Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU9746

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2005
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/5588 ONBEK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres wegens een op 25 januari 2005 door de arbeidsinspectie geconstateerde overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede en derde lid, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) een boete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

afdeling 3, meervoudige kamer

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 05/5588 ONBEK

Inzake : Firma [eiseres] V.O.F., eiseres, gemachtigde

J.J.R. Schelling, werkzaam bij LTB adviseurs en accountants, te Alphen aan den Rijn;

tegen : de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie), verweerder, gemachtigde mr. Grandiek.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 21 april 2005 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 29 april 2005 bezwaar gemaakt. Op 2 juni 2005 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij schrijven van 8 augustus 2005, ontvangen op 9 augustus 2005, heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 december 2005. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Verweerder heeft eiseres wegens een op 25 januari 2005 door de arbeidsinspectie geconstateerde overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede en derde lid, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) een boete opgelegd van € 8.000,- respectievelijk € 1.500,-, derhalve in totaal ten bedrage van € 9.500,- .

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de overtredingen verwijtbaar en aan eiseres toe te rekenen zijn. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat er niet gebleken is van feiten en omstandigheden die aanleiding geven de opgelegde boete te matigen of in te trekken.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar ten onrechte een boete is opgelegd. Eiseres meent dat op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, Wav voor de betrokken vreemdeling van Poolse nationaliteit geen tewerkstellingsvergunning nodig is. Voorts stelt eiseres dat de vreemdeling in dienst van een Poolse dienstverlenende onderneming is, zodat ten aanzien van hem op grond van Europese regelgeving geen tewerkstellingsvergunning nodig is. Ten slotte is eiseres van mening dat verweerder haar een boete als aan natuurlijke persoon, en niet als aan rechtspersoon, had moeten opleggen. Eiseres stelt dat bij overtreding van de regels de gedragingen van natuurlijke personen en samenwerkingsverbanden aan elkaar gelijk zijn zodat het hanteren van verschillende boetebedragen ongelijke behandeling van gelijke gevallen (discriminatie) oplevert.

4. Artikel 1, eerste lid, onder b, sub 1, Wav bepaalt dat als werkgever wordt aangemerkt degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Artikel 18a Wav luidt:

1. Beboetbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

2. Indien een beboetbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de boete worden opgelegd aan:

1°. de rechtspersoon, of

2°. degene die opdracht heeft gegeven tot de gedraging waardoor in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet is gehandeld alsmede tegen hem die feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, of

3°. de onder 1° en 2° genoemde tezamen.

3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met een rechtspersoon gelijkgesteld:

1°. de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid,

(...)

Artikel 19d Wav luidt:

1. De hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, is, indien begaan door:

a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11 250,

b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45 000.

2. (...)

3. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Artikel 19e Wav luidt:

1. Een boete wordt opgelegd bij beschikking van de op grond van artikel 19a, eerste lid, aangewezen ambtenaar.

2. In de beschikking wordt in ieder geval vermeld:

a. de hoogte van de boete;

b. het beboetbare feit ter zake waarvan de boete opgelegd wordt;

c. de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichting rust tot naleving van deze wet, voor zover deze verplichting is aangeduid als beboetbaar feit;

d. de bij het beboetbare feit betrokken persoon of personen;

e. de termijn waarbinnen de boete moet worden betaald.

3. De beschikking wordt gegeven binnen dertien weken na dagtekening van het rapport, bedoeld in artikel 18b.

Het voorstel tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche; TK 2003-2004, 29702, nr. 2) luidt:

“Artikel 5.0.4

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voorzover zij bij of krachtens de wet is verleend.

2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

(…)

Artikel 5.4.1.7

1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

(…).”

De Memorie van Toelichting op het voorstel tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche; TK 2003-2004, 29702, nr. 3, blz. 85 en 86) vermeldt:

“Artikel 5.0.4

Het strafrecht kent het beginsel “nullum crimen sine praevia lege criminali, nulla poena sine praevia lege poenali”: geen strafbaar feit en geen straf zonder voorafgaande wettelijke strafbepaling. Hoewel het in Nederland slechts voor het strafrecht is gecodificeerd (in art. 16 Grw. en art. 1 WvSr), geldt dit beginsel ook voor bestuurlijke sancties. Voor bestraffende sancties volgt dit uit artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR (…).

Aan het legaliteitsbeginsel kunnen verschillende aspecten worden onderscheiden. In de eerste plaats dient de bevoegdheid om wegens een gedraging een bepaalde sanctie op te leggen, uitdrukkelijk bij of krachtens de wet in formele zin te zijn toegekend. (…)

In de eerste plaats kan een sanctie slechts worden opgelegd wegens een gedraging die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is verboden. Buitenwettelijke voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan gedoogbeschikkingen, kunnen dus niet rechtstreeks door middel van bestuurlijke sancties worden gehandhaafd (…), op een wettelijk voorschrift steunende vergunningvoorschriften daarentegen in beginsel wel. (…) De burger moet (…) niet alleen uit de wet kunnen afleiden wat hem verboden is, maar ook met welke sancties hij bij overtreding van het verbod wordt bedreigd.

Uit het legaliteitsbeginsel volgt voorts ook, dat een voorschrift dat door bestuurlijke sancties wordt gehandhaafd, voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn (ook wel genoemd het “lex certa-beginsel”). (…)

Een laatste aspect, namelijk dat de wet ook de maximale hoogte van de sanctie moet bepalen, is specifiek voor de bestuurlijke boete en (…) neergelegd in artikel 5.4.1.7.”

5. De rechtbank stelt vast dat in de boetebeschikking van 21 april 2005 en de in beroep bestreden beslissing op bezwaar van 5 juli 2005 is vermeld dat de boete is opgelegd aan de Firma [eiseres] V.O.F.

Zij overweegt dat ingevolge artikel 18a, eerste juncto derde lid, Wav een vennootschap onder firma een beboetbaar feit kan begaan, maar dat in artikel 19d niet de hoogte van de boete is bepaald die aan een vennootschap onder firma, zijnde een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan worden opgelegd. In artikel 19d is immers niet voorzien in een met artikel 18a, derde lid, Wav of artikel 23, achtste lid, Wetboek van Strafrecht overeenkomstige bepaling. Derhalve is niet voldaan aan het beginsel dat een justitiabele niet alleen uit de wet moet kunnen afleiden wat hem verboden is, maar ook met welke sancties hij bij overtreding van het verbod wordt bedreigd; meer specifiek dat de wet ook de maximale hoogte van de sanctie moet bepalen. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder in strijd met het legaliteitsbeginsel een boete heeft opgelegd aan eiseres. Het boetebesluit dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep. De door eiseres aangevoerde gronden behoeven geen bespreking.

In artikel I sub N van het voorstel tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche; TK 2003-2004, 29702, nr. 2 wordt voorgesteld in artikel 8:72a Awb te bepalen als volgt.

"Indien de rechtbank een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt zij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt zij dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking."

Anticiperend op deze bepaling ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 21 april 2005 te herroepen, nu verweerder de boete niet mede heeft opgelegd aan een van de vennoten van de Firma [eiseres] V.O.F.

6. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644.- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit van 21 april 2005;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644.-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

5. gelast dat de de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ad € 276,- vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. G.P. Kleijn, M. Paulides en G.J. Ebbeling, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Powell, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

afschrift verzonden op: