Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV0501

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/4082 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verweerder heeft zich met een beroep op artikel 48, tweede lid en onder a, van de WWB op het standpunt gesteld dat hoewel in beginsel grond is de gevraagde bijstand als gift toe te kennen, er bijzondere omstandigheden zijn welke rechtvaardigen dat de bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt. Ingevolge dit artikellid wordt bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Volgens verweerder kon worden aangenomen dat eiser na de verkoop van zijn woning over voldoende vermogen zou beschikken om de leenbijstand te kunnen terugbetalen. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/4082 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te Den Haag, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 januari 2004 heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening in de kosten van huisraad tot een bedrag van € 2.272,53.

Bij besluit van eveneens 23 januari 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot toekenning van bijzondere bijstand in de kosten van een waarborgsom afgewezen.

Bij besluit van eveneens 23 januari 2004 heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de eerste huurtermijn van een aan eiser toegewezen woning afgewezen.

Bij besluit van 29 januari 2004 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser in de vorm van een woonkostentoeslag over de periode van 4 november 2003 tot en met 31 december 2003 herzien en deze tot een bedrag van € 261,60 teruggevorderd.

Bij besluit van 9 februari 2004 heeft verweerder in verband met door eiser verzwegen inkomsten uit arbeid de bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode teveel betaalde uitkering tot een bedrag van € 957,46 teruggevorderd.

Voorts heeft verweerder bij besluit van 19 februari 2004 eiser in verband met de verzwegen inkomsten uit arbeid een boete opgelegd ter hoogte van € 99,--.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 augustus 2004 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser vervolgens beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting op 11 oktober 2005. Eiser, niet verschenen, is vertegenwoordigd door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Den Haag. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Motivering

De rechtbank zal allereerst het beroep inzake de bijzondere bijstand beoordelen en vervolgens het beroep met betrekking tot de terugvordering van de woonkostentoeslag gevolgd door het beroep tegen de herziening en terugvordering van de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2003. Tot slot zal de rechtbank ingaan op het beroep met betrekking tot de boete-oplegging.

Bijzondere bijstand

Eind 2003 is aan eiser, die toen nog in een koopwoning woonde, een huurwoning toegewezen. De betreffende huurovereenkomst is gedagtekend 4 november 2003. In verband met de verkrijging van de huurwoning heeft eiser de in geding zijnde aanvragen om bijzondere bijstand in de kosten van huisraad, de waarborgsom en de eerste huurtermijn ingediend.

Ingevolge artikel 51 van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) kan voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (bijvoorbeeld huisraad) bijzondere bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

Verweerder heeft zich met een beroep op artikel 48, tweede lid en onder a, van de WWB op het standpunt gesteld dat hoewel in beginsel grond is de gevraagde bijstand als gift toe te kennen, er bijzondere omstandigheden zijn welke rechtvaardigen dat de bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt. Ingevolge dit artikellid wordt bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Volgens verweerder kon worden aangenomen dat eiser na de verkoop van zijn woning over voldoende vermogen zou beschikken om de leenbijstand te kunnen terugbetalen.

De rechtbank kan het standpunt van verweerder niet voor onjuist houden. Immers, uit de onderzoeksrapportage van 26 januari 2004 (gedingstuk nr. B 5.1) blijkt dat de woning van eiser in januari 2004 te koop stond. Voorts blijkt daaruit dat de vraagprijs € 89.000,-- bedroeg, terwijl de hoogte van de restant hypotheek-schuld slechts € 47.428,31 bedroeg.

Overigens is inmiddels gebleken dat eiser de woning in augustus 2004 heeft verkocht en daaruit een opbrengst heeft genoten, na aftrek van kosten, van € 23.514,25.

Eiser heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij met de verkoopopbrengst schulden moest aflossen. Wat er van die schulden ook zij - de rechtbank is van andere schulden dan die aan Comfort Card in verband met de aankoop van meubelen niet gebleken - het bestaan daarvan levert geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn de bijstand als gift te verstrekken. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), onder andere de uitspraak van 26 oktober 2004 (gepubliceerd in JWWB 2004, 460). Schulden (en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen) kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.

Ook tegen de afwijzing van bijstand als gift in de kosten van de eerste huurtermijn van de nieuwe woning heeft eiser ingebracht dat ten onrechte geen rekening is gehouden met schulden. Op grond van hetgeen zojuist is overwogen treft eisers betoog geen doel. Voorts geldt ook hier dat op basis van artikel 48, tweede lid en onder a, van de WWB in beginsel slechts verstrekking van leenbijstand aan de orde is.

Wat betreft de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand betreffende de waarborgsom heeft verweerder met een beroep op artikel 48, tweede lid en onder c, van de WWB terecht beslist dat slechts grond is de bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening. In artikel 48, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB wordt bepaald dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft. De ook in dit verband geponeerde stelling van eiser dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met bestaande schulden, schuift de rechtbank terzijde.

Woonkostentoeslag

Eiser heeft tegen de terugvordering van de aan hem in verband met de bewoning van een koopwoning toegekende woonkostentoeslag ingebracht dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat hij deze woning per 4 november 2003 niet langer bewoonde in verband met de verhuizing naar de huurwoning. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte aangenomen dat eiser reeds per 4 november 2003 de sleutel van de huurwoning tot zijn beschikking had.

Eisers beroep treft naar het oordeel van de rechtbank in zoverre doel. Verweerder heeft aan de op artikel 54, derde lid, van de WWB respectievelijk artikel 58, eerste lid, van de WWB gebaseerde herziening en terugvordering ten grondslag gelegd dat eiser per 4 november 2003 is verhuisd. Echter, uit de genoemde onderzoeksrapportage van 26 januari 2004 (gedingstuk nr. B 5.1) kan worden afgeleid dat eiser met zijn gezin ten tijde van het onderzoek op 22 januari 2004 nog in de koopwoning woonde.

Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit bevat op dit onderdeel een onjuiste feitelijke grondslag waardoor het op een ondeugdelijke motivering berust. Wegens strijdigheid met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat eiser pas na een week na het ondertekenen van het huurcontract over de sleutel van de huurwoning beschikte. De rechtbank zou het niet voor onjuist houden indien de datum met ingang waarvan eiser over de sleutel beschikte (derhalve 11 november 2003) als de voor de herziening en terugvordering beslissende datum wordt aangemerkt. Voor de toepassing van de WWB komt het de rechtbank niet onjuist voor om aan te nemen dat eiser vanaf die datum niet langer aanspraak kon maken op de woonkostentoeslag.

Herziening en terugvordering algemene bijstand

Medio 2003 heeft verweerder van de belastingdienst het bericht ontvangen dat begin 2003 ten name van eiser en met gebruikmaking van eisers sofinummer (153899888) door uitzendbureau Temel loonbetalingen zijn gedaan. Verweerder heeft zich vervolgens voor nadere informatie gewend tot de boekhouder van het uitzendbureau. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat zich in de administratie van het uitzendbureau een op naam van eiser gestelde loonbelastingverklaring bevond alsmede een afschrift van een legitimatiebewijs van eiser en een op naam van eiser gestelde loonstrook over de maand april 2003. Op alle drie de bescheiden wordt eisers sofi-nummer vermeld. Op de loonbelastingverklaring en de loonstrook is ook het toenmalige adres van eiser vermeld, [adres]. Tevens is een ondertekende en op naam van eiser gestelde kwitantie aangetroffen ter zake van een contante loonbetaling.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser inkomsten heeft genoten in verband met werkzaamheden via het uitzendbureau Temel. Hiervan heeft eiser volgens verweerder in strijd met de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw), nagelaten mededeling te doen aan verweerder.

Eiser erkent dat hij zich bij uitzendbureau Temel als werkzoekende heeft ingeschreven in verband waarmee hij enkele bescheiden heeft ondertekend. Echter eiser betwist dat hij in 2003 daadwerkelijk via dat uitzendbureau werkzaamheden heeft verricht. Eiser voert aan dat er misbruik is gemaakt van zijn sofi-nummer en identiteitsgegevens. Eiser heeft van het vermeende misbruik van zijn sofi-nummer aangifte gedaan bij de politie. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan te tonen dat hij niet heeft gewerkt via uitzendbureau Temel. Het is volgens eiser niet aan hem om aan te tonen dat hij geen geld heeft ontvangen, maar aan verweerder om het tegendeel aan te tonen.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de vraag of aannemelijk is dat een bijstandsgerechtigde inkomsten uit arbeid heeft genoten, beantwoordt aan de hand van een vijftal vragen. Deze vragen luiden:

1. Is het salaris op een bank-/gironummer van de bijstandsgerechtigde gestort?

2. Bevat de administratie van de werkgever een kopie van het legitimatiebewijs van de bijstandsgerechtigde?

3. Heeft de bijstandsgerechtigde gewerkt op de werkplek die de werkgever aangeeft?

4. Heeft de werkgever door de bijstandsgerechtigde ondertekende formulieren in de administratie opgenomen?

5. Heeft de belastingdienst geen correctie op het inkomen van de bijstandsgerechtigde toegepast?

In het geval dat deze vragen ontkennend worden beantwoord acht verweerder aannemelijk dat de bijstandsgerechtigde geen inkomsten uit arbeid heeft genoten. Indien één of meer vragen bevestigend worden beantwoord dan wordt verondersteld dat de bijstandsgerechtigde inkomsten uit arbeid heeft genoten.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder opgestelde (onderzoeks)vragen relevant kunnen zijn voor de beoordeling of aannemelijk is dat een bijstandsgerechtigde inkomsten uit arbeid heeft genoten. Dit laat evenwel onverlet dat de rechtbank zich daaromtrent aan de hand van de feiten en beschikbare stukken een zelfstandig oordeel dient te vormen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de informatie van de belastingdienst in samenhang bezien met de van de boekhouder van het uitzendbureau verkregen nadere informatie de veronderstelling rechtvaardigen dat eiser inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. De rechtbank heeft hierbij nog laten wegen dat niet is gebleken dat de belastingdienst, al dan niet naar aanleiding van een door eiser ingevuld belastingformulier, een correctie op het inkomen van eiser over 2003 heeft toegepast. Voorts is uit navraag door verweerder bij de boekhouder gebleken dat er niet eerder klachten zijn ingediend van een vermeend misbruik van een sofi-nummer door het uitzendbureau.

Het is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden aan eiser om aan te tonen dan wel genoegzaam aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Eiser is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

De rechtbank heeft onder de gegeven omstandigheden geen beslissende betekenis toegekend aan het feit dat eiser aangifte heeft gedaan bij de politie van een vermeend misbruik van zijn sofi-nummer. De rechtbank onderkent dat aan het doen van aangifte in het kader van de 'bewijslevering' door eiser in de onderhavige procedure, gelet op het strafbare karakter van een valse aangifte, weliswaar betekenis toekomt, echter tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat met een enkele aangifte nu eenmaal niet wordt aangetoond dat de vermeende werkzaamheden niet zijn verricht.

De rechtbank acht verder irrelevant het antwoord op de vraag of de op de kwitantie voorkomende tekst luidende 'ik heb mijn gehele netto salaris week 14 ontvangen' al of niet door eiser is opgeschreven. Immers, daaruit kan niet worden afgeleid of het al dan niet eiser is geweest die het op de kwitantie genoemde bedrag in ontvangst heeft genomen.

Namens eiser is nog een factuur van het bedrijf BAM NBM Infratechniek Midden-West BV aan uitzendbureau Temel overgelegd betreffende werkzaamheden in week 13 van 2003. Onder de namen van de personen die als grondwerker werkzaamheden hebben verricht komt ook de naam [eiser] voor (met vermelding van eisers sofi-nummer). Betoogd wordt dat eiser deze werkzaamheden niet kan hebben verricht nu eiser vanwege zijn rug-, nek- en schouderklachten niet in staat was om zwaar te tillen. De rechtbank ziet geen aanleiding dit betoog te volgen, reeds omdat niet is komen vast te staan wat de werkzaamheden inhielden en of daarbij zwaar lichamelijke arbeid verricht moest worden.

Nu op basis van het voorgaande moet worden aangenomen dat eiser in 2003 tegen betaling werkzaamheden heeft verricht waarvan hij geen mededeling heeft gedaan aan verweerder, dient te worden vastgesteld dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is aan eiser in 2003 teveel bijstand verleend, aangezien bij de vaststelling van het recht op bijstand inkomsten uit arbeid in aanmerking moeten worden genomen.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college (van burgemeester en wethouders), voor zover hier van belang, een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. In het voetspoor van de CRvB in zijn uitspraak van 21 april 2005, gepubliceerd in JWWB 2005/224, overweegt de rechtbank dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat artikel 54 van de WWB ook kan worden toegepast in een situatie waarin niet artikel 17, eerste lid, van de WWB van toepassing is maar, in verband met de gefaseerde invoering van de WWB, artikel 65, eerste lid, van de Abw.

Verweerder was derhalve bevoegd over de in geding zijnde periode de bijstand te herzien.

Omstandigheden op grond waarvan verweerder van de herziening had behoren af te zien, zijn gesteld noch gebleken.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB bevoegd was over te gaan tot terugvordering van bijstand. Ingevolge dit artikellid kan het college bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ook in dit verband geldt dat omstandigheden op grond waarvan verweerder van gebruikmaking van deze bevoegdheid had behoren af te zien, gesteld noch gebleken zijn.

Boete

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft verweerder terecht gesteld dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder was, gelet op het bepaalde in artikel 14a, eerste lid, van de Abw, derhalve gehouden eiser met inachtneming van de daarvoor bij en krachtens de Abw gestelde regels een boete op te leggen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 14a, vierde lid, van de Abw (dringende redenen) of dat de boete niet met inachtneming van de overigens daarvoor geldende regels door verweerder is vastgesteld en opgelegd.

De rechtbank stelt verder vast dat de WWB niet langer voorziet in de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals geregeld in artikel 14a van de Abw. Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2 van de Invoeringswet WWB in verbinding met artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2003,386) en artikel 2 van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, nr.203) volgt dat artikel 14a van de Abw van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari 2005.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de gemeente Den Haag op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de Maatregelenverordening WWB (hierna: de Maatregelenverordening) heeft vastgesteld. Deze verordening is op

1 januari 2005 in werking getreden.

Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de CRvB (onder andere de uitspraak van 21 december 2004, JWWB 2005/83) overweegt de rechtbank dat zowel de opgelegde boete als de in dit kader de Maatregelenverordening gehanteerde maatregel, aan te merken zijn als een "penalty" (bestraffing) in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat de rechtbank aldus, in het licht van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag, ambtshalve dient na te gaan of toepassing van de artikelen 17 en 18 van de WWB en de Maatregelenverordening leiden tot een lagere "penalty", dan de "penalty" opgelegd onder de Abw. Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR bepaalt immers dat, indien na het begaan van

het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat toepassing van de Maatregelenverordening zou leiden tot een hogere boete, te weten 10% van de gehuwdennorm, zijnde derhalve 10% van € 1.156,54.

Gelet op artikelen 9 en 13 van de Maatregelenverordening, waarvan de rechtbank ambtshalve kennis heeft, kan de rechtbank deze toetsing aan de Maatregelenverordening niet voor onjuist houden. Er bestaat dan ook geen aanleiding de boete met het oog op artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR aan te passen.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep (op het onderdeel woonkostentoeslag), acht de rechtbank termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, te weten € 322,-- voor het indienen van een beroepschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting, bij een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1) en een waarde per punt van € 322,--. Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Er dient derhalve als volgt te worden beslist.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de woonkostentoeslag;

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak terzake een nieuw besluit neemt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,--. onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te betalen;

bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 37,-- vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2005, in tegenwoordigheid van de griffier H. Pop.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,