Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU9308

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/1891 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft artikelen 5.19 en 5.20 Wet inkomstenbelasting 2001

waardering woning op erfpachtsgrond in box 3

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/42.2.6
FutD 2006-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1891 IB/PVV

Uitspraakdatum: 9 november 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, kantoor Q, verweerder.

Betreft:

De uitspraak van verweerder van 11 februari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2005 te Den Haag. Daar is A verschenen namens verweerder, alsmede eiser, tot zijn bijstand vergezeld door B en zijn echtgenote. Op verzoek van eiser heeft C ter zitting enkele inlichtingen verstrekt.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept het primaire besluit en stelt de belastingaanslag nader vast op een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.923, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 11, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

Feiten

Eiser bezit het recht van erfpacht van een perceel grond in het recreatiepark a-straat te R en het recht van opstal van de zich daarop bevindende recreatiewoning nummer 8 (hierna tezamen: a-straat). Het erfpachtrecht eindigt 31 december 2033. De jaarlijks te betalen erfpachtcanon is geïndexeerd en beloopt in het onderhavige jaar € 1.138. a-straat is geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De WOZ-waarde van a-straat naar de waardepeildatum 1 januari 1999 (hierna: de WOZ-waarde) is door de gemeente S vastgesteld op € 69.428 (f 153.000).

In zijn aangifte heeft eiser voornoemde rechten voor de WOZ-waarde opgenomen als box 3-bezitting. De aangifte vermeldt als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 4.071. De aanslag is met dagtekening 16 november 2004 conform de aangifte opgelegd. Tegen deze aanslag heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar afgewezen.

Tot de gedingstukken behoren onder meer de volgende stukken met betrekking tot de WOZ-waarde van a-straat:

- een taxatieverslag van de gemeente S per 1 januari 1999 waarin als waarde van de opstal € 10.437 is vermeld en als waarde van de grond € 59.105, dat is (afgerond) totaal € 69.428, en

- een taxatieverslag van de gemeente S per 1 januari 2003 waarin als waarde van de opstallen € 15.738 is vermeld en als waarde van de grond € 87.922, dat is (afgerond) totaal € 103.500.

Geschil

In geschil is wat de waarde is van a-straat ter berekening van de rendementsgrondslag van box 3.

Niet in geschil is dat eiser a-straat in belangrijke mate ter beschikking heeft.

Standpunten van partijen

Eiser voert voor zijn standpunt aan dat hij de grond niet in eigendom heeft. De grond behoort derhalve niet tot zijn bezittingen en derhalve ook niet tot de rendementsgrondslag voor het bepalen van zijn belastbare inkomen uit sparen en beleggen. In 2034 zal eisers erfpachtrecht vervallen en kunnen de grondeigenaren, D te R, de grond opeisen en zijn zij slechts een deel van de dagwaarde van de opstallen verschuldigd.

Voor wat betreft de in aanmerking te nemen waarde van a-straat bepleit eiser - naar de rechtbank begrijpt - het volgende:

- op de WOZ-waarde moet de gekapitaliseerde waarde van de erfpachtcanon in mindering worden gebracht, of

- voor het opstalrecht moet € 23.143, dat is 1/3e van de WOZ-waarde, in aanmerking worden genomen en voor het erfpachtrecht nihil, of

- er moet worden uitgegaan van de WOZ-beschikking met waardepeildatum 2003 en de op het taxatieverslag per deze datum vermelde waarde van de opstal(len) ad € 15.738.

Voorts stelt eiser dat a-straat is gelegen in een park met andere recreatiewoningen en dat de bezitters van deze woningen evenals eiser de grond onder hun recreatiewoningen pachten. Bij een aantal van hen is de waarde van de grond door de belastingdienst in hun regio niet betrokken in de rendementsgrondslag van box 3. Dat dat bij hem wel gebeurt acht eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Verweerder betwist het standpunt van eiser. Ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen dient voor de rendementsgrondslag voor het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen de WOZ-waarde van de woning in aanmerking te worden genomen.

Voorts betwist verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Verweerder heeft geen standpunt ingenomen dan wel stellingen betrokken voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de WOZ-waarde toepassing mist.

Overwegingen en oordeel van de rechtbank

De bezittingen van eiser, als hiervoor omschreven onder de feiten, zijn rechten die direct of indirect op een onroerende zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 5.2, lid 2, onderdeel b, van de Wet en dienen op grond van artikel 5.19, lid 1, van de Wet ter berekening van de rendementsgrondslag in beginsel in aanmerking te worden genomen naar de waarde in het economische verkeer.

Het recht van erfpacht is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een genotsrecht dat is verleend tegen een vergoeding die wordt voldaan in regelmatig vervallende termijnen die betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste een jaar. Weliswaar is de erfpachtcanon in verhouding tot de actuele waarde van de grond laag, maar gesteld noch gebleken is dat de grondeigenaren en eiser de canon niet op een zakelijk bedrag hebben vastgesteld. Een en ander brengt met zich mee dat de waarde van het erfpachtrecht, in afwijking van voornoemd artikellid, op grond van artikel 5.19, lid 4, dient te worden gewaardeerd op nihil.

Voorts is de vraag op welke waarde het opstalrecht moet worden gewaardeerd. De rechtbank is van oordeel dat waardering van dit recht dient plaats te vinden naar de waarde in het economische verkeer per zowel 1 januari 2003 als 31 december 2003. De inspecteur heeft hieromtrent niets gesteld; wel heeft hij het onder de feiten vermelde taxatieverslag per 1 januari 1999 in geding gebracht. Om praktische redenen sluit de rechtbank aan bij de benadering van beide partijen die inhoudt dat bij de WOZ-waardering kan worden aangesloten. De WOZ-waarde van het recht van opstal per zowel 1 januari 2003 als 31 december 2003 bedraagt volgens het onder de feiten vermelde taxatieverslag van de gemeente S per 1 januari 1999 € 10.437. De rechtbank zal de waarde van het opstalrecht op grond van het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002, BNB 2002/384, evenwel niet op een lager bedrag vaststellen dan € 15.738, te weten de laagste van de door eiser bepleite waardes, zoals hiervoor verwoord onder standpunten van partijen.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de waarde van de bezittingen van eiser op grond van artikel 5.20, lid 1, van de Wet moet worden gesteld op de WOZ-waarde, omdat op grond van het tweede lid van dat artikel sprake is van een woning.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 5.20 van de Wet niet met zich mee dat een bezitting die op grond van een in afdeling 5.4. van de Wet opgenomen waarderingsbepaling wordt gewaardeerd op nihil, op grond van een ander waarderingsbepaling alsnog op een hogere waarde moet worden gewaardeerd. De tekst van artikel 5.20 van de Wet wijst ook niet in die richting. Voorts overweegt de rechtbank dat de WOZ-waarde op grond van artikel 17, lid 2, van de Wet Waardering Onroerende zaken wordt vastgesteld zonder rekening te houden met de waardedrukkende invloed van de erfpacht, en dat het standpunt van verweerder tot het ongerijmde resultaat leidt dat in box 3 geen rekening wordt gehouden met deze waardedrukkende omstandigheid, terwijl dat voor box 1 door de in artikel 3.120, lid 1, onderdeel a, van de Wet opgenomen aftrekmogelijkheid van de erfpachtcanon wel het geval is. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder.

Slotsom

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op € 4.071 -/- (4% van € 69.428 -/- € 15.738), dat is € 1.923.

Nu aan het erfpachtrecht een waarde van nihil is toegekend behoeft het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel - wat daar overigens van zij - geen behandeling meer.

Proceskosten en griffierecht

Nu het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer 2e klasse. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten vast op € 11.

Tevens dient verweerder, op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37 te vergoeden. De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.P.F. Slijpen. De beslissing is op 9 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. F.C. Hover, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.