afkomst in Azerbeidzjan kon verblijven dankzij de bescherming van de oom van zijn Azerische echtgenote. Deze oom genoot aanzien en respect in het dorp waar eisers woonden en had gezag vanwege zijn positie in het leger. Eisers woonden bij deze oom. Na het overlijden van deze oom in september 1998 werd de situatie van eisers onhoudbaar en zijn zij Azerbeidzjan ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd als bovenbedoeld.

De overige aan het ambtsbericht ten grondslag gelegde bronnen, die op verzoek van de rechtbank door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ingezonden, maken dit oordeel niet anders. Weliswaar wordt door een aantal van de genoemde bronnen eveneens gesteld dat jonge etnisch Armeense mannen niet meer voorkomen, doch niet is hierbij de vraag aan de orde gekomen of hierop uitzonderingen mogelijk zijn onder bijzondere omstandigheden, als in het geval van eiser.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet met de door hem gebezigde motivering kunnen besluiten tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

De vraag of verweerders subsidiaire grond, dat eisers een vestigingsalternatief hebben in Armenië, in stand kan blijven hangt samen met de vraag of eisers al dan niet in aanmerking komen voor een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid onder a,b of c Vw 2000. Indien eisers in aanmerking komen voor een vergunning als bedoeld onder a, b of c is het de vraag of Armenië als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen nu eisers nimmer in Armenië hebben gewoond en eiseres niet van Armeense afkomst is. De rechtbank verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 24 juni 2002, zittingsplaats Assen, AWB 01/2752, AE6660.

Verweerder dient op dit punt derhalve opnieuw te beslissen nu de primaire grond geen stand houdt.

Ten aanzien van de beroepen onder de nummers 03/43946 en AWB 03/43949 overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e Vw 2000 is de Minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid onder x, Vreemdelingenbesluit (Vb) en artikel 3.6 onder b Vb 2000, kan ambtshalve een verblijfsvergunning worden verleend vanwege het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. Het terzake vastgestelde beleid is neergelegd in C2/9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000).

Niet in geschil is dat er sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop, aan eisers wordt echter de in C2/9.3 onder b, Vc 2000 genoemde contra-indicatie, het verstrekken van onjuiste gegevens, tegengeworpen.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de geloofwaardigheid van het asielrelaas komt ook de grond aan de beslissingen ten aanzien van het driejarenbeleid te ontvallen.

De beroepen zijn derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 116,-- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2005 in tegenwoordigheid van de griffier B. Nijenhuis

Afschrift verzonden op: