Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8217

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/53720
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / artikel 59, derde lid, Vw 2000 / redelijke wetsuitleg / openbare orde en nationale veiligheid / imam Al Fourkaan moskee.

Ingevolge artikel 59, derde lid, Vw 2000 blijft bewaring van een vreemdeling achterwege indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank volgt eiser voor zover is gesteld dat sprake is van een imperatief geformuleerde bepaling, die als zodanig geen ruimte laat voor een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg evenwel met zich dat verweerder in het onderhavige geval, waarin sprake is van een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw 2000 om eiser in het belang van de nationale veiligheid in bewaring te stellen en een zwaarwegend belang gelegen in de openbare orde in verband met eisers ongewenstverklaring, niet gehouden is naar aanleiding van de enkele verklaring van eiser dat hij Nederland wil verlaten de bewaring achterwege te laten of te beëindigen en daarmee het risico te aanvaarden dat eiser zijn toezegging niet gestand doet, niet zelf vrijwillig vertrekt en zich aan uitzetting onttrekt. In dit verband wordt mede verwezen naar de Afdelingsuitspraak 200501250/1 van 29 maart 2005. Verweerder heeft gezien het voorgaande geen aanleiding hoeven zien het bepaalde in artikel 59, derde lid, Vw 2000 toepasselijk te achten. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 48
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: AWB 05/53720 VRONTN

Datum uitspraak: 14 december 2005

UITSPRAAK

op het beroep tegen de maatregel van bewaring, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiser],

geboren op [datum] 1962,

Burger van Bosnië-Herzegovina,

V-nummer [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Harkema-Kloosterman, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2005 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 november 2005 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Bij brief van 6 december 2005 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de bewaring van eiser op 3 december 2005 is opgeheven.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 december 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat de bewaring inmiddels is opgeheven. Eisers gemachtigde heeft onder handhaving van het beroep verzocht om toekenning van schadevergoeding.

2.2 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de rechtbank, indien zij opheffing van de maatregel beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Daartoe dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de bewaring (op enig moment) onrechtmatig is geweest.

2.3 Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit tot oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting toetsing in rechte doorstaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser – zoals ook in het besluit is aangegeven – een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, ongewenst is verklaard en geen rechtmatig verblijf heeft.

2.4 Namens eiser is aangevoerd dat het belang van de openbare orde geen grond kan vormen voor de inbewaringstelling omdat – samengevat – de daaraan ten grondslag liggende omstandigheden, te weten eisers ongewenstverklaring en het niet hebben van rechtmatig verblijf, reeds medio 2005 aan de orde waren en (destijds) geen aanleiding hebben gevormd om eiser in bewaring te stellen. Dit betoog dient echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 maart 2005 (zaaknr. 200501835/1, JV 2005/203), te worden verworpen.

2.5 Voor zover afgezien van het bepaalde in artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 is beoogd te betogen dat eiser na de uitreiking op 30 november 2005 van de beslissingen op bezwaar van 23 en 24 november 2005 (inhoudende handhaving van de afwijzing van eisers aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn reguliere verblijfs-vergunning, respectievelijk handhaving van de beslissing tot ongewenstverklaring) ten onrechte, en in strijd met de vermelding in de beslissing van 23 november 2005 en met de Vw 2000, niet in de gelegenheid is gesteld om Nederland zelfstandig en uit eigen beweging te verlaten, dient dit betoog evenzeer te worden verworpen. Niet in geschil is dat eiser Nederland onmiddellijk diende te verlaten, de Vw 2000 noch enige andere rechtsregel verzet zich tegen een onmiddellijke inbewaringstelling, terwijl er voorts geen grond is voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, gelet op de in het bewaringsdossier genoegzaam tot uitdrukking gebrachte zwaarwegende belangen van de openbare orde en de nationale veiligheid.

2.6 Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 blijft bewaring van een vreemdeling achterwege indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

Namens eiser is aangevoerd dat de bewaring achterwege had dienen te blijven, althans terstond beëindigd had dienen te worden, omdat eiser tijdens het gehoor op 30 november 2005 (het gehoor als bedoeld in artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000) te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten en daartoe ook de gelegenheid bestond. Benadrukt is daarbij dat tijdens dit gehoor is aangegeven dat eiser beschikte over een geldig paspoort, een geldig visum voor Soedan, alsmede over voldoende middelen om een vliegticket te kopen. Volgens eiser kon verweerder niet op grond van een belangenafweging aan dit beroep op artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 voorbij gaan, gezien het imperatieve karakter van deze bepaling.

De rechtbank volgt eisers gemachtigde voor zover is gesteld dat sprake is van een imperatief geformuleerde bepaling, die als zodanig geen ruimte laat voor een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg evenwel met zich dat verweerder in het onderhavige geval, waarin sprake is van een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 om eiser in het belang van de nationale veiligheid in bewaring te stellen en een zwaarwegend belang gelegen in de openbare orde in verband met eisers ongewenstverklaring, niet gehouden is naar aanleiding van de enkele verklaring van eiser dat hij Nederland wil verlaten de bewaring achterwege te laten of te beëindigen en daarmee het risico te aanvaarden dat eiser zijn toezegging niet gestand doet, niet zelf vrijwillig vertrekt en zich aan uitzetting onttrekt. In dit verband wordt mede verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2005 (zaaknr. 200501250/1, LJN: AT6206).

Het gegeven dat eiser beschikte over een geldig paspoort, een geldig visum voor Soedan en voldoende middelen om een vliegticket te kopen, hield niet tevens de garantie in dat eiser daarvan ook gebruik zou maken en Nederland ook daadwerkelijk zou verlaten. De stelling dat eiser vervolgens op 1 december 2005 ook daadwerkelijk een vlucht heeft gereserveerd voor vrijdag 2 december 2005 naar Khartoum met overstap op Caïro maakt de situatie niet wezenlijk anders, te meer niet waar – naar blijkt uit de brief van een kantoorgenoot van eisers gemachtigde van 2 december 2005 – verweerder bij vertrek langs die route (onbetwist) transitproblemen voorzienbaar achtte. Overigens zijn eisers uitlatingen met betrekking tot de (gestelde) vluchtreservering betreft niet consistent, nu in voornoemde brief wordt gesteld dat de vluchtreservering op 30 november 2005 heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft gezien het voorgaande geen aanleiding hoeven zien het bepaalde in artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 toepasselijk te achten. Ook dit betoog van eiser dient daarom te worden verworpen.

2.7 De stelling tenslotte dat onvoldoende blijk is gegeven van een belangenafweging wordt verworpen, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen. Er is, gelet op de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde belangen, geen grond voor het oordeel dat verweerder (desondanks) had moeten volstaan met een lichter middel.

2.8 De procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten.

2.9 In hetgeen overigens is aangevoerd, vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan wel op enig moment onrechtmatig is geworden. Voor toekenning van schadevergoeding bestaat dan ook geen grond.

2.10 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2005 in tegenwoordigheid van A.J. Rijks als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op: