Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7344

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/49003
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / rechtmatigheid / brand detentiecentrum Schiphol / opschorting uitzetting / horen in kader van onderzoek.

Eiser is op 27 oktober 2005 in het uitzetcentrum Schiphol geplaatst, omdat hij op 28 oktober 2005 zou worden uitgezet naar Nigeria. Deze vlucht is echter als gevolg van de brand in het uitzetcentrum Schiphol geannuleerd. Verweerder heeft aangegeven dat in het geval van eiser alle benodigde documenten voorhanden zijn om tot de uitzetting van eiser over te gaan. De inbewaringstelling van eiser duurt thans nog voort, omdat eiser nog niet is gehoord in het kader van het onderzoek naar de brand in het uitzetcentrum Schiphol door de Onderzoeksraad voor veiligheid. Verweerder heeft alle uitzettingen van vreemdelingen, zoals eiser, die zich in de units J en K van het uitzetcentrum bevonden, opgeschort. Verweerder heeft niet aan kunnen geven op welke termijn de uitzetting van eiser te verwachten is. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de slechts om voormelde reden voortdurende bewaring zich niet met het systeem van de wet, te weten, dat vreemdelingenbewaring ex artikel 59, eerste lid, Vw 2000 slechts dient ter fine van uitzetting. De maatregel van bewaring dient gericht te zijn op uitzetting op een zo kort mogelijke termijn. De enkele omstandigheid dat er een brand in het uitzetcentrum Schiphol heeft gewoed en dat thans verdere onderzoeken ter zake benodigd zijn c.q. verweerders beroep op overmacht terzake, maakt het voorgaande niet anders. Beroep gegrond, toekenning verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/49003

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [v-nummer],

gemachtigde mr. L.C.J.M. Schreinemacher, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. M. Snoeks.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.

2. Op 2 november 2005 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 oktober 2005 waarbij eiser de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroep is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 november 2005. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig de heer De Waard, tolk Engels.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat eiser op 28 oktober 2005 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling van eiser moet worden opgeheven, omdat eiser slachtoffer is van de brand die in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 heeft gewoed in het Uitzetcentrum (UC) Schiphol, waar eiser verbleef. Eiser is door deze brand getraumatiseerd. Bij (een aantal) andere vreemdelingen is de bewaring opgeheven vanwege de traumatische ervaringen als gevolg van die brand. Eiser heeft aangegeven dat hij niet weet waarom hij in detentie wordt gehouden en dat hij al eerder heeft aangegeven dat hij niets weet over het ontstaan van de brand.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat eiser na de brand gesprekken heeft gehad met zowel huisartsen, psychologen als medewerkers van de medische dienst op de detentieboort Reno en dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is als gevolg van zijn traumatische ervaringen. Eventuele klachten die eiser heeft over de nazorg kunnen niet leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 14 november 2005 (200509287/1). Voorts heeft verweerder aangegeven dat de uitzetting van vreemdelingen, die zich ten tijde van de brand in het UC Schiphol in de units J en K bevonden, is opgeschort in eerste instantie in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de brand door de technische recherche en vervolgens op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid, mr. P. van Vollenhoven. Eiser behoort tot de categorie vreemdelingen van wie de uitzetting is opgeschort. De uitzetting van de betrokken vreemdelingen kan worden hervat, wanneer zij zijn gehoord door de Onderzoeksraad. Eiser is nog niet gehoord. Niet is bekend wanneer hij zal worden gehoord, maar de gehoren zullen vermoedelijk binnen enkele weken worden afgerond. Eiser heeft niet aangegeven dat hij vrijwillig wil vertrekken en zal daarom niet met voorrang worden gehoord. Onder deze omstandigheden is er volgens verweerder voldoende zicht op uitzetting van eiser en handelt verweerder voldoende voortvarend. Dat eiser thans niet kan worden uitgezet, is het gevolg van overmacht. Hetzelfde geldt voor de (mogelijke) omstandigheid dat eiser, wanneer hij uitzetbaar is, nog enige tijd zal moeten wachten voordat hij in een UC zal kunnen worden geplaatst als gevolg van capaciteitsproblemen door de brand in het UC Schiphol.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. De rechtbank stelt vast dat geen onregelmatigheden zijn gesteld met betrekking tot de grondslag van de inbewaringstelling. De rechtbank ziet geen reden hier anders over te oordelen.

5.2. Ten aanzien van het voortduren van eisers bewaring overweegt de rechtbank als volgt.

5.2.1. Eiser is op 27 oktober 2005 in het UC Schiphol geplaatst, omdat hij op 28 oktober 2005 zou worden uitgezet naar Nigeria. Deze vlucht is echter als gevolg van de brand in het UC Schiphol geannuleerd. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat in het geval van eiser alle benodigde documenten voorhanden zijn om tot de uitzetting van eiser over te gaan. De inbewaringstelling van eiser duurt thans nog voort, omdat eiser nog niet is gehoord in het kader van het onderzoek naar de brand in het UC Schiphol door de Onderzoeksraad voor veiligheid. Verweerder heeft alle uitzettingen van vreemdelingen, zoals eiser, die zich in de units J en K van het UC bevonden, opgeschort. Verweerder heeft niet aan kunnen geven op welke termijn de uitzetting van eiser te verwachten is.

5.2.2. Op grond van het voorgaande moet rechtens worden aangenomen, dat de reden dat eiser nog steeds niet is uitgezet, enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat hij nog gehoord moet gaan worden in het kader van een onderzoek naar de voornoemde brand. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de slechts om voormelde reden voortdurende bewaring zich niet met het systeem van de wet, te weten, dat vreemdelingenbewaring (ex artikel 59, eerste lid, Vw 2000) slechts dient ter fine van uitzetting. De maatregel van bewaring dient gericht te zijn op uitzetting op een zo kort mogelijke termijn. De enkele omstandigheid dat er een brand in het UC Schiphol heeft gewoed en dat thans verdere onderzoeken ter zake benodigd zijn c.q. verweerders beroep op overmacht terzake, maakt het voorgaande niet anders.

5.2.3. Gelet op de omstandigheid dat verweerder op vrijdag 11 november 2005 heeft bekendgemaakt dat op verzoek van mr. P. van Vollenhoven de uitzetting van vreemdelingen, die zich tijdens de brand in de units J en K bevonden, is opgeschort, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van eiser met ingang van die datum onrechtmatig is wegens strijd met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000.

5.3. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met onmiddellijke ingang.

5.4. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 6 x € 70,-- = € 420,--.

5.5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 november 2005;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 420,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. C. Laukens, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2005 in tegenwoordigheid van mr. drs. C.H.M. Pastoors, griffier.

De griffier,

De rechter,

De rechter is buiten staat

deze uitspraak te tekenen.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: