Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7286

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/22437
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AX8969
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 116 Vw 2000 / WBV 2004/46 / overgangsrecht.

Allereerst moet worden vastgesteld dat verweerders standpunt, inhoudende dat in casu dient te worden getoetst aan het recht zoals dit voortvloeit uit de Vc 1994, zich niet verdraagt met artikel 116 Vw 2000. Immers het bestreden besluit dateert van 20 april 2005. Dit besluit is dus niet genomen binnen drie jaren na inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001, zodat artikel 116 Vw 2000 daarop niet van toepassing is. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar de ABRS-uitspraak 200308373/1 van 23 februari 2004, ambtshalve vast dat artikel 116 Vw 2000 geen ruimte laat voor het voeren van beleid. Voorzover verweerder meent dat de omstandigheid dat de aanvraag is ingediend vóór 1 april 2004 op basis van WBV 2004/46 met zich brengt dat in het onderhavige geval het recht zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 van toepassing is, wordt miskend dat artikel 116 Vw 2000 geen grondslag biedt voor het toepassen van het oude recht na 1 april 2004, ook niet indien de aanvraag vóór deze datum is ingediend. Aldus moet worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan de Vc 1994, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 116 Vw 2000. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudende te ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/22437

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2005

inzake

A,

geboren op [...] 1976,

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te ’s-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop

Op 17 maart 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend voor verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel: "verblijf bij partner B".

Bij besluit van 11 februari 2005 heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen, waarna eiser op 7 maart 2005 bij verweerder bezwaar heeft gemaakt.

Bij besluit van 20 april 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brieven van 17 mei 2005 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 05/22439.

De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 november 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. E.H.J.M.de Bonth.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 20 april 2005 in rechte stand kan houden.

2. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de gevraagde beperking, omdat referente niet heeft aangetoond dat zij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. In dit kader heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 116 van de Vw 2000 getoetst aan het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 en zoals dit was neergelegd in de Vreemdelingcirculaire 1994 (Vc (oud)).

3. In beroep is namens eiser aangevoerd dat referente de relevante bijstandnorm in het verleden net niet heeft gehaald, doch dat het verschil minimaal is. Verweerder had dan ook aanleiding behoren te zien om af te wijken van de normen uit de Vc (oud). Bovendien is een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Voorts is namens eiser gesteld dat verweerder eiser op zijn bezwaar had dienen te horen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

5. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. In artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zijn de voornaamste beperkingen genoemd. De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor een verblijfsvergunning onder een bepaalde beperking in aanmerking te komen, zijn nader uitgewerkt in het Vb 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000.

6. Ingevolge artikel 16, eerste lid en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. Het in artikel 116 van de Vw 2000 neergelegde overgangsrecht, voor zover hier van belang, brengt met zich dat gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet de inkomenseisen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 niet worden toegepast op Nederlanders, of op de vreemdeling die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet was toegelaten. In plaats daarvan blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing, voor zover dat gunstiger is dan het huidige recht.

8. In verweerders beleid, zoals dit is neergelegd in het op 19 juli 2004 gedateerde Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2004/46, is ten aanzien van het overgangsrecht ex artikel 116 van de Vw 2000, voor zover hier van belang, bepaald dat op verblijfsaanvragen voor gezinshereniging of gezinsvorming, ingediend vóór 1 april 2004 – mede gelet op artikel 3.103 van het Vb 2000 – het oude recht van toepassing is voor zover dat gunstiger is dan het huidige recht.

9. Allereerst moet worden vastgesteld dat verweerders standpunt, inhoudende dat in casu dient te worden getoetst aan het recht zoals dit voortvloeit uit de Vc (oud), zich niet verdraagt met artikel 116 van de Vw 2000. Immers het bestreden besluit dateert van 20 april 2005. Dit besluit is dus niet genomen binnen drie jaren na inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001, zodat artikel 116 van de Vw 2000 daarop niet van toepassing is.

10. De rechtbank stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 23 februari 2004 (200308373/1) – ambtshalve vast dat artikel 116 van de Vw 2000 geen ruimte laat voor het voeren van beleid. Voor zover verweerder meent dat de omstandigheid dat de aanvraag is ingediend vóór 1 april 2004 op basis van WBV 2004/46 met zich brengt dat in het onderhavige geval het recht zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 van toepassing is, wordt miskend dat artikel 116 van de Vw 2000 geen grondslag biedt voor het toepassen van het oude recht na 1 april 2004, ook niet indien de aanvraag vóór deze datum is ingediend.

11. Aldus moet worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan de Vc (oud), zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 116 van de Vw 2000.

12. In verband met het vorenoverwogene behoeft hetgeen namens eiser is aangevoerd geen bespreking meer.

13. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

? 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

? waarde per punt € 322,-;

? wegingsfactor 1.

14. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

15. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van totaal € 138,- dient te vergoeden.

16. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

- gelast de Staat der Nederlanden eiser het door hem gestorte griffierecht, ten bedrage van totaal € 138,-, te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier op 28 november 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: 28 november 2005