Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV1941

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
16-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/3234
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] 2.1. Eiser heeft in het jaar 1999 een lening verstrekt aan zijn dochter, mevrouw C, en zijn schoonzoon, de heer D. Niet in geschil is dat de dochter van eiser een beginnende ondernemer in de zin van artikel 5.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) was, noch dat de dochter van eiser de lening heeft gebruikt ter financiering van haar verplichte ondernemingsvermogen. Voorts staat vast dat de lening niet binnen vier weken na het overeenkomen daarvan op de voet van de Registratiewet 1970 is geregistreerd. De onderneming van de dochter van eiser is in 2001 gestaakt. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/25.10 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3234

Uitspraakdatum: 23 december 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, kantoor Q, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 april 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en inkomen van € 23.982.

Zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2005.

Namens eiser is verschenen A. Namens verweerder is verschenen B.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden, en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Eiser heeft in het jaar 1999 een lening verstrekt aan zijn dochter, mevrouw C, en zijn schoonzoon, de heer D. Niet in geschil is dat de dochter van eiser een beginnende ondernemer in de zin van artikel 5.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) was, noch dat de dochter van eiser de lening heeft gebruikt ter financiering van haar verplichte ondernemingsvermogen. Voorts staat vast dat de lening niet binnen vier weken na het overeenkomen daarvan op de voet van de Registratiewet 1970 is geregistreerd. De onderneming van de dochter van eiser is in 2001 gestaakt.

2.2. Op 26 april 2002 heeft eiser de Belastingdienst verzocht de lening te registreren op de voet van de Registratiewet 1970. Dit verzoek is afgewezen omdat het niet binnen de termijn van artikel 32, aanhef en onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is ingediend en de onderneming ten tijde van de indiening van het verzoek reeds was gestaakt. Evenmin is een beschikking als bedoeld in artikel 6.8, derde lid, van de Wet gegeven.

2.3. Eiser heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.173. Hij heeft in zijn aangifte een bedrag van € 22.809 in aftrek gebracht in verband met verliezen op beleggingen in durfkapitaal. Bij de aanslagregeling heeft verweerder dit bedrag niet in aftrek toegelaten en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 23.982.

2.4. Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2.5. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek van verliezen op beleggingen in durfkapitaal.

2.6. Op grond van artikel 6.8, eerste lid, van de Wet zijn verliezen op beleggingen in durfkapitaal verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers als bedoeld in artikel 5.17 van de Wet. Ingevolge het derde lid van artikel 6.8 van de Wet wordt het verlies in aanmerking genomen voorzover de inspecteur, op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft verklaard dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. Vaststaat dat een dergelijke beschikking niet is gegeven. Nochtans heeft verweerder bij de regeling van de aanslag voor het jaar 2001 van het door eiser in zijn aangifte voor dat jaar opgevoerde verlies op beleggingen in durfkapitaal van

ƒ 100.000 een gedeelte, groot ƒ 49.737, in aftrek op het belastbare inkomen uit werk en woning toegelaten en voor het resterende gedeelte, groot ƒ 50.263, een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 6.2a van de Wet gegeven (hierna: primaire beschikking 6.2a). Deze primaire beschikking 6.2a is op één aanslagbiljet verenigd met de aanslag voor het jaar 2001.

2.7. Tegen de primaire beschikking 6.2a en de aanslag voor het jaar 2001 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij navorderingsaanslag van 7 april 2004, op welke navorderingsaanslag het eveneens bij deze rechtbank aanhangige beroep, geregistreerd onder nummer AWB 05/3232, betrekking heeft, heeft verweerder de in de aanslag voor het jaar 2001 toegepaste aftrek van verliezen op beleggingen in durfkapitaal alsnog teruggenomen. Verweerder heeft evenwel nagelaten de primaire beschikking 6.2a te herzien.

2.8. Het in de artikelen 6.2 en 6.2a van de Wet neergelegde systeem van vaststelling en in aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek impliceert dat een eenmaal bij primaire beschikking 6.2a vastgestelde op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoongebonden aftrek bij een aanslag over een later jaar in aanmerking moet worden genomen tenzij de primaire beschikking 6.2a is herzien bij een beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, derde lid, van de Wet. Herziening van de primaire beschikking 6.2a door middel van het terugnemen van de beschikking in de aanslag voor een volgend jaar, zoals verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan, is dus niet mogelijk.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen opnieuw een besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Voorts dient aan eiser het betaalde griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2005 door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.