Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8643

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
AWB 03/5539, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afghanistan / klemmende redenen van humanitaire aard.

Door zich te onttrekken aan de militaire dienst heeft eiser zich als (politiek) tegenstander van de Taliban gemanifesteerd, waardoor aannemelijk is dat hij in de bijzondere negatieve aandacht van de Taliban is komen te staan. De wijze waarop de Taliban tegenstanders van hun bewind bejegenen valt onder het begrip vervolging wegens politieke overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van zijn aanvraag voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de a-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Hieraan kan niet afdoen dat de algehele situatie in Afghanistan nadien is gewijzigd en dat eisers vrees voor vervolging door de Taliban wellicht niet meer gegrond is. Eiser dient met ingang van de datum van zijn aanvraag als vluchteling te worden toegelaten. Verweerder kan op die grond, onder de werking van de nieuwe Vreemdelingenwet, een verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet binnen drie jaar intrekken. Verwezen wordt naar TBV 2002/39 van 16 september 2002. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van het feit dat aan de zoon van eiseres wegens zijn medische situatie een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend. Eiseres heeft een beroep gedaan op het beleid zoals dat is neergelegd in C1/4.4.2.4 Vc 2000. De rechtbank is van oordeel dat de klemmende humanitaire situatie van eiseres weliswaar (mede) het gevolg is van de lichamelijke klachten van haar zoon, maar dat de klachten van eiseres, die zij (mede) als gevolg hiervan hier te lande heeft ontwikkeld, hoofdzakelijk psychische van aard zijn. Juist die psychische klachten maken de humanitaire situatie van eiseres in de gegeven situatie zo klemmend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zoon al jarenlang intensieve zorg behoeft en voor zijn dagelijkse verzorging afhankelijk is van eiseres. Gegeven deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van eiseres niet in redelijkheid kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 te verlenen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek. Verweerder wordt opgedragen eisers met ingang van datum aanvraag in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en met ingang van 27 september 2003 voor onbepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 5539 en 05/27364 (gevoegde beroepszaken inzake A en B)

AWB 03 / 5537 (voorlopige voorziening inzake A)

inzake: A, geboren op [...] 1968, eiser / verzoeker, en B, geboren op

[...] 1976, eiseres, beiden van Afghaanse nationaliteit, verder te noemen eisers,

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Bervoets, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eisers hebben op 27 september 2000 aanvragen ingediend om te worden toegelaten als vluchteling. Verweerder heeft deze aanvragen bij besluiten van 27 februari 2001, uitgereikt op 7 maart 2001, afgewezen. De besluiten strekken tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers hebben tegen deze besluiten op 2 april 2001 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de aanvragen in bezwaar aangemerkt als aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van 23 januari 2003 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de besluiten op bezwaar op 27 januari 2003 beroep ingesteld.

1.2 Eiser heeft op 27 januari 2003 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Bij brief van 21 juni 2004 heeft verweerder het besluit van 23 januari 2003 inzake eiseres ingetrokken. Op 23 juni 2004 heeft eiseres het beroep van 27 januari 2003 ingetrokken. Vervolgens heeft eiseres op 16 juni 2005 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 2 april 2001. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 2 april 2001 ongegrond verklaard. Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 6 juli 2005 verzocht om het beroepschrift van 16 juni 2005 aan te merken als mede te zijn gericht tegen het besluit 28 juni 2005.

1.4 Het beroep en het verzoek van eiser zijn ter zitting behandeld door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats op 28 juli 2005. Nadat het onderzoek ter zitting werd gesloten, is op 12 augustus 2005 besloten het onderzoek te heropenen en het beroep van eiser ter verdere behandeling door te verwijzen naar de meervoudige kamer en verder gevoegd met het beroep van eiseres te behandelen.

1.5 In de zaken van eisers heeft de rechtbank bij brief van 21 september 2005 vragen gesteld aan verweerder. De antwoorden daarop heeft verweerder bij brief van 5 oktober 2005 gegeven.

1.6 Op 13 oktober 2005 heeft de (voortgezette) behandeling ter zitting van de geschillen plaatsgevonden. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de Pashtun bevolkingsgroep, is moslim en afkomstig uit een dorp in de provincie Laghman. Eiser verbleef in augustus /september 1997 bij zijn broer in Kabul, toen de Taliban aan de deur kwam. Zijn broer werd opgepakt en meegenomen. Later die avond kwam de Taliban opnieuw langs en hebben zij ook eiser opgepakt. Eiser is een maand vastgehouden. Daarna heeft eiser ongeveer drie weken voor de Taliban gewerkt en vervolgens is hij terug gegaan naar zijn dorp. In het dorp ronselde de Taliban mensen, maar eiser kon de Taliban twee maal afkopen met graan. Op 6 september 2000 werd eiser opnieuw opgepakt door de Taliban. De Taliban wilde dat eiser mee ging vechten aan het front. Eiser werd echter vrijgelaten op voorspraak van de ouderen in het dorp. Na tien dagen kwam de Taliban weer langs. Eiser is ongezien ontkomen en is vervolgens ondergedoken uit angst opnieuw opgepakt te worden. Met hulp van een reisagent kon hij met zijn echtgenote en kind naar Nederland vluchten.

Eiseres, de echtgenote van eiser, heeft ter onderbouwing van haar aanvraag verwezen naar het asielrelaas van eiser.

2.2 Verweerder stelt zich - verkort weergegeven - op de volgende standpunten. Verweerder gaat uit van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van zijn vertrek uit Afghanistan gegronde vrees had voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag). Inmiddels is de situatie in Afghanistan veranderd, zo blijkt uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (ambtsbericht) van 19 augustus 2002 (kenmerk DPV/AM 772662). Nu de situatie zodanig is gewijzigd dat de Taliban niet meer aan de macht is, is het te meer niet aannemelijk dat eiser geronseld zal worden indien hij terugkeert naar Afghanistan. Het vluchtrelaas van eisers biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico lopen te zullen worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts zijn de verklaringen van eisers niet van dien aard dat aannemelijk is dat van hen als gevolg van traumatische ervaringen dan wel bijzondere redenen van klemmende humanitaire aard niet in redelijkheid verwacht kan worden terug te keren naar het land van herkomst. Aan het feit dat aan het minderjarige kind van eisers op 24 juni 2005 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend ontlenen eisers geen afgeleid recht op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.3 Eisers hebben in beroep - verkort weergegeven - daar het volgende tegenin gebracht. Eiser stelt dat hem ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, Vw is onthouden. Eiser betoogt dat het in zijn beroepsprocedure redelijk is de beoordeling van zijn aanvraag niet alleen ex-nunc maar ook ex-tunc te toetsen. Zeker ex-tunc toetsend is het, gezien zijn asielrelaas, aannemelijk dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM door de Taliban. Ook ex-nunc toetsend is dat het geval, omdat na de verandering van de situatie in Afghanistan de Taliban nog immer actief is. Voorts komt eisers een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw toe in verband met de ernstige ziekte van hun minderjarige zoon, waarvoor in het land van herkomst van eisers geen medische behandeling mogelijk is. Nu aan de minderjarige zoon van eisers een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw is verleend, komen eisers ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 In beroep toetst de rechtbank de bestreden besluiten aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.5 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (Vw oud) ingetrokken. Nu de primaire besluiten bekendgemaakt zijn voor 1 april 2001, is ingevolge de artikelen 117 en 118 Vw zowel op de behandeling van de aanvragen en de bezwaren alsmede ten aanzien van de mogelijkheid enig rechtsmiddel tegen die besluiten aan te wenden het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing. De rechtbank toetst de bestreden, na 1 april 2001 genomen besluiten materieel aan het nieuwe vreemdelingenrecht.

2.6 Ingevolge artikel 28, eerste lid en artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. ....

e. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is verleend.

2.7 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.8 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

2.9 Ingevolge artikel 34 Vw kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

2.10 Ingevolge artikel 44, tweede lid, Vw wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

Ten aanzien van het beroep inzake A (AWB 03/5539 )

2.11 Ter beoordeling staat in de eerste plaats of verweerder aan eiser op goede gronden een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw heeft onthouden.

2.12 In het primaire besluit, waarvan de inhoud in het bestreden besluit is ingelast, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser door de Taliban bij hun laatste bezoek geronseld dreigde te worden. De vrees voor ronseling houdt daarnaast geen verband met een van de gronden van het Verdrag. De rechtbank kan zich met dit standpunt niet verenigen en overweegt daartoe het volgende.

2.13 Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij na de gebeurtenis in 1997 in Kabul, in zijn dorp tot drie keer toe aan rekrutering door de Taliban heeft weten te ontkomen. De eerste twee keer door hen af te kopen met graan, op 6 september 2000 doordat men hem op voorspraak van ouderen heeft laten gaan nadat hij was opgepakt. Tien dagen daarna zijn de Taliban weer naar het huis van eisers gekomen en uit de verklaringen van eiseres tijdens haar nader gehoor blijkt dat zij ook toen voor eiser kwamen. Gelet op de gebeurtenissen, bezien tegen de achtergrond van het algemeen ambtsbericht van 16 september 1999 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DPC/AM 633314) inzake Afghanistan, waaruit blijkt dat rekrutering door de Taliban destijds vrijwel uitsluitend onder de Pashtun bevolkingsgroep geschiedde, dient eiser het voordeel van de twijfel te worden gegund en is aannemelijk dat de Taliban eiser bij hun laatste bezoek hebben willen oppakken om militaire dienst voor hen te gaan vervullen. Door deze onttrekking aan militaire dienst heeft eiser zich als (politiek) tegenstander van de Taliban gemanifesteerd, waardoor aannemelijk is dat hij in de bijzondere negatieve aandacht van de Taliban is komen te staan. De wijze waarop de Taliban tegenstanders van hun bewind bejegenen valt onder het begrip vervolging wegens politieke overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

2.14 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiser heeft aangetoond dat hij ten tijde van zijn aanvraag voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de a-grond van artikel 29, eerste lid, Vw en dat verweerder hem ten onrechte een vergunning op die grond heeft onthouden. Hieraan kan niet afdoen dat de algehele situatie in Afghanistan nadien is gewijzigd en dat eisers vrees voor vervolging door de Taliban wellicht niet meer gegrond is. Gelet op artikel 44, tweede lid, Vw dient eiser met ingang van de datum van zijn aanvraag als vluchteling te worden toegelaten. Verweerder kan de op die grond, onder de werking van de nieuwe Vreemdelingenwet, verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet binnen drie jaar intrekken. Verwezen wordt naar het Tussentijdsbericht Vreemdelingencirculaire 2002/39 van 16 september 2002. Daarin wordt onder het kopje “Achtergrond” vermeld dat aan asielzoekers uit Afghanistan op de a-, b-, of c-grond van artikel 29, eerste lid, Vw verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd niet worden ingetrokken. Eiser zou dan derhalve op 27 september 2003 drie jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, Vw hebben genoten en op grond van artikel 34 Vw in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, welke vergunning hij vanwege de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd destijds niet heeft kunnen aanvragen.

2.15 Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 31, eerst lid, Vw jo 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

2.16 De overige gronden van het beroep van eiser behoeven geen bespreking meer.

2.17 Uit hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.14 volgt dat rechtens nog maar één uitkomst mogelijk is, namelijk dat aan eiser met ingang van de datum van zijn aanvraag een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend en met ingang van 27 september 2003 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In die zin zal de rechtbank zelf in deze zaak voorzien. De rechtbank merkt hierbij nog op dat hij, evenals verweerder klaarblijkelijk zelf heeft gedaan bij verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan het minderjarige kind van eisers, in dit bijzondere geval voorbij gaat aan het feit dat aan de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd geen aanvraag ten grondslag ligt.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening inzake A (AWB 03/5537)

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Ten aanzien van het beroep inzake B (AWB 05/27364)

2.19 Eiseres heeft op 16 juni 2005 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Niet in geschil is dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift van eiseres van 2 april 2001.

2.20 Met het nemen van het besluit op bezwaar van 28 juni 2005 heeft verweerder alsnog (opnieuw) op het bezwaar van 2 april 2001 beslist. Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, Awb kan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag in een situatie als deze alsnog gegrond worden verklaard indien eiseres hierbij belang heeft. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 2 april 2001. Derhalve zal de rechtbank het beroep van eiseres voor zover dat is gericht tegen het voormelde (fictieve) besluit niet-ontvankelijk verklaren.

2.21 Voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 28 juni 2005 overweegt de rechtbank als volgt.

2.22 In C1/4.4.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder de beleidsregel neergelegd dat in gevallen waarin de asielzoeker individuele klemmende redenen van humanitaire aard aanvoert die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, deze aanleiding kunnen geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Het dient hierbij te gaan om dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bijvoorbeeld een hoge leeftijd of lichamelijke klachten heeft, is onvoldoende reden om aan te nemen dat terugkeer naar het land van herkomst niet in redelijkheid kan worden verlangd.

2.23 De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van het feit dat aan de zoon van eisers wegens zijn medische situatie bij beslissing van 26 juni 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 1 december 2000, geldig tot 1 december 2003 is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw en hem met ingang van 1 december 2003 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend.

2.24 Niet in geschil is dat de levensbedreigende ziekte van de zoon voor eiseres mede een reden voor vertrek uit Afghanistan is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat het beroep van eiseres op het in C1/4.4.2.4 neergelegde beleid niet kan slagen omdat het beroep uitsluitend verband houdt met de lichamelijke klachten van haar zoon. De rechtbank is van oordeel, dat de klemmende humanitaire situatie van eiseres weliswaar (mede) het gevolg is van de lichamelijke klachten van de zoon, echter de klachten die eiseres (mede) als gevolg hiervan hier te lande heeft ontwikkeld zijn hoofdzakelijk psychisch van aard. Juist die psychische klachten, zoals die uit de stukken in het dossier blijken, maken de humanitaire situatie van eiseres in de gegeven situatie zo klemmend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zoon al jarenlang intensieve zorg behoeft en voor zijn dagelijkse verzorging afhankelijk is van eiseres. Gegeven ook de omstandigheid dat de zoon inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, is de rechtbank van oordeel dat van eiseres, niet in redelijkheid kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Verweerder heeft, gelet op voornoemde bijzondere omstandigheden, ten onrechte geweigerd aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw te verlenen.

2.25 De overige gronden van beroep van eiseres behoeven geen bespreking meer.

2.26 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

2.27 Uit hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.25 volgt dat rechtens nog maar één uitkomst mogelijk is, namelijk dat aan eiseres met ingang van de datum van haar aanvraag een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend en met ingang van 27 september 2003 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In die zin zal de rechtbank zelf in deze zaak voorzien. De rechtbank merkt hierbij nog op dat hij, evenals verweerder klaarblijkelijk zelf heeft gedaan bij verlening van en verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan het minderjarige kind van eisers, in dit bijzondere geval voorbij gaat aan het feit dat aan de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd geen aanvraag ten grondslag ligt.

Ten aanzien van alle geschillen

2.28 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die eisers hebben gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde lid zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 1.046,50 in verband met de beroepen (1 punt voor het beroepschrift tegen de besluiten van 23 januari 2003; ¼ punt voor het beroepschrift tegen het niet tijdig besluiten op het bezwaar van eiseres; 1 punt voor het beroepschrift tegen het besluit van 28 juni 2005 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

Ten aanzien van de beroepen van eiser en eiseres

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 2 april 2001 niet-ontvankelijk.

3.2 verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

3.3 vernietigt de bestreden besluiten;

3.4 draagt verweerder op om eisers met ingang van datum aanvraag in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en met ingang van 27 september 2003 in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1046,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening van eiser

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. R.H.M. Bruin en H.C. Greeuw, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker als griffier.

Afschrift verzonden op: 7 december 2005

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.