Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8658

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/46909
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AU9977
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / verblijf detentieboot / wijziging tenuitvoerlegging.

Ten aanzien van de vraag of opheffing van de bewaring dient plaats te vinden dan wel de tenuitvoerlegging dient te worden gewijzigd op grond van de omstandigheid dat eiser reeds langer dan zes maanden op de detentieboot Reno verblijft, overweegt de rechtbank als volgt. De omstandigheden op de detentieboot zijn zwaarder dan in (sommige) andere plaatsen, die als Huis van Bewaring zijn aangewezen en waar ook strafrechtelijk gedetineerden verblijven. Dit in weerwil van een aantal verbeteringen die recentelijk zijn doorgevoerd op het gebied van activiteitenbegeleiding. Op grond van de beperkingen waaraan een verblijf op de detentieboot Reno onderhevig is - het gebrek aan bewegingsruimte en privacy alsmede het ontbreken van de mogelijkheid arbeid te verrichten en educatie te volgen -, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van bewaring slechts gedurende een beperkte termijn op de detentieboot Reno mag plaatsvinden. Dit is ook een van de conclusies in het rapport van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. In het geval van eiser, die sinds 19 mei 2005 op de detentieboot Reno verblijft, is van een beperkte termijn geen sprake meer. Het verzoek tot wijziging van de tenuitvoerlegging wordt toegewezen. Eiser zal zo spoedig mogelijk doch met een maximum van twee dagen na verzending van deze uitspraak, dienen te worden overgeplaatst naar een plaats van tenuitvoerlegging met een minder beperkend en inperkend karakter dan het verblijf op de detentieboot Reno. Voor opheffing van de bewaring ziet de rechtbank geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/46909

V-nummer 1510.100.037

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. J.R. Rigter, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. D. Kuiper.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1985 en de Sierra Leoonse nationaliteit te bezitten. Op 19 mei 2005 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld.

2. Bij uitspraak van 3 juni 2005 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep inzake de opheffing van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3. Laatstelijk bij uitspraak van 16 september 2005 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep, ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, ongegrond verklaard.

4. Op 18 oktober 2005 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 november 2005. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. M.W. Bouwman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. T.S. van Dijk.

6. De rechtbank heeft, na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, op 15 november 2005 het onderzoek heropend en de zaak voor verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.

7. Op 23 november 2005 heeft een nader onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. drs. J.M.R. Maas. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. D. Kuiper.

8. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie te geven op de rapportage van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming naar aanleiding van het toezichtbezoek van 23 februari 2005 aan de detentiecentra Rotterdam, locatie Merwehaven. De gemachtigde van eiser is eveneens in de gelegenheid gesteld zijn schriftelijke reactie te geven op voornoemde rapportage en te reageren op verweerders reactie.

9. Bij faxbericht van 28 november 2005 heeft verweerder zijn schriftelijke reactie aan de rechtbank doen toekomen. De gemachtigde van eiser heeft op 30 november 2005 per faxbericht schriftelijk gereageerd.

10. De rechtbank heeft, na met toestemming van partijen te hebben bepaald dat een nadere zitting achterwege zal blijven, het onderzoek op 2 december 2005 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Ter beoordeling staat of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dan wel, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2. Verweerder heeft de rechtbank op 24 oktober 2005 schriftelijke inlichtingen verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser.

3. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 26 oktober 2005 aangevoerd dat er geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder is, ondanks zijn toezegging, niet nagegaan of de Nigeriaanse autoriteiten eiser tijdens de presentatie hebben medegedeeld dat er geen laissez passer zal worden afgegeven. De geplande presentaties bij de Nigeriaanse autoriteiten zijn herhaaldelijk geannuleerd, terwijl de uitkomst van de presentatie van 25 oktober 2005 thans nog onzeker is. Ter zitting van 9 november 2005 heeft eiser zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zijn langdurig verblijf op de detentieboot Reno er toe dient te leiden dat een wijziging van de tenuitvoerlegging van de bewaring dient plaats te vinden. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingplaats Amsterdam van 18 maart 2005. Ter zitting van 23 november 2005 heeft eiser aangevoerd dat hij langer dan zes maanden in bewaring verblijft. Een belangenafweging dient ertoe te leiden dat de bewaring wordt opgeheven.

4. Namens verweerder is bij brief van 8 november 2005 aangevoerd dat volgens informatie van de Unit Facilitering Terugkeer aan eiser tijdens zijn presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten niet de mededeling is gedaan dat aan hem geen laissez-passer (lp) zou worden afgegeven. Eiser is op 25 oktober 2005 via de Task Force Nigeria opnieuw gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. De Nigeriaanse autoriteiten hebben de lp-aanvraag in onderzoek genomen. Ter zitting van 23 november 2005 heeft verweerder primair – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) van 28 april 2005 - aangevoerd dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring in de zin van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, valt derhalve buiten het toetsingskader van de rechtbank. Voor zover de rechtbank zich hierover kan buigen, is verweerder van mening dat er geen aanleiding is de bewaring op te heffen dan wel een wijziging in de tenuitvoerlegging te gelasten.

5. De rechtbank overweegt het volgende

5.1. De rechtbank overweegt allereerst dat, op grond van het verhandelde ter zitting, de voortgangsrapportage van 24 oktober 2005 en de brief van 8 november 2005, voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat teneinde eiser uit te zetten. Gebleken is dat eiser op 25 oktober 2005 opnieuw gepresenteerd is via de Task Force Nigeria bij de Nigeriaanse autoriteiten. Deze aanvraag is in onderzoek genomen. Dat de eerder geplande presentaties van 21 juli 2005, 18 augustus 2005 en 20 oktober 2005 geen doorgang hebben gevonden kan verweerder niet worden toegerekend, nu deze presentaties zijn geannuleerd door de Nigeriaanse autoriteiten.

Ter zitting van 23 november 2005 heeft verweerder voorts medegedeeld dat op 11 november 2005 een taalanalyse is aangevraagd en dat eiser nog zal worden gehoord.

5.2. Ten aanzien van de vraag of opheffing van de bewaring dient plaats te vinden dan wel de tenuitvoerlegging dient te worden gewijzigd op grond van de omstandigheid dat eiser reeds langer dan zes maanden op de detentieboot Reno verblijft, overweegt de rechtbank als volgt.

5.3. Gezien het subsidiaire standpunt van eiser en gezien de uitspraak van de AbRvS van 28 april 2005 (JV 2005, 308) ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het haar is toegestaan de verblijfsomstandigheden van de in bewaring gestelde vreemdeling te betrekken bij haar oordeelsvorming. Ingevolge artikel 96 van de Vw 2000 dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Verweerder heeft onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de AbRvS betoogd dat, bij de beoordeling van de wijze van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 96, vierde lid, van de Vw 2000, de rechtbank zich dient te beperken tot beoordeling van de vraag of op de plaats of ruimte waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd het (wettelijk) vereiste rechtsregime van toepassing is. Indien dat het geval is, terwijl de verblijfsomstandigheden op die plaats of in die ruimte slechts geschikt zijn voor een verblijf van beperkte duur, zou de rechtbank na het verstrijken van die beperkte duur in het kader van een belangenafweging in de zin van artikel 96, vierde lid, van de Vw 2000 alleen de mogelijkheid ter beschikking staan de bewaring op te heffen. Deze consequentie komt de rechtbank te verstrekkend voor.

In de uitspraak van de AbRvS is overwogen “dat de rechtbank bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring zich dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring”. De rechtbank vat de daaropvolgende zinsnede “bezien in het licht van het daar geldende regime”, aldus op dat deze ziet op de feitelijke situatie op die plaats of ruimte en dat dit de mogelijkheid laat om in het kader van een belangenafweging rekening te houden met alle tekortkomingen en beperkingen waaraan het verblijf op die plaats of in die ruimte onderhevig is. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit slechts anders kunnen zijn, indien door of namens de directeur een de vreemdeling en diens verblijfsomstandigheden betreffende beslissing is genomen, waarover ingevolge artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) door de vreemdeling effectief, dat wil zeggen in potentie met succes binnen een kort tijdsbestek, zou kunnen worden geklaagd bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. Daarvan is evenwel geen sprake aangezien de klachten van eiser niet een beslissing van of namens de directeur betreffen en zijn gerelateerd aan het geheel van verblijfsomstandigheden, in onderlinge samenhang bezien.

Het voorgaande in aanmerking genomen beantwoordt de rechtbank de in het begin van deze overweging gestelde vraag vooralsnog bevestigend.

5.4 De rechtbank overweegt naar aanleiding van achtereenvolgens het proces-verbaal van de schouw, die ingevolge artikel 8:50 van de Awb door deze rechtbank, zittingplaats Amsterdam, op 28 februari 2005 heeft plaatsgevonden, de rapportage voor de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 11 juli 2005 en hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is, dat de omstandigheden op de detentieboot zwaarder zijn dan in (sommige) andere plaatsen, die als Huis van Bewaring zijn aangewezen en waar ook strafrechtelijk gedetineerden verblijven. Dit in weerwil van een aantal verbeteringen die recentelijk zijn doorgevoerd op het gebied van activiteitenbegeleiding.

Ten aanzien van de omstandigheden heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 maart 2005 (JV 2005, 216) het volgende overwogen.

“Ten aanzien van het verblijf aan boord van de Reno stelt de rechtbank vast dat de vreemdelingen tussen 8.00 uur en 12.00 uur en tussen 13.00 uur en 17.00 uur hun cel kunnen verlaten, waarna zij zich via een smalle gang naar een recreatieruimte van 60 m2 kunnen verplaatsen, bestemd voor maximaal 36 personen. In deze ruimte is onder meer een boekenkast aanwezig met boeken in verschillende talen. De cellen zijn geschikt voor vier personen, en voorzien van faciliteiten als televisie, magnetron, toilet en douche en meten 20 m2. Douche en toilet zijn afgescheiden van de cel door middel van deuren die boven en onder ruimte overlaten. De gang waar de cellen en de recreatiezaal aan liggen is niet breed; alle ruimtes aan boord hebben een in verhouding laag plafond. Er is geen gelegenheid tot afzondering of alleen beleefde privacy, tenzij hiertoe een gemotiveerd verzoek wordt gedaan, waarop kan worden beslist tot een verblijf in één van de isoleercellen.

Arbeid en educatie worden niet aangeboden, anders dan beperkte mogelijkheden om incidenteel aan boord als schoonmaker werkzaam te zijn. Iedere dag wordt één uur luchten aangeboden. Hierbij moeten maximaal 72 personen gebruik maken van de luchtplaats in de vorm van een kooi van beperkte afmetingen. Bij sportactiviteiten, welke periodiek en separaat van het luchten door de activiteitenbegeleider in de luchtplaats worden aangeboden, is het maximaal aantal deelnemers 36. Tevens biedt de voornoemde begeleider activiteiten aan als schaken en bingo. Er is één dergelijke functionaris in fulltime dienst voor de Reno en de naastgelegen detentieboot ‘Stockholm’ met alleen op de Reno in totaal maximaal 288 gedetineerden. Post, anders dan brieven, is om veiligheidsredenen niet toegestaan”.

In eerdergenoemd rapport van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming staat onder “Conclusies” onder meer het volgende vermeld:

“De boten maken in ruimtelijk opzicht een benauwde indruk. De activiteiten zijn zowel in uren als naar inhoud beperkt tot het wettelijk minimum. De Raad concludeert dat het niveau van het regime en het niveau van de materiële en sociale omstandigheden voldoende zijn afgestemd op een korte verblijfsduur. Naar mate de detentieduur toeneemt, vormen de beperkingen van het regime en de omstandigheden een bezwaar. De Raad betreurt het ontbreken van een inrichtingspsycholoog en het psycho-medisch overleg (p.m.o.). De behoefte daaraan doet zich mede in het licht van de sobere tenuitvoerlegging vooral gevoelen nu de aanstaande uitzetting voor spanning zorgt. De ruime beschikbaarheid van de medische dienst stemt daarentegen positief.”

In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 18 maart 2005 is geconcludeerd dat met name het gebrek aan ruimte en privacy op de Reno, maar ook het ontbreken van de mogelijkheid tot arbeid en educatie alsmede de beperkte mogelijkheid tot verpozen of bewegen substantiële beperkingen vormen van eisers toekomende grondrechten.

Met betrekking tot het niet aanbieden van arbeid en educatie is de rechtbank van oordeel dat dit in strijd is met artikel 47, tweede lid, en artikel 48, eerste lid, van de Pbw. Uit de Memorie van toelichting op de Pbw (Kamerstuk 1994-1995, 24263, nr. 3), kan worden afgeleid dat arbeid ook voor in bewaring gestelde vreemdelingen van belang is geacht, zulks ongeacht het feit dat de bewaring dient ter fine van uitzetting. Hetzelfde moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen voor het volgen van educatie. Arbeid en educatie zijn niet alleen bedoeld om terugkeer van veroordeelden in de samenleving makkelijker te laten verlopen, maar kunnen tevens dienen als zinvolle invulling van de dag en voorts gericht zijn op terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank verwijst dienaangaande ook naar de notitie over het instrument vreemdelingenbewaring (TK 1998-1999, 26 338, nr. 1), die volgens de Memorie van Toelichting op de Vw 2000 (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3) tot uitgangspunt is genomen bij de totstandkoming van de artikelen 91 tot en met 94 van de Vw 2000. In deze notitie staat op pagina 13 onder meer het volgende vermeld:

“Zowel in de inrichtingen waar terugkeerfunctionarissen werkzaam zijn als in de inrichtingen waar geen terugkeerfunctionarissen werkzaam zijn, bestaat de mogelijkheid om terugkeeractiviteiten aan te bieden. Te denken valt aan activiteiten, in de zin van cursussen die de terugkeer naar het land van herkomst stimuleren en die de kansen om een nieuw bestaan op te bouwen in het land van herkomst vergroten. Verder hebben deze terugkeeractiviteiten tot doel de vreemdeling kennis en vaardigheden aan te leren die na terugkeer in het land van herkomst van nut kunnen zijn. Voorbeelden van terugkeeractiviteiten zijn kortdurende cursussen op het terrein van kleding maken, informatica, metaal- en lastechniek, land- en tuinbouw etc.”.

Nu – zoals verweerder ter zitting ook heeft bevestigd – aan het ontbreken van de mogelijkheid arbeid te verrichten en het volgen van educatie geen besluit van de directie ten grondslag ligt, zodat daarover ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Pbw niet effectief kan worden geklaagd, en arbeid en educatie wel in (sommige) andere Huizen van Bewaring worden aangeboden, acht de rechtbank het ontbreken van die mogelijkheden, aspecten die bij een belangenafweging in de zin van artikel 96, vierde lid, van de Vw 2000 een rol behoren te spelen.

5.5 Op grond van de beperkingen waaraan een verblijf op de detentieboot Reno onderhevig is - het gebrek aan bewegingsruimte en privacy alsmede het ontbreken van de mogelijkheid arbeid te verrichten en educatie te volgen -, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van bewaring, in aanmerking genomen alle belangen, slechts gedurende een beperkte termijn op de detentieboot Reno mag plaatsvinden. Dit is ook een van de conclusies in het rapport van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat deze conclusie niet heeft geresulteerd in een aanbeveling, niet afdoet aan de betekenis daarvan.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser, die op 19 mei 2005 in het kader van vreemdelingenbewaring is geplaatst op de detentieboot Reno, van een beperkte termijn geen sprake meer. De rechtbank ziet in het licht van het vorenstaande, met name gelet op de duur van de maatregel en gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de verblijfsomstandigheden, waaraan eiser onderworpen is geweest, aanleiding om het verzoek tot wijziging van de tenuitvoerlegging toe te wijzen. Voor opheffing van de bewaring ziet de rechtbank geen grond gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen. Nu eiser heeft aangevoerd dat de bewaring met ingang van de dag na die, waarop zes maanden sedert plaatsing op de detentieboot zijn verstreken, onrechtmatig is, te weten met ingang van 20 november 2005, zal de rechtbank de wijze van tenuitvoerlegging met ingang van die datum onrechtmatig achten. Eiser zal zo spoedig mogelijk doch met een maximum van twee dagen na verzending van deze uitspraak, dienen te worden overgeplaatst naar een plaats van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van het Vb 2000, in dier voege dat het verblijf in deze plaats een minder beperkend en inperkend karakter moet dragen dan het verblijf op de detentieboot Reno.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om ten aanzien van eiser op grond van artikel 106 van de Vw 2000 een schadevergoeding toe te kennen van € 45,= voor iedere dag na 19 november 2005, die eiser heeft althans zal hebben doorgebracht op de detentieboot Reno.

Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,=, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,=, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

- wijst het verzoek om wijziging van de tenuitvoerlegging toe als overwogen in deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe voor iedere dag na 19 november 2005, die eiser op de detentieboot Reno heeft althans zal hebben doorgebracht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,=,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. B. van ’t Laar en mr. S. Stenfert Kroese, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2005 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Simi, griffier.

De griffier,

De voorzitter,

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

afschrift verzonden op: