Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8685

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
09/751003-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht.

[......] Vast is komen te staan dat verdachte bewust en uit louter winstbejag een essentiële bijdrage heeft geleverd aan het chemische wapenprogramma van Irak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn bijdrage heeft een groot aantal met mosterdgas uitgevoerde aanvallen op weerloze burgers mogelijk gemaakt, althans vergemakkelijkt. Deze aanvallen vormen zeer ernstige oorlogsmisdrijven. [.....]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummer 09/751003-04

's-Gravenhage, 23 december 2005

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [......]

1. De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 maart 2005, 10 juni 2005, 02 september 2005, 21 november 2005, 22 november 2005, 23 november 2005, 24 november 2005, 25 november 2005, 28 november 2005, 30 november 2005, 01 december 2005, 02 december 2005, 05 december 2005, 07 december 2005, 09 december 2005 en 23 december 2005.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, is, met uitzondering van 10 juni 2005, 02 september 2005 en 23 december 2005, op de terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich 15 beledigde partijen, respectievelijk genaamd, [………………..] gevoegd.

De officieren van justitie mr. F. Teeven en mr. T. Polescuk hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officieren van justitie hebben voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt B, in dit vonnis is gevoegd - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27, 28, 29 (met uitzondering van de tijdschriften) zullen worden teruggegeven aan de verdachte en dat de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36, zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden.

De officieren van justitie hebben primair geconcludeerd tot gehele toewijzing van alle vorderingen van de hiervoor genoemde beledigde partijen, te weten tot het voor de inwerkingtreding van de Wet Terwee (Stb. 1993,29) geldende maximumbedrag van €680,67 (ƒ1.500,=). De officieren van justitie hebben subsidiair geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de beledigde partijen […] […] […] en tot niet-ontvankelijkverklaring van de overige hiervoor genoemde beledigde partijen.

De officieren van justitie hebben medegedeeld dat zij voornemens zijn te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2. De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting van 10 juni 2005 ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en voorts na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting van 21 november 2005 - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1, alsmede van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A2.

3. Verweren inzake de geldigheid van de dagvaarding.

3.1. Ter terechtzitting heeft de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding nietig is wat betreft de in de feiten 1 en 2 weergegeven periode “althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak”, nu deze periode zo ruim is geredigeerd dat het de verdediging niet mogelijk is te begrijpen wat de steller van de telastlegging bedoelt, zodat zij zich tegen deze beschuldiging niet kan verdedigen en het recht als geformuleerd in artikel 6 lid 3 sub a Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

De rechtbank overweegt dat voornoemde periode tegen de achtergrond van het dossier dusdanig ruim is dat voor verdachte onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich dient te verdedigen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de telastlegging ten aanzien van de vorenvermelde periode in de feiten 1 en 2 niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) voldoet en zij zal de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

3.2. Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting aangevoerd dat de telastlegging bij feit 1 primair door het inlassen van de woorden “althans samenspannend” moeilijk te begrijpen en innerlijk tegenstrijdig is, omdat enerzijds het er op lijkt dat gedoeld wordt op het gepleegde grondfeit, tezamen en in vereniging gepleegd, en anderzijds in feit 1 primair het voorbereidingsdelict samenspanning wordt telastgelegd.

De rechtbank acht de telastlegging ten aanzien van de woorden “althans samenspannend” niet innerlijk tegenstrijdig, omdat zij van oordeel is dat deze woorden moeten worden begrepen als subsidiair bestanddeel van het bij feit 1 primair telastgelegde grondfeit, dat – kort gezegd – inhoudt het (meermalen) plegen van genocide door Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hassan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan All-Majid en/of (een) ander(e) (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en)), welk bestanddeel volgt op het “tezamen en in vereniging gepleegd met (een) ander(en)” ofwel het primaire bestanddeel medeplegen.

Dit verweer wordt daarom verworpen.

4. Verweer inzake de rechtsmacht van de rechtbank.

4.1. De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat vanwege het accessoire karakter van de medeplichtigheid tot genocide en oorlogsmisdrijven de rechtbank te ’s-Gravenhage geen rechtsmacht toekomt, indien rechtsmacht ten aanzien van het gronddelict ontbreekt.

De rechtbank verwerpt dit betoog, dat bij juistheid daarvan zou moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.

Medeplichtigheid aan een misdrijf, ook als dit betreft genocide of een oorlogsmisdrijf, is naar Nederlands recht een zelfstandig strafbaar feit met bijvoorbeeld een eigen plaats en tijd van het begaan daarvan. De telastgelegde misdrijven van medeplichtigheid zijn ten aanzien van de zich in Nederland bevindende verdachte die de Nederlandse nationaliteit bezit, ingevolge artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht strafbare feiten waarvoor hij in Nederland kan worden vervolgd, terwijl op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering en de speciale bevoegdheidsregeling in de Wet internationale misdrijven (Wim) niet slechts de Nederlandse rechter doch ook de Haagse rechtbank bevoegd is daarvan kennis te nemen. Dat het hier internationale misdrijven betreft maakt het bovenstaande niet anders.

Het betoog van de verdediging vindt voorts geen steun in het internationale recht. Zeker in het kader van internationale misdrijven, waarbij in de regel een zeer groot aantal organisaties en individuen betrokken is, is het onvermijdelijk dat berechting over verschillende jurisdicties is verdeeld. Een andere opvatting zou resulteren in de straffeloosheid van een aanzienlijk aantal verdachten. Dit verhoudt zich geenszins tot de volkenrechtelijke verplichting tot vervolging van internationale misdrijven. Gelet op de ernst van de misdrijven behoort bij deze verplichting geen onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende deelnemings-vormen.

4.2. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat in onderhavige zaak de rechtbank wordt gevraagd een beoordeling te geven over de strafbaarheid van een regering van een ander land en dat Irak het meest bevoegde land voor berechting van onderhavige feiten zou zijn. Uitoefening van rechtsmacht zou om die redenen volkenrechtelijk ontoelaatbaar zijn.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van dit verweer stelt de verdediging zich op het standpunt dat uitoefening van rechtsmacht in strijd zou zijn met de volkenrechtelijke regels ten aanzien van staatsimmuniteiten.

Dit verweer kan geen doel treffen, nu Nederland geen rechtsmacht uitoefent over natuurlijke personen of rechtspersonen die naar internationaal recht immuniteit van vervolging genieten. Weliswaar is het onvermijdelijk dat de rechtbank in deze zaak een oordeel geeft over de ten aanzien van de grondfeiten in de telastlegging als plegers genoemde personen, maar zulks is geen uitoefening van rechtsmacht, nu dit niet tot een veroordeling of het uitoefenen van dwangmiddelen tegen deze personen kan leiden.

Ten overvloede oordeelt de rechtbank in dit verband dat de ten aanzien van de grondfeiten in de telastlegging genoemde personen thans geen officiële functie bekleden en dat volkenrechtelijke immuniteiten zich derhalve niet verzetten tegen uitoefening van rechtsmacht over volkenrechtelijke misdrijven begaan tijdens uitoefening van hun functie, ongeacht de vraag of uitoefening van rechtsmacht om andere redenen onmogelijk en/of onwenselijk zou zijn.

Wat betreft het argument dat Irak het meest bevoegde land voor berechting zou zijn, oordeelt de rechtbank dat noch de grondfeiten noch de medeplichtigheid van verdachte daaraan naar geldend internationaal recht onder de exclusieve rechtsmacht van enige rechterlijke instantie vallen.

5. Verweren inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

5.1. Verjaring c.q. strijd met het vertrouwensbeginsel c.q. strijd met artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie in deze zaak niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, nu de door verdachte verrichte gedraging is verjaard aangezien in wezen de gedraging die verdachte heeft verricht een overtreding van de In- en uitvoerwet is ten aanzien waarvan op 5 oktober 2003 is besloten tot niet verdere vervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het is de keuze van de officier van justitie op welke wijze hij een feitencomplex telastlegt en de Wet op de economische delicten is niet te beschouwen als een lex specialis van de hier telastgelegde feiten. Het is dus ook niet in strijd met de goede procesorde om de feiten aldus telast te leggen.

5.2. Schending van het Zesde EVRM Protocol

Ter terechtzitting heeft de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie in deze zaak niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu dit verdachte, de in de telastlegging met naam en toenaam genoemde personen en anderen blootstelt aan de geenszins te verwaarlozen kans dat aan hen de doodstraf zal worden opgelegd en voltrokken, dan wel dat zij op buitengerechtelijke wijze de dood zullen vinden. Dit is in strijd met het Zesde EVRM Protocol aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe dat nog los van de vraag in hoeverre dit mensenrechtelijk verbod onder deze omstandigheden opgeld doet, de onafhankelijke en zelfstandige uitoefening van rechtsmacht niet kan worden beschouwd als bijdrage aan een buitenlandse rechtsgang waarin de mensenrechten geschonden zouden worden. Een andere conclusie verhoudt zich niet tot de autonome volkenrechtelijke verplichting van Nederland tot berechting van internationale misdrijven.

5.3. Schending van artikelen 2 en 3 EVRM

Ter terechtzitting heeft de verdediging betoogd dat er sprake is van schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM, nu voor verdachte het gevaar bestaat dat hij buiten de Europese Unie, ongeacht de wijze waarop deze zaak eindigt, het risico blijft lopen van strafvervolging in Irak, Iran of enige andere staat.

Immers - zo verstaat de rechtbank het verweer van de verdediging - de door het openbaar ministerie geleverde bewijsmiddelen dan wel de bewezenverklaring van de rechtbank in deze zaak kunnen dan in geval van strafvervolging in een andere staat tegen verdachte worden gebruikt.

De rechtbank verwerpt dit verweer, overwegende dat een mogelijke toekomstige schending

van het ‘ne bis in idem’ beginsel door een andere staat, aan een vervolging thans van verdachte in Nederland niet in de weg staat.

De verdediging heeft voorts betoogd dat dit gevaar ook bestaat ten aanzien van personen die niet in deze strafzaak terechtstaan.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, overwegende dat dit niet iets is dat verdachte aangaat maar een mogelijk verweer van die andere personen in die andere zaken.

5.4. Schending van equality of arms (artikel 6 lid 3b EVRM)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beginsel van equality of arms in deze strafzaak geschonden zou zijn als gevolg waarvan het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM met voeten zou zijn getreden.

In zijn algemeenheid overweegt de rechtbank ten aanzien van de ‘equality of arms’ als volgt.

Gelijkheid tussen aanklager en verdediging draagt een voornamelijk procedureel karakter en brengt met zich dat de verdediging zich niet in een onredelijk ongelijkwaardige positie dient te bevinden ten opzichte van de vervolgende autoriteiten. Equality of arms vindt ook bescherming in de internationale strafrechtspraak (ICTY, Tadic, zaak nr. IT-94-1-A, vonnis hoger beroep, 15 juli 1999, paragraaf 52). Net als in de Tadic zaak van het ICTY erkent de rechtbank de problemen waarmee de verdediging zich geconfronteerd ziet in strafzaken van een dergelijke complexiteit en internationale omvang. Hierbij dient wel in aanmerking te worden genomen dat het internationale strafproces van een geheel andere aard is dan het Nederlandse. Zo gaat het internationale strafproces, gelijk de common law rechtspraktijk, uit van bewijsgaring door procespartijen, overwegend dan wel uitsluitend ter ondersteuning van het eigen standpunt. De omstandigheid dat in het Nederlandse strafproces de procesdeelnemers wezenlijk andere posities ten opzichte van elkaar innemen en dat deze positionering tot bewijsgaring door de vervolgende en rechterlijke autoriteiten dient te leiden waarin ook het verdedigingsbelang voldoende waarborg vindt, heeft ontegenzeggelijk gevolgen voor inhoud en strekking van de equality of arms. Voor zover de verdediging van oordeel is dat de inzet van vervolgende en rechterlijke autoriteiten onvoldoende tegemoet komt aan de eigen onderzoekswensen biedt het Wetboek van Strafvordering voldoende mogelijkheden tot aanvullend onderzoek (vergelijk artikel 36a Sv.). Daarnaast heeft de rechtbank de bereidheid aan de dag gelegd om ook vanuit een praktische invalshoek zo veel mogelijk tegemoet te komen aan redelijke verzoeken van de kant van de verdediging, zoals toevoeging van meer dan één raadsman en het toekennen van een geldbedrag aan de raadslieden teneinde specialistisch advies in te winnen.

De verdediging heeft voorts ter terechtzitting aangevoerd dat het beginsel van equality of arms is geschonden, omdat zij niet in de mogelijkheid is geweest om op dezelfde wijze als het openbaar ministerie toegang te krijgen tot bepaalde bronnen en bronverzamelingen.

De verdediging heeft op de door het openbaar ministerie gemaakte selectie van documenten verkregen van Human Rights Watch en de Verenigde Naties geen invloed kunnen uitoefenen en daardoor niet kunnen nagaan of ontlastende bronnen buiten het dossier zijn gehouden.

De rechtbank verwerpt dit verweer, overwegende dat niet aannemelijk is geworden dat die documenten van belang zouden kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.

De verdediging heeft ten slotte ter terechtzitting betoogd dat het beginsel van equality of arms is geschonden, omdat de verdediging niet in de mogelijkheid is geweest zelf onderzoek te doen in het buitenland, waaronder de landen in het Midden Oosten, doordat de verdediging, die verdachte op toevoegingsbasis bijstaat, niet de financiële middelen heeft om dergelijk onderzoek te (laten) verrichten alsmede dat de verdediging eigen feitenonderzoek of onderzoek naar potentiële ontlastende getuigen niet heeft kunnen doen.

De rechtbank vermag niet in te zien dat de verdediging geen zelfstandig onderzoek heeft kunnen doen. De verdediging kan immers zelf reizen daartoe ondernemen en zij kan bijvoorbeeld de rechter-commissaris en de officier van justitie verzoeken een onderzoek in te stellen. De verdediging had eveneens de mogelijkheid zelf een deskundige in te schakelen. Bij het ontbreken van financiële middelen had de verdediging verzoeken kunnen doen tot het uitbetalen van voorschotten op grond van de Wet tarieven in strafzaken. Overigens is aan de verdediging ook een voorschot verstrekt teneinde zich van expertise te voorzien.

5.5. Schending van het recht op ondervraging van getuigen à charge en à décharge (artikel 6 lid 3d EVRM)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat het recht op het doen ondervragen van zowel getuigen à charge als getuigen à décharge verdachte toekomt. De verdediging heeft eveneens betoogd dat het recht op het doen ondervragen van getuigen ook kan zijn geschonden, indien de verdediging niet in de mogelijkheid is gesteld díe getuigen à charge, die eigenlijk à décharge hebben verklaard, op die onderdelen nader te ondervragen. Op die wijze is de verdediging de mogelijkheid onthouden om ontlastend bewijs, dan wel bewijs dat het standpunt van verdachte ondersteunt, te vergaren dan wel te verduidelijken en is het recht op een ‘fair trial’ geschonden. De verdediging stelt zich op standpunt dat een dergelijke situatie zich heeft voorgedaan ten aanzien van de getuigen X,Y, [……] en overige getuigen (te weten [……], [……] en de medewerkers van de AIVD) waarbij de verdediging opmerkt dat de verklaringen van laatstgenoemde getuigen expliciet en uitgebreid zijn voorgehouden door de rechtbank.

De rechtbank verwerpt dit verweer ten aanzien van de getuigen X en Y, omdat de verklaringen als schriftelijk stuk deel uitmaken van het strafdossier. Voorts is tevergeefs getracht deze getuigen nader te (doen) horen.

Ten aanzien van getuige [……] verwerpt de rechtbank dit verweer reeds omdat deze verklaring niet als bewijsmiddel door de rechtbank wordt gebezigd. Betreffende de getuige Münninghoff wordt het verweer verworpen, omdat deze ter terechtzitting als getuige is gehoord.

Dit verweer wordt ook ten aanzien van de overige getuigen verworpen, aangezien het horen van de getuigen niet mogelijk was of het verhoor van deze getuigen niet relevant was. Dat de verklaringen van getuigen ter zitting zijn voorgehouden houdt verband met de verplichting dat de korte inhoud van het dossier ter zitting wordt meegedeeld.

5.6. Schending van de onschuldpresumptie (artikel 6 lid 2 EVRM)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie, door het verstrekken van de in het requisitoir gebruikte multimediapresentatie aan de pers, verdachte doelbewust en in strijd met de onschuldpresumptie publiekelijk als dader in plaats van als verdachte heeft afgeschilderd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Niet valt in te zien waarom dit optreden van de officier van justitie zou moeten leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring. Hierbij genoemde presentatie maakt immers deel uit van het in het openbaar uitgesproken requisitoir, waarin de officier van justitie de vrijheid heeft op basis van een voltooid onderzoek te beargumenteren waarom hij bewezen acht dat verdachte het telastgelegde heeft begaan. Bovendien heeft de verdediging dezelfde faciliteiten gekregen ten aanzien van het pleidooi. Dat ondanks een verbod en gemaakte afspraken er toch een opname van het achterhoofd van de verdachte in een televisie-uitzending is getoond, valt te betreuren maar vervolgens zijn er door de rechtbank materiële voorzieningen getroffen teneinde herhaling te voorkomen.

5.7. Schending van het gelijkheidsbeginsel

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat het openbaar ministerie ten aanzien van een aantal concrete verdachten het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur en een redelijke en billijke belangenafweging geschonden heeft door tegen verdachte wel en tegen [……] en [……] geen vervolging in te stellen en [……] na aanhouding en verhoor heen te zenden in de wetenschap dat hij direct het land zou verlaten en dus niet meer voor de vervolging in persoon beschikbaar was.

De rechtbank stelt voorop dat dit betoog feitelijke grondslag mist, nu de officier van justitie ter terechtzitting van 21 november 2005 heeft verklaard dat de getuige [……] ook nog steeds verdachte is. Hierdoor is thans niet aannemelijk geworden dat [……] niet zal worden vervolgd. Een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel is dus op dit moment niet aanwezig. Voor zover wel sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat dit niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of strafvermindering. Immers, de grondslag van het betoog van de verdediging ligt in de volkenrechtelijke verplichting tot vervolging van internationale misdrijven. De rechtbank aanvaardt dat de werking van het opportuniteitsbeginsel beperking vindt in deze verplichting, maar benadrukt dat diezelfde verplichting ook beperkingen met zich brengt voor inhoud en strekking van de beginselen van behoorlijke procesorde, indien toepassing van deze beginselen feitelijk zou resulteren in de niet nakoming van de volkenrechtelijke verplichting tot berechting van internationale misdrijven.

Bovendien merkt de rechtbank op dat wegens hun verblijfplaats en nationaliteit [……] en [……] in Nederland niet vervolgbaar zijn terwijl zij slechts ter zitting op uitdrukkelijk verzoek van de verdediging konden worden verhoord na het verstrekken van een vrijgeleide door de officier van justitie.

De verdediging heeft ter terechtzitting voorts betoogd dat ook de verschillen in bejegening van verdachte en KBS en Melchemie alsmede buitenlandse bedrijven welke nog tot in 1987 goederen hebben geleverd die grondstoffen zijn voor mosterd- of zenuwgassen, dient te leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien de twee door de verdediging genoemde gevallen niet kunnen worden gezien als gelijksoortig aan de verwijten die thans aan verdachte gemaakt worden. Ten aanzien van de buitenlandse bedrijven ontbreekt het Nederland aan rechtsmacht om deze te vervolgen.

5.8. Schending van het ‘nemo tenetur’-beginsel

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd, dat de overheid in strijd heeft gehandeld met het nemo tenetur-beginsel, welke bescherming vindt in het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, nu de contacten, mededelingen en adviezen van de AIVD onjuist en misleidend zijn geweest en verdachte ertoe hebben gebracht zichzelf bloot te stellen aan deze vervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe, dat door het openbaar ministerie geen uitspraak is gedaan omtrent de vervolgbaarheid. Nu de uitspraken van de verdachte in het interview dat 6 november 2003 werd uitgezonden bij het beoordelen van het bewijs niet hebben bijgedragen, behoeft het beroep op strijd met het nemo tenetur-beginsel geen bespreking. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een doelbewuste grove schending van de beginselen van een goede procesorde door de officier van justitie.

5.9. Vervolging in strijd met de goede rechtsbedeling

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat, niettegenstaande de wetenschap bij het openbaar ministerie dat de strafbare feiten waarmee verdachte en de door het openbaar ministerie als hoofddaders van de grondfeiten aangemerkte personen in verband worden gebracht in verschillende staten voorwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek, het openbaar ministerie heeft nagelaten in contact te treden met die landen om zo de strafvervolging te concentreren. Door zulks na te laten heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het beginsel van de goede rechtsbedeling.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Voor zover een goede rechtsbedeling al met zich zou brengen dat hoofddaders en andere deelnemers aan de telastgelegde feiten voor hetzelfde gerecht zouden moeten worden vervolgd, dient de stelling dat vervolging in strijd met de goede rechtsbedeling zou zijn reeds te worden verworpen, omdat nergens anders ter wereld de onderhavige feiten als internationale misdrijven worden vervolgd.

6. Toepasselijk recht.

6.1. In onderhavige strafzaak ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag naar de verhouding tussen volkenrechtelijke en nationaalrechtelijke toepasselijke voorschriften.

Ten aanzien van de verhouding tussen het internationale strafrecht en het eigen commune strafrecht bevat de wetsgeschiedenis van de Wim een aantal relevante overwegingen:

“De Nederlandse rechter dient zich dan ook voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof en de op de voet van artikel 9 van het Statuut van het Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven.“

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 5)

“Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook artikel 91 Sr.). Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op de regels betreffende het legaliteitsbeginsel, poging en voorbereiding, deelneming, samenloop, ne bis in idem, verjaring e.d. Het Statuut van het Internationaal Strafhof bevat ook regels over deze onderwerpen, grotendeels in deel 3 «Algemene beginselen van strafrecht».

Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht. Op onderdelen zijn ze echter anders geformuleerd en kunnen de criteria en grenzen iets anders liggen.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 25)

“Zoals hiervoor (...) aangegeven dient de Nederlandse rechter zich wel, voor de bepaling van de reikwijdte van de delictsomschrijvingen- en dus ook de invulling van de subjectieve bestanddelen-, te oriënteren op het internationale recht en de internationale jurisprudentie.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 27)

“Het uitgangspunt dat de algemene regels van het commune strafrecht van toepassing zijn, lijdt uitzondering daar waar het commune strafrecht bepaalde regels niet kent dan wel regels die duidelijk afwijken van hetgeen onder het Statuut van het Strafhof geldt.”

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 29)

6.2. De rechtbank trekt uit deze overwegingen de conclusie dat indien internationale regels aangaande strafrechtelijke aansprakelijkheid voor internationale misdrijven wezenlijk afwijken van het commune strafrecht eerstgenoemde regels dienen te prevaleren. In aanvulling op hetgeen de wetgever op dit punt overweegt beperkt de rechtbank zich daarbij niet tot de regels in het Statuut van het Internationaal Strafhof.

Immers, bepaalde keuzes in het Statuut van het Internationaal Strafhof vormen geen getrouwe codificatie van geldend internationaal recht, maar regarderen uitsluitend dan wel overwegend de rechtsmacht van het Strafhof. Voor vaststelling van de internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid is derhalve een veelomvattend onderzoek vereist, waarbij ook de jurisprudentie van diverse internationale straftribunalen dient te worden betrokken.

6.3. Een getrouwe toepassing van belangrijke regels van het internationaal strafrecht door de nationale strafrechter dient een tweeledig doel. In de eerste plaats dient voldaan te worden aan de volkenrechtelijke verplichtingen en verwachtingen wat betreft strafbaarstelling en vervolging van internationale misdrijven, hetgeen met zich brengt dat de aansprakelijkheid naar Nederlands recht niet tekort mag schieten ten opzichte van de aansprakelijkheid naar internationaal recht. Daarnaast dienen evenwel ook de grenzen van de aansprakelijkheid naar internationaal recht door de Nederlandse rechter te worden gerespecteerd. Beide elementen acht de rechtbank van belang.

Ten aanzien van het tweede element heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat verdragsrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling minimumverplichtingen bevatten en dat Nederland derhalve altijd verder mag gaan en de internationale grenzen van aansprakelijkheid mag overschrijden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent het openbaar ministerie hiermee de plaats van deze verdragen en misdrijven in een internationaal stelsel van strafrechtelijke normen. Door het aannemen van een verdergaande aansprakelijkheid in het nationale recht dan in het internationaal strafrecht gebruikelijk is kan in sommige gevallen naar nationaal recht een feit als volkenrechtelijk misdrijf aangemerkt worden, terwijl zulks door de internationale gemeenschap niet zo wordt beschouwd.

Een in dit verband zwaarwegende grond voor de rechtbank om aan de volkenrechtelijke grenzen van aansprakelijkheid voor internationale misdrijven voorrang te verlenen boven de nationale aansprakelijkheid heeft betrekking op de aan internationale misdrijven gekoppelde universele rechtsmacht.

Indien bij nationale berechting de volkenrechtelijk grenzen van aansprakelijkheid worden overschreden kan daarmee de volkenrechtelijke basis voor universele rechtsmacht komen te vervallen, nu deze laatste alleen toepassing kan vinden voor gedragingen die naar internationaal recht strafbare feiten opleveren.

Ten aanzien van dit punt heeft het openbaar ministerie betoogd dat in onderhavige zaak geen sprake is van in volkenrechtelijk opzicht excessieve rechtsmacht nu verdachte wordt vervolgd op basis van het actief nationaliteitsbeginsel. De aan deze redenering verbonden noodzakelijke consequentie, dat in het kader van berechting van in het buitenland gepleegde internationale misdrijven voor Nederlanders en buitenlanders verschillende maatstaven van aansprakelijkheid kunnen worden aangelegd, acht de rechtbank onaanvaardbaar, in ieder geval voor zover het het misdrijf genocide betreft.

6.4. Nu gedragingen van verdachte nadrukkelijk en uitsluitend worden vervolgd als volkenrechtelijke misdrijven neemt de rechtbank de volkenrechtelijke grenzen van aansprakelijkheid in beschouwing. Een belangrijke vraag die thans aan de orde komt is in hoeverre deze grenzen volkenrechtelijk gezien duidelijk zijn vast te stellen en als maatgevend gelden.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of zich een discrepantie voordoet tussen het internationaal recht en het nationaal recht voor wat betreft het vereiste opzet van de medeplichtige en de vereiste bijdrage van de medeplichtige aan het gronddelict. Voor wat betreft de bestanddelen van de delictsomschrijving ligt een dergelijke discrepantie minder voor de hand, aangezien het commune strafrecht in dit verband nauwelijks zelfstandige regels kent.

6.5. Wat betreft het voor medeplichtigheid vereiste opzet maakt de rechtbank een onderscheid tussen genocide en oorlogsmisdrijven.

6.5.1. Genocide onderscheidt zich van andere volkenrechtelijke misdrijven vanwege het specifieke oogmerk een bevolkingsgroep op bepaalde gronden geheel of gedeeltelijk uit te roeien. In hoeverre ook de medeplichtige dit opzet dient te hebben is een wezenlijke vraag die in de jurisprudentie van de internationale straftribunalen voor Joegoslavië (ICTY) en

Rwanda (ICTR) regelmatig aan de orde is geweest. Van belang is vast te stellen dat de vroege jurisprudentie aanzienlijke waarde hechtte aan dolus specialis voor zowel pleger als deelnemers, vanwege de bijzondere ernst en specifieke plaats van het misdrijf genocide. Uit de meest recente en gezaghebbende jurisprudentie van de beroepskamer van het ICTY en het ICTR volgt evenwel dat die benadering is verlaten zodat thans een veroordeling van de medeplichtige aan/tot genocide mogelijk is indien de verdachte wetenschap had (knew) van de genocidale opzet van de pleger (ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragraaf 144; ICTR, E. en G. Ntakirutimana, zaken nr. ICTR-96-10-A en ICTR-96-17-A, vonnis hoger beroep, 13 december 2004, paragrafen 500 en 501).

In tegenstelling tot het openbaar ministerie acht de rechtbank de jurisprudentie op dit punt voldoende uitgekristalliseerd, nu deze kwestie regelmatig aan de orde is gesteld en de beroepskamer van het ICTY en het ICTR hierin herhaaldelijk de stand van het recht heeft aangegeven en bevestigd. De rechtbank hecht er ook aan te benadrukken dat het vereiste van daadwerkelijke wetenschap rechtvaardiging vindt als grens voor aansprakelijkheid van de medeplichtige in de verhouding tot het bijzondere oogmerk van de pleger; daarnaast wijst de eerste jurisprudentie van de tribunalen eerder in de richting van een vereiste van verdergaand opzet dan vormen van voorwaardelijk opzet.

Tot slot vindt de door de internationale straftribunalen aangegeven begrenzing van de aansprakelijkheid van de medeplichtige aan/tot genocide haar grondslag in bevestiging van genocide als uniek delict (‘crime of crimes’), ter onderscheiding van andere volkenrechtelijke misdrijven zoals misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Het verleggen van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid doet ontegenzeggelijk afbreuk aan dit unieke karakter.

De rechtbank is van oordeel dat het vereiste van wetenschap voor de medeplichtige in relatie tot het grondfeit genocide een essentieel bestanddeel is van de internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid op dit punt en dat het Nederlands recht, dat lijkt te resulteren in ruimere aansprakelijkheid, in dit opzicht geen toepassing kan vinden.

6.5.2. Dit ligt anders voor de medeplichtigheid tot oorlogsmisdrijven. Voor oorlogsmisdrijven geldt geen bijzonder opzet voor de pleger. De voor de medeplichtige vereiste opzet is in het kader van de internationale strafrechtspraak niet wezenlijk anders dan Nederlands recht op dit punt. Voor zover wel verschillen zijn aan te geven liggen die naar het oordeel van de rechtbank binnen de “toegestane marge”, zoals verwoord door de wetgever in de MvT bij de Wim:

(...) het zou onpraktisch zijn en tot onnodige onzekerheid leiden indien de Nederlandse rechter voor de berechting van internationale misdrijven deelnemingsbepalingen en strafuitsluitingsgronden zou moeten toepassen die even iets anders luiden dan de bepalingen waarmee hij gewend is te werken.

(Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 29)

6.6. Ten aanzien van de vraag hoe groot het aandeel van de medeplichtige moet zijn met betrekking tot het grondfeit bestaat er naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen wezenlijk onderscheid tussen het internationaal en het nationaal recht.

Weliswaar lijkt de internationale strafrechtspraak uit te gaan van een enigszins verdergaande bijdrage (een substantiële bijdrage aan het gepleegde misdrijf; zie o.a. ICTY, Blaškic, zaak nr. IT-95-14-A, vonnis hoger beroep, 29 juli 2004, paragraaf 48; ICTY, Vašiljevic, zaak nr. IT-98-32-A, vonnis hoger beroep, 25 februari 2004, paragrafen 134 en 135) dan de Nederlandse rechtspraktijk (volvoering van het grondfeit door de dader gemakkelijker maken), maar de rechtbank oordeelt dat dit punt van meer feitelijke aard thans geen wezenlijk onderdeel uitmaakt van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar internationaal recht, zodat niet kan worden gesproken van volkenrechtelijke regels die duidelijk afwijken en de rechtbank derhalve uitgaat van toepassing van Nederlands recht.

7. Overwegingen met betrekking tot het bij feit 1 primair telastgelegde grondfeit van genocide.

7.1. De vaststelling of er sprake is geweest van genocide is niet alleen van belang voor de beantwoording van de vraag of het onder 1 primair telastgelegde feit bewezen is.

Deze vaststelling is ook van belang bij vrijspraak van het onder 1 primair telastgelegde, omdat, indien er sprake is geweest van genocide, tevens vast is komen te staan de in de bij feit 1 subsidiair telastgelegde grondfeiten telastgelegde omstandigheid dat deze grondfeiten zijn begaan "terwijl dat feit/die feiten (telkens) uiting(en) is/zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking."

7.2. Op basis van de Uitvoeringswet genocideverdrag en het geldend internationaal recht gaat de rechtbank er van uit dat het volgende cumulatief dient te worden bewezen ten aanzien van het grondfeit voordat men toekomt aan de vraag van verdachtes medeplichtigheid.

1. De in de telastlegging als plegers genoemde personen hebben opzettelijk een of meer van de handelingen in de zin van artikel 1 sub 1 tot 4 en met 5 Uitvoeringswet genocideverdrag gepleegd, en

2. die handelingen zijn door de in de telastlegging als plegers genoemde personen opzettelijk gepleegd tegen een etnische of nationale groep dan wel een gedeelte daarvan, en

3. die handelingen zijn door de in de telastlegging als plegers genoemde personen gepleegd met het oogmerk om die groep als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen.

Ad. 1

De rechtbank stelt vast dat de in de telastlegging vermelde gedragingen van de als plegers genoemde personen handelingen opleveren in de zin van artikel 1 sub 1 en 2 van de Uitvoeringswet genocideverdrag, te weten het doden van leden van de groep en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan leden van de groep.

Ad. 2

Alleen dan is er sprake van genocide indien de feitelijke handelingen en het oogmerk van gehele of gedeeltelijke vernietiging zich richten tegen een specifieke beschermde groep.

De vraag is in hoeverre de in de telastlegging genoemde Koerdische bevolkingsgroep (op het platteland en in Halabja) in Noord Irak kan worden beschouwd als een etnische dan wel nationale groep in de zin van de Uitvoeringswet genocideverdrag en het Genocideverdrag. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak een nationale groep is in de zin van de Uitvoeringswet en het Verdrag.

Ten aanzien van de kwalificatie etnische groep in de zin van het Genocideverdrag gaat de rechtbank uit van de volgende alternatieve eisen:

- leden van de groep delen een gemeenschappelijke taal en cultuur, of

- leden van de groep beschouwen de eigen groep als een etnische groep, of

- anderen, waaronder de pleger(s) van genocide, beschouwen de groep als etnische groep.

(ICTR, Kayishema en Ruzindana, zaak nr. ICTR-95-1-T, vonnis eerste aanleg, 21 mei 1999, paragraaf 98)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de Koerdische bevolkingsgroep voor wat betreft haar etniciteit in de zin van het Genocideverdrag voldoet aan alle bovenvermelde criteria. Voor dit oordeel heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de volgende bewijsmiddelen.

[…….]

Ad. 3

Het onderscheidende element van genocide betreft het bijzondere oogmerk een beschermde groep als zodanig geheel of gedeeltelijk uit te roeien. Zonder direct bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van een bekentenis, kan dit bijzonder oogmerk bij de pleger(s) worden afgeleid uit een aantal omstandigheden. Op basis van de internationale strafrechtspraak spelen ter vaststelling van het genocidale oogmerk de volgende factoren een belangrijke rol:

- het algemene kader waarin de feiten zich hebben voorgedaan;

- de omstandigheid dat de beschermde groep systematisch het slachtoffer is geworden van andere onrechtmatige handelingen;

- de schaal waarop de misdrijven zijn gepleegd;

- systematisch treffen van slachtoffers vanwege hun lidmaatschap van een bepaalde groep;

- de herhaling van vernietigende en discriminatoire handelingen;

- het aantal slachtoffers;

- de wijze waarop de misdrijven zijn gepleegd;

- het gebied waarin de dader actief was;

- de dader’s evidente opzet zijn slachtoffers van het leven te beroven;

- de ernst van de gepleegde genocidale handelingen;

- de frequentie van de genocidale handelingen in een bepaald gebied;

- het algemene politieke kader waarin de misdrijven zijn gepleegd;

- uitlatingen gedaan door pleger ten aanzien van de positie en/of het lot van de beschermde groep.

(ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-A, vonnis hoger beroep, 5 juli 2001, paragraaf 47; ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-T, vonnis eerste aanleg, 14 december 1999, paragrafen 73 – 77; ICTY, Karadžic en Mladic, zaken nr. IT-95-5-R61 en IT-95-18-R61, beslissing in de zin van Regel 61, 11 juli 1996, paragrafen 92, 94 en 95; ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 12 – 14 en 21; ICTY, Miloševic, zaak nr. IT-02-52-T, beslissing in de zin van Regel 98bis, 16 juni 2004, paragrafen 246 – 248; ICTR, Kayishema en Ruzindana, zaak nr. ICTR-95-1-T, vonnis eerste aanleg, 21 mei 1999, paragraaf 93; ICTR, Kajelijeli, zaak nr. ICTR-98-44A-T, vonnis eerste aanleg, 1 december 2003, paragraaf 806; ICTY, Nikolic, zaak nr. IT-94-2-R61, beslissing in de zin van Regel 61, 20 oktober 1995, paragraaf 34; ICTR, Akayesu, zaak nr. ICTR-96-4-T, vonnis eerste aanleg, 2 september 1998, paragraaf 523; ICTR, Simba, zaak nr. ICTR-01-76-T, vonnis eerste aanleg, 13 december 2005, paragraaf 413)

Voor de bewezenverklaring van het genocidale oogmerk maakt de rechtbank een onderscheid tussen systematische onderdrukking en discriminatie van de Koerdische bevolkingsgroep en de immer intensiverende geweldscampagne van de Iraakse overheid tegen de Koerden in het Noorden van Irak die op enig moment naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan worden opgevat dan als bewijs voor een genocidaal oogmerk.

Voor het algemene beeld van onderdrukking en discriminatie van de Koerdische bevolkingsgroep in Irak, welke als algemeen kader een rol speelt ter vaststelling van later genocidaal opzet, maakt de rechtbank gebruik van de volgende bewijsmiddelen.

[…..]

7.3. Ten aanzien van de intensiverende en verdergaande gewelds- en onderdrukkingscampagne, waaronder de Arabisering van het woongebied van de Koerden, grootschalige verdwijningen, arbitraire executies, de aanvallen op en vernietiging van Koerdische dorpen, en de inzet van chemische wapens, welke campagne haar hoogtepunt in de Anfal operatie vond, gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen.

[…….]

7.4. De bovenstaande bewijsmiddelen laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de telastgelegde aanvallen gepleegd zijn met het oogmerk van de vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep in Irak. Aan deze conclusie liggen de volgende factoren in het bijzonder ten grondslag:

- een algemeen kader van systematische onderdrukking van de Koerdische bevolkingsgroep;

- het zeer grote aantal dodelijke slachtoffers binnen de Koerdische bevolkingsgroep, dat naar het oordeel van de rechtbank zeker in de tienduizenden bedraagt, als gevolg van aanvallen en massa-executies;

- de grootschalige inzet van chemische wapens tegen de Koerdische bevolking, die naar hun aard, wanneer ingezet tegen dorpen, niet kunnen discrimineren tussen burgers en combattanten, en die niet alleen hevig lijden veroorzaken onder de bevolking, maar deze ook vrees en angst aanjagen en voorts de getroffen dorpen en steden voor lange tijd onbewoonbaar maken;

- de grootschalige vernietiging van Koerdische dorpen in Noord-Irak en daaropvolgende deportaties van de burgerbevolking;

- uitlatingen van vertegenwoordigers van het regime, in het bijzonder Ali Hassan Al-Majid, waaruit minachting spreekt voor de Koerdische bevolkingsgroep.

7.5. De rechtbank is van oordeel dat alle bewezenverklaarde aanvallen zijn gepleegd met genocidaal oogmerk ten aanzien van de Koerdische bevolkingsgroep. De rechtbank dient zich in dit verband uit te spreken over de periode van de genocidale campagne. Zij gaat voor dit oordeel uit van de bovenvermelde bevindingen van VN-rapporteur Van der Stoel, dat de basis voor een algeheel beleid tegen de Koerden blijkt gelegd te zijn in mei 1985 toen militaire bevelen werden uitgevaardigd die het gebruik van "alle soorten wapens" gelastten tegen "subversieve elementen" in het noordelijke Koerdische gebied en dat de Anfal campagne lijkt geëindigd te zijn op 6 september 1988 met een algehele amnestie.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank dat alle aanvallen binnen deze periode, mei 1985 – 6 september 1988, nadrukkelijk gericht tegen de Koerdische bevolkingsgroep, waarbij sprake is van een van de gedragingen in de zin van artikel 1 lid 1 sub 1 tot en met 5 Uitvoeringswet genocideverdrag, deel uitmaken van een genocidale campagne, ongeacht of deze aanvallen formeel binnen de Anfal campagne vallen.

7.6. In het licht van deze bevindingen is de rechtbank voorts van oordeel dat er ten aanzien van de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak gedurende de telastgelegde periode sprake is geweest van een politiek van stelselmatige terreur.

7.7. Ten aanzien van het oogmerk van vernietiging rijst nog de vraag in hoeverre dit de Koerdische bevolkingsgroep, of een gedeelte daarvan, als zodanig treft. Het oogmerk van vernietiging van de groep als zodanig houdt in dat de pleger zich richt op individuele slachtoffers vanwege hun lidmaatschap van een beschermde groep en dat het doden of mishandelen van individuen in feite uiting geeft aan het oogmerk tot vernietiging van de groep. (ICTR, Niyitegeka, zaak nr. ICTR-96-14-A, vonnis hoger beroep, 9 juli 2004, para. 53; ICTY, Jelisic, zaak nr. IT-95-10-T, vonnis eerste aanleg, 14 december 1999, paragraaf 79).

In dit kader plaatst de rechtbank ook het betoog van de verdediging dat de telastgelegde aanvallen niet de Koerdische bevolkingsgroep als zodanig beoogden te treffen, maar een militair strategisch doel hadden, namelijk het bestrijden van rebellerende groeperingen. Hiermee zou in de optiek van de verdediging het genocidale oogmerk niet kunnen worden bewezen. De rechtbank stelt voorop dat het bestrijden van rebellerende groeperingen, ook indien zulks gevolgen zou hebben voor de burgerbevolking, kan duiden op het ontbreken van genocidaal oogmerk (vgl. het oordeel van de VN commissie dat in Darfur, Soedan (vooralsnog) geen sprake is van genocide; Report of the International Commission of Inquiry on Darfur to the United Nations Secretary-General, ingevolge Veiligheidsresolutie 1564 van 18 september 2004, Genève, 25 januari 2005, paragrafen 513 en 514). De rechtbank is er echter van overtuigd dat de geweldscampagne in Irak ten tijde van de telastgelegde periode naar uiterlijke verschijningsvorm het oogmerk van militaire aard verre overstijgt. De mogelijke omstandigheid dat de aanvallen -mede- een militair doel hadden dient derhalve te worden beschouwd als een mogelijk motief voor (bepaalde) aanvallen, hetgeen naar geldend recht niet afdoet aan het eerder al vastgestelde genocidale oogmerk (ICTR, Nahimana, Barayagwiza en Ngeze, zaak nr. ICTR-99-52-T, vonnis eerste aanleg, 3 december 2003, paragraaf 969).

7.8. Ten aanzien van de vraag of het vastgestelde genocidale oogmerk zich richtte op vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep in haar geheel of een gedeelte daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

Nog ongeacht het antwoord op de vraag in hoeverre de Koerdische bevolkingsgroep in Noord Irak als zelfstandige etnische groep kan worden beschouwd, oordeelt de rechtbank dat het oogmerk van de vernietiging zich richtte op een gedeelte van de Koerdische groep, nu binnen Irak de genocidale campagne zich niet richtte tegen alle Koerden. Ten aanzien van het oogmerk gericht op gedeeltelijke vernietiging van de Koerdische bevolkingsgroep oordeelt de rechtbank dat hieraan ruimschoots is voldaan, hetgeen niet alleen volgt uit de aantallen slachtoffers, maar ook uit de impact van bepaalde elementen uit de genocidale campagne, zoals die in en rond Kirkuk, voor de Koerdische bevolkingsgroep in Irak als geheel. (vgl. ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 12 en 13).

7.9. Voor wat betreft de vaststelling van genocidaal oogmerk bij de in de telastlegging als plegers genoemde personen overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel naar internationaal recht de identiteit van de plegers niet hoeft vast te staan om tot een veroordeling van medeplichtigheid tot genocide te komen (ICTY, Krstic, zaak nr. IT-98-33-A, vonnis hoger beroep, 19 april 2004, paragrafen 35, 134 en 137; ICTY, Stakic, zaak nr. IT-97-24-T, vonnis eerste aanleg, 31 juli 2003, paragraaf 533), vereist de grondslag van de telastlegging dat de rechtbank een oordeel geeft over de in de telastlegging als plegers genoemde personen: “Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))”.

Ten aanzien van de categorie onbekend gebleven personen volstaat de rechtbank met de vaststelling dat uit de aard van het misdrijf genocide volgt dat daarbij een grote groep personen is betrokken.

Ten aanzien van de betrokkenheid van Saddam Hussein Al-Tikriti acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat hij ten tijde van de telastgelegde periode absolute macht uitoefende in Irak. In die hoedanigheid was hij direct betrokken bij de bewezen verklaarde aanvallen en de algehele campagne tegen de Koerden.

Voor wat betreft de rol van Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti stelt de rechtbank vast dat hij op tijdstippen in de telastgelegde periode lid is geweest van het hoogste orgaan in Irak, de revolutionaire commandoraad, en –onder verwijzing naar eerder vermelde bewijsmiddelen- dat hij leiding gaf aan de Anfal campagne.

Ten aanzien van Hussein Kamal Hassan Al-Majid is de rechtbank van oordeel dat hij als schoonzoon van Saddam Hussein behoorde tot diens directe vertrouwelingen en dat hij op tijdstippen in de telastgelegde periode deel uitmaakte van de algemene legerleiding.

De rechtbank concludeert dat alle drie genoemde personen vanwege hun leidinggevende rol ten aanzien van Irak in het algemeen en de campagne tegenover de Koerden in het bijzonder de bewezenverklaarde aanvallen tezamen met anderen hebben gepleegd met het oogmerk van de vernietiging van een gedeelte van de Koerdische bevolkingsgroep.

7.10. Bij bovenstaand oordeel gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen, in aanvulling op reeds eerder opgenomen bewijsmiddelen.

[……..]

8. Vrijspraak van de bij feit 1 primair telastgelegde medeplichtigheid tot genocide.

Zoals hiervoor onder 6. overwogen gaat de rechtbank bij medeplichtigheid tot genocide uit van de daadwerkelijke wetenschap van het genocidale oogmerk van de plegers van het grondfeit. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van de levering van in de telastlegging vermelde materialen wist dat hij hiermee bijdroeg aan aanvallen die als doel hadden de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de Koerdische bevolking in Irak, en spreekt verdachte daarom vrij van het onder 1 primair telastgelegde.

De rechtbank overweegt in dit verband dat pas na de aanval op Halabja op 16 maart 1988 het lot van de Koerden in Irak op uitgebreide schaal in de internationale media aan de orde is gesteld en vóór die datum - om welke reden dan ook - niet de aandacht kreeg die het verdiende.

Voorts is in het dossier geen bewijs aangetroffen van kennis bij verdachte over de behandeling van de Koerden door de Iraakse autoriteiten vóór 16 maart 1988. Nu de leveringen van verdachte aan Irak alle vóór 16 maart 1988 hebben plaatsgevonden dient hij te worden vrijgesproken van medeplichtigheid tot genocide.

9. Bewijsmiddelenverweer.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat processen-verbaal van bewijsoverzichten niet als afzonderlijke bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt en daarom dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer, daartoe overwegende dat zij niet inziet waarom zogenoemde overzichtsprocessen-verbaal niet als bewijsmiddel kunnen worden gebezigd, nu dit weergaven zijn van documenten die zich in het dossier bevinden en de rechtbank dus in staat is de juistheid van deze weergaven te controleren.

10. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de aard van het gewapend conflict.

Met betrekking tot de vaststelling van de aard van het gewapend conflict gaat de rechtbank uit van de volgende bewijsmiddelen:

[……..]

10.4. De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen als resultaten uit bronnenonderzoek zoals onder [….] en [….] is vermeld en gelet op de getuigenverklaring onder […..]:

a. dat er in de periode van 22 september 1980 tot 20 augustus 1988 tussen Irak en Iran sprake was van een internationaal gewapend conflict in de betekenis zoals die uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict;

b. dat er sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in de betekenis zoals deze uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict op het grondgebied van Irak tussen regeringstroepen van Irak enerzijds en gewapende (Koerdische) verzetsgroepen anderzijds. Dit niet-internationaal gewapend conflict was al begonnen ruim voor de telastgelegde periode en zette zich daarna nog voort.

Het feit dat de verzetsgroepen soms samen met de Iraanse troepen optraden, maakt hun optreden nog niet tot deelname aan een internationaal gewapend conflict. Niet is gebleken dat Iran in die gevallen de controle had over de verzetsgroepen en de verzetsgroepen bleven daarbij hun eigen doelstellingen nastreven.

Gezien de schaal van de operaties tussen regeringstroepen en de verzetsgroepen, de wapens die daarbij werden ingezet, het feit dat de verzetsgroepen in staat waren militaire operaties uit te voeren vanuit door hen gecontroleerde gebieden en de wijze van organisatie van deze verzetsgroepen is er niet meer sprake van interne ongeregeldheden, rellen of andere daden van sporadische geweld, maar van een niet-internationaal gewapend conflict in de betekenis waarin deze uitdrukking voorkomt in het recht met betrekking tot het gewapend conflict.

11. Bewijsoverwegingen met betrekking tot het opzet van de verdachte.

Ten aanzien van het opzet van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in ieder geval vóór de eerste zending TDG, eind mei 1985, ervan op de hoogte was dat:

1. de Japanse overheid restricties had gesteld ten aanzien van de export van TDG naar landen in het Midden-Oosten, waaronder Irak, terwijl verdachte in de veronderstelling verkeerde dat dergelijke restricties ook voor de export van TMP golden;

2. de door zijn tussenkomst te leveren chemicaliën, waaronder TDG, Irak als eindbestemming hadden, terwijl door of namens verdachte op de transportdocumenten, naast een onjuiste eindbestemming in Europa, bewust een onjuist eindgebruik werd vermeld;

3. al de door zijn tussenkomst te leveren chemicaliën, waaronder TDG, gebruikt konden worden voor de productie van gifgasen, gezien de onder 1., 2. en 3. weergegeven wetenschap in onderlinge samenhang bezien, deze chemicaliën ook zouden worden gebruikt voor de productie van gifgas;

4. de Republiek Irak in de Iran-Irakoorlog gebruik maakte van gifgas.

Door ondanks de onder 1. tot en met 4. weergegeven wetenschap bij te dragen aan de levering van grote hoeveelheden TDG aan SEORGI heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze TDG, als bestanddeel van een gifgas, aangewend zou worden bij (de in de bewezenverklaring vermelde) chemische aanvallen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorwaardelijk opzet van verdachte reeds volgt uit zijn onder 1., 2. en 3. weergegeven wetenschap. Immers, van degene die chemicaliën levert waarvan hij weet dat ze zullen worden gebruikt voor gifgasproductie door een land dat in een langdurige oorlog is verwikkeld die het zelf is begonnen, kan met recht worden gezegd dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt, dat het te produceren gifgas ook op het slagveld zal worden ingezet. In dat verband is van belang dat verdachte zich in het vooronderzoek uitdrukkelijk niet op het standpunt heeft gesteld, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de chemicaliën door Irak slechts zouden worden aangewend voor ontwikkeling, aanmaak en opslag van chemische strijdmiddelen en hij ter terechtzitting een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan.

Dat de kans dat de TDG, als bestanddeel van een gifgas, aangewend zou worden bij chemische aanvallen niet alleen aanmerkelijk was, maar welhaast honderd procent bedroeg, blijkt uit de verklaringen die de getuige-deskundige Wolterbeek en de getuige [……] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd. Uit deze verklaringen volgt dat TDG, zeker in de hoeveelheden waarvan in deze zaak sprake is, in Irak geen civiele toepassing kende en dat de TDG werd geïmporteerd ten behoeve van de (wapen)fabriek MSE dat daarmee op bestelling mosterdgas heeft geproduceerd dat binnen afzienbare tijd na de productie ook daadwerkelijk op het slagveld werd ingezet.

De rechtbank leidt de onder 1. tot en met 4. weergegeven vaststaande feiten af uit de navolgende bewijsmiddelen:

[……]

Ad. 1

Uit de inhoud van de hierboven onder [….] en [….] aangehaalde telexberichten van [……] aan verdachte blijkt dat [……] verdachte vóór het eerste transport TDG schriftelijk heeft medegedeeld dat zowel TMP als TDG niet zonder toestemming van de Japanse overheid kon worden geëxporteerd naar (onder meer) Irak en dat dit verband hield met de vrees dat met deze middelen gifgas zou worden geproduceerd.

Ad. 2

Uit de inhoud van het onder [….] genoemde telexbericht blijkt dat verdachte van meet af aan ervan op de hoogte is geweest dat de chemicaliën naar Bagdad vervoerd zouden worden. Desondanks blijkt uit de inhoud van de onder [….] vermelde vrachtbrieven betreffende de zendingen TMP en TDG dat daarop een eindbestemming in Europa is vermeld. Uit verdachtes onder [….] aangehaalde verklaringen volgt dat hij als enig feitelijk betrokkene bij Companies en Oriac de vrachtbrieven moet hebben opgemaakt, althans moet hebben laten opmaken.

Met name vanwege het in de onder [….] aangehaalde, door verdachte opgestelde telexbericht van 3 september 1984, waarin verdachte een persoonlijke suggestie doet ten aanzien van het eindgebruik van de chemicaliën, acht de rechtbank bewezen dat, naast een onjuiste eindbestemming, bewust een onjuist eindgebruik werd opgegeven. Indien de stellingname van verdachte – kort gezegd erop neerkomend dat hij overtuigd was van het door Seorgi opgegeven civiele eindgebruik van de chemicaliën (in het geval van TMP “vlamvertrager” [……] – juist zou zijn, valt niet in te zien waarom hij een persoonlijke suggestie met betrekking tot het eindgebruik moest doen. Indien verdachte inderdaad overtuigd was van bedoeld civiel eindgebruik, dan had die toepassing namelijk (al dan niet vergezeld van een onjuiste eindbestemming) namelijk zonder problemen aan de Japanse overheid kunnen worden opgegeven en op de vrachtbrieven kunnen worden vermeld. Uit het onder [….] aangehaalde, ongedateerde telexbericht van [……] aan verdachte, leidt de rechtbank af dat dezelfde procedure is gevolgd ten aanzien van de zendingen TDG. De vermeende overtuiging van verdachte dat de TDG als “textile additive” zou worden gebruikt, wordt bovendien ontkracht door zijn eigen, onder [….] aangehaalde verklaringen.

Ad. 3

Gezien de onder [….], [….] en [….] aangehaalde telexberichten van [……] aan verdachte, alsmede de onder [….] aangehaalde getuigenverklaring van [……] staat vast dat verdachte van meet af aan van alle zes door zijn tussenkomst ten behoeve van SEORGI te leveren chemicaliën wist, dat zij konden worden gebruikt bij de productie van gifgas. Gecombineerd met het feit dat hij wist dat er ten aanzien van Irak exportrestricties in verband met dit mogelijk gebruik golden, alsmede de omstandigheid dat verdachte bewust onjuiste eindbestemmingen en onjuist eindgebruik opgaf, althans liet opgeven – ad. 1 en ad. 2 - staat vast dat verdachte, net als [……], wist dat de chemicaliën zouden worden gebruikt ten behoeve van de productie van gifgas. Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat uit de onder [….] en [….] aangehaalde verklaringen onder meer blijkt dat SEORGI bereid bleek verdachte een zeer hoge commissie te betalen. Ook voor verdachte moet het volslagen onaannemelijk zijn geweest dat een zo hoge commissie werd betaald voor de invoer van een hechtmiddel voor kleurstoffen op weefsel. Dat SEORGI op de hoogte was van het feit dat een hoge commissie werd betaald en verdachte wist dat SEORGI daarvan op de hoogte was, leidt de rechtbank af uit de onder [….] opgenomen verklaringen van verdachte, waaruit blijkt dat hij SEORGI op de hoogte bracht van de prijs die de leverancier in rekening bracht en dat hij er (namens SEORGI) vanuit Irak op werd gewezen dat de prijzen van TDG in Amerika lager lagen dan in Japan.

Ad. 4

De rechtbank leidt uit de onder [….], [….] en [….] weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte voor het eerste transport TDG op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat Irak gebruik maakte van chemische strijdmiddelen in de oorlog met Iran.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank zowel het (voorwaardelijk) opzet op de medeplichtigheid, als het (voorwaardelijk) opzet op de bewezenverklaarde oorlogsmisdrijven bewezen.

12. De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in hieronder te vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

[…….]

13. Overwegingen inzake de causaliteit tussen de TDG leveringen en de mosterdgasaanvallen.

Nu vaststaat dat verdachte heeft bijgedragen aan leveringen van TDG die is gebruikt voor de productie van mosterdgas en bovendien vaststaat dat bij de bewezenverklaarde aanvallen mosterdgas is gebruikt, rijst de vraag naar de causaliteit tussen deze leveringen en deze aanvallen.

De rechtbank stelt voorop dat van strafbare medeplichtigheid in deze zaak slechts sprake kan zijn, indien de leveringen waaraan verdachte heeft bijgedragen het uitvoeren van de bewezenverklaarde aanvallen - die hebben plaatsgevonden in de periode van 11 april 1987 tot en met 2 augustus 1988 - hebben bevorderd of gemakkelijk hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is geweest.

In dit verband zijn van belang de rapporten van getuige-deskundige Wolterbeek van 10 november 2005 en 3 december 2005. In zijn rapport van 10 november 2005 concludeert Wolterbeek in de eerste plaats dat minimaal 800 ton van de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG op het slagveld terecht is gekomen. Voorts heeft Wolterbeek geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat deze TDG, naast TDG van andere leveranciers, vanaf september 1985 op het slagveld terechtgekomen is.

Voorts heeft Wolterbeek in zijn rapport van 10 november 2005 een scenario geschetst, waarin uitgegaan wordt van de – hoogstwaarschijnlijk volslagen hypothetische – situatie dat bij de productie van mosterdgas op MSE eerst al de TDG die door andere leveranciers was geleverd zou zijn gebruikt, alvorens over te gaan tot het gebruik van de TDG die door tussen komst van verdachte is geleverd. Wolterbeek concludeert dat in die situatie het mosterdgas dat vanaf december 1987 op het slagveld terechtgekomen is moet zijn geproduceerd met behulp van de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd.

Ter terechtzitting van 28 november 2005 heeft Wolterbeek de rechtbank echter te kennen gegeven dat hij bij de berekeningen die tot de zojuist genoemde conclusie hadden geleid, niet had betrokken twee pas na het uitbrengen van zijn rapport van 10 november 2005 (terug)gevonden documenten. Uit deze twee documenten leidt Wolterbeek af, dat zich aan het einde van de Iran-Irakoorlog in augustus 1988 in Pakhuis nummer 1 van MSE nog (afgerond) 49 ton TDG bevond in 1953 vaten van elk 25 kilogram. Wolterbeek heeft verklaard dat de 25-kilovaten niet door tussenkomst van verdachte waren geleverd en dat deze kleine vaten veel minder praktisch waren bij de productie van mosterdgas dan de veel grotere vaten waarin de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG was vervoerd en afgeleverd. Wolterbeek heeft eveneens verklaard dat indien in het bovengenoemd scenario rekening zou worden gehouden met de vondst van de 25-kilovaten, de datum vanaf wanneer het mosterdgas dat op het slagveld terechtgekomen is geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd, zou verschuiven.

De rechtbank heeft Wolterbeek naar aanleiding van laatstgenoemde verklaring opdracht gegeven de vondst van de 25-kilovaten in het scenario te verwerken, hetgeen geresulteerd heeft in het rapport van 3 december 2005.

In laatstgenoemd rapport concludeert Wolterbeek, dat indien eerst al het TDG van de andere leveranciers zou zijn gebruikt - met uitzondering van de genoemde 25-kilovaten - het mosterdgas dat vanaf 1 mei 1987 op het slagveld is terechtgekomen geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd.

Aangezien de rechtbank het feitenmateriaal waarop Wolterbeek zijn conclusies baseert betrouwbaar acht en deze conclusies alle op het terrein van de specifieke deskundigheid van Wolterbeek liggen, neemt de rechtbank bovengenoemde conclusies over en maakt deze tot de hare. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de cijfers, waaronder de cijfers van de FFCD en de cijfers van de UNSCOM, heeft de rechtbank niet alleen acht geslagen op de verklaringen van Wolterbeek dienaangaande, maar ook op die van [……] en [……]. In de verklaringen van de twee laatstgenoemde getuigen valt een bevestiging te lezen van de verklaring van Wolterbeek, inhoudende dat Irak volledige openheid heeft betracht ten aanzien van het mosterd- en zenuwgasprogramma, teneinde de inspecteurs zo spoedig mogelijk het land uit te krijgen, zodat deze niets te weten zouden komen over het (geheime) VX-programma.

De rechtbank leidt het volgende af uit de conclusie dat in bovengenoemd scenario het mosterdgas dat vanaf 1 mei 1987 op het slagveld terecht is gekomen, geproduceerd moet zijn met de TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd. Daaruit volgt namelijk, dat indien de leveringen waarbij verdachte betrokken is geweest niet zouden hebben plaatsgevonden, de TDG en daardoor het mosterdgas na 1 mei 1987 “op” zou zijn geweest (de 25-kilovaten TDG even buiten beschouwing gelaten). Daaruit volgt dat de mosterdgas-aanvallen na 1 mei 1987 ofwel (deels) zijn uitgevoerd met TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd, ofwel mogelijk zijn geweest doordat deze TDG (deels) bij aanvallen vóór 1 mei 1987 is gebruikt. In dat laatste geval zou immers na 1 mei 1987 TDG van andere leveranciers over zijn gebleven waarmee de aanvallen na deze datum (deels) konden worden uitgevoerd. De TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd heeft het tenslotte kennelijk ook mogelijk gemaakt de voor de productie onpraktische 25-kilovaten ongebruikt te laten staan. Uit het voorgaande volgt dat de leveranties waarbij verdachte betrokken is geweest, de aanvallen van na 1 mei 1987 mogelijk, althans in ieder geval gemakkelijk hebben gemaakt.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde aanvallen die vlak vóór 1 mei 1987 hebben plaatsgevonden, te weten de aanval op Khorramshahr van 11 april 1987 en de aanval op Alut omstreeks 16 april 1987, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit tabel 1B op pagina 19 van het rapport van Wolterbeek d.d. 10 november 2005 blijkt dat in de periode eind mei 1985 tot en met mei 1986 een substantiële hoeveelheid van 385.440 kilo TDG die door tussenkomst van verdachte is geleverd in een constante stroom in Irak is aangekomen. Uit de ter terechtzitting van 28 november 2005 door Wolterbeek afgelegde verklaring blijkt dat de productie van mosterdgas in MSE van maart tot december 1986 heeft stilgelegen en pas daarna weer is opgestart, alsmede dat een behoorlijk deel van de zojuist genoemde hoeveelheid TDG pas na december 1986 kan zijn verwerkt. [……] heeft bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, inhoudende dat in de jaren tachtig nooit grote voorraden TDG en evenmin grote voorraden mosterdgas aanwezig waren op MSE. Mede in acht genomen de conclusie van Wolterbeek, inhoudende dat de door tussenkomst van verdachte geleverde TDG waarschijnlijk reeds vanaf september 1985 op het slagveld terechtgekomen is, volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat genoemde aanvallen die medio april 1987 zijn uitgevoerd mogelijk, althans in ieder geval gemakkelijk zijn gemaakt door de leveranties TDG waarbij verdachte betrokken is geweest.

14. De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding als 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - zoals weergegeven in de hieronder vermelde bewezenverklaring.

1. subsidiair:

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op 5 juni 1987 te Zewa en

op 16 maart 1988 te Halabja en

op 3 mei 1988 te Goktapa (Gukk Tapah)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) uiting(en) is/zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) en/of het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949, als leden van de regering van de Republiek van Irak behorende tot één van de strijdende partijen in een niet-internationaal en/of internationaal gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Irak opzettelijk chemische strijdmiddelen (mosterdgas en/of zenuwgas) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en/of een deel van de Koerdische bevolkingsgroep stelselmatig werd geterroriseerd, terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Zewa en Halabja en Goktapa (Gukk Tapah) en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en onmenselijke behandeling en verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen

tot het plegen van welke misdrijven verdachte op tijdstippen in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Bagdad en/of te Antwerpen en/of te Triëst en/of te Akaba opzettelijk middelen heeft verschaft

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de productie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas) te leveren aan de Republiek van Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

2.

dat Saddam Hussein Al-Tikriti en/of Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of Hussein Kamal Hassan Al-Majid en/of (een) ander(e) ((tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en))

op 11 april 1987 te Khorramshahr en

op of omstreeks 16 april 1987 te Alut en

op 28 juni 1987 te Sardasht en te Rash Harmeh (in de directe omgeving van Sardasht) en

op 22 juli 1988 te Zardeh en

op of omstreeks 2 augustus 1988 te Oshnaviyeh,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad,

door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève (1925) en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) als leden van de regering van de Republiek van Irak behorende tot één van de strijdende partijen in een internationaal gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Iran opzettelijk chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen personen (burgers) die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen (burgers) zijn overleden en/of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, terwijl die chemische strijdmiddelen werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Khorramshahr en Alut en Sardasht en Rash Harmeh en Zardeh en Oshnaviyeh, en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en onmenselijke behandeling en verminking van deze personen (burgers) en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen (burgers))

tot het plegen van welke misdrijven verdachte op tijdstippen in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 te Bagdad en/of te Antwerpen en/of te Triëst en/of te Akaba opzettelijk middelen heeft verschaft,

door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de productie van chemische strijdmiddelen (mosterdgas ) te leveren aan de Republiek van Irak voor de fabricage van chemische strijdmiddelen.

15. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

16. Overwegingen met betrekking tot verandering van wetgeving.

De Wet Oorlogsstrafrecht (WOS) zoals deze ten tijde van de telastgelegde periode gold, is daarna enkele malen gewijzigd en bij de inwerkingtreden van de Wet internationale misdrijven (Wim) op 1 oktober 2003 zijn de oorlogsmisdrijven uit de WOS overgeheveld naar die Wim.

Van belang voor de vaststelling of de latere bepalingen gunstiger zijn voor de verdachte dan de wet zoals deze gold ten tijde van de telastgelegde periode zijn alleen de wijzigingen bij de wetten van 27 maart 1986 (Stb. 1986, 139) en van 14 juni 1990 (Stb. 1990, 369).

Bij de wet van 27 maart 1986 werd een nieuw artikel 10a ingevoegd in de WOS waarin de bijkomende straf genoemd in artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) (ontzegging van het actief en passief kiesrecht) mogelijk wordt gemaakt bij - onder andere - een veroordeling wegens het begaan van oorlogsmisdrijven, terwijl bij de wet van 14 juni 1990 de doodstraf als mogelijke straf uit de WOS werd verwijderd.

De WOS zoals deze luidt per 1 januari 1991 na de wijziging bij de wet van 14 juni 1990 is enerzijds gezien de strafbedreigingen gunstiger voor de verdachte en anderzijds gezien de mogelijkheid van de bijkomende straf van ontzegging van het kiesrecht ongunstiger.

Van de overheveling van de strafbepalingen die betrekking hebben op de oorlogsmisdrijven uit de WOS per 1 oktober 2003 naar de Wim kan niet gezegd worden dat dit gunstigere bepalingen oplevert voor de verdachte.

Op grond van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr. zal moeten worden uitgegaan van de WOS zoals deze luidde met ingang van 1 januari 1991 met uitsluiting van artikel 10a.

17. Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Vast is komen te staan dat verdachte bewust en uit louter winstbejag een essentiële bijdrage heeft geleverd aan het chemische wapenprogramma van Irak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn bijdrage heeft een groot aantal met mosterdgas uitgevoerde aanvallen op weerloze burgers mogelijk gemaakt, althans vergemakkelijkt. Deze aanvallen vormen zeer ernstige oorlogsmisdrijven. De medeplichtige kan zijn medeplichtigheid aan dit soort oorlogsmisdrijven uiteraard niet wegredeneren door zich erop te beroepen dat het niet zijn beslissing is geweest chemische aanvallen uit te laten voeren en evenmin door zich erop te beroepen dat deze misdrijven ook zonder zijn bijdrage zouden hebben plaatsgehad, omdat dan zeker een ander deze bijdrage voor zijn rekening zou hebben genomen.

De aanvallen hebben de dood van veel mensen veroorzaakt en de talrijke overlevenden veel leed toegebracht, waaronder het gemis van overleden kinderen, echtgenoten en familieleden, alsmede zeer ernstige, in veel gevallen met het verstrijken van de tijd verergerende, gezondheidsklachten. De overlevenden hebben dit leed nu reeds vele jaren onverminderd moeten dragen en zullen dit hun hele verdere leven moeten blijven doen.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan dermate ernstig zijn, dat zelfs het opleggen van de maximum (gevangenis)straf daaraan nog onvoldoende recht doet. Van dit oordeel staat geheel los de vraag of verdachte ook na de aanval op Halabja het Iraakse regime heeft (willen) voorzien van middelen ten behoeve van de productie van gifgassen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat dit niet onomstotelijk is komen vast te staan, maar dat het feit dat verdachte vrijwel direct na het zien van beelden van de slachtoffers van de aanval op Halabja zijn handel in TDG, omgedoopt tot Fixsol, wilde voorzetten en verdachte reeds in ieder geval rond 28 juli 1988 zich weer in Bagdad bevond en aldaar een medewerker in Europa instrueerde niemand te vertellen waar hij zich bevond, getuigen op zijn zachtst gezegd niet van spijt of inkeer. Van spijt, inkeer of mededogen van de zijde van verdachte is de rechtbank overigens in het gehele onderzoek niets gebleken.

Het feit dat de medeplichtigheid tot genocide niet is bewezenverklaard, brengt niet met zich dat met een lagere straf dan de geëiste 15 jaar zou moeten worden volstaan. Er bestaat immers wat ernst betreft geen rangorde tussen oorlogsmisdrijven en genocide. Dit wordt onder meer tot uitdrukking gebracht doordat voor beide misdrijven een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd en voor medeplichtigheid maximaal 15 jaar.

Ook naar internationaal recht is er ten aanzien van de strafbedreiging geen onderscheid tussen genocide en oorlogsmisdrijven; voor beide kan in de internationale strafrechtspleging een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Weliswaar lijkt de internationale rechtspraktijk uit te gaan van genocide als ernstiger vorm van internationale aansprakelijkheid dan misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdrijven –vanwege het aan genocide ten grondslag liggende bijzondere oogmerk - (ICTR, Kambanda, vonnis eerste aanleg, paragraaf 16; ICTR, Musema, zaak nr. ICTR-97-23-S, vonnis eerste aanleg, 4 september 1998, paragraaf 981; ICTR, Rutaganda, zaak nr. ICTR-96-3-T, vonnis eerste aanleg, 6 december 1999, paragraaf 451), maar stelt ten aanzien van de straftoemeting voor internationale misdrijven eveneens dat de ernst van de strafbare gedraging alsmede vorm en niveau van deelneming centraal dienen te staan, ongeacht de juridische kwalificatie (ICTY, Krnojelac, zaak nr. IT-97-25-T, vonnis eerste aanleg, 15 maart 2002, paragraaf 522; ICTY, Celebici, zaak nr. IT-96-21-A, vonnis hoger beroep, 20 februari 2001, paragraaf 731; ICTY; Blaškic, zaak nr. IT-95-14-A, vonnis hoger beroep, 29 juli 2004, paragraaf 683).

Gezien het hierboven aangeduide, ondanks het verstrijken van de tijd niet in intensiteit afnemende leed van de slachtoffers alsmede gezien de onverjaarbaarheid van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank een matiging van de straf vanwege tijdsverloop en de leeftijd van verdachte niet op zijn plaats. Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die tot matiging van de straf zouden moeten leiden.

De maanden waarin verdachte in Italië in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, zullen niet in mindering worden gebracht op de op te leggen straf. Deze detentie had namelijk geen betrekking op de bewezenverklaarde feiten, maar op overtreding van Amerikaanse exportvoorschriften.

18. Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27, en 28.

Nu de officieren van justitie hebben gevorderd dat voorwerp genummerd 29 ofwel de goederen die als zodanig zijn vermeld op de kennisgeving van inbeslagneming (E1.2) onder 6.1 - te weten een strip met medicijnen, gekopieerde artikelen uit tijdschriften en kranten omtrent [verdachte], Saddam Hussein en de gifgasaanvallen, alsmede een rekening van hotel Van der Valk - aan verdachte zal c.q. zullen worden teruggegeven, maar met uitzondering van de tijdschriften, zal de rechtbank voorts de teruggave aan verdachte gelasten van voorwerp genummerd 29, voor zover dit betreft genoemde strip met medicijnen en genoemde hotelrekening.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36, in eigendom toebehoren. De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

19. De vorderingen van de beledigde partijen.

De hieronder vermelde personen, genaamd:

[ 1 t/m 15 ]

hebben zich ieder als beledigde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, telkens ƒ1.500,= (thans € 680,67)

Met betrekking tot de ingediende vorderingen door de beledigde partijen zijn de artikelen 332 en volgende van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, zoals deze artikelen luidden vóór de inwerkingtreding van de Wet van 23 december 1992 (Stb.1993, 29) in het arrondissement 's-Gravenhage, nu de bewezen verklaarde feiten dateren van vóór 1 april 1995.

De rechtbank stelt vast de beledigde partij [……] zijn vordering heeft ingetrokken, zodat over diens vordering niet meer behoeft te worden beslist.

De rechtbank behoeft geen oordeel te geven omtrent een mogelijke verjaring van de vorderingen, nu daarop door verdachte geen beroep is gedaan.

De rechtbank stelt vast dat de schade die de beledigde partijen stellen te hebben geleden, is veroorzaakt door de gevolgen van het afwerpen van bommen, gevuld met gifgas, door de regering van Irak. De ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde handelingen betreffen het leveren van grondstof tot het vervaardigen van dat gifgas. De geschonden norm van medeplichtigheid aan het medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog strekt mede tot bescherming tegen schade zoals de beledigde partijen hebben geleden.

Met betrekking tot het materiële recht zijn de navolgende artikelen van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wcod) van belang:

Artikel 3:

1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.

2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed (...) elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.

3. Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats (...) hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing.

Artikel 6:

1. Indien partijen het op de verbintenis uit onrechtmatige daad toepasselijke recht hebben gekozen, is in afwijking van de artikelen 3 (...) tussen hen dit recht van toepassing.

Door partijen is niet een keuze als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Wcod gedaan.

Op grond van het eerste lid van artikel 3 Wcod zou het materiële recht blijkens de bewezenverklaring voor de aan verdachte verweten feiten beheerst worden door het recht van Irak (Bagdad) en/of België (Antwerpen) en/of Italië (Triëst) en/of Jordanië (Akaba).

Op grond van het tweede lid van artikel 3 Wcod komen echter de rechtsstelsels van Irak (feiten 1) en Iran (feiten 2) voor toepassing in aanmerking, aangezien de schade van de beledigde partijen in die Staten is ontstaan.

Ten aanzien van de beledigde partijen [……], [……] en [……], die allen thans in Nederland wonen, is door hun advocaat en de officier van justitie betoogd dat op grond van de uitzondering van artikel 3, derde lid, Wcod Nederlands recht voor toepassing in aanmerking zou komen, omdat verdachte thans ook zijn woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank verwerpt dit betoog, aangezien op het moment van het plegen van de onrechtmatige daden door verdachte en de regering van Irak en het ontstaan van de schade voor deze beledigde partijen zij niet in dezelfde Staat woonden. Verdachte woonde immers destijds achtereenvolgens in Zwitserland, Singapore en Italië, terwijl [……] en [……] toen in Irak woonden en [……] in Iran woonde.

Ten aanzien van de beledigde partijen [……] en [……] zal derhalve Iraaks worden toegepast en ten aanzien van de overige beledigde partijen Iraans recht.

De artikelen 202 en 204 van het Iraakse Burgerlijk Wetboek (1951) luidden destijds (in een Engelse vertaling):

202:

“Any conduct injurious to the person of another whether resulting in death, injury, beating up or any other type of harm shall render the person causing harm to be liable for damages.”

204:

“Any wrong causing others (their property or their person) any other injury not mentioned in the preceding articles shall merit reparation.”

De artikelen 1 en 5 (voor zover relevant) van de Iraanse Wet van Civiele Aansprakelijkheid (1960) luidden destijds:

1:

“Ieder die zonder wettelijke bevoegdheid willens en wetens of door onachtzaamheid leven, gezondheid, vermogens, vrijheid, eer, goede handelsnaam of welke wettelijke rechten dan ook van een ander beschadigt, waardoor de rechthebbende een materiële of immateriële schade lijdt, moet de door diens handeling ontstane schade vergoeden.”

5:

“Indien door een schade aan het lichaam of aan de gezondheid van iemand een gebrek in diens lichaam optreedt of diens arbeidsvermogen wordt verminderd of tenietgedaan of de kosten van levensonderhoud van het slachtoffer worden verhoogd, is de dader aansprakelijk voor het vergoeden van alle door hem ontstane schades (..)”

Uit de bewezen verklaarde medeplichtigheid tot het verschaffen van middelen ten behoeve van het vervaardigen van het mosterdgas voor het vullen van de bommen die ook daadwerkelijk zijn gegooid en schade hebben veroorzaakt volgt voldoende dat de verdachte een onrechtmatige daad heeft gepleegd naar Iraaks burgerlijk recht en Iraans burgerlijk recht en dat dit hem kan worden toegerekend.

Door verdachte is niet weersproken dat de beledigde partijen de door hen gestelde schade hebben geleden als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. De vorderingen behoren derhalve als noch onrechtmatig noch ongegrond te worden toegewezen.

Het bedrag van iedere vordering van ƒ1.500,= (thans € 680,67) is ingevolge het tot 1 april 1995 geldende Nederlandse recht het maximum aan iedere beledigde partij in een strafprocedure toe te wijzen bedrag. Dit bedrag moge dan niet in verhouding staan tot de werkelijk door de beledigde partijen geleden schade, maar dit bedrag is geen symbolisch bedrag waardoor toewijzing daarvan niet mogelijk zou zijn, zoals door de raadslieden van verdachte is betoogd.

Nu de vorderingen van de beledigde partijen zullen worden toegewezen, behoort verdachte verwezen te worden in de kosten door hen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op € 100,= voor iedere beledigde partij als kosten voor rechtsbijstand, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

20. De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen:

- 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht.

21. De beslissing.

De rechtbank,

verklaart de gewijzigde dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 telastgelegde, voor zover betreffende “althans op (een) (of meer) tijdstip(pen) in de jaren 1986 en/of 1987 en/of 1988 te Irak”;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 1 als primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding als 1 subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt en terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

- medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt en terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 06 december 2004;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 09 december 2004;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 tot en met 10, 13 tot en met 15, 18 tot en met 20, 23, 24, 27 en 28;

gelast voorts de teruggave aan verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 29, voor zover dit betreft een strip met medicijnen en een rekening van hotel Van der Valk;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 3, 11, 12, 16, 17, 21, 22, 25, 26, 30 tot en met 36;

wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de beledigde partijen en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[beledigde partijen 1 t/m 15]

telkens een bedrag van € 680,67, zijnde een totaalbedrag van € 10.210,05;

met veroordeling tevens in de kosten door de beledigde partijen gemaakt, tot deze uitspraak als kosten voor rechtsbijstand voor iedere beledigde partij begroot op € 100,= , zijnde totaal € 1.500,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R.A.C. van Rossum, voorzitter,

D.R. Glass en J.R.G. Jofriet, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs M. Gest en B.J. de Koning, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2005.