Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7340

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/46651
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AU9398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / brand detentiecentrum Schiphol / opschorting uitzetting / horen in kader van onderzoek.

Eiser is op 27 oktober 2005 in het uitzetcentrum Schiphol geplaatst, omdat hij in het bezit is van een geldig nationaal paspoort en op korte termijn kon worden uitgezet. De voor eiser geboekte vlucht van 3 november 2005 is echter als gevolg van de brand in het uitzetcentrum Schiphol c.q. de te verrichten onderzoeken naar de brand geannuleerd. Verweerder heeft aangegeven dat in het geval van eiser alles voorhanden is om tot de uitzetting van eiser over te gaan. De inbewaringstelling van eiser duurt thans nog voort, omdat eiser nog niet is gehoord in het kader van het onderzoek naar de brand in het uitzetcentrum Schiphol door de Onderzoeksraad voor veiligheid. Verweerder heeft alle uitzettingen van vreemdelingen die zich in de Units J en K van het uitzetcentrum Schiphol bevonden, zoals eiser, opgeschort. Verweerder heeft niet specifiek aangegeven op welke termijn de uitzetting van eiser te verwachten is. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de slechts om voormelde reden voortdurende bewaring zich niet met het systeem van de wet, te weten, dat vreemdelingenbewaring ex artikel 59, eerste lid, Vw 2000 slechts dient ter fine van uitzetting. De maatregel van bewaring dient gericht te zijn op uitzetting op zo kort mogelijke termijn. De enkele omstandigheid dat er een brand in het uitzetcentrum Schiphol heeft gewoed en dat thans verdere onderzoeken ter zake benodigd zijn c.q. verweerders beroep op overmacht terzake, maakt het voorgaande niet anders. Beroep gegrond, toekenning verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr.: AWB 05/46651

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [v-nummer],

gemachtigde mr.drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. M.Snoeks.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en bezit de Angolese nationaliteit.

2. Bij kennisgeving van 13 oktober 2005 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser met ingang van 22 september 2005 de maatregel van bewaring is opgelegd. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt eiser na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2005. Eiser was hierbij niet aanwezig, zijn gemachtigde is wel ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

4. Een nadere mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 november 2005. Eiser is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam]. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden. Verweerder heeft bij brief van 7 november 2005 haar antwoorden gegeven, waarop zijdens eiser is gereageerd bij brief van 9 november 2005.

5. Een nadere mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 november 2005. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat eiser op 22 september 2005 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat eiser pas op de zitting van 2 november 2005 is gehoord, hetgeen in strijd is met de termijn van veertien dagen als genoemd in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. In het schrijven van 9 november 2005 en ter zitting van 16 november 2005 heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de brand in het UC Schiphol een traumatiserend effect heeft gehad op eiser. Hij heeft nachtmerries van de brand en krijgt slaap- en kalmeringsmiddelen. De aan eiser geboden nazorg is onvoldoende. Nu eiser niet wordt uitgezet hangende een onderzoek naar deze brand, is er onvoldoende zicht op uitzetting. Onduidelijk is wanneer het onderzoek naar de brand afgerond zal zijn. Dat blijkt uit allerlei krantenberichten. Er zijn voor eiser mogelijkheden in Nederland te verblijven. Daarbij heeft een werkgever eiser een garantie gegeven op werk en inkomen en heeft een kennis hem onderdak aangeboden. Daarnaast speelt nog de omstandigheid dat eiser een kind van Nederlandse nationaliteit in Nederland heeft, met wie hij een omgangsregeling heeft. Al deze omstandigheden bij elkaar hebben eiser ertoe gebracht een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in te dienen. Deze aanvraag is bij brief van 9 november 2005 aan verweerder gestuurd. In deze situatie zou de belangenafweging in het voordeel van eiser dienen uit te vallen en moet de bewaring worden opgeheven.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat eiser zich - tijdens de brand in het UC Schiphol in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 - in Unit J van het UC bevond en dat hij om deze reden niet kon worden aangevoerd voor de zitting van 27 oktober 2005. Verweerder beroept zich in dezen op overmacht.

In de brief van 2 november 2005 en ter zitting van 16 november 2005 heeft verweerder aangegeven dat de uitzetting van vreemdelingen, die zich ten tijde van de brand in het UC Schiphol in de Units J en K bevonden, is opgeschort in eerste instantie in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de brand door de Technische Recherche en vervolgens op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid, mr. P. van Vollenhoven. Om deze reden is de vlucht van eiser op 3 november 2005 geannuleerd. De betrokken vreemdelingen kunnen worden uitgezet, wanneer zij zijn gehoord door de Onderzoeksraad. Eiser is nog niet gehoord. Niet is bekend wanneer hij zal worden gehoord, maar de gehoren zullen naar verwachting binnen enkele weken worden afgerond. Wanneer eiser aangeeft dat hij vrijwillig wil vertrekken, zal hij met voorrang worden gehoord. In deze omstandigheid is er voldoende zicht op uitzetting van eiser en handelt verweerder voldoende voortvarend. Dat eiser thans niet kan worden uitgezet, is het gevolg van overmacht. Dat eiser inmiddels een verblijfsvergunning heeft aangevraagd, verandert niets aan de rechtmatigheid van zijn inbewaringstelling. Ook de andere door eiser aangevoerde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat de bewaring opgeheven dient te worden. Een lichter middel is in het licht van de grondslag van de bewaringsmaatregel niet aan de orde. Klachten van eiser over de nazorg van de brand kunnen volgens verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 14 november 2005 (200509287/1), niet leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep, nu de vreemdelingenrechter zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de maatregel in de zin van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. De rechtbank stelt vast dat geen onregelmatigheden zijn gesteld met betrekking tot de maatregelen van staandehouding en ophouding respectievelijk met betrekking tot de oplegging en grondslag van de maatregel van inbewaringstelling. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.

5.2. Ten aanzien van de grief van eiser, dat hij niet binnen de in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 is gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de aanvang van de behandeling ter zitting van 27 oktober 2005 heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser niet was aangevoerd en derhalve niet binnen de voorgeschreven termijn van veertien dagen kon worden gehoord. Desgevraagd heeft verweerder onbestreden aangegeven dat de afwezigheid van eiser het gevolg was van de brand in het UC Schiphol in de nacht ervoor en de chaotische situatie die hiervan het gevolg was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet verschijnen van eiser ter zitting van 27 oktober 2005 niet aan verweerder kan worden toegerekend. Eiser is zo snel als mogelijk was alsnog door de rechtbank gehoord op de zitting van 2 november 2005. Gelet hierop leidt het overschrijden van de wettelijke termijn niet tot opheffing van de maatregel van bewaring. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 oktober 2005 (200507925/1).

5.3. Ten aanzien van het voortduren van eisers bewaring overweegt de rechtbank als volgt.

5.3.1 Eiser is op 27 oktober 2005 in het UC Schiphol geplaatst, omdat hij in het bezit is van een geldig nationaal paspoort en op korte termijn kon worden uitgezet. De voor eiser geboekte vlucht van 3 november 2005 is echter als gevolg van de brand in het UC Schiphol c.q. de te verrichten onderzoeken naar de brand geannuleerd. Eiser heeft inmiddels enige, zij het beperkte, medische zorg gekregen, maar hij is nog niet gehoord door betrokken onderzoeksautoriteiten. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat in het geval van eiser alles voorhanden is om tot de uitzetting van eiser over te gaan. De inbewaringstelling van eiser duurt thans nog voort, omdat eiser nog niet is gehoord in het kader van het onderzoek naar de brand in het UC Schiphol door de Onderzoeksraad voor veiligheid. Verweerder heeft alle uitzettingen van vreemdelingen die zich in de Units J en K van het UC Schiphol bevonden, zoals eiser, opgeschort. Verweerder heeft niet specifiek aangegeven op welke termijn de uitzetting van eiser te verwachten is.

5.3.2 Op grond van het voorgaande moet rechtens worden aangenomen, dat de reden dat eiser nog steeds niet is uitgezet, enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat hij nog gehoord moet gaan worden in het kader van een onderzoek naar de voornoemde brand. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de slechts om voormelde reden voortdurende bewaring zich niet met het systeem van de wet, te weten, dat vreemdelingenbewaring (ex artikel 59, eerste lid, Vw 2000) slechts dient ter fine van uitzetting. De maatregel van bewaring dient gericht te zijn op uitzetting op zo kort mogelijke termijn. De enkele omstandigheid dat er een brand in het UC Schiphol heeft gewoed en dat thans verdere onderzoeken ter zake benodigd zijn c.q. verweerders beroep op overmacht terzake, maakt het voorgaande niet anders.

5.3.3 Gelet op de omstandigheid dat verweerder eisers vlucht d.d. 3 november heeft geannuleerd om voornoemde (onderzoeks)reden, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van eiser, te rekenen vanaf die datum, onrechtmatig is wegens strijd met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000.

5.4. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met onmiddellijke ingang.

5.5. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 14 x € 70,-- = € 980,--.

5.6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.449,- (1 punt voor het beroepschrift, een half punt voor een nadere schriftuur en 3 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 november 2005;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 980,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.449,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. T. Avedissian, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2005 in tegenwoordigheid van mr. drs. C.H.M. Pastoors, griffier.

De griffier,

De rechter,

De rechter is buiten staat

deze uitspraak te tekenen.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: