Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8035

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
213763
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de gemeenschap kunnen bereiken en hebben de rechtbank verzocht de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vast te stellen. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank, zoals in voornoemd artikel is bepaald, naar billijkheid zal rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts geldt dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel uitgegaan moet worden van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit partijafspraken of redelijkheid en billijkheid iets anders volgt. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

7x

rekestnummer : 04-119

zaaknummer : 213763

datum beschikking : 27 oktober 2005

BESCHIKKING op het op 14 januari 2004 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

procureur: mr. E. Grabandt.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

procureur: mr. J.P. Verhaar-Kok.

PROCEDURE

Bij beschikking van 1 oktober 2004 van deze rechtbank en kamer is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn nevenvoorzieningen vastgesteld. Tevens is de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen en overleg met elkaar te voeren.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 14 februari 2005 van de zijde van de vrouw;

- de brieven d.d. 14 april 2005 en 18 augustus 2005 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 1 september 2005 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man vergezeld van mr. R.M. Vessius, advocaat te Haarlem, alsmede de vrouw en haar procureur.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brieven d.d. 13 en 28 september 2005 van de zijde van de man, met bijlagen.

BEOORDELING

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de gemeenschap kunnen bereiken en hebben de rechtbank verzocht de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vast te stellen. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank, zoals in voornoemd artikel is bepaald, naar billijkheid zal rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts geldt dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel uitgegaan moet worden van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit partijafspraken of redelijkheid en billijkheid iets anders volgt.

Partijen zijn het er over eens dat de volgende bestanddelen tot de te verdelen huwelijksgemeenschap behoren.

1. De echtelijke woning

Partijen zijn het er over eens dat als peildatum voor de waardering van de echtelijke woning moet gelden de datum van verkoop. Verder zijn partijen het er over eens dat de woning - die thans te koop staat voor een bedrag van € 995.000,-- en, zo bleek ter zitting, een WOZ-waarde vertegenwoordigt van € 875.000,-- - bij helfte verdeeld dient te worden op basis van de netto opbrengst van de woning, dat wil zeggen de verkoopopbrengst onder aftrek van de verkoopkosten en de hypothecaire leningen bij de Fortis Bank.

De vrouw woont thans nog in de echtelijke woning. De man heeft ter terechtzitting mondeling aanvullend verzocht om een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet.

De rechtbank overweegt als volgt. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 1 oktober 2004. Gelet op de maximale termijn van inschrijving van zes maanden is de tussen partijen bestaande gemeenschap uiterlijk op 1 april 2005 ontbonden. De rechtbank vat het verzoek van de man dan ook op als een verzoek om een redelijke vergoeding van de vrouw voor het gebruik van de echtelijke woning op grond van artikel 3:169 BW. Immers, door ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap is boek 3 titel 7 BW van toepassing. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van het verzoek nu hij dit verzoek eerst ter zitting en enkel mondeling heeft gedaan. De vrouw heeft derhalve dit verzoek niet met haar advocaat kunnen bespreken waardoor zij bemoeilijkt wordt in de mogelijkheden tot het voeren van verweer, hetgeen in strijd met de regels van goede procesorde moet worden geacht.

2. De onroerende zaak in Tsjechië, perceel nr 7/1 en 22/2 met gebouw nr. 7 gelegen in het kadastraal gebied [plaats], gemeente Tabor

De man stelt dat het pand vanwege het ontbreken van eigendom niet in de gemeenschap valt en derhalve niet voor verdeling in aanmerking komt. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij in 1990 slechts het gebruiksrecht van de woning heeft verkregen van [betrokkene 1], waarbij werd bepaald dat hij bij haar overlijden de woning zou erven en daarmee het eigendomsrecht zou verkrijgen. De man stelt dat de eigendom van de woning in een later stadium, om onbekende reden, is overgegaan op [betrokkene 2]. De man heeft ter adstructie overgelegd een uittreksel uit het kadaster d.d. 21 februari 2005 en een verklaring d.d. 25 februari 2005 van [betrokkene 2], afgelegd ten overstaan van een notaris in Tsjechië. Aan de in 1990 afgelegde verklaring van [betrokkene 1], dat hij bij haar overlijden de eigendom van het huis zal verkrijgen, kan hij gelet op de eigendomsoverdracht aan [betrokkene 2] geen (meer) rechten ontlenen, aldus de man.

De vrouw heeft aanvankelijk gesteld dat de woning eigendom is van partijen en toegescheiden kan worden aan de man, waarbij de man aan haar de helft van de (in 2002) getaxeerde waarde dient te betalen. Ter zitting is zij hierop teruggekomen en heeft zij verklaard dat de woning (inderdaad) niet in eigendom toebehoort aan partijen. Zij heeft toegelicht dat het in 1990 niet mogelijk was voor buitenlanders om in Tsjechië onroerende zaken te kopen en dat om die reden de destijds gebruikelijke constructie is gekozen, inhoudende dat de man tegen betaling van een bepaald bedrag een gebruiksrecht heeft verkregen van [betrokkene 1] met de bedoeling dat hij na het overlijden van [betrokkene 1] de eigendom zou verkrijgen. Ter adstructie hiervan heeft zij gewezen op de verklaring d.d. 28 januari 1991 van [betrokkene 1], waarin staat vermeld, voor zover relevant:

"de financiële middelen voor de aankoop van dit object zijn mij verstrekt door de heer [de man] .... voor het recht van gebruik. Gezien de omstandigheden gaat het bovengenoemd eigendom met het gebruiksrecht in geval van verkoop of erfenis naar bovengenoemde [de man]".

De vrouw heeft ter zitting erkend dat de eigendom van de woning is overgedragen aan [betrokkene 2]. Volgens de vrouw was dat omdat de zoon van [betrokkene 1] de beschikking had over de sleutel van het huis en het huis bezocht zonder partijen daarvan op de hoogte te stellen. Omdat partijen dit een zeer onwenselijke situatie vonden, heeft [betrokkene 2] - een zuster van de aannemer - de eigendom van de woning overgenomen, onder handhaving van de constructie dat de man het huis bij het overlijden van de huidige eigenares zal erven.

Op grond van de stukken en de erkenning van de vrouw ter zitting komt de rechtbank tot de conclusie dat er op het moment van verdeling geen sprake is van eigendom van de woning. Dat dit door de constructie, dat de man het eigendomsrecht zou verkrijgen door erfopvolging, in een later stadium mogelijk anders zou kunnen zijn (hetgeen de man gemotiveerd betwist) doet daaraan niet af. Immers, iets wat nog geen recht is en derhalve nog geen goed maar slechts een verwachting, valt niet in de gemeenschap.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken, waaronder de notariële verklaring van [betrokkene 2] en de verklaring van [betrokkene 1], alsmede gelet op de verklaringen ter zitting en de door de vrouw ter zitting getoonde foto's, de conclusie gerechtvaardigd is dat de man in 1990 het recht heeft verworven de woning in Tsjechië te gebruiken. De rechtbank ziet geen aanleiding een bijzondere verknochtheid op grond van de hoogstpersoonlijke strekking van de aanspraak op het recht van gebruik aan te nemen nu vast staat dat de vrouw ook altijd van het gebruiksrecht van de woning gebruik heeft gemaakt en de rechtbank het aannemelijk acht dat het bij de verkrijging van het gebruiksrecht ook de bedoeling is geweest het gebruiksrecht mede aan de vrouw ten goede te laten komen. Dit betekent dat het recht van gebruik (en bewoning) goederenrechtelijk in de gemeenschap valt. Het feit dat het recht van gebruik enkel aan de man is toegekend staat immers boedelmenging niet in de weg. Dit brengt met zich dat de waarde van het recht van gebruik van de woning in Tsjechië bij helfte moet worden verdeeld. Het recht van gebruik zal na de ontbinding van de gemeenschap aan de man worden toebedeeld nu het van zijn zijde in de gemeenschap is gevallen.

Aan de orde is vervolgens de vraag op welke waarde het gebruiksrecht getaxeerd dient te worden en welk bedrag de man derhalve aan de vrouw dient te vergoeden. De vrouw heeft voorgesteld de waarde van de woning conform het taxatierapport van 15 november 2002 als uitgangspunt te hanteren, zijnde een bedrag van CZK 1.630.654,--. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit rapport niet als uitgangspunt voor de verdeling gelden nu deze taxatie kennelijk ziet op de waarde van het eigendomsrecht van de woning en niet op de waarde van het recht van gebruik van de woning. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid in onderling overleg de waarde van het recht van gebruik tegen de peildatum van de datum van deze beschikking (als datum van verdeling) te taxeren en dit taxatierapport in het geding te brengen. Indien partijen het niet eens worden over de te benoemen taxateur dient de vrouw drie taxateurs voor te stellen en de man daaruit één taxateur te kiezen, die vervolgens de taxatie uitvoert. De kosten van deze taxatie dient bij helfte te worden verdeeld.

3. De auto's

- Renault Twingo

De vrouw heeft opgegeven de Renault Twingo op 14 november 2003 aangekocht te hebben voor € 6.425,-, waartegenover een schuld aan haar broer staat van € 6.000,- en een schuld aan haar dochter van € 425,-. De man heeft verklaard akkoord te gaan met het voorstel van de vrouw om de auto met de schulden aan haar toe te scheiden zonder verdere verrekening, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.

- Dodge

De vrouw wenst als peildatum 1 januari 2004 aan te houden omdat de man pas nadien de Dodge met geld van de gemeenschap heeft gekocht. Voor de verdeling van de rekeningen (krediethypotheek 81.29.26.544 en Fortis aandelen 89.08.96.763), waarvan het bedrag voor de aankoop van de Dodge is afgeschreven, moet volgens de vrouw ook van die peildatum uit worden gegaan. De vrouw stelt voor om in dat geval de Dodge buiten de verdeling te houden en toe te scheiden aan de man onder de voorwaarde dat de man de helft van de per 1 januari 2004 te taxeren waarde van de Renault en de Volvo aan haar vergoedt. Indien de man van een andere peildatum wenst uit te gaan, dient ook de Dodge te worden getaxeerd en de waarde te worden verdeeld. De man wenst dat als peildatum 4 maart 2005, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, wordt gehanteerd.

Uit het voorgaande blijkt dat partijen geen afspraken hebben kunnen maken over de peildatum. Nu partijen evenmin voldoende argumenten hebben aangedragen die op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, zal de rechtbank conform de hoofdregel de peildatum stellen op de datum van verdeling, derhalve de datum van deze beschikking (27 oktober 2005).

Nu de Dodge na 1 januari 2004 is aangeschaft en de peildatum is vastgesteld op de datum uitspraak valt deze auto in de verdeling. De man heeft ter terechtzitting gesteld dat hij weliswaar plannen had om deze auto vanuit Amerika in te voeren - hetgeen ook nog het geval was ten tijde van de vorige zitting van 27 augustus 2004 - maar dat hij uiteindelijk van de koop heeft afgezien. Wel heeft hij een bedrag van € 5.000,-- als voorschot voor bemiddeling betaald. De auto is uiteindelijk gekocht en in Nederland ingevoerd (op 15 september 2004) door zijn broer. De man heeft voorts verklaard dat hij deze auto van zijn broer huurt voor een bedrag van € 40,-- per maand.

De vrouw heeft deze stellingen niet ontkend. Wel heeft zij gewezen op de bij haar brief d.d. 3 augustus 2004 in het geding gebrachte rekeningoverzichten van de Fortis Bank (bijlagen 8, 9 en 10) waaruit blijkt dat de man in 2004 in totaal een bedrag van € 22.800,-- heeft opgenomen. De vrouw stelt dat dit hele bedrag verrekend dient te worden, daargelaten of een gedeelte van dit bedrag voor de Dodge was bestemd. De man heeft erkend dat hij bedragen van de rekening bij de Fortis Bank heeft opgenomen maar hij stelt dat hij dit onder meer heeft aangewend voor het betalen van advocaatkosten en de aankoop van opties.

Gelet op de in aanmerking te nemen peildatum (datum uitspraak), zijn de bemiddelkosten voor de invoer van de Dodge en de overige bedragen opgenomen vóór de peildatum en vallen deze gelden derhalve in de gemeenschap. Verrekening van de waarde van de Dodge wegens overbedeling aan de zijde van de man hoeft niet meer plaats te vinden omdat de man onbetwist heeft gesteld dat hij de eigendom van de Dodge niet heeft verkregen.

- Renault Safrane en Volvo Amazone

De man stelt dat de Renault Safrane en de Volvo Amazone inmiddels zijn verkocht. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij bij brief d.d. 18 augustus 2005 een koopovereenkomst in het geding gebracht waarin staat vermeld dat [betrokkene 3] beide auto's op 15 juli 2004 voor een bedrag van € 500,-- heeft gekocht. De man acht dit een redelijke verkoopprijs, gelet op het feit dat de Renault, bouwjaar 1993, 500.000 km had gereden en de Volvo, een oldtimer, al 14 jaar stil staat.

Ter terechtzitting heeft de vrouw betwist dat de auto's voor dat bedrag verkocht zijn. De schriftelijke koopovereenkomst is volgens de vrouw een valse verklaring. Zij heeft opgemerkt dat op de vorige zitting van 27 augustus 2004 nog over de auto's gesproken is, terwijl de man eerst nu stelt dat de auto's reeds toen waren verkocht. Bovendien, zo stelt de vrouw, staat de Volvo nog steeds bij haar in de garage.

De rechtbank overweegt dat de man de geschetste twijfel bij de verkooptransacties van de auto's niet heeft weggenomen door een verklaring te geven en dat hij niet heeft ontkend dat de Volvo (nog steeds) bij de vrouw in de garage staat. De rechtbank acht in het licht daarvan de gestelde verkooptransacties ongeloofwaardig. De auto's zullen aan de man worden toegescheiden onder verrekening van de waarde. Volgens gegevens van de vrouw is de waarde van de Renault Safrane, rekening houdend met de slechte toestand waarin de auto verkeert, te stellen op € 1.000,--. De rechtbank acht het redelijk - gelet op de kennelijk slechte staat van de auto, het feit dat de auto uit 1993 stamt en (volgens de onbetwiste stelling van de man) meer dan 580.000 kilometer heeft gereden - de waarde van de Renault Safrane op een bedrag van € 500,-- te stellen.

Voor de bepaling van de waarde van de auto's zoekt de rechtbank aansluiting bij het (niet door de man weersproken) lijstje van de vrouw met waarden van oldtimers die zij via een website op het internet heeft gevonden. Volgens opgave van de vrouw bedraagt de waarde van de Volvo in middelmatige staat € 5.000,-- en in een slechte staat € 2.500,--. De vrouw ontkent niet dat de auto al 14 jaar stilstaat. De rechtbank ziet aanleiding te middelen en zal de waarde ex aequo et bono op € 3.750,-- worden begroot.

4. Inboedel woning in Tsjechië

Gelet op het feit dat het recht van gebruik van de woning in Tsjechië aan de man zal worden toegescheiden, acht de rechtbank het redelijk de man ook de inboedel van de woning in Tsjechië toe te delen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen onder verrekening van de helft van de waarde wegens overbedeling aan de zijde van de man.

De vrouw schat de waarde van de inboedel op € 12.500,-. Ter terechtzitting heeft zij hieraan toegevoegd dat partijen zeer regelmatig met een aanhangwagen vol met spullen voor de inrichting naar Tsjechië zijn gegaan. Verder heeft zij foto's van de inrichting laten zien alsmede stukjes van de stof waarvan zij de gordijnen heeft gemaakt. De man, die aanvankelijk heeft gesteld dat de inboedel niet in de gemeenschap valt, heeft terechtzitting gesteld dat de inrichting van het huis in Tsjechië grotendeels bestaat uit oude spullen die hij verkregen heeft uit de erfenis van zijn vader en dat de waarde van de inboedel nihil is. Voor het geval de rechtbank daar anders over denkt heeft de man verzocht om een taxatie van de inboedel.

De rechtbank acht het, gelet op de vermoedelijke waarde van de inboedel en de hoge kosten die aan de taxatie zijn verbonden, niet redelijk de inboedel te laten taxeren in Tsjechië. De rechtbank neemt in overweging dat de vrouw de door haar aangegeven waarde van € 12.500,-- niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de inboedel reeds jaren geleden is ingebracht dan wel is aangeschaft, dat de waarde van toen niet meer overeenkomt met de huidige waarde en dat partijen niets hebben gesteld omtrent antieke dan wel anderszins waardevolle spullen. Tegen deze achtergrond beschouwd, acht de rechtbank het redelijk de waarde van de inboedel te bepalen op € 2.000,--. De vrouw komt derhalve een bedrag toe van € 1.000,--.

5. De aandelenportefeuilles bij de Fortis bank (089.08.96.763) en bij Robeco (27.08.31.002)

Partijen zijn het er over eens dat de aandelen op beider naam staan en dat de peildatum voor de waarde van de aandelen moet worden gesteld op de datum van de feitelijke verdeling. De vrouw heeft een berekening overgelegd waarin zij aangeeft hoe volgens haar de aandelen over haar en de man verdeeld dienen te worden. Het voorstel houdt in dat de gelden uit de van de zijde van de vrouw verkregen erfenis ad € 68.067,-- alleen de vrouw toekomen en dat het gezamenlijk vermogen uit het aandelenkapitaal ad € 128.154 bij helfte moet worden verdeeld. Zij heeft daarbij een verdeelsleutel gemaakt, inhoudende dat 32,7% van het gehele pakket aandelen aan de man wordt toegescheiden en 67,3% aan de vrouw.

De man heeft niet betwist dat met het geld uit de erfenis van de vrouw aandelen zijn gekocht, maar volgens de man zijn deze aandelen door de sterk gedaalde aandelenkoersen niets meer waard. De man is van mening dat de aandelen zo snel mogelijk verkocht dienen te worden omdat er thans sprake is van een negatief vermogen. De restantschuld moet volgens de man bij helfte worden verdeeld. Deze schuld kan echter uit de overwaarde van de echtelijke woning voldaan worden, aldus de man.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen vaststaat dat aan de vrouw in 1999 een erfenis van haar vader is toegevallen waaraan een uitsluitingsclausule was verbonden en dat met dit bedrag én met gemeenschapsgeld aandelen zijn gekocht. Ingevolge artikel 1:94 lid 1 BW moet deze erfenis bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap buiten beschouwing blijven. Voorts is niet betwist dat met de door de vrouw in de gemeenschap gebrachte erfenis aandelen zijn gekocht. Volgens de vrouw bedroeg het saldo op de beleggingsrekening, na storting van de erfenis van € 68.067,--, op 19 oktober 1999 € 196.221,50. Ter terechtzitting heeft de man dit betwist en opgegeven dat het om een totaal bedrag van fl. 225.000,-- ging.

De rechtbank is van oordeel dat de strekking van eerder genoemd artikel 1:94 lid 1 BW meebrengt dat, ook nu het bedrag is aangewend voor de aankoop van aandelen, dit niet betekent dat het uit erfenis verkregen bedrag thans als een gemeenschappelijk goed moet worden aangemerkt. Gelet hierop brengt naar het oordeel van de rechtbank de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst mee dat een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat de aandelen van de deelgenoten in beginsel gelijk zijn (artikel 3:166 BW), inhoudende dat in onderhavig geval partijen naar evenredigheid van hun aandeel in de beleggingen dienen te delen.

Gelet op het vorenstaande en de tussen partijen nog bestaande meningsverschillen dienen partijen stukken over te leggen waaruit het saldo van de beleggingsrekening in oktober 1999 blijkt alsmede de waarde van het te verreken vermogen uit de aandelenportefeuilles per de peildatum die zo dicht mogelijk bij de feitelijke verdeling ligt (zijnde de datum van deze beschikking, 27 oktober 2005).

6. Verzekeringen

Partijen zijn het er over eens dat als peildatum de datum feitelijke verdeling gehanteerd moet worden en dat de kapitaalverzekering bij Erasmus Verzekeringen (polisnummer 8711883) aan de vrouw wordt toegescheiden, de lijfrenteverzekering bij Erasmus Verzekeringen (polisnummer 8711068) aan de man en dat het verschil in waarden bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De man heeft ter zitting toegezegd de afkoopwaarde van de polissen te zullen opvragen. Blijkens de brief van Erasmus Verzekeringen van 6 september 2005 vertegenwoordigt de kapitaalverzekering onder polisnummer 8711883 per 23 september 2005 een waarde, niet zijnde de afkoopwaarde, van € 24.032,--. De lijfrenteverzekering onder polisnummer 8711068 vertegenwoordigt per 1 september 2005 een waarde, niet zijnde de afkoopwaarde, van € 37.436,--. Nu de data van deze waarden zeer dicht de datum van deze beschikking (de feitelijke verdeling) benaderen, zal de rechtbank voor de verdeling van de gemeenschap van deze waarden uitgaan. In concreto betekent dit dat de man is overbedeeld en aan de vrouw een bedrag moet uitkeren van € 6.702,--.

7. Banktegoeden

Partijen zijn het er over eens dat:

aan de man worden toegescheiden

- de rekening bij de Fortis Bank nr. 84.41.94.514

- de rekening bij de Fortis Bank nr. 80.06.64.027

- annuïteitendeposito nr. 41.16.56.627 bij de ABN-AMRO

- rekening Postbank nr. 622307

en dat aan de vrouw worden toegescheiden:

- rekening bij de ABN-AMRO nr. 43.32.76.576

- rekening bij de ING Bank nr. 68.31.57.515

Partijen zijn het er verder over eens dat de vrouw vanwege de aan haar toe te delen bankrekeningen aan de man moet vergoeden een bedrag van € 691,13 en dat de man in verband met de aan hem toebedeelde Postbankrekening een bedrag aan de vrouw dient te betalen van € 16,69.

Partijen zijn het niet eens over de in aanmerking te nemen peildatum terzake van de andere bankrekeningen. De vrouw stelt als peildatum 1 juli 2004 voor (de ingangsdatum van de voorlopige voorzieningen) omdat partijen vanaf die datum een gescheiden huishouding zijn gaan voeren. De man verzoekt primair de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als peildatum te hanteren en subsidiair de datum van de feitelijke verdeling. Hij voert ter onderbouwing van zijn standpunt aan dat hij na het feitelijk uiteengaan van partijen en derhalve vanaf de datum dat partijen een gescheiden huishouden hebben gevoerd nog alle kosten voor zijn rekening heeft genomen. Nu niet gesteld noch gebleken is dat de man gemeenschapsgoederen heeft verspild, ziet de rechtbank op grond van de gevoerde argumenten geen reden om op basis van redelijkheid en billijkheid een van deze standpunten te volgen. De rechtbank zal derhalve uitgaan van de hoofdregel, de datum die de feitelijke verdeling het dichtst benadert, te weten de datum van deze beschikking.

Partijen dienen zelf een berekening te maken van de totale waarde van de rekeningen per de peildatum. Als blijkt dat een van partijen is overbedeeld, dienen partijen dit te verrekenen.

- rekening-courantverhouding bij de ABN-AMRO nr. 61.47.59.064/23.38.98.425

De vrouw heeft de man om inlichtingen verzocht omdat op de door haar in het geding gebracht rekeningafschrift van de ABN-AMRO d.d. 25 november 2004 staat vermeld dat de rekening met nummer 23.38.98.425 zou zijn vervallen. De man heeft ter zitting toegelicht dat de rekening met nummer 61.47.59.064 een tussenrekening is waarop niets staat omdat hij via deze rekening de kapitaalverzekering (middels een automatische betaling) betaalt. De rekening met nr. 23.38.98.425 is hem onbekend.

De rechtbank zal de rekening met nummer 23.38.98.425 buiten de verdeling stellen reeds vanwege het feit dat de rekening reeds voor de peildatum is vervallen en derhalve - indien de rekening al heeft bestaan - deze niet meer behoeft te worden verdeeld. Ten aanzien van de rekening met nummer 61.47.59.064 geldt dat de vrouw de verklaring van de man niet nader heeft weersproken, zodat de rechtbank aan de stelling van de vrouw dat deze rekening nog in de verdeling moet worden betrokken voorbij gaat.

8. schulden

- de hypothecaire leningen bij de Fortis Bank, nrs. 89.31.29.577, 89.31.04.248 en nr. 81.29.26.544 (krediethypotheek)

De vrouw heeft voorgesteld deze hypotheken af te lossen met de overwaarde van de echtelijke woning. De man heeft verklaard het hiermee eens te zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de krediethypotheek de door de vrouw verzochte peildatum van 1 januari 2004 te hanteren, mede gelet op het feit dat de man de hypothecaire lasten voor zijn rekening neemt. Het argument van de vrouw dat de man na 1 januari 2004 grote opnames voor zichzelf heeft gedaan heeft de man gemotiveerd weersproken door te stellen dat hij dit heeft gedaan om alle kosten te kunnen betalen.

De rechtbank ziet op basis van het voorgaande evenmin aanleiding af te wijken van de hoofdregel en zal de peildatum stellen op eerder genoemde datum feitelijke verdeling.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak, ook ten aanzien van de punten waarover zij reeds een beslissing heeft genomen, aanhouden tot 15 januari 2006 pro forma in afwachting van de onder punt 2 en punt 5 genoemde stukken.

BESLISSING

De rechtbank:

*

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling aan tot 15 januari 2005 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

- het onder 2 genoemde taxatierapport,

- de onder 5 genoemde stukken;

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th.G. Lautenbach, bijgestaan door mr. M.V.H. Roessingh- van Sasse van Ysselt als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2005.