Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV0856

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 04/47409
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Imam / verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / godsdienstvrijheid / discriminatie.

Eiser, een imam, heeft reeds meer dan vijf jaar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar. Hij vraagt nu om een verblijfvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Eiser stelt dat de onmogelijkheid om als imam een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen in strijd is met de vrijheid van godsdienst zoals beschermd door de artikelen 18 en 27 IVBPR en artikel 9 EVRM. Verder doet eiser een beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM gelezen in samenhang met artikel 9 EVRM. Eiser stelt dat er sprake is van discriminatie, nu aan “gewone” werknemers na vijf jaar verblijf wel verblijf voor onbepaalde tijd wordt toegestaan en aan eiser niet, alleen omdat hij werkt als geestelijk voorganger. De rechtbank overweegt dat onder verwijzing naar artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000 juncto artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, Vb 2000 dat eiser niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Dat eiser als gevolg hiervan elk jaar om verlenging van zijn verblijfsvergunning moet vragen, maakt niet dat hij wordt belemmerd in het uitoefenen van zijn godsdienst zoals beschermd in de eerdergenoemde verdragsbepalingen. Ten aanzien van het beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in relatie tot artikel 9 EVRM kan de rechtbank eiser volgen in zijn standpunt dat er sprake is van ongelijke behandeling van vreemdelingen met een godsdienstige functie ten opzichte van vreemdelingen met een niet-godsdienstige functie. De rechtbank is echter van oordeel dat er een redelijk doel is voor het gemaakte onderscheid tussen de aard van het verblijfsrecht van eiser als geestelijk voorganger en de aard van het verblijfsrecht van vreemdelingen van andere beroepsgroepen en voorts dat het onderscheid tussen vreemdelingen met een godsdienstige functie, zoals eiser, ten opzichte van vreemdelingen met een niet-godsdienstige functie, niet ongerechtvaardigd is. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 21
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: Awb 04/47409

Datum uitspraak: 19 december 2005

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

[eiser] ,

geboren op [datum] 1965,

v-nummer [nummer] ,

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. C.T.G. van Schie,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Y.E.A.M. van Hal,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Eiser is sinds 4 juni 1998 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar.

Op 16 april 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 20 van de Vw 2000. Bij besluit van 13 mei 2003 heeft de korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord namens verweerder de aanvraag afgewezen.

Eiser heeft daartegen op 10 juni 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 september 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 26 oktober 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 mei 2005. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Y.E.A.M. van Hal. Vervolgens is het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij brief van 20 juni 2005 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat is besloten tot heropening van het onderzoek en dat het beroep verder zal worden behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het vervolg van de openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer van 23 november 2005. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.R.J. Maas.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Eiser is van mening dat hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet worden verleend, omdat het weigeren daarvan in strijd is met de vrijheid van godsdienst, zowel van hemzelf als van zijn geloofsgemeenschap. Hij beroept zich in dat kader op de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 9 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onmogelijkheid om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen en voor het verblijf telkens weer afhankelijk te zijn van vergunningverlening door verweerder, acht eiser in strijd met de vrijheid van godsdienst zoals beschermd door de eerdergenoemde artikelen. Immers, door de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning moeten eiser en zijn geloofsgemeenschap er steeds rekening mee houden dat eiser geen verder verblijf wordt toegestaan, zodat de continuïteit van de geloofsuitoefening in het geding is. Verder doet eiser een beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM gelezen in samenhang met de vrijheid van godsdienst van artikel 9 van het EVRM. Eiser stelt dat er sprake is van discriminatie, nu aan “gewone” werknemers na vijf jaar verblijf op een tijdelijke verblijfsvergunning, verblijf voor onbepaalde tijd wordt toegestaan en aan eiser niet, alleen omdat hij werkt als geestelijk voorganger. Voorts stelt eiser dat geestelijk voorgangers onder het oude recht voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en voor naturalisatie in aanmerking kwamen, zodat er sprake is van gewijzigde regelgeving en het overgangsrecht, althans een redelijke toepassing daarvan, althans het vertrouwensbeginsel meebrengt, dat eiser desondanks in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser is bovendien van mening dat zijn bijzondere omstandigheden in ieder geval meebrengen, dat er voor verweerder aanleiding was gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid dan wel de discretionaire bevoegdheid om hem toch een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Tot slot stelt eiser dat hij in bezwaar gehoord had moeten worden.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, omdat eiser op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een verblijfsrecht van tijdelijke aard had. Eiser heeft immers een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid/werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, hetgeen ingevolge artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) naar zijn aard een tijdelijk verblijfsrecht betreft. Bovendien heeft eiser een zogeheten bewustverklaring ondertekend, waaruit blijkt dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor de duur van de werkzaamheden als geestelijk voorganger verblijf wordt toegestaan en dat hij na de beëindiging daarvan Nederland dient te verlaten. Verweerder stelt dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet in strijd is met de vrijheid van godsdienst, nu eiser niet wordt belemmerd zijn geloof te belijden, uit te dragen of toe te passen, hetzij alleen, hetzij met anderen. Dat eiser gelet op zijn verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, nooit in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, doet daar niet aan af. De continuïteit van de geloofsuitoefening staat los van de omstandigheid of aan eiser wel of geen verblijf voor onbepaalde tijd wordt toegestaan. Zolang eiser aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning voor verblijf als geestelijke voorganger voldoet, wordt zijn aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd telkens ingewilligd. Tevens stelt verweerder dat er geen sprake is van schending van het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in relatie tot artikel 9 van het EVRM door eisers verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid als geestelijk voorganger niet om te zetten in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl dat bij een “gewone” verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst na vijf jaar wel gebeurt. Verweerder stelt dat door de bijzondere positie van geestelijk voorgangers en godsdienstleraren in de samenleving de wetgever er bewust voor gekozen heeft om aan deze groep uitsluitend een verblijfsrecht van tijdelijke aard te verlenen. Voorts stelt verweerder dat ook onder het oude recht de verblijfsvergunning voor arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar een verblijfsrecht van tijdelijke aard was, waardoor de houder daarvan niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zodat een beroep op het oude recht eiser niet kan helpen. Voorts stelt verweerder dat de aanvraag gedaan is ná 1 april 2001, zodat er geen ruimte is voor het overgangsrecht van de artikelen 117 en 118 van de Vw 2000, maar het materiële recht van de Vw 2000 van toepassing is. Tot slot stelt verweerder dat er geen aanleiding is om in casu af te wijken van de geldende regelgeving en eiser alsnog een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.

4. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 21, eerste lid aanhef en onder f, van de Vw 2000 is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, dan wel l, van de Vw 2000, kan worden afgewezen indien de vreemdeling op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft.

5. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 geeft de houder ofwel een tijdelijk verblijfsrecht, ofwel een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Of het verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk is, wordt uitsluitend bepaald door artikel 3.5 van het Vb 2000. Is de verblijfsvergunning verleend onder een beperking genoemd in het tweede lid, dan is het verblijf van de vreemdeling tijdelijk van aard. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling als uitgangspunt niet-tijdelijk van aard.

6. Op grond van artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 is een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar van tijdelijke aard. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met artikel 21 van de Vw 2000 is beoogd duidelijk tot uitdrukking te brengen dat personen die slechts voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven, niet in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hieruit volgt dat eiser niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000. De rechtbank merkt hierbij nog op dat artikel 3.33 van het Vb 2000 als voorwaarde aan de verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar verbindt, dat de vreemdeling schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat (onder meer) het verblijf slechts kan worden toegestaan voor de duur van de werkzaamheden en dat hij na de beëindiging daarvan Nederland dient te verlaten. Ook eiser heeft een dergelijke bewustverklaring getekend.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet valt in te zien hoe de weigering eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen in strijd is met de vrijheid van godsdienst in de eerdergenoemde verdragsbepalingen. Immers, niet in geschil is dat eiser als imam c.q. geestelijk voorganger zijn geloof kan belijden, uitdragen of toepassen, hetzij alleen, hetzij met anderen, zodat niet gesproken kan worden van een beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst. Zolang eiser aan de voorwaarden van de verleende verblijfsvergunning blijft voldoen, wordt zijn verblijfsvergunning steeds verlengd, hetgeen verweerder ook beaamt. Door het enkele feit dat eiser geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan krijgen, maar zijn verblijfsvergunning tijdelijk blijft waardoor hij elk jaar om verlenging van zijn verblijfsvergunning moet vragen, wordt hij niet belemmerd in het uitoefenen van zijn godsdienst zoals beschermd in de eerdergenoemde verdragsbepalingen.

8. Ten aanzien van het beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in relatie tot de vrijheid van godsdienst van artikel 9 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan eiser volgen in zijn standpunt dat er sprake is van ongelijke behandeling van vreemdelingen met een godsdienstige functie ten opzichte van vreemdelingen met een niet-godsdienstige functie. Immers, een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van een godsdienstig beroep, komt krachtens de toepasselijke regelgeving, in tegenstelling tot een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van een niet-godsdienstig beroep, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De aard van de werkzaamheden van de vreemdeling is derhalve bepalend voor het gemaakte onderscheid.

9. Eiser meent dat zijn situatie niet wezenlijk verschillend is van die van vreemdelingen in andere beroepsgroepen en dat er geen redelijk doel is voor het gemaakte onderscheid tussen de aard van het verblijfsrecht van eiser als geestelijk voorganger en de aard van het verblijfsrecht van vreemdelingen van andere beroepsgroepen. Verweerder stelt dat door de wetgever er nadrukkelijk voor gekozen is om voor de beroepsgroep van geestelijke voorgangers en godsdienstleraren geen specifieke regeling te treffen om voortgezet verblijf toe te staan. Het onderscheid dat wordt gemaakt is een principiële keuze van de wetgever en gerechtvaardigd. Een geestelijke heeft namelijk een bijzondere positie in de samenleving; hij kan worden gevolgd in zijn opvattingen. De wetgever heeft bewust deze keuze gemaakt gelet op de bijzondere positie van geestelijken in de samenleving. Er is geen specifieke regeling voor voortgezet verblijf ten aanzien van deze groep. Verweerder wil blijven toetsen of op grond van openbare orde aspecten bezwaren bestaan tegen de aanwezigheid van geestelijken in de samenleving. De aanwezigheid van een geestelijke kan ongewenst zijn. Een imam, zoals eiser, is immers een invloedrijk persoon. Verweerder wil te allen tijde kunnen toetsen aan de openbare orde.

10. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser als geestelijk voorganger duidelijk een andere positie heeft dan een vreemdeling die een “gewone” verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst heeft. Geestelijk voorgangers en godsdienstleraren bekleden immers een bijzondere positie in de gevestigde (migranten)gemeenschappen. Vanwege die bijzondere positie heeft de wetgever er doelbewust voor gekozen om voor deze groep geen specifieke regeling te treffen om voortgezet verblijf, al dan niet in de zin van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, toe te staan. In de Nota van Toelichting op artikel 3.33 van het Vb 2000 staat dat, indien de vreemdeling als geestelijk voorganger of godsdienstleraar in Nederland wil verblijven, vooraf dient te worden onderzocht of er vanuit het oogpunt van openbare orde bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. Voorts is vermeld dat de aanwezigheid en het functioneren van godsdienstleraren en geestelijk voorgangers hier te lande, in verband met de bijzondere positie die zij innemen binnen de alhier gevestigde gemeenschappen, van zodanige invloed kan zijn op de openbare orde en nationale veiligheid, dat onderzoek vooraf gewenst is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen met een godsdienstige functie, zoals eiser, ten opzichte van vreemdelingen met een niet-godsdienstige functie, niet ongerechtvaardigd is. Eisers beroep slaagt in zoverre dan ook niet.

11. Wat betreft het beroep van eiser op het overgangsrecht is de rechtbank van oordeel dat er geen ruimte is voor toepassing van de oude Vreemdelingenwet en de aanverwante regelgeving op grond van het overgangsrecht, nu de aanvraag is gedaan ná 1 april 2001 en derhalve onder de Vw 2000, zodat om die reden het nieuwe recht van de Vw 2000 en de aanverwante regelgeving van toepassing is. Bovendien blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2002 (JV 2002/32) dat de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als godsdienstleraar als zodanig, ook onder de oude Vreemdelingenwet, geen zicht gaf op een verblijf voor onbepaalde tijd. Verder is de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen eiser betoogt, van oordeel dat verweerder op geen enkele manier bij eiser het vertrouwen heeft gewekt dat hij na vijf jaar in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur. Eiser heeft bij zijn toelating ook een zogeheten bewustverklaring ondertekend, waaruit blijkt dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor de duur van de werkzaamheden als geestelijk voorganger verblijf wordt toegestaan en dat hij na de beëindiging van die werkzaamheden Nederland dient te verlaten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet zover gaat dat men ondanks het feit dat er nieuwe wetgeving is, aanspraak kan blijven maken op oude wetgeving.

12. Het beroep van eiser op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder gaat evenmin op, nu er geen sprake is van beleid, maar van wetgeving. Dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is immers neergelegd in artikel 21, eerste lid aanhef en onder f, van de Vw 2000 juncto artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat verweerder hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan verlenen door gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid, is de rechtbank van oordeel dat ook deze grief faalt, nu hij niet onderbouwd heeft aangegeven waarom er sprake is van een bijzonder geval en welke bijzondere omstandigheden er zijn. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat eiser ter zitting nog heeft gedaan door te verwijzen naar een vriend van hem die ook imam is en wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan wel de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, is niet nader onderbouwd en kan om deze reden evenmin slagen.

13. Gezien het bepaalde in artikel 7:3, sub b, van de Awb heeft verweerder op goede gronden kunnen afzien van het doen horen van eiser, nu reeds bij een eerste beoordeling van het bezwaarschrift bleek dat het bezwaar ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over deze conclusie.

14. Hetgeen door eiser meer of anders is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen, voorzitter, en mr. drs. M.E. Snijders en mr. E. Klein Egelink, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 19 december 2005 in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik als griffier.

de griffier? de voorzitter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).