Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7305

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/46683
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AU9837
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / brand detentiecentrum Schiphol / schadevergoeding erfgenamen.

De bewaring van eiser, die is overleden bij de brand op 27 oktober 2005 in het uitzetcentrum Schiphol was onrechtmatig. Schadevergoeding toegekend aan de erven wegens onrechtmatige bewaring van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zitting houdende te Dordrecht

Reg.nr : AWB 05/46683

Uitspraak in de zaak van

A, eiser,

thans: de erven van A, vertegenwoordigd door B, eisers,

gemachtigde: mr. H. Faouzi, advocaat te Barendrecht,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nardelli, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 18 oktober 2005 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift ex artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 17 oktober 2005 in bewaring heeft gesteld.

De zaak is op 28 oktober 2005 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Ter zitting is verschenen mr. M. Bouman, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. O.J. Elbertsen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 31 oktober 2005 heeft verweerder laten weten dat eiser op 27 oktober 2005 tijdens de brand in het UC Schiphol is overleden.

Het onderzoek ter zitting is op 3 november 2005 hervat.

Ter zitting is verschenen mr. M. Bouman.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Snoeks.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek wederom geschorst.

Het onderzoek ter zitting is op 4 november 2005 hervat.

Ter zitting is verschenen mr. M. Bouman.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. E. Nardelli.

Op 7 november 2005 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen de rechtbank nadere informatie te verschaffen.

De gemachtigde van eiser heeft dat gedaan bij faxbericht van 8 november 2005.

Hierna heeft de rechtbank, mede gelet op de daartoe door partijen verleende toestemming, het

onderzoek gesloten en ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is schadevergoeding toe te kennen.

2. De maatregel van bewaring zoals die aan eiser is opgelegd luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Ik (…) leg met het oog op de uitzetting aan (…) de maatregel van bewaring op, zoals bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (geen rechtmatig verblijf).

Deze maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat betrokkene zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat betrokkene

. ongewenst verklaard is

. zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn

. geen vaste woon-/verblijfplaats heeft

. geen deugdelijke middelen van bestaan.”

3. Mr. Bouman heeft naar voren gebracht dat eiser niet ongewenst is verklaard, dat er geen vertrektermijn gold nu eiser in het bezit was van een paspoort en een (door de Franse autoriteiten afgegeven) Schengen-visum dat geldig was tot 21 oktober 2005. Gelet op dit Schengenvisum behoefde eiser niet te beschikken over een vaste woon/-verblijfplaats. Eiser was voorts in het bezit van een retourticket naar Libië dat geldig was tot 20 oktober 2005 en beschikte over voldoende bestaansmiddelen.

4. Namens verweerder is ter zitting op 4 november 2005 bevestigd dat, anders dan verweerder bij de inbewaringstelling meende, eiser niet ongewenst is verklaard. Volgens verweerder had eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland omdat hij zich niet binnen 3 dagen na binnenkomst in Nederland bij de korpschef had aangemeld. Derhalve was het rechtmatig verblijf vervallen. Eiser heeft zich volgens verweerder daarna niet gehouden aan zijn vertrektermijn. Voorts is namens verweerder aangegeven dat een GBA-inschrijving nodig is om te kunnen aannemen dat er sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats. Voorts is namens verweerder als standpunt naar voren gebracht dat de maatregel diende te worden aangevuld met de grond dat eiser zich niet binnen 3 dagen na aankomst in Nederland heeft aangemeld bij de korpschef.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Nu eiser op 27 oktober 2005 is overleden resteert de vraag of aan eisers de gevorderde schadevergoe-ding toekomt.

Niet ter discussie staat dat eiser niet ongewenst was verklaard. Derhalve is de ongewenstverklaring ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Tussen partijen staat voorts niet ter discussie dat eiser in het bezit was van een zogenoemd Schengen-visum.

Met betrekking tot de grond dat eiser zich niet zou hebben gehouden aan zijn vertrektermijn oordeelt de rechtbank het volgende. Tijdens het gehoor naar aanleiding van de staandehouding alsmede tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 17 oktober 2005 heeft eiser blijkens de desbetreffende processen-verbaal verklaard dat hij sinds ongeveer 10 dagen in Nederland verbleef. Hij was naar Nederland gekomen om zijn dochtertje te bezoeken. Hij was naar Frankrijk gekomen om zaken te doen. Hij reisde tussen België, Frankrijk en Nederland. Hij verbleef voornamelijk bij vrienden in België. Zijn spullen lagen bij een vriend in C. Uitgaande van de stelling van verweerder dat eiser zich niet binnen 3 dagen na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij de korpschef, diende eiser, gelet op het gestelde in de artikelen 8 en 12 van de Vw 2000 juncto artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, Nederland binnen vier weken te verlaten. Deze termijn was op 17 oktober 2005 nog niet verstreken.

Gelet daarop is de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Dat eiser al eerder in Nederland had verbleven kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen.

Met betrekking tot de grond dat eiser niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats oordeelt de rechtbank als volgt. Van iemand die op grond van een Schengenvisum (met een geldigheidsduur van 3 maanden) in Nederland verblijft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verwacht dat hij zich inschrijft in de GBA, zo dit al mogelijk is. Evenmin is hij verplicht in een hotel te verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte aan het besluit tot bewaring ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank acht het daarbij van belang dat eiser zich onder meer in verband met het doen van zaken in Schengengebied bevond en heeft verklaard dat hij tussen Frankrijk, België en Nederland reisde en bij vrienden verbleef.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ten onrechte aan de bewaring ten grondslag is gelegd dat eiser niet beschikte over voldoende bestaansmiddelen. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 17 oktober 2005 blijkt dat eiser heeft verklaard te beschikken over ongeveer € 600,-- alsmede over een open retourticket dat geldig was tot 20 oktober 2005. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het uitgangspunt in verweerders beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A/2.4.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat een vreemdeling dient te beschikken over een bedrag van ten minste € 34,-- per dag, niet kon worden geconcludeerd dat eiser over onvoldoende bestaansmiddelen beschikte. Dat eiser het geld volgens verweerder niet op zak had, hetgeen overigens niet blijkt uit de stukken, is onvoldoende om te concluderen dat eiser niet heeft aangetoond over het geld te beschikken. Anders dan verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat van de zijde van eiser niet behoeft te worden bewezen dat hij gedurende de gehele periode van zijn verblijf in Schengengebied heeft beschikt over bestaansmiddelen.

De bewaring was, nu geen van de gronden daaraan ten grondslag kon worden gelegd, onrechtmatig.

Met betrekking tot het ter zitting van 4 november 2005 namens verweerder gestelde feit dat eiser zich niet conform het gestelde in artikel 4:48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 binnen 3 dagen na aankomst in Nederland heeft aangemeld bij de korpschef, is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat een maatregel tot bewaring niet middels een ter zitting gedane mondelinge mededeling kan worden aangevuld met een nieuwe grond. Derhalve leidt het gestelde feit dat eiser zich niet binnen 3 dagen na aankomst in Nederland bij de korpschef heeft gemeld niet tot een ander oordeel.

Het beroep is derhalve gegrond.

6. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om de gevorderde gebruikelijke schadever-goeding in verband met onrechtmatige bewaring toe te kennen. Gelet op de normbedragen van € 95,-- per dag detentie in een politiecel en € 70,-- per dag detentie in een huis van bewaring komt aan eisers, nu eiser 3 dagen in een politiecel en 8 dagen in een huis van bewaring in bewaring heeft verbleven, € 845,-- toe.

7. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs hebben moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 2 maal een halve punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

De rechtbank is niet gebleken dat eisers nog andere kosten hebben moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

8. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eisers een schadevergoeding toe, groot € 845,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder voorts in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 966,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eisers moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.J.M. Marseille, rechter, en door deze en mr. L. Coenraads, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2005.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.