Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AV0500

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
491121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Tussen partijen is in geschil of de gemeente jegens [eiser] gebonden is aan de in de in 2.1 onder g genoemde brief vervatte toezegging inzake de kwijtschelding van de hem opgelegde aanslag OZB over 2003, welke toezegging, naar achteraf is gebleken, afkomstig is van een functionaris die onbevoegd is om terzake van bedoelde kwijtschelding te beslissen. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Kanton - locatie Gouda

S.I.\Zaaknummer 491121 \ CV EXPL 05-1401

VONNIS van de kantonrechter te Gouda inzake:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij bij dagvaarding,

gemachtigde mr. L.C.H. Karstanje;

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Waddinxveen,

zetelende te Waddinxveen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. T. Zanen.

Partijen worden verder [eiser] en de gemeente genoemd.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft acht geslagen op de volgende stukken:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek met producties;

- conclusie van dupliek;

- rolbeschikking d.d. 15 september 2005;

- akte zijdens de gemeente.

2. Overwegingen

2.1 Tussen partijen staat, mede gelet op de door partijen overgelegde producties, als niet dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast, voor zover van belang:

a. De gemeente heeft [eiser] een aanslag d.d. 28 februari 2003 inzake de gemeentelijke heffingen 2003 opgelegd.

a. Op verzoek van [eiser] is voor deze aanslag een betalingsregeling getroffen voor een bedrag van € 100,-- per maand, ingaande 30 juni 2003 en eindigend met een restantbetaling op 31 oktober 2003. Vóór het treffen van deze regeling had [eiser] op 1 april 2003 reeds € 100,-- in mindering betaald en na het treffen van de regeling heeft hij op 30 juni 2003 een betaling van € 100,-- gedaan.

c. Op 1 september 2003 is de betalingsregeling op verzoek van [eiser] opgeschort.

d. De gemeente heeft [eiser] een aanslag d.d. 28 februari 2004 inzake de gemeentelijke heffingen 2004 opgelegd.

e. Na diverse door de afdeling Financiën, Personeel & Organisatie (FPO) van de gemeente aan [eiser] verzonden herinneringen inzake de betaling van de aanslag 2003 en/of aanslag 2004 heeft [eiser] op 26 juli 2004 geantwoord: "Na herhaaldelijke verzoeken en toezeggingen van de afdeling Sociale Zaken naar

ondergetekende, berust uw schrijven op een misverstand. Ik verzoek u contact op te nemen met Sociale Zaken die zorg dragen van afhandeling."

f. Op 6 september 2004 heeft naar aanleiding van een door [eiser] op 7 augustus 2004 ingediende klacht een bespreking plaats gevonden tussen [eiser] en de Afdeling Sociale Zaken (SZ) van de gemeente. In deze bespreking is onder andere kwijtschelding van de onroerende zaaksbelasting (OZB) over 2003 aan de orde gekomen, naast onderwerpen zoals IOAZ-uitkering september 2004 en loonheffingskorting 2004.

g. In haar brief van 7 september 2004 heeft de afdeling SZ van de gemeente de in de onder f genoemde bespreking aan de orde gekomen onderwerpen puntsgewijs behandeld. In deze brief is, voor zover van belang, vermeld:

"1. Onroerendzaakbelasting 2003

De kwijtschelding over 2003 is afgerond en door de gemeente wordt uitgezocht of het door dhr. [eiser] betaalde bedrag is teruggestort.

2. Onroerendzaakbelasting 2004

Door de gemeente wordt uitgezocht of de kwijtschelding over 2004 afgerond is.

(...)".

h. Bij brief van 16 september 2004 heeft de afdeling FPO van de gemeente aan [eiser] bericht:

"Bij navraag bij de afdeling Sociale Zaken (...) is mij gebleken dat uw verwachtingen van hen voor wat betreft de afhandeling van de openstaande vorderingen, niet overeenkomen met zoals zij de zaken zien. Wat hen betreft ligt de afhandeling hiervan gewoon bij u. Ik verzoek u dan ook om per omgaande over te gaan tot betaling van bijgevoegde vorderingen. (...)".

i. Bij brief van 20 oktober 2004 heeft de afdeling SZ van de gemeente onder andere aan [eiser] bericht:

"1. Onroerendzaakbelasting 2003

Bij navraag is gebleken dat er nooit een verzoek om kwijtschelding van onroerendzaakbelasting van u is ontvangen. Indien u wel een verzoek om kwijtschelding zou hebben ingediend, dan zou uw verzoek zijn afgewezen. De reden voor deze afwijzing betreft het feit dat u in het bezit bent van een eigen woning. Het openstaande saldo bij de gemeente Waddinxveen bedraagt per heden over 2003 € 391,86 en over 2004 € 661,30."

j. De gemeente heeft vervolgens voor de vorderingen over 2003 en 2004 dwangbevelen aan [eiser] betekend. [eiser] heeft deze dwangbevelen betwist, waarna de gemeente hem bij brief van 10 november 2004 alsnog in de gelegenheid heeft gesteld kwijtschelding aan te vragen. Bij brief van 20 januari 2005 is [eiser] voor deze aanvraag een uiterste termijn gegund tot 1 februari 2005. [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

k. Naar aanleiding van een advertentie van [eiser] in het weekblad van Waddinxveen betreffende het ten verkoop aanbieden van diverse zaken, is de gemeente overgegaan tot beslaglegging op de zaken van [eiser].

2.2 [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, de gemeente te veroordelen om aan hem te betalen € 654,86, vermeerderd met de wettelijke rente over € 454,86 vanaf 21 februari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de wettelijke rente over € 200,-- vanaf 1 november 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de gemeente ondanks de toezegging in de in 2.1 onder g genoemde brief het door hem over 2003 betaalde bedrag van € 200,-- niet heeft terugbetaald. Integendeel, de gemeente ging over tot een tweede incasso van de OZB 2003 en legde onrechtmatig beslag op zaken van hem. Ter voorkoming van executoriale verkoop heeft [eiser] een betalingsregeling getroffen. [eiser] heeft gesteld dat hij hierdoor de volgende schade heeft geleden:

a. het ten onrechte niet gerestitueerde bedrag van € 200,-- inzake de reeds betaalde OZB 2003;

b. de wettelijke rente over dit bedrag sedert november 2003;

c. de tweede betaling OZB 2003 ten bedrage van € 392,86;

d. de kosten van het proces-verbaal van beslaglegging ten bedrage van € 62,--.

Naar aanleiding van het verweer heeft [eiser] gesteld dat hij de aanslag OZB 2003 gedeeltelijk heeft betaald en dat hij een verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend. Formulieren om kwijtschelding te vragen heeft hij niet automatisch gekregen. Ook heeft hij de formulieren niet aangevraagd, omdat dit niet nodig was. Hij had regelmatig gesprekken met ambtenaren en die zegden toe voor kwijtschelding te zorgen. [eiser] heeft toegelicht dat hij heeft geweigerd om later alsnog formulieren in te vullen omdat hij zijn geloofwaardigheid niet wilde verliezen. Na 21 oktober 2003 begon de moeizame communicatie met de gemeente. Regelmatig werd er toegezegd dat er positief op zijn verzoek zou worden beslist en dat de ambtenaren zouden uitzoeken of het betaalde bedrag was teruggestort.

2.3 De gemeente heeft zich ten verwere beroepen op artikel 26 van de Invorderingswet 1990 waarin is bepaald dat een verzoek om kwijtschelding dat niet binnen 3 maanden na het opleggen of na de laatste betaling op de aanslag is ingediend op een daarvoor bestemd formulier door de ontvanger niet als een verzoek tot kwijtschelding in behandeling wordt genomen. [eiser] heeft een kwijtscheldingsformulier ontvangen van de afdeling SZ omdat hij een uitkering ontving van die afdeling. Uit de toelichting bij de aanslag had [eiser] kunnen opmaken dat hij kwijtschelding kon aanvragen via een speciaal formulier. De invorderingsambtenaar heeft echter geen ingevuld kwijtscheldingsformulier van [eiser] ontvangen. Daarmee staat rechtens vast dat er geen sprake kan zijn van een verleende kwijtschelding. Ook heeft [eiser] geen gebruik gemaakt van de in 2.1 onder j genoemde mogelijkheid om, na het verstrijken van de indieningstermijn, alsnog de vereiste formulieren in te dienen.

2.4 De gemeente heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in de brief, genoemd in 2.1 onder g, geen sprake is van een rechtens relevante toezegging. Daarvan is pas sprake bij een zodanige uiting qua vorm en inhoud dat de betrokkene, mede gelet op de overige relevante feiten en omstandigheden, er op mag vertrouwen dat die uiting inderdaad een toezegging bevat. Verder speelt een rol of de betrokkene op grond van de uiting handelingen heeft verricht, die hij zonder die uiting niet zou hebben verricht en waardoor hij is geschaad. Dit alles is volgens de gemeente niet aan de orde. De

toezegging waar [eiser] zich op beroept is bovendien afkomstig van de afdeling SZ en niet van de afdeling FPO waar het verzoek om kwijtschelding had moeten worden ingediend.

2.5 De gemeente heeft desgevraagd na rolbeschikking toegelicht dat met betrekking tot de bespreking van 6 september 2004 geen verslag is gemaakt en dat de aantekeningen daarvan zijn verwerkt in de brief van 7 september 2004 en vervolgens vernietigd.

2.6 De kantonrechter overweegt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of de gemeente jegens [eiser] gebonden is aan de in de in 2.1 onder g genoemde brief vervatte toezegging inzake de kwijtschelding van de hem opgelegde aanslag OZB over 2003, welke toezegging, naar achteraf is gebleken, afkomstig is van een functionaris die onbevoegd is om terzake van bedoelde kwijtschelding te beslissen. Uit voornoemde brief valt op te maken dat de kwijtschelding, naast diverse onder de bevoegdheid van de afdeling SZ vallende onderwerpen, aan de orde is geweest in een gesprek tussen partijen, waarbij de gemeente blijkens de door haar genomen akte van 13 oktober 2005 was vertegenwoordigd door het hoofd van de afdeling SZ en een senior medewerker van diezelfde afdeling. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] bij die gelegenheid adequaat is voorgelicht over de van toepassing zijnde regelingen en over de bevoegdheidsverdeling met betrekking tot de besproken onderwerpen, hetgeen kennelijk bij hem als buitenstaander onduidelijkheid en onoverzichtelijkheid ten aanzien van de toepasselijke regelingen in de hand heeft gewerkt evenals de onjuiste veronderstelling inzake de beslissingsbevoegdheid van de afdeling SZ, althans het hoofd van die afdeling, terzake van de kwijtschelding OZB 2003. De kantonrechter is daarom, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1992, NJ 1993, 287, van oordeel dat in de onderhavige situatie de bij [eiser] opgewekte onjuiste veronderstelling, mede gelet op de positie van de betrokken functionarissen, in redelijkheid voor rekening van de gemeente dient te komen. Als schade dient in dit geval te worden aangemerkt: het bedrag ter hoogte van de door [eiser] reeds betaalde, maar nog niet gerestitueerde OZB 2003 dat door hem onbetwist is gesteld op € 592,86 en waarvoor hij de toegezegde kwijtschelding heeft aanvaard. Nu uit het vorenstaande volgt dat de gemeente in verband met de vermeende OZB-vordering ten onrechte beslag heeft gelegd op bezittingen van [eiser], is zij voorts uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de gevorderde kosten van de beslaglegging. Uit het vorenstaande volgt dat de hoofdsom in zijn geheel toewijsbaar is. Nu de wettelijke rente niet is betwist, zal deze worden toegewezen als gevorderd.

2.7 De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3. De beslissing:

1. veroordeelt de gemeente tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 654,86, met de wettelijke rente over € 454,86 vanaf 21 februari 2005 tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de wettelijke rente over € 200,-- vanaf 1 november 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt de gemeente in de kosten van dit geding, tot hiertoe aan de zijde van [eiser] begroot op in totaal € 417,93, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW, en veroordeelt de gemeente mitsdien om te voldoen:

a. aan de griffier van dit gerecht:

1. € 109,50 voor in debet gesteld griffierecht;

2. € 71,93 voor kosten inleidende dagvaarding;

3. € 200,-- als salaris voor de gemachtigde van eisende partij;

in totaal derhalve € 381,43 met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

b. aan [eiser]:

€ 36,50 voor niet in debet gesteld griffierecht;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.H.I.J. Hage en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2005.