Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8661

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
AWB 01/65074, e.v.
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV1012
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / EU-onderdaan / Oulane-arrest / schadevergoeding.

Eiser, een Fransman, is na twee strafrechtelijke staandehoudingen in vreemdelingenbewaring gesteld, te weten van 3 tot en met 10 december 2001 en vervolgens van 27 juli 2002 tot en met 2 augustus 2002. De eerste inbewaringstelling is opgeheven omdat door eiser op 7 december 2001 een Carte d’ Identité was overgelegd. Verweerder heeft de echtheid hiervan op 7 december 2001 vastgesteld en merkte eiser vanaf die datum ook aan als dienstontvanger in de zin van het EG-verdrag. De tweede inbewaringstelling is geëindigd met de uitzetting van eiser naar Frankrijk. Omdat de reikwijdte van het gemeenschaprecht voor de onderhavige zaken voor de rechtbank niet onmiddellijk duidelijk was heeft de rechtbank vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg, die zijn beantwoord in een arrest van 17 januari 2005. Omdat de bewaringen ten tijde van de behandeling van de respectieve beroepen waren opgeheven, gaat het om de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding. De rechtbank beantwoordt deze vraag voor de eerste bewaring als volgt. Gelet op verweerders standpunt dat eiser vanaf 7 december 2001 rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan was in ieder geval de bewaring van 7 tot en met 10 december 2001 onrechtmatig. Gelet op het antwoord van het Hof komt de rechtbank vervolgens tot het oordeel dat de bewaring van 3 tot 7 december 2001 niet onrechtmatig is geweest nu eiser zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond. Inzake de tweede bewaring overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser onderdaan van een lidstaat is en daarmee burger van de Unie. Van een actuele bedreiging van de openbare orde is niet gebleken. De rechtbank komt op basis van Afdelingsjurisprudentie over artikel 8.13 Vb 2000 tot het oordeel dat aan eiser in ieder geval een vertrektermijn van vier weken had moeten worden gegund en dat eiser niet in bewaring kon worden gesteld. Beroep gegrond en toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/65074, 02/57948 en 02/ 57937 VRONTN

Inzake : A, hierna te noemen eiser,

gemachtigde mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser is geboren op [...] 1970 en hij bezit de Franse nationaliteit.

Procesverloop ten aanzien van het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 01/65074 (hierna onder II. te noemen de eerste procedure)

2. Op 3 december 2001 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet (Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld.

3. Op 4 december 2001 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank, geregistreerd onder nummer AWB 01/65074 VRONTN. Hij heeft verzocht om opheffing van de bewaring en om toekenning van schadevergoeding.

4. Op 10 december 2001 heeft verweerder de vreemdelingenbewaring opgeheven.

5. De openbare behandeling van het beroep door de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 11 december 2001. Eiser is niet in persoon verschenen, maar is aldaar vertegenwoordigd door mr. G.A. Soebhag, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. P.C. Mostert. De rechtbank heeft het onderzoek heropend bij beslissing van 21 februari 2002 en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De behandeling ter zitting is voortgezet op 19 maart 2002. Eiser is daar vertegenwoordigd door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. D. Matadien. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde A. van de Burgt. Bij beslissing van 28 mei 2002 zijn partijen op de hoogte gesteld van de heropening van het onderzoek wegens nader vooronderzoek.

Procesverloop ten aanzien van het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 02/57948 en 02/ 57937 VRONTN (hierna onder II. te noemen de tweede procedure)

6. Op 27 juli 2002 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld.

7. Bij schrijven van 29 juli 2002 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank, geregistreerd onder nummer AWB 02/57948 VRONTN. Hij heeft verzocht om opheffing van de bewaring en om toekenning van schadevergoeding. Bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vw 2000, ter griffie van deze rechtbank tevens ontvangen op 29 juli 2002, heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser de voornoemde maatregel van bewaring is opgelegd. Krachtens die bepaling wordt eiser na de ontvangst van deze kennisgeving (ook) geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 02/57937 VRONTN.

8. Op 2 augustus 2002 heeft verweerder eiser naar Frankrijk uitgezet.

9. De openbare behandeling van laatstgenoemde beroepen heeft plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer op 5 augustus 2002. Eiser is niet in persoon verschenen, maar is vertegenwoordigd door mr. G.A. Soebhag, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. S. van Beek. De rechtbank heeft het onderzoek heropend bij beslissing van 7 augustus 2002. Verweerder heeft bij brief van 27 augustus 2002 nadere inlichtingen verstrekt. Naar aanleiding van deze reactie heeft de rechtbank bij brief van 18 september 2002 nadere vragen gesteld, die door verweerder bij brief van 1 oktober 2002 zijn beantwoord. Eiser heeft bij brief van 29 augustus 2002 medegedeeld dat hij geen nader standpunt heeft. Bij brief van 20 november 2002 heeft de rechtbank wederom nadere vragen gesteld, welke bij brief van 2 december 2002 door verweerder zijn beantwoord. Voorts is aan partijen bericht dat de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De gemachtigde van eiser heeft op 25 november 2002 bericht zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

10. Partijen zijn bij brief van 19 december 2002 in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de rechtbank geformuleerde conceptvragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof). Eiser heeft niet nader gereageerd, verweerder heeft gereageerd bij brief van 4 maart 2003. Bij uitspraak van 12 mei 2003 (gepubliceerd in JV 2003/299) heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en het Hof verzocht om uitspraak te doen over een elftal vragen.

11. Bij arrest van 17 januari 2005 (C-215/03, JV 2005/148 m. nt. PB en NJ 2005/405 m. nt. MRM) heeft het Hof de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Partijen zijn vervolgens bij brief van 15 maart 2005 in de gelegenheid gesteld om hun visie op de betekenis en reikwijdte van dit arrest voor de onderhavige zaken te geven. Verweerder heeft zijn reactie op 12 april 2005 aan de rechtbank doen toekomen. Eiser heeft op 11 mei 2005 een reactie ingezonden.

12. Op 14 september 2005 heeft een openbare behandeling van de beroepen plaatsgevonden. Eiser is vertegenwoordigd door mr. P.H. van Akenborgh, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring zowel in de eerste procedure als in de tweede procedure na de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw 2000 toe te kennen.

2. Met betrekking tot de eerste bewaring stelde verweerder zich - samengevat - op het standpunt dat eiser op en vanaf het moment dat hij zijn Carte d' identité aan verweerder had overgelegd, te weten op 7 december 2001, zijn identiteit en Franse nationaliteit had aangetoond. In deze eerste procedure is verweerder er vanuit gegaan dat eiser dienstontvanger is in de zin van het EG-verdrag. Eiser had volgens verweerder aldus als gemeenschapsonderdaan eerst rechtmatig verblijf vanaf 7 december 2001.

In de tweede procedure was voor verweerder duidelijk dat eiser onderdaan van Frankrijk, een EU-lidstaat, is. Nu eiser tijdens deze tweede bewaringsperiode geen beroep had gedaan op één van de vier vrijheden van het EG-verdrag en evenmin als dienstontvanger kon worden beschouwd, had hij volgens verweerder geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan.

Het geschil heeft zich dan ook toegespitst op de betekenis van het gemeenschapsrecht voor de onderhavige zaak. De rechtbank heeft, zoals onder I.10 reeds is weergegeven, vragen aan het Hof voorgelegd om hier duidelijkheid over te verkrijgen. De volgende vragen zijn door de rechtbank gesteld:

“Betreffende de eerste procedure:

1. Dient, door het wegvallen van toegangscontrole aan de binnengrenzen, het bepaalde in artikel 4, tweede lid, derde alinea, van de richtlijn 73/148/EEG (Pb EG nr L 172) zo opgevat te worden dat het daarin toegekende verblijfsrecht van een persoon, die stelt onderdaan van een andere lidstaat en toerist te zijn, door de autoriteiten van de lidstaat, waarin die persoon zijn verblijfsrecht inroept, moet worden erkend eerst en vanaf het moment waarop door die persoon diens geldige identiteitskaart of geldige paspoort is getoond?

2a. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, geeft de huidige stand van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder voor wat betreft het non-discriminatie beginsel en het vrije verkeer van diensten, aanleiding daarop een uitzondering te maken zodanig dat de autoriteiten van een lidstaat die persoon in de gelegenheid moet stellen om alsnog diens geldige identiteitskaart of geldige paspoort te tonen?

2b. Is het voor de beantwoording van vraag 2a van betekenis dat het nationale recht van de lidstaat, waarin die persoon zijn verblijfsrecht inroept, geen algemene identificatieplicht oplegt aan de eigen onderdanen?

2c. Indien het antwoord op vraag 2a bevestigend is, stelt de huidige stand van het gemeenschapsrecht eisen aan de tijdsduur waarbinnen die lidstaat alsnog gelegenheid moet geven tot het tonen van een geldige identiteitskaart of geldig paspoort alvorens een bestuursrechtelijke sanctie in de vorm van een maatregel op te leggen ter zake van het veronderstelde illegaal verblijf?

2d. Is een bestuursrechtelijke sanctie in de vorm van een maatregel als in vraag 2c genoemd en die bestaat uit het opleggen van een maatregel van bewaring ter fine van uitzetting op de voet van het bepaalde in artikel 59 Vw 2000 alvorens de termijn als bedoeld in vraag 2c is verstreken, een sanctie die een onevenredig grote inbreuk vormt op het vrije verkeer van diensten?

3a. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend is, is dan in de huidige stand van het gemeenschapsrecht sprake van een belemmering van het vrij verkeer van diensten, indien jegens een persoon die stelt onderdaan van een andere lidstaat en toerist te zijn, in de periode waarin en zolang hij niet, door middel van het tonen van een geldige identiteitskaart of geldig paspoort, zijn verblijfsrecht heeft aangetoond, een maatregel van bewaring ter fine van uitzetting op de voet van het bepaalde in artikel 59 Vw 2000 wordt opgelegd in het belang van de openbare orde, ook zonder gebleken actuele en ernstige bedreiging van die openbare orde?

3b. Is, indien sprake is van een belemmering als genoemd in vraag 3a, voor de vaststelling van de vraag of de belemmering gerechtvaardigd is, van belang de tijdsduur waarbinnen die lidstaat alsnog gelegenheid heeft gegeven tot het tonen van een geldige identiteitskaart of geldig paspoort?

3c. Is, indien sprake is van een belemmering als genoemd in vraag 3a, voor de vaststelling van de vraag of de belemmering gerechtvaardigd is, van belang of de lidstaat achteraf al dan niet schadevergoeding uitkeert over de periode waarin de persoon in bewaring verbleef en nog niet zijn nationaliteit door middel van het tonen van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart had aangetoond, als zulks in die lidstaat gebruikelijk is bij onrechtmatige vreemdelingenbewaringen?

4. Staat in het geval een lidstaat zelf geen algemene identificatieplicht kent de huidige stand van het gemeenschapsrecht er aan in de weg, in het bijzonder gelet op het discriminatieverbod, dat een lidstaat bij binnenlands vreemdelingentoezicht ten aanzien van een persoon die stelt toerist te zijn, overgaat tot het opleggen van een maatregel als vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting op de voet van het bepaalde in artikel 59 Vw 2000, in de periode waarin en zolang die persoon niet door middel van het tonen van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zijn gestelde verblijfsrecht aantoont?

Betreffende de tweede procedure:

5. Verzet de huidige stand van het gemeenschapsrecht zich ertegen dat zolang een onderdaan van een lidstaat zelf het verblijfsrecht als dienstontvanger niet inroept jegens de lidstaat op het grondgebied waarvan hij verblijft, die persoon door die lidstaat niet wordt beschouwd als een ingevolge het gemeenschapsrecht verblijfsrechtelijk beschermde onderdaan?

6. Dient het begrip dienstontvanger als bedoeld in het vrij verkeer van diensten zo begrepen te worden dat, ook indien iemand zich gedurende een langere periode, mogelijk langer dan zes maanden, in een andere lidstaat ophoudt, aldaar is aangehouden voor een strafbaar feit, geen vaste woon- of verblijfplaats weet te noemen en voorts geld noch bagage bezit, het verblijf in een andere lidstaat al voldoende grond oplevert om te moeten veronderstellen dat toeristische of andere aan kort verblijf verbonden diensten, zoals bijvoorbeeld logies en het nuttigen van maaltijden, worden ontvangen?”

Het Hof heeft hierop het volgende voor recht verklaard:

“1) Artikel 4, lid 2, derde alinea, van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat voor de erkenning van het verblijfsrecht van een ontvanger van diensten die onderdaan is van een andere lidstaat, niet mag verlangen dat die onderdaan een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overlegt, wanneer het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd.

2) Artikel 49 EG verzet zich ertegen dat een onderdaan van een lidstaat in een andere lidstaat een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort dient over te leggen om zijn nationaliteit te bewijzen, wanneer de eigen onderdanen van die andere lidstaat niet aan een algemene identificatieplicht zijn onderworpen, maar hun identiteit met ieder naar nationaal recht toegestaan middel kunnen bewijzen.

3) Een maatregel van bewaring van een onderdaan van een andere lidstaat met het oog op uitzetting, die wordt genomen wegens het niet tonen van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, ook zonder dat de openbare orde wordt aangetast, vormt een ongerechtvaardigde belemmering van het vrij verrichten van diensten en miskent bijgevolg artikel 49 EG.

4) De onderdaan van een lidstaat die in een andere lidstaat verblijft als ontvanger van diensten, dient de bewijzen over te leggen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zijn verblijf rechtmatig is. Bij gebreke van die bewijzen kan de lidstaat van ontvangst een maatregel van uitzetting treffen binnen de door het gemeenschapsrecht opgelegde grenzen.”

3. Verweerder heeft zich in een brief van 12 april 2005 op het standpunt gesteld dat geen grond voor schadevergoeding bestaat ten aanzien van de eerste procedure van 3 tot en met 7 december 2001 nu eiser zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond, zoals verlangd in het arrest. Uit de bekende feiten en omstandigheden is af te leiden dat eiser op het moment van zijn inbewaringstelling en tot 7 december 2001 geen paspoort of identiteitskaart kon overleggen en evenmin op enige andere wijze zijn identiteit en nationaliteit kon aantonen. Evenmin bestaat een aanleiding om tot schadevergoeding over te gaan in de tweede procedure omdat die bewaring geheel rechtmatig was daar eiser geen verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.

Ter zitting van 14 september 2005 heeft verweerder zich wat betreft de tweede procedure op het standpunt gesteld dat artikel 8.13 Vb 2000 niet van toepassing is op eiser omdat hij niet heeft aangetoond dat hij gemeenschapsonderdaan is.

4. Eiser heeft in de brief van 11 mei 2005 het volgende aangevoerd. Eiser is van oordeel dat uit het arrest van het Hof kan worden afgeleid dat hem wat betreft de eerste procedure het niet direct overleggen van een identiteitbewijs niet kan worden tegengeworpen. Het verblijfsrecht ontstaat niet pas bij de overlegging van dit bewijs maar vanaf het moment dat hij kan aantonen een gemeenschapsonderdaan te zijn. Door het overleggen van het ontvangstbewijs, waarop een nummer van een Franse identiteitskaart stond vermeld, heeft eiser zijn hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan aangetoond. Eiser verbleef derhalve reeds op het moment van aanhouding rechtmatig in Nederland. Dat eiser niet aanstonds zijn identiteitsbewijs kon overleggen, rechtvaardigde niet de oplegging van een bewaring nu een bewaring een belemmering van het vrije dienstenverkeer vormt.

Niet gesteld kan worden dat niet bewezen kon worden dat eiser verblijfsrecht op grond van het Verdrag had bij zijn aanhouding in de tweede procedure daar verweerder zelf beschikte over een kopie van eisers identiteitsbewijs.

In beide procedures was de bewaring derhalve onrechtmatig.

De vraag of eiser aanspraak op schadevergoeding heeft beantwoordt de rechtbank als volgt.

Met betrekking tot de eerste procedure

5. De maatregel tot inbewaringstelling heeft van 3 tot en met 10 december 2001 geduurd. Nu verweerder er in deze procedure van uit gaat dat eiser dienstontvanger in de zin van het EG-verdrag is, draait het om de vraag of eiser onderdaan van een EU-lidstaat is. Verweerder heeft zich ter zitting van 19 maart 2002 op het standpunt gesteld dat op 7 december 2001 de echtheid van de overgelegde Franse identiteitskaart is vastgesteld. Op dat moment viel eiser verder als gemeenschapsonderdaan aan te merken en vanaf die datum had eiser hier te lande verblijfsrecht, aldus verweerder. Gegeven dit standpunt acht de rechtbank in ieder geval de bewaring van 7 december 2001 tot en met 10 december 2001 onrechtmatig.

Resteert de vraag of eiser vóór 7 december 2001 verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan had, in het bijzonder of hij vóór 7 december 2001 zijn Franse nationaliteit diende aan te tonen c.q. had aangetoond.

Het Hof heeft in rechtsoverweging 22 - 26 het volgende overwogen:

“22. Zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen terecht opmerkt, heeft de verplichting een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart over te leggen, in de eerste plaats tot doel, de oplossing van problemen in verband met het bewijs van het verblijfsrecht niet alleen voor de burgers, maar ook voor de nationale autoriteiten te vereenvoudigen, en in de tweede plaats, vast te leggen welke voorwaarden een lidstaat de betrokkenen maximaal mag opleggen voor de erkenning van hun verblijfsrecht.

23. Wanneer dat bewijs in alle gevallen alleen maar kan worden geleverd door de overlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, gaat zulks echter klaarblijkelijk verder dan de doelstellingen van richtlijn 73/148.

24. De overlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort ten bewijze van de hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan vormt immers een administratieve formaliteit die er enkel toe strekt, de nationale autoriteiten een recht te doen vaststellen dat rechtstreeks uit de hoedanigheid van de betrokken persoon voortvloeit.

25. Indien de betrokkene geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart overlegt, maar zijn nationaliteit niettemin ondubbelzinnig kan aantonen met andere middelen, mag de lidstaat van ontvangst zijn verblijfsrecht niet betwisten op de enkele grond dat de betrokkene niet een van bovengenoemde documenten heeft overgelegd (zie in die zin, in de context van onderdanen van derde landen, arrest van 25 juli 2002, MRAX, C-459/99, Jurispr. blz. I-6591, punt 62).

26. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, derde alinea, van richtlijn 73/148 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat voor de erkenning van het verblijfsrecht van een ontvanger van diensten die onderdaan is van een andere lidstaat, niet mag verlangen dat die onderdaan een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overlegt, wanneer het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd.”

De rechtbank leidt uit het arrest af dat het verblijfsrecht als dienstontvanger eerst erkend kan worden na het tonen van enig en ondubbelzinnig bewijs van de identiteit en nationaliteit.

Aan de orde is dan ook thans de vraag of het ontvangstbewijs van de Postbank met daarop een nummer van een Franse identiteitskaart aan de door het Hof gestelde norm voldoet. De rechtbank komt tot een negatieve beantwoording van deze vraag. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijk ontvangstbewijs niet aangemerkt worden als een middel waarmee - ondubbelzinnig - de identiteit en nationaliteit kan worden aangetoond. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot 7 december 2001 onrechtmatig is geweest. Over die periode kan dan ook geen aanspraak op schadevergoeding worden gemaakt.

6. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van eiser van 7 december 2001 tot en met 10 december 2001 onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond.

7. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 3 dagen, te weten voor 7, 8 en 9 december 2001, onrechtmatige bewaring ten bedrage van 3 x € 95,-- =

€ 285,--. (€ 95,-- politiecel, € 70.-- voor HvB).

Met betrekking tot de tweede procedure

8. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring is opgelegd op 27 juli 2002 en is geëindigd op 2 augustus 2002 met de uitzetting van eiser naar Frankrijk.

Anders dan in de eerste procedure heeft verweerder erkend dat eiser reeds op het moment van de inbewaringstelling onderdaan is van een EU-Lidstaat.

Volgens verweerder had eiser tijdens deze periode van bewaring geen verblijfsrecht als dienstenontvanger en verbleef hij derhalve als vreemdeling hier te lande zonder rechtmatig verblijf.

Ter zitting van 14 september 2005 heeft eiser echter betoogd dat zijn verblijf rechtmatig was omdat zijn verblijfsrecht gekoppeld is aan het feit dat hij de Franse nationaliteit heeft. De rechtbank ziet, voor zo veel nodig, aanleiding om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van Raad van State van 15 augustus 2005, JV 2005/395. Zij zal derhalve toepassing geven aan artikel 8:69, tweede lid, Awb en toetsen aan artikel 8.13 Vb 2000.

Artikel 8.13 Vb 2000 bepaalt:

1. Uitzetting van een gemeenschapsonderdaan blijft achterwege zolang niet is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of dat zijn verblijfsrecht is vervallen.

2. De vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, dan wel zijn gezinslid en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt, dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, wordt niet uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd.

3. Uitzetting van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling blijft achterwege zolang niet is beslist op een tijdig ingediend bezwaar tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid.

4. Van het tweede en derde lid kan in dringende gevallen worden afgeweken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vloeit uit dit artikel voort dat een vreemdeling die een onderdaan is van een lidstaat en daarmee burger is van de Unie, verblijfsrecht heeft als gemeenschapsonderdaan zolang onderzoek niet heeft uitgewezen dat aan de voorwaarden en beperkingen voor dat –uit artikel 18 EG-Verdrag voortvloeiende- verblijfsrecht niet wordt voldaan.

Deze vreemdeling kan slechts dan in bewaring worden gesteld indien zijn verblijfsrecht ten tijde van de inbewaringstelling is vervallen en de vertrektermijn van vier weken is verstreken, of met een beroep op dringende gevallen daarvan wordt afgeweken. Van dit laatste kan slechts sprake zijn bij een actuele bedreiging van de openbare orde.

De rechtbank wijst op de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2005 (200505057/1, JV 2005/348) en 15 augustus 2005 (200506335/1, JV 2005/395) en sluit zich hier bij aan.

Niet in geschil is en ook de rechtbank gaat daar van uit dat eiser op 27 juli 2005 onderdaan was van een lidstaat en daarmee burger van de Unie.

Van een actuele bedreiging van de openbare orde is niet gebleken.

De rechtbank komt, gezien de hiervoor genoemde jurisprudentie, dan ook tot de conclusie dat zelfs als onderzoek zou hebben uitgewezen dat aan het verblijfsrecht niet of niet meer werd voldaan - de rechtbank laat in het midden of dit onderzoek heeft plaatsgevonden - aan eiser in elk geval een vertrektermijn van vier weken had moeten worden gegund en niet in bewaring kon worden gesteld.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de tweede maatregel van bewaring van eiser vanaf zijn aanvang onrechtmatig. Het beroep is derhalve gegrond. Het overige dat door partijen is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking meer.

10.Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige bewaring, te weten 27 juli 2002 tot en met 1 augustus 2002, ten bedrage van 6 x € 95,-- = € 570,--. (€ 95,-- politiecel, € 70.-- voor HvB).

11. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beide procedures. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3381,-- (2 x 1 punt voor het beroepschrift, 4 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 x 0,5 punt voor de schriftelijke opmerkingen in het kader van de prejudiciële vragen bij het Hof, en 1 x 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het arrest van het Hof; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1,5). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep geregistreerd onder nummer AWB 01/65074 gegrond en verklaart de opgelegde bewaring van 7 december 2001 tot 10 december 2001 onrechtmatig;

2. verklaart de beroepen geregistreerd onder de nummers AWB 02/57948 en 02/57937 gegrond en verklaart de opgelegde bewaring van aanvang af onrechtmatig;

3. wijst de verzoeken om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe, groot € 855,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 3381,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M. van Paridon, voorzitter, mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. M.A. Dirks, rechters, en uitgesproken door mr. M. van Paridon in het openbaar op 5 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Dorgelo, griffier.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

afschrift verzonden op: