Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7262

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
KG ZA 05-1210 en KG ZA 05-1211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Octrooi-inbreuk vorderingen geweigerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2006, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rvp\I

zaaknummers: 250960 en 250967

rolnummers: KG ZA 05-1210 en KG ZA 05-1211

datum vonnissen: 1 december 2005 (bij vervroeging)

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht • Voorzieningenrechter

Vonnissen in kort geding,

zowel in de zaak met zaak- en rolnummer 250960 KG ZA 05-1210

van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN TECHNICAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

advocaten: mrs. J.P Hustinx en J.S. Hofhuis te Amsterdam,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

INTERBREW NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Breda,

2. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS ELECTRONICS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS DOMESTIC APPLIANCES AND PERSONAL CARE B.V.,

gevestigd te Groningen, kantoorhoudend te Amersfoort,

gedaagden,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

advocaat: mr. W.A. Hoyng te Amsterdam,

als in de zaak met zaak- en rolnummer 250967 KG ZA 05-1211

van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN TECHNICAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

advocaten: mrs. J.P Hustinx en mr. C.J.J.C. van Nispen, respectievelijk te Amsterdam en 's-Gravenhage,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

INTERBREW NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Breda,

2. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS ELECTRONICS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS DOMESTIC APPLIANCES AND PERSONAL CARE B.V.,

gevestigd te Groningen, kantoorhoudend te Amersfoort,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

advocaat: mr. W.A. Hoyng te Amsterdam.

Partijen worden hierna (ook in het dictum) aangeduid als Heineken enerzijds en Philips en Interbrew anderzijds.

OVERWEGINGEN BETREFFENDE DE LOOP VAN HET GEDING

Heineken heeft aanvankelijk op 26 september 2005 verlof gevraagd Philips en Interbrew in één zaak in kort geding te mogen dagvaarden, zich daarbij in een concept-dagvaarding van 57 pagina's beroepend op 5 (deels omvangrijke) Nederlandse registratieoctrooien.

Teneinde althans de mondelinge behandeling praktisch hanteerbaar te houden is door de voorzieningenrechter aangegeven dat de zaak in tweeën diende te worden gesplitst, waarna twee nieuwe concept dagvaardingen door de raadslieden van Heineken zijn ingebracht van respectievelijk 44 en 39 pagina's, waarbij Heineken zich in de eerste zaak beroept op 2 van de 5 aanvankelijke Nederlandse registratieoctrooien en in de tweede zaak op 3 van die 5 octrooien.

Daarbij wordt aangetekend dat met betrekking tot 3 van bedoelde 5 octrooien op 26 en 27 september 2005 (concept) akten van gedeeltelijke afstand zijn ingebracht, met het oogmerk deze octrooien (deels ingrijpend) anders te laten luiden dan in de vorm waarin deze aanvankelijk zijn verleend.

Op grond van bedoelde nieuwe concept-dagvaardingen is mondelinge last verleend tot dagvaarden op 27 september 2005, waartoe Heineken is overgegaan tegen 7 en 9 november 2005. In overleg met de raadslieden van partijen zijn de mondelinge behandelingen in de aldus gesplitste zaken nader vastgesteld op respectievelijk 9 november 2005 en 14 november 2005 alwaar Philips en Interbrew vervolgens vrijwillig zijn verschenen.

Bij beschikking van 5 oktober 2005, die overigens zowel mondeling als schriftelijk al bij de eerste contacten tussen de raadslieden van Heineken en de voorzieningenrechter over deze zaken in het vooruitzicht was gesteld, is door de voorzieningenrechter in beide zaken een procesregime vastgesteld, waaronder een schema van door partijen in acht te nemen uiterste termijnen waarbinnen producties konden worden ingebracht.

Tegen met name de uit die beschikking blijkende termijnen is door de raadslieden van Heineken in reactie op bedoelde beschikking van 5 oktober 2005 bezwaar aangetekend, maar dat bezwaar is onder opgave van redenen door de voorzieningenrechter verworpen.

Mr. Hoyng heeft namens Philips en Interbrew bij brief van 7 oktober 2005 opgeworpen dat de zaken op formele gronden zouden behoren te worden afgewezen en daartoe verzocht een uitsluitend daaraan te wijden zitting te willen houden, althans de vastgestelde data voor mondelinge behandeling voorshands uitsluitend aan deze formele aspecten te besteden. Dat verzoek is door de voorzieningenrechter op 7 oktober 2005 onder opgave van redenen niet gehonoreerd.

Bij brief van vrijdag 4 november 2005 is door de raadslieden van Heineken in beide zaken een eiswijziging aangekondigd, onder gelijktijdige overlegging van betreffende concept-akten houdende eiswijziging.

Ter zitting van 9 november 2005 in de zaak met rolnr. KG ZA 05-1210 zijn de stellingen van Heineken toegelicht door mrs. Hustinx en Hofhuis aan de hand van pleitaantekeningen en producties, waaronder enkele depots ter griffie van (onderdelen van) het PerfectDraft systeem, met bijstand van octrooigemachtigden ir. L.J.J. Jessen en ir. J.J. Bottema. Philips en Interbrew hebben verweer gevoerd bij monde van mr. Hoyng, eveneens aan de hand van pleitaantekeningen en producties.

Op de tweede zitting in de zaak met rolnr. KG ZA 05-1211, waarin de zijdens Philips en Interbrew ingestelde eis in reconventie is toegelicht door mr. Hoyng, terzake waarvan zijdens Heineken verweer is gevoerd bij monde van mrs. Van Nispen en Hustinx, zijn voorts in conventie de stellingen van Heineken toegelicht door deze raadslieden van Heineken, opnieuw met bijstand van ir. Jessen en ir. Bottema, terwijl Philips en Interbrew andermaal verweer hebben laten voeren door mr. Hoyng, waarbij ook in deze tweede zaak beiderzijds pleitaantekeningen en producties zijn gehanteerd.

In beide zaken heeft Heineken haar eis gewijzigd en zijdens Philips en Interbrew is bezwaar aangetekend tegen de eiswijziging in conventie in de zaak met rolnr. KG ZA 05-1211, omdat zij menen dat zij daardoor onredelijk in hun verdediging zijn geschaad.

In beide zaken is vonnis gevraagd op de stukken, waaronder vermelde pleitaantekeningen en producties, welke vonnissen nader zijn bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

in beide zaken, in KG 05-1211 zowel in conventie als in reconventie

1. Uitgangspunten

1.1 In kort geding kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2 In de periode februari 1996 - februari 2000 hebben Heineken en Philips op basis van een (een aantal keer "verlengde") Letter of Intent met elkaar samengewerkt, kort gezegd teneinde te komen tot een (modern) thuistapsysteem voor bier. Deze eerste samenwerking tussen partijen is vanwege een onoverbrugbaar zakelijk verschil van inzicht geëindigd door een Termination Agreement van 21 februari 2000. Op grond van deze overeenkomst heeft Philips onder meer tegen betaling een op haar naam staande octrooiaanvrage met betrekking tot wat Heineken noemt "de interface" van het toen gezamenlijk ontwikkelde prototype thuistapsysteem aan Heineken overgedragen.

1.3 Vervolgens heeft Heineken met Moulinex samengewerkt om te komen tot een thuistapsysteem. Deze samenwerking is geëindigd vanwege het faillissement van Moulinex. Daarna heeft Heineken opnieuw samenwerking gezocht met Philips om het project voort te zetten. Daartoe is op 8 februari 2002 een Confidentiality Agreement gesloten tussen partijen. In die overeenkomst heeft Philips Heineken onder meer gegarandeerd dat zij op dat moment niet was betrokken bij een vergelijkbaar project met een derde. Ook is ten behoeve van Heineken in deze overeenkomst geheimhouding overeengekomen van hetgeen in die tweede samenwerking door Heineken aan Philips aan informatie is verschaft (gedefinieerd als: know-how, data, instructions and other information they disclose). Deze verplichting - die overigens bij door partijen getekende side letter van 5 juli 2002 wederzijds is gemaakt, in die zin, dat een corresponderende verplichting voor Heineken geldt voor vertrouwelijke informatie afkomstig van Philips - geldt blijkens Clause 2 van de overeenkomst niet voor informatie die:

a. at the time of discloure is in the public domain;

b. after disclosure is published or otherwise becomes part of the public domain through no fault or action of the receiving party;

c. Philips can establish by competent proof was in its possession at the time of disclosure by Heineken and was not acquired, directly or indirectly, from Heineken;

d. is received by Philips after the time of disclosure by Heineken from a third party who did not acquire such Information from Heineken.

In juni 2002 heeft Heineken besloten deze tweede samenwerking te beëindigen. Heineken is vervolgens verder gegaan met de ontwikkeling van wat haar thuistapsysteem BeerTender zou worden met Krups.

1.4 Een ingenieurs- en consultancybureau uit Engeland heeft in opdracht van Interbrew per e-mail van 16 september 2002, dus na beëindiging van de tweede samenwerking tussen Heineken en Philips, contact gezocht met Philips om te pogen tot samenwerking te komen voor een thuistapsysteem. Die samenwerking heeft daadwerkelijk een aanvang genomen in november 2002. Interbrew was niet op de hoogte van de eerdere samenwerking tussen Heineken en Philips. In het begin van de samenwerking tussen Interbrew en Philips, die uiteindelijk heeft geleid tot het thuistapsysteem PerfectDraft, dat eerst in 2004 in onder meer België is gelanceerd en inmiddels vanaf oktober 2005 ook in Nederland op de markt is gebracht, heeft Interbrew aan Philips een prototype geopenbaard dat Interbrew al in samenwerking met bedoeld ingenieursbureau had ontwikkeld. Zowel door het aan de zijde van Interbrew ingeschakelde Duitse octrooibureau Mailand als door de octrooiafdeling van Philips is naar zeggen van Philips en Interbrew rekening gehouden met de octrooipositie van derden, waaronder Heineken, bij de ontwikkeling van de PerfectDraft.

1.5 Bij brief van 11 juli 2003 met als kopje Confidentiality Agreement heeft Heineken Philips onder meer het volgende bericht:

Ons is helaas ter ore gekomen dat Philips op eigen gelegenheid momenteel bezig is met het ontwikkelen van een vergelijkbaar product als het PDS (sc. thuistapsysteem, Vzr.), hetgeen in strijd lijkt te zijn met de vigerende afspraken tussen Heineken en Philips.

Ik zou het op prijs stellen indien u met mij contact opneemt om een en ander te bespreken. Ik wijs daarbij op artikel 2 van de confidentiality agreement, waarin is vastgelegd dat Philips dient aan te tonen dat zij géén inbreuk maakt op Heineken's rechten. Vanzelfsprekend behoud ik mij namens Heineken alle rechten voor.

1.6 Daarop is zijdens Philips geantwoord bij brief uit augustus 2003, met onder meer de volgende passages:

Philips, gelijk Heineken, staat het vrij een met het PDS vergelijkbaar systeem op de markt te brengen, zolang het patent, de modelrechten en de know how welke door Philips aan Heineken zijn overgedragen en de eventueel door Philips van Heineken ontvangen vertrouwelijke informatie daarbij niet gebruikt worden. Philips leeft vanzelfsprekend de voorwaarden na zoals opgenomen in de Termination Agreement en de door u genoemde confidentiality agreement. Philips gaat er vanuit dat Heineken dat eveneens doet.

De termijn van 5 jaar, waar U naar verwijst, geldt voor de wederzijdse "confidentiality obligations" uit de overeenkomst, maar bijvoorbeeld niet voor de exclusiviteit. Zou dit anders zijn, dan zou ook Heineken geen nieuwe samenwerking met een derde hebben kunnen aangaan.

Ik deel uw visie niet dat artikel 2 van de Confidentiality Agreement Philips verplicht aan te tonen dat zij geen inbreuk maakt op de rechten van Heineken. Pas indien zou komen vast te staan dat Philips vertrouwelijke informatie van Heineken anders heeft gebruikt dan in overeenstemming met artikel 1, komt de vraag aan de orde of deze informatie valt onder de uitzonderingen van artikel 2. Zolang Philips geen vertrouwelijke informatie van Heineken gebruikt komt artikel 2 niet aan de orde.

Reeds toen bleek dat Heineken en Philips het blijvend niet eens zouden worden over (onderdelen van) de beoogde samenwerking was het ons duidelijk dat, mochten wij ooit een soortgelijk systeem wensen te ontwikkelen, de rechten van Heineken te allen tijde gerespecteerd dienden te worden. Wij zijn die mening uiteraard nog steeds toegedaan.

Inmiddels kan ik u berichten dat wij inderdaad recentelijk betrokken zijn in de ontwikkeling van een mogelijk met het PDS vergelijkbaar systeem. Wij zien er zorgvuldig op toe dat de rechten van Heineken daarbij worden gerespecteerd.

1.7 Heineken heeft haar thuistapsysteem BeerTender in oktober 2003 in Zwitserland op de markt gebracht. Sinds begin 2004 is de BeerTender ook in Nederland verkrijgbaar.

1.8 In de loop van 2004 is het PerfectDraft systeem van Philips en Interbrew in onder meer België op de markt gebracht. Eind augustus 2004 is in de Nederlandse pers bericht dat in 2005 de PerfectDraft in Nederland zou worden uitgebracht.

1.9 (Eerst) in februari 2005 is Heineken teruggekomen op de in 1.6 bedoelde brief van Philips. Voor zover van belang heeft zij Philips toen als volgt geschreven:

4. Intussen heeft een nadere bestudering van de Perfect Draft ons geleerd dat deze zodanig veel punten van overeenstemming met de Beer Tender bevat dat het ons buitengewoon onaannemelijk voorkomt dat de Perfect Draft ontwikkeld is zonder dat Philips in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit de Termination Agreement d.d. 21 februari 2000 respectievelijk met haar verplichtingen uit de Confidentiality Agreement van februari 2002.(...)

(...)

8. Een en ander resulteerde (sc. in de 1e periode van samenwerking tussen Heineken en Philips, Vzr.) in een proto-type voor de thuistap, dat onder meer de volgende kenmerken had:

(i) voor het druksysteem is gekozen voor het zgn. "collapsable bottle" concept, terwijl er meerdere drukconcepten (o.m. "bag in box", en CO2 regulation") waren;

(ii) gekozen is voor een "refillable" concept, terwijl er tevens goede argumenten waren voor een "one way" concept;

(iii) een houdbaarheid van het bier van 10 dagen;

(iv) een wegwerpslangetje in plaats van het goedkopere concept van een herbruikbaar door de consument te reinigen slangetje;

(v) gekozen is verder voor een zelfkoelend concept in plaats van een concept waarin de consument de biercontainer koelt in de ijskast;

(vi) uitgaande van het zelfkoelend concept is gekozen voor een ruimte koeling (het hele vat wordt gekoeld) in plaats van een "in line" koeling (het bier wordt via de leiding gekoeld).

(...)

12. Heineken heeft de ontwikkeling van de thuistap toen niettemin voortgezet in samenwerking met Moulinex, totdat Moulinex eind 2001 failleerde. Tijdens deze interim periode zijn de volgende keuzes gemaakt (de nummering sluit aan op de nummering in nr. 8, zij het dat (i.2) en (iii.2) in de plaats komen van (i) en (iii):

(i.2) voor het druksysteem het "bag in keg" concept in plaats van "collapsible bottle" concept waar Heineken en Philips aanvankelijk op uit waren gekomen;

(iii.2) een houdbaarheid van het bier van 21 dagen in plaats van de 10 dagen zoals Heineken en Philips die aanvankelijk voor ogen stond;

(vii) een consumentenprijs van de thuistap van ongeveer ? 200,-;

(viii) een "look and feel" van de thuistap die een café-tap reflecteert, welke "look and feel" nog niet te vinden was in het door Heineken met Philips ontwikkelde prototype.

(...)

Perfect Draft opmerkelijk overeenstemmend

20. Zoals gezegd, hebben wij intussen de Perfect Draft bestudeerd zoals deze door Philips in oktober 2004 in België op de markt is gebracht. Vastgesteld moet worden dat de Perfect Draft dezelfde conceptuele keuzes belichaamt als het eerste prototype voor de Beer Tender die het resultaat was van onze eerste samenwerking. Voorzover de Perfect Draft daarvan verschilt, betreffen dat dezelfde verschillen als tussen het eerste en het tweede prototype voor de Beer Tender. De Perfect Draft belichaamt dus evenals de Beer Tender de hierboven in nrs. 8 en 12 beschreven eigenschappen (i.2), (ii), (iii.2), (iv) - (viii). Deze mate van overeenstemming op conceptueel niveau is opmerkelijk. Het feit dat de Perfect Draft tevens een aantal verschillen vertoont wat betreft de wijze waarop deze conceptuele keuzes zijn uitgevoerd, doet aan deze opmerkelijke overeenstemming niet af.

21. Deze mate van overeenstemming noem ik "opmerkelijk" , aangezien de kans dat voor de Perfect Draft deze zelfde keuzes zijn gemaakt als voor de Beer Tender statistisch bezien 28 is (˜ 0,004). (...) Ik realiseer mij dat een puur statistische benadering niet geheel recht doet aan de R&D realiteit. Niettemin meen ik dat deze benadering illustreert hoezeer deze punten van overeenstemming "opmerkelijk" genoemd kunnen worden.(...)

(...)

23. Gegeven de opmerkelijk hoge mate van overeenstemming tussen de Beer Tender en de Perfect Draft, dezelfde prijsstelling daarvan, en het gegeven dat Philips alsnog tot de exploitatie van een thuistap heeft besloten, is het buitengewoon onaannemelijk dat Philips geen gebruik heeft gemaakt van de Heineken know how, waarvan Philips ingevolge de Termination Agreement respectievelijk de Confidentiality Agreement van februari 2002 geen gebruik mocht maken.

24. In dit stadium hoedt Heineken zich er (vooralsnog) voor beschuldigingen aan het adres van Philips te uiten. Wel menen wij dat Philips ons terzake een deugdelijke en gedetailleerde verklaring verschuldigd is. Uit deze verklaring zal op een voor Heineken controleerbare wijze moeten blijken dat de Perfect Draft toch het resultaat is van een R&D-traject waarbij door Philips - al dan niet via derden - geen gebruik is gemaakt van de Heineken know how.

25. Wij zien een dergelijke verklaring graag uiterlijk maandag 28 februari a.s. tegemoet. Voorzover de gevraagde verklaring Philips ertoe noopt vertrouwelijk geachte informatie aan Heineken prijs te geven, is Heineken desgewenst bereid terzake een confidentiality agreement ten behoeve van Philips aan te gaan naar het model van de Confidentiality Agreement d.d. 8 februari 2002. Daaromtrent verneem ik zonodig graag van u.(onderstreping toegevoegd, Vzr.)

1.10 In antwoord daarop is door Philips op 28 februari 2005 onder meer als volgt bericht:

Ik deel u mede, zoals (ik, Vzr.) ook reeds in mijn brief van 28 augustus 2003 heb meegedeeld, dat Philips geen onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de know-how van Heineken.

Geruime tijd nadat de samenwerking tussen Philips en Heineken in juni 2002 door Heineken was beëindigd heeft Interbrew Philips benaderd met de vraag of Philips geïnteresseerd zou zijn in een samenwerking met Interbrew, waarbij partijen gezamenlijk het Home Beer System dat thans onder de naam Perfect Draft verkocht wordt, op de markt zouden brengen. Interbrew heeft in dat kader een door Interbrew zelf vergaand uitgewerkt prototype getoond, waarin alle conceptuele keuzes die u in uw brief noemt, zowel onder punt 8 als punt 12, reeds waren gemaakt. Dit geldt ook voor de voorgenomen consumentenprijs en het uiterlijk van het apparaat. Interbrew had deze keuzes dus reeds gemaakt ruim voor de gezochte samenwerking met Philips. Overigens is het nog maar de vraag of de conceptuele keuzes zoals u die beschrijft, wel voor bescherming middels een Confidentiality Agreement vatbaar zijn.

1.11 Bij brief van 15 maart 2005 schrijft Heineken aan Philips dat Heineken behoefte heeft aan een nadere toelichting, waartoe zij een bespreking voorstelt in het bijzijn harerzijds van een (IE) advocaat. In april 2005 heeft zo'n bespreking plaatsgevonden. Daar is onder meer tussen partijen afgesproken dat Philips na sluiting van een geheimhoudingsovereenkomst aan Heineken zou openbaren wat zij aan informatie van Interbrew had ontvangen. In een e-mail van 19 augustus 2005 schrijft de Philipsjurist aan Heineken onder meer:

Inmiddels heb ik met InBev afgesproken welke documenten we met Heineken kunnen delen in het kader van onze eerdere discussies.

Bijgaand tref je een draft Non-Disclosure Agreement.

Graag verneem ik je commentaar en verder de naam van de relevante Heineken vennootschap en de naam en andere gegevens van de contact persoon van Heineken (Art. VI). Zodra de NDA getekend is kunnen we een bijeenkomst plannen om de documenten door te lopen.

1.12 Op dezelfde dag antwoordt Heineken daarop per e-mail:

Dank voor het bericht. Onze legal council Hemmo parson zal bij je terugkomen inzake de NDA.

Heineken is hier vervolgens niet meer op teruggekomen. In geen van de in het voorgaande uiteengezette wisselingen tussen partijen is door Heineken (expliciet) aangekaart dat er in haar optiek een octrooiprobleem speelde.

1.13 Bij persbericht van 24 augustus 2005 is door Philips en Interbrew aangekondigd dat de PerfectDraft vanaf 1 oktober 2005 in Nederlands verkrijgbaar zal zijn, op welke datum de introductie ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit persbericht luidt, voor zover van belang, als volgt:

Interbrew en Philips introduceren 'PerfectDraft(r)' in Nederland

Dommelsch, Hertog Jan, Jupiler, Bavaria en Grolsch deelnemers aan open tapsysteem

Na een succesvolle introductie in België en Luxemburg (2004) en aankondiging in Duitsland, introduceren Interbrew en Philips samen met Bavaria en Grolsch PerfectDraft(r) nu in Nederland. De thuistap is vanaf begin oktober 2005 verkrijgbaar. InBev (het moederbedrijf van Interbrew Nederland) en Philips die in hun sector elk een toonaangevende positie bekleden, hebben PerfectDraft(r) gezamenlijk ontwikkeld. PerfectDraft(r) is een thuistapsysteem dat een apparaat van hoge kwaliteit en favoriete biermerken Dommelsch, Hertog Jan, Jupiler, Bavaria en Grolsch samenbrengt.

'Open Systeem'

Consumenten hebben in toenemende mate behoefte aan comfort, kwaliteit en keuze in hun thuisomgeving. Philips en InBev spelen in op deze ontwikkeling. Met de ruime kennis op het gebied van consumentenelektronica enerzijds en de rijke brouwerservaring anderzijds ontwikkelden de twee partners PerfectDraft(r) dat eerder in 2004 in België en Luxemburg met succes werd geïntroduceerd. Bijzonder aan de Nederlandse introductie van PerfectDraft(r) is dat het een open systeem is, waardoor Bavaria en Grolsch ook licentiehouders zijn voor de Nederlandse markt. Consumenten hebben daarom naast een aantal biermerken van Interbrew (Dommelsch, Hertog Jan en Jupiler) ook de keuze om Bavaria en Grolsch te tappen.

Jaak de Witte, Business Unit President Inbev BeNeFraLux, geeft aan: "Consumenten hebben steeds meer behoefte aan keuze. Wij denken dat we hier het beste op in kunnen spelen door het bieden van een open systeem waarin diverse biermerken kunnen deelnemen zodat de keuze voor de consument zo breed mogelijk wordt. Met het open systeem kunnen consumenten hun eigen favoriete bier kiezen, waaronder de Interbrew merken Dommelsch, Hertog Jan en Jupiler".

Stefan Verhoeven, General Manager Philips DAP Nederland (Philips Domestic Appliances and Personal Care), voegt toe: "Philips heeft altijd bewezen een autoriteit te zijn op consumentgerichte oplossingen in huishoudelijke apparaten. Ook bij PerfectDraft(r) is er goed gekeken naar de beste oplossingen voor het thuis tappen van een perfect glas bier. De technische toepassingen van de juiste druk, optimale temperatuur en een systeem met echte metalen vaatjes zijn daar een voorbeeld van.

We zien al enkele jaren veel kansen in het combineren van de sterktes van verschillende bedrijven. We zijn dan ook blij dat PerfectDraft(r) nu ook in Nederland op de markt komt en dat naast onze vaste partner Interbrew Nederland ook Bavaria en Grolsch participeren."

PerfectDraft(r): systeem met veel voordelen

PerfectDraft(r) geeft consumenten de gelegenheid thuis echt te genieten van hun favoriete perfect getapte bier en heeft veel voordelen. Het is een makkelijk te bedienen systeem met een inwendig koelsysteem, een stevige taphendel voor de echte tapbeleving en lichtmetalen vaatjes van 6 liter. Zowel het design van de vaatjes als het materiaalgebruik geven de vaatjes een professionele uitstraling. Het systeem bewaart bier in ideale omstandigheden en bij een constante lage temperatuur. Een optimale drukregeling zorgt voor een perfect getapt glas bier met een mooie schuimlaag. Het feit dat de vaatjes er aan de voorkant worden ingeplaatst in plaats van aan de bovenkant, is extra handig omdat het apparaat daardoor een vaste plaats onder de meeste keukenkastjes kan hebben. De PerfectDraft(r) is ook voorzien van een display met temperatuur-weergave en geeft tevens met een meetsysteem aan wat de inhoud van het vaatje op dat moment is.

De vaatjes van de merken Dommelsch, Hertog Jan, Jupiler, Bavaria zijn geschikt voor PerfectDraft(r) en vanaf begin oktober verkrijgbaar bij supermarkten en slijters. De vaatjes van Grolsch zullen vanaf begin december verkrijgbaar zijn. Via een statiegeldsysteem nemen de verkooppunten de vaatjes na gebruik ook terug. Het apparaat zelf zal verkrijgbaar zijn bij onder andere de bekende elektronicazaken.

De consumentenadviesprijs voor de thuistap zal EUR 199,- bedragen.

Consumenten kunnen meer informatie vinden op www.perfectdraft.nl.

1.14 Heineken heeft op de avond van de dag van dagvaarding het volgende persbericht omtrent deze zaken uitgebracht:

PERSBERICHT

Heineken start kort geding tegen Philips en Inbev

Heineken en Krups zijn van mening dat in het thuistapsysteem van Philips en Inbev inbreuk is gemaakt op een aantal octrooien op technieken in BeerTender, waarvan Heineken de eigenaar is. Via een gerechtelijke procedure wil Heineken haar uitvindingen beschermen tegen misbruik van derden.

Heineken vordert in een kort geding tegen Philips en Inbev een verbod tot verkoop van het thuistapsysteem van Philips en Inbev in Nederland. In Nederland zijn de octrooien vastgelegd bij het Nederlands Octrooi Bureau. Een soortgelijke procedure is Heineken in Duitsland gestart.

Innovatie is een van de belangrijkste pijlers van groeistrategie van Heineken en Krups. Met de introductie van BeerTender in 2004 hebben Heineken en Krups de consument als eerste een gebruiksvriendelijke thuistap geboden, een revolutie in de biermarkt. Aan de succesvolle introductie van BeerTender zijn ruim 10 jaren van investeringen in R&D door Heineken vooraf gegaan.

Heineken en Krups verwelkomen concurrentie voor BeerTender in de thuistapmarkt. Dit is goed voor de ontwikkeling van de biermarkt. Hierbij moeten nieuwe toetreders wel hun eigen techniek ontwikkelingen (ontwikkelen?, Vzr.), zonder inbreuk te maken op de octrooien van Heineken.

Heineken is eigenaar van alle octrooien op het BeerTendersysteem en de biervaatjes. Groupe SEB, de eigenaar van Krups, is exclusief licentiehouder van BeerTender. Heineken en Krups doen gedurende de gerechtelijke procedure geen verdere mededelingen.

1.15 Op de avond van 27 september 2005, na betekening van de dagvaardingen, heeft de CEO van Heineken N.V. telefonisch contact opgenomen met de CEO van Interbrew om hem om de hoogte te brengen van de onderhavige kort gedingen. Naar stelling van Heineken is de rauwelijkse dagvaarding ingegeven teneinde vermeend "torpedogevaar" te voorkomen. Op dezelfde dag dat in de onderhavige kort gedingzaken is gedagvaard, is een bodemprocedure (niet volgens het versneld regime in octrooizaken) bij deze rechtbank aanhangig gemaakt en tevens een inbreukprocedure begonnen op basis van Gebrauchsmusters in Duitsland.

1.16 (Eerst) bij brief van 28 september 2005 heeft Heineken Philips in kennis gesteld van haar opvatting dat de PerfectDraft inbreuk zou maken op haar ingeroepen octrooirechten en Philips uitgenodigd binnen een week in onderhandeling te treden omtrent een onthoudingsverklaring, onder de voorwaarde dat Philips bereid zou zijn de op handen zijnde introductie van de PerfectDraft uit te stellen, in welk geval Heineken de kort geding procedures zou willen "afblazen".

1.17 Heineken is houdster van de volgende octrooien of octrooiaanvragen:

a) 1) Het Nederlandse registratieoctrooi NL 1019562 (hierna: NL '562), verleend op 17 juni 2003 op een aanvraag van 13 december 2001 voor een: Klepsamenstel voor gebruik bij drankafgifte. De conclusies 1, 3 t/m 5 en 8 t/m 17 luiden aldus:

1. Klepsamenstel voor een container waarin een binnenzak is voorzien voor het opnemen van drank, in het bijzonder koolzuurhoudende drank zoals bier, waar een drankklep is voorzien die aan de naar de binnenzak gekeerde zijde is voorzien van een verbinding met de binnenruimte van de zak en aan de tegenovergelegen zijde is voorzien van middelen voor bediening van de drankklep door een tapinrichting waarin de container opneembaar is, waarbij de drankklep aan de tegenovergelegen zijde wordt omgeven door een opstaand eerste schort dat gasdicht is, waarbij zich langs de buitenzijde van genoemd eerste schort, op afstand daarvan een tweede opstaand schort bevindt, eveneens gasdicht, waarbij tussen het eerste en het tweede schort een bodemwand met ten minste één gasdoorlaatopening is voorzien die tijdens gebruik in verbinding staat met de ruimte ingesloten tussen de binnenzak en een de binnenzak omgevende container, een en ander zodanig dat tijdens gebruik een kraag van een aansluitelement gas- en vloeistofdicht aanligt tegen het tweede schort terwijl een afgifte-element gas- en vloeistofdicht aanligt tegen het eerste schot, waardoor tussen de beide schorten een kamer wordt gevormd waardoorheen gas onder druk door genoemde ten minste ene gasdoorlaatopening kan worden gedwongen, gescheiden van de drank.

(...)

3. Klepsamenstel volgens conclusie 1 of 2, waarbij het eerste en het tweede schort concentrisch ten opzichte van de drankklep zijn opgesteld.

4. Klepsamenstel volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de drankklep een kleplichaam omvat met een frontaal oppervlak, gekeerd naar het eerst schort, dat groter is dan het doorsnede oppervlak van het door het eerste schort ingesloten kanaal, waarbij de naar het kleplichaam gekeerde einde van het eerste schot een klepzitting voor het kleplichaam bepaalt.

5. Klepsamenstel volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de drankklep een kleplichaam omvat dat in de richting van een nabij het ondereinde van het eerste schort bepaalde klepzitting is voorgespannen in een buisvormig lichaam dat het kleplichaam omgeeft en aansluit op genoemd eerste schort, althans op de bodemwand, waarbij het kleplichaam afstandhoudermiddelen omvat voor het vormen van doorlaatopeningen tussen het kleplichaam en genoemd buisvormig lichaam, ten minste bij geopende drankklep.

(...)

8. Klepsamenstel volgens een der voorgaande conclusies, waarbij rond het tweede schort aan de van het eerste schort afgekeerde zijde een derde schort is voorzien dat aan de buitenzijde is voorzien van eerste koppelingsmiddelen voor samenwerking met complementaire middelen in de container, in het bijzonder schroefdraad of bajonetmiddelen en van tweede koppelingsmiddelen voor koppeling met het aansluitelement.

9. Samenstel van een klepsamenstel volgens een der voorgaande conclusies en een aansluitelement voor koppeling daarmee, waarbij het koppelingselement aan een eerste zijde is voorzien van een kraag die in gebruikstoestand gas- en vloeistofdicht aansluit op het tweede schort, waarbij zich binnen de kraag een afgifte-element bevindt dat zich uitstrekt tot aan de tweede zijde van het aansluitelement en in de richting van de drankklep beweegbaar is, relatief ten opzichte van de kraag, welk afgifte-element in hoofdzaak hol is en aan de tweede zijde aansluit op een afgifteslang of -huis en aan de eerste zijde is voorzien van een aansluitrand die gas- en vloeistofdicht kan samenwerken met het eerste schort, waarbij een gaskanaal zich vanaf de tweede zijde van het aansluitelement uitstrekt tot binnen een tijdens gebruik tussen het eerste schort, het tweede schort, de bodemwand, het aansluitelement ingesloten kamer, zodanig dat via dit gaskanaal gas onder druk door de ten minste ene gasdoorlaatopening kan worden gedwongen, waarbij door neerdrukken van het afgifte-element tegen de drankklep de drankklep kan worden geopend voor het afgeven van drank, door het afgifte-element en de afgifteslang of -buis. 10. Samenstel volgens conclusie 9 of 10, waarbij het gaskanaal aan de tweede zijde uitmondt naast een doorlaatopening waardoorheen zich het afgifte-element uitstrekt.

11. Samenstel volgens conclusie 9 of 10, waarbij het afgifte-element aan de eerste zijde is voorzien van een enigszins flexibele rand die afdichtend aanligt tegen de binnenzijde van het eerst schort, welke rand bij voorkeur enigszins buitenwaarts reikt.

12. Samenstel volgens een der conclusies 9 - 11, waarbij het aansluitelement binnen de kraag een tweede kraag omvat, rond het afgifte-element, welke tweede kraag afdicht op de bovenste langsrand en/of de buitenzijde van het eerste schort.

13. Samenstel volgens een der conclusies 9 - 12, waarbij het aansluitelement een kamer omvat waarin de afgifteslang of-buis opneembaar is.

14. Samenstel volgens een der conclusies 9 - 13, waarbij het aansluitelement is voorzien van contrakoppelingsmiddelen voor koppeling met tweede koppelmiddelen voorzien op een derde schort van het klepsamenstel, voor het vastzetten van het aansluitelement op het klepsamenstel.

15. Container waarin een binnenzak is voorzien voor het opnemen van drank, in het bijzonder koolzuurhoudende drank zoals bier, waarin een klepsamenstel is voorzien volgens een der conclusies 1 - 8 of een samenstel volgens een der conclusies 9 -14.

16. Werkwijze voor het gebruiken van een container volgens conclusie 15, voorzien van een samenstel volgens een der conclusies 9 - 14, waarbij in een hals van de container het klepsamenstel wordt bevestigd, met de binnenzak bevestigd aan het klepsamenstel, waarna de binnenzak door het klepsamenstel langs de drankklep wordt gevuld, met weggenomen aansluitelement, waarna vervolgens het aansluitelement op het klepsamenstel en/of de container wordt vastgezet, bij gesloten drankklep.

17. Werkwijze volgens conclusie 16, waarbij na aanbrengen van het aansluitelement de container in een tapinrichting wordt geplaatst en vervolgens een gas door de ten minste ene gasdoorlaatopening tussen de binnenzak en de omgevende container wordt gebracht voor samendrukken van de binnenzak onder verdringing van de in de binnenzak aanwezige drank, bij openen van de drankklep.

a)2) Op 28 oktober 2005 is met betrekking tot de aan NL '562 parallelle Europese aanvrage EP 027689010.2, die weer is gebaseerd op de op basis van NL '562 ingediende PCT aanvrage WO 03/050031, nadat Heineken aangepaste conclusies had ingediend, door de Examiner van het EOB aangegeven dat de volgende conclusies verleenbaar werden geacht:

1. A valve assembly (1) for a container (55) in which an inner bag (9) is provided for receiving beverage, in particular carbonated beverage such as beer, wherein a beverage valve (6) is provided which, on a first side facing the inner bag (9), is provided with a communication with the inner space of the bag (9) and on a second side, opposite said first side, is provided with means (5) for operation of the beverage valve (6) by a tapping device in which the container is

receivable, characterized in that the beverage valve i6), or, said second side, is

surrounded by an upstanding first apron (42) which is gas-tight, while along the outer side of said first apron (42), at a distance therefrom, a second apron (44) is situated, also gas-tight, while between the first (42) and the second (44) apron a bottom wall (48) with at least one gas passage opening (54) is provided which during use, is in communication with the space (80) enclosed between the inner bag (9) and a container (55) surrounding the inner bag (9), the arrangement being such that during use a collar (74) of a connecting element (57) abuts gas-tightly and liquid-tightly against the second apron (44), while a dispensing element (66) abuts gas-tightly and liquid-tightly against the first apron (42), so that, between said first and said second apron, a chamber (75) is formed through which gas under pressure can be forced through said at least one gas passage opening (54), separately from the beverage.

(...)

3. A valve assembly according to claim 1 or 2, wherein the first (42) and the second (44) apron are arranged concentrically with respect to the beverage valve (6).

4. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the beverage valve (6) comprises a valve body (4) having a frontal surface (5), facing the first apron (42), that is greater than the cross-sectional surface of the channel (38) enclosed by the first apron (42), and wherein the end (34) of the first apron (42) facing the valve body (4) defines a valve seat for the valve body (4).

5. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the beverage valve (6) comprises a valve body (4) which is biased in the direction of a valve seat (34) defined adjacent the lower end of the first apron (42) in a tubular body (10) surrounding the valve body (4) and connecting to said first apron (42), at least to the bottom wall (48), wherein the valve body (4) comprises spacer means (40) for forming passage openings between the valve body (4) and said tubular body (10), at least with the beverage valve open.

(...)

8. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein around the second apron (44), on the side remote from the first apron (42), a third apron (46) is provided which, on the outer side thereof, is provided with first coupling means (50) for cooperation with complementary means (56) in the container (55), in particular screw thread or bayonet means and with second coupling means (49) for coupling to the connecting element.

9. An assembly of a valve assembly (1) according to any one of the preceding claims and a connecting element (57) for coupling thereto, wherein the connecting element (57) is provided, on a first side thereof, with a collar (74) which in a condition of use abuts gas-tightly and liquid-tightly against the second apron (44), while within the collar a dispensing element (66) is situated which extends as far as the second side of the connecting element and is movable in the direction of the beverage valve (6), relative to the collar (74), which dispensing element (66) is substantially hollow and on the second side (67) links up with a dispensing hose or tube (63) and on the first side is provided with a connecting edge (71, 71a) which can cooperate gas-tightly and liquid-tightly with the first apron (42), while a gas channel (77) extends from the second side of the connecting element, reaching into a chamber (75) enclosed during use between the first apron (42), the second apron (44), the bottom wall (48), and the connecting element (57), such that via this gas channel (77) gas under pressure can be forced through the at least one gas passage opening (54), while by pressing the dispensing element (66) down against the beverage valve (6), the beverage valve (6) can be opened for dispensing beverage, through the dispensing element (66) and the dispensing hose or tube (63).

10. An assembly according to claim 9, wherein the gas channel (77), on the second side, terminates next to a passage opening (38) through which the dispensing element (66) extends.

11. An assembly according to claim 9 or 10, wherein the dispensing element (66) on the first side is provided with a slightly flexible edge (71, 71a) which abuts sealingly against the inner side of the first apron (44), which edge (71, 71a) preferably reaches outwardly to some extent.

12. An assembly according to any one of claims 9-11, wherein the connecting element (57) comprises, within the collar (74), a second collar (73), around the dispensing element (66), which second collar (73) sealingly engages the upper longitudinal edge and/or the outer side of the first apron (42).

13. An assembly according to any one of claims 9-12, wherein the connecting element (57) comprises a chamber (62) in which the dispensing hose or tube (63) is receivable.

14. An assembly according to any one of claims 9-13, wherein the connecting element (57) is provided with counter-coupling means (58) for coupling with second coupling means (49) provided on a third apron (49) of the valve assembly (1), for securing the connecting element (57) on the valve assembly (1).

15. A container (55) in which an inner bag (9) is provided for receiving beverage, in particular carbonated beverage such as beer, in which is provided a valve assembly (1) according to any one of claims 1-8 or an assembly according to any one of claims 9-14.

16. A method for using a container (55) according to claim 15, provided with an assembly (1) according to any one of claims 9-14, wherein in a neck (56) of the container (55) the valve assembly (1) is secured, with the inner bag (9) secured to the valve assembly (1), after which the inner bag (9) is filled through the valve assembly (1) along the beverage valve (6), with connecting element (57) removed, whereafter subsequently the connecting element (57) is secured on the valve assembly (1) and/or the container (55), with the beverage valve (6) closed.

17. A method according to claim 16, wherein after fitting the connecting element (57), the container (55) is placed in a tapping device and subsequently a gas is introduced through the at least one gas passage opening (54) between the inner bag (9) and the surrounding container (55) for compressing the inner bag (9), thereby displacing the beverage present in the inner bag (9), upon opening of the beverage valve (6).

Bij zowel NL '562 als de op basis daarvan ingediende en thans verleenbaar geachte Europese aanvrage horen de volgende (hier verkleind weergegeven) figuren (gelijk in beide stukken):

[figuren in authentieke vonnis wel opgenomen, hier niet]

b)1) Het Nederlandse registratieoctrooi NL 1019526 (hierna: NL '526), verleend op 30 december 2002 op een aanvraag van 10 december 2000, maar afgesplitst van de aanvrage tot NL 1015411 die is ingediend op 9 juni 2000 en derhalve prioriteit claimend vanaf die datum, voor een: Houder voor drank voorzien van een kamer met een flexibele afgifteslang alsmede van positioneringsmiddelen. Voorafgaand aan de akte van gedeeltelijke afstand van 27 september 2005 luidde conclusie 1 van dit octrooi aldus:

Samenstel van een drankafgifte-inrichting (11) met een koelkamer (12) met een kamerwand (17) en met aan een bovenzijde een opening voor het opnemen van een houder(1) met een drank, alsmede van een houder (1) die aan een bovendeel (2) is voorzien van afgifte-orgaan (4, 5, 6, 7) voor het afgeven van de drank en van een omtrekswand (14), met het kenmerk, dat de houder is voorzien van positioneringsmiddelen (13, 13') die zich dwars op de omtrekswand (14) uitstrekken, waarbij de kamerwand (17) van de koelkamer is voorzien van complementaire positioneringsmiddelen (16, 16') die bij plaatsing van de houder in de koelkamer aangrijpen op de positioneringsmiddelen (13, 13') van de houder, op een zodanige wijze dat de houder in een gedefinieerde positie ten opzichte van de koelkamer wordt gebracht.

b)2) Na bedoelde akte van afstand luidt conclusie 1 van dit octrooi aldus:

Samenstel van een drankafgifte-inrichting (11) met een koelkamer (12) met een kamerwand (17) en met aan een bovenzijde een opening voor het opnemen van een houder (1) met een drank, een drukmiddeltoevoer (21), alsmede van een houder (1) die aan een bovendeel (2) is voorzien van een afgifteorgaan (4,5,6,7) voor het afgeven van de drank, met een aansluitelement (20,48) voor losneembare verbinding met de drukmiddeltoevoer (21), welke drukmiddeltoevoer en aansluitelement buiten de hartlijn (24) van respectievelijk de koelkamer en de houder zijn gelegen, en met een omtrekswand (14), waarbij de houder is voorzien van positioneringsmiddelen (13,13') die zich dwars op de omtrekswand (14) uitstrekken, waarbij de afgifte-inrichting is voorzien van complementaire positioneringsmiddelen (16,16') die bij plaatsing van de houder in de koelkamer (12) aangrijpen op de positioneringsmiddelen van de houder, met het kenmerk, dat door aangrijping van de positioneringsmiddelen (13,13') van de houder met de complementaire positioneringsmiddelen van (16,16') van de afgifte-inrichting (11), het aansluitelement (20,48) is een gedefinieerde bevestigingspositie wordt gebracht waarbij deze is uitgelijnd met de drukmiddeltoevoer (21) bij het inbrengen van de houder (1) in de koelkamer (12).

b)3) Op 2 november 2005 is aan Heineken verleend het aan NL '526 parallelle Europese octrooi EP 1 286 911 B1 (hierna: EP '911), waarvan de aanvrage dateert van 11 juni 2001 en prioriteit wordt ingeroepen op basis van Heinekens NL 1015411 (waarvan, als gezegd, de aanvrage tot NL '526 is afgesplitst) d.d. 9 juni 2000. Conclusie 1 van EP '911 luidt aldus:

Assembly of a drink dispensing device (11) having a chill chamber (12) with a chamber wall (17), an opening at atop for accommodating a container (1) containing a drink, a pressure medium feed (21), as well as a container (1) that is provided at a top sec-tion (2) with a dispensing element (4,5,6,7) for dis-pensing the drink, with a connector (20, 48) for de-tachably connecting to the pressure medium feed (21), which pressure medium feed and connector are located outside the centre line (24) of the chill chamber and of the container, respectively, and with a peripheral wall (14), the container being provided with positioning means (13,13') which extend trans-versely to the peripheral wall (14), the dispensing device being provided with complementary posi-tioning means (16, 16') which, when the container is placed in the chill chamber (12), engage on the positioning means of the container, characterised in that, by engagement of the positioning means (13,13') on the container with the complementary positioning means (16,16') on the dispensing de-vice (11), the connector (20, 48) is brought in a de-fined attachment position in which it is aligned with the pressure medium feed (21) upon introduction of the container (1) in the chill chamber (12).

Bij b)1) t/m b)3) horen de volgende identieke, hier verkleind weergegeven figuren (met dien verstande dat EP '911 nog een additionele figuur 7 bevat, die in NL '526 ontbreekt):

[figuren in authentieke vonnis wel opgenomen, hier niet]

c)1) Het Nederlandse registratieoctrooi NL 1014081 (hierna: NL '081), verleend op 19 juni 2000 op een aanvrage van 17 januari 2000, die is afgesplitst van de aanvrage tot NL 1012546, die weer is ingediend op 8 juli 1999, maar waarin voorrang wordt geclaimd op grond van NL 1009654 die dateert van 15 juli 1998, voor een: Container voor drank. Voorafgaand aan de akte van gedeeltelijke afstand van 24 oktober 20051 luidden de conclusies 1 t/m 4, 6 t/m 8 en 10 t/m 14 aldus:

1. Container voor koolzuurhoudende drank, in het bijzonder bier, welke container is voorzien van een uitstroomopening en klepmiddelen voor afsluiting van de uitstroomopening, waarbij een afgiftebuis, in het bijzonder een afgifteslang is voorzien die enerzijds koppelbaar is met de klepmiddelen en anderzijds met een tapkraan.

2. Container volgens conclusie 1, waarbij de afgifteslang althans gedeeltelijk flexibel is uitgevoerd.

3. Container volgens conclusie 1 of 2, waarbij de afgifteslang zodanig is uitgevoerd dat deze met genoemde tapkraan kan samenwerken voor de vorming van een kraan van het slangkraantype.

4. Container volgens conclusie 3, waarbij de afgifteslang zodanig is uitgevoerd dat deze voorafgaand aan gebruik in of door een tapkraan wordt geleid, waarbij een vrij einde van de afgifteslang een uitstroomopening vormt voor het bij geopende tapkraan afgeven van drank aan een gebruiker.

(...)

6. Container volgens een der conclusies 1 - 4, waarbij de afgifteslang losneembaar met de klepmiddelen is gekoppeld.

7. Container volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de container is voorzien van een buitencontainer en een binnencontainer, welke binnencontainer ten minste gedeeltelijk flexibel is uitgevoerd, waarbij middelen zijn voorzien voor het tussen de binnencontainer en de buitencontainer invoeren van een drukmedium.

8. Container volgens een der voorgaande conclusies, waarbij tijdens gebruik de lengte van de afgifteslang tussen de klepmiddelen en de tapkraan relatief kort is, in het bijzonder minder dan twee maal de diameter van de container, waarbij de afgifteslang zich in hoofdzaak dwars op de lengteas van de container uitstrekt.

(...)

10. Samenstel van een container volgens een der voorgaande conclusies en een buitenhouder, waarbij de buitenhouder is voorzien van de middelen voor het tussen de binnencontainer en de buitencontainer voeren van het drukmedium en van genoemde tapkraan.

11. Gebruik van een container, voorzien van een in althans gedeeltelijk flexibele afgifteslang, voor opslag en afgifte van koolzuurhoudende drank, in het bijzonder bier.

12. Gebruik volgens conclusie11, waarbij de container is voorzien van klepmiddelen in uitstroomrichting voorliggend op de afgifteslang, waarbij de afgifteslang in verbinding wordt gebracht met een tapkraan, zodanig dat de doorstroming van de afgifteslang wordt geblokkeerd, voorafgaand aan openen van de klepmiddelen.

13. Werkwijze voor het afgeven van koolzuurhoudende drank, in het bijzonder bier, waarbij een container met een uitstroomopening, in de uitstroomopening geplaatste klepmiddelen en een met de klepmiddelen verbonden, althans gedeeltelijk flexibele afgifteslang wordt gekoppeld met middelen voor invoeren van een drukmedium in de container, terwijl de afgifteslang wordt gekoppeld met een tapkraan, waarbij doorstroming van drank door de afgifteslang wordt verhinderd, ten minste voorafgaand aan het na aansluiting voor de eerste maal openen van de klepmiddelen en invoeren van drukmedium in de container.

14. Werkwijze volgens conclusie 13, waarbij een container met een buitencontainer en een ten minste gedeeltelijk flexibele, de drank bevattende binnencontainer wordt toegepast, waarbij het drukmedium tussen de buitencontainer en de binnencontainer wordt ingevoerd.

c)2) Na bedoelde akte van gedeeltelijke afstand luiden de conclusies 1 t/m 5 en 7 t/m 15 aldus:

1. Samenstel van een container voor drank, in het bijzonder koolzuurhoudende drank zoals bier, voorzien van een behuizing en een drankkanaal met een kleplichaam, waarbij bedieningsmiddelen zijn voorzien voor het bewegen van het kleplichaam, welke bedieningsmiddelen:

eerste koppelmiddelen omvatten voor koppeling van het drankkanaal met drankafgiftemiddelen voor het legen van een container door of langs het kleplichaam; en

tweede koppelmiddelen omvatten voor koppeling van het drankkanaal met een vulinrichting voor het vullen van een container door of langs het kleplichaam,

waarbij de eerste koppelmiddelen een knievormig kanaaldeel omvatten, voorzien van een eerste been en een tweede been, waarbij een flexibele buis is verbonden met genoemd tweede been, zodanig dat tijdens gebruik genoemd eerste been omlaag wordt gedrukt tegen het kleplichaam voor het openen van genoemde klep en genoemde buis kan worden gekoppeld met een tapkraan, waarbij de tweede koppelmiddelen een relatief groot debiet mogelijk maken door het drankkanaal en waarbij het eerste been van het knievormig kanaaldeel van de eerste koppelmiddelen een kleine doorgang heeft relatief ten opzichte van het drankkanaal voor het relatief langzaam en beheerst afgeven van de drank.

2. Container voor drank voor gebruik in een samenstel volgens conclusie 1, welke container is voorzien van een uitstroomopening en klepmiddelen voor afsluiting van de uitstroomopening, welke klepmiddelen de behuizing en het drankkanaal met het kleplichaam omvatten, voorzien van de eerste koppelmiddelen voor koppeling van het drankkanaal met drankafgiftemiddelen voor het legen van een container door of langs het kleplichaam, waarbij de eerste koppelmiddelen een knievormig kanaaldeel omvatten, voorzien van een 5

eerste been en een tweede been, waarbij een flexibele buis is verbonden met genoemd tweede been, zodanig dat tijdens gebruik genoemd eerste been omlaag wordt gedrukt tegen het kleplichaam voor het openen van genoemde klep en genoemde buis kan worden gekoppeld met een tapkraan, waarbij het eerste been van het knievormig kanaaldeel van de eerste koppelmiddelen een kleine doorgang heeft relatief ten opzichte van het drankkanaal voor het relatief langzaam en beheerst afgeven van de drank.

3. Container volgens conclusie 2, waarbij de klepmiddelen, omvattende ten minste de klepbehuizing, het kleplichaam en het knievormige kanaal en de flexibele buis wegwerpbaar zijn, in het bijzonder evenals een met de klepbehuizing verbonden binnencontainer, terwijl de buitencontainer geschikt is voor hergebruik.

4. Container volgens conclusie 2 of 3, waarbij de afgifteslang zodanig is uitgevoerd dat deze met genoemde tapkraan kan samenwerken voor de vorming van een kraan van het slangkraantype.

5. Container volgens conclusie 4, waarbij de afgifteslang zodanig is uitgevoerd dat deze voorafgaand aan gebruik in of door een tapkraan wordt geleid, waarbij een vrij einde van de afgifteslang een uitstroomopening vormt voor het bij geopende tapkraan afgeven van drank aan een gebruiker.

(...)

7. Container volgens een der conclusies 2 - 5, waarbij de afgifteslang losneembaar met de klepmiddelen is gekoppeld.

8. Container volgens een der conclusies 2 - 7, waarbij de container is voorzien van een buitencontainer en een binnencontainer, welke binnencontainer ten minste gedeeltelijk flexibel is uitgevoerd, waarbij middelen zijn voorzien voor het tussen de binnencontainer en de buitencontainer invoeren van een drukmedium.

9. Container volgens een der conclusies 2 - 8, waarbij tijdens gebruik de lengte van de afgifteslang tussen de klepmiddelen en de tapkraan relatief kort is, in het bijzonder minder dan twee maal de diameter van de container, waarbij de afgifteslang zich in hoofdzaak dwars op de lengteas van de container uitstrekt.

10. Container volgens een der conclusies 2 - 9, waarbij de container van het wegwerptype is.

11. Samenstel van een container volgens een der conclusies 2 - 10 en een buitenhouder, waarbij de buitenhouder is voorzien van de middelen voor het tussen de binnencontainer en de buitencontainer voeren van het drukmedium en van genoemde tapkraan.

12. Gebruik van een container, voorzien van een in althans gedeeltelijk flexibele afgifteslang, voor opslag en afgifte van koolzuurhoudende drank, in het bijzonder bier.

13. Gebruik volgens conclusie 12, waarbij de container is voorzien van klepmiddelen in uitstroomrichting voorliggend op de afgifteslang, waarbij de afgifteslang in verbinding wordt gebracht met een tapkraan zodanig dat de doorstroming van de afgifteslang wordt geblokkeerd, voorafgaand aan openen van de klepmiddelen.

14. Werkwijze voor het afgeven van koolzuurhoudende drank, in het bijzonder bier, waarbij een container met een uitstroomopening, in de uitstroomopening geplaatste klepmiddelen en een met de klepmiddelen verbonden, althans gedeeltelijk flexibele afgifteslang wordt gekoppeld met middelen voor invoeren van een drukmedium in de container, terwijl de afgifteslang wordt gekoppeld met een tapkraan, waarbij doorstroming van drank door de afgifteslang wordt verhinderd, ten minste voorafgaand aan het na aansluiting voor de eerste maal openen van de klepmiddelen en invoeren van drukmedium in de container.

15. Werkwijze volgens conclusie 14, waarbij een container met een buitencontainer en een ten minste gedeeltelijk flexibele, de drank bevattende binnencontainer wordt toegepast, waarbij het drukmedium tussen de buitencontainer en de binnencontainer wordt ingevoerd.

c)3) Aanvankelijk is voor de Europese parallel (EP 1 245 526) de volgende set conclusies voorgesteld, die op 2 september 2003 door de Examiner is geweigerd wegens gebrek aan nieuwheid en inventiviteit:

1. A valve assembly for a container for beverage, in particular carbonated beverage such as beer, comprising a housing and a beverage channel with a valve body, characterized in that operating means are provided for moving the valve body, said operating means comprising:

- first coupling means for coupling the beverage channel to beverage dispensing means for emptying a container through or along the valve body; and

- second coupling means for coupling the beverage channel to a filing device for filling a container through or along the valve body.

2. A valve assembly according to claim 1, wherein at least the first and the second coupling means are at least partially exchangeable.

3. A valve assembly according to claim 1 or 2, wherein the valve body is movable, by the operating means, between a first position in which the beverage channel is completely closed off, a second position in which a passage is released for a first flow rate, and a third position in which a passage is released for a second flow rate, the second flow rate being considerably greater than the first flow rate, the arrangement being such that during use, a container connected to the valve assembly can be filled relatively quickly through the beverage channel when the valve body is in its third position, while beverage can be dispensed from the relevant container in a relatively calm manner when the valve assembly is in its second position.

4. A valve assembly according to claim 3, wherein the first coupling means are arranged for movement of the valve body between the first and the second position and the second coupling means are arranged for movement of the valve body between the first and the third position.

5. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein:

- the first coupling means and/or the valve body comprise first stop means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a second position, and

- the second coupling means and/or the valve body comprise second stop means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a third position.

6. A valve assembly according to any one of claims 1-5, wherein the valve body is at least partially hollow and comprises a circumferential wall and a closed end face, wherein at least one opening is provided in the sidewall, which opening is partially released when the valve body is in a second position and which is released at least almost completely when said valve body is in a third position for forming, during use, a fluid connection between a container and the part of the beverage channel remote from the container.

7. A valve assembly according to any one of claims 1-6, wherein the first coupling means comprise at least a part of a beverage dispensing channel, which can on one side be coupled to the beverage channel, in particular to a passage in the valve body, and which can on the other side be coupled to a tapping device for the beverage.

8. A valve assembly according to any one of claims 1-7, wherein the second coupling means comprise at least a part of a beverage feed channel, which can on one side be coupled to the beverage channel, in particular to a passage in the valve body, and which can on the other side be coupled to a beverage feed device.

9. A valve assembly according to any one of claims 1-8, wherein the operating means can be coupled to the valve body, wherein the valve body and/or the housing comprise stop means cooperating with the first and second pressure means for bounding the stroke of the valve body between a first, closed position and a second, partially open position, respectively a first, closed position and a third, almost completely open position, wherein the first or second coupling means respectively are detachable from the valve body only when said valve body is in its first position.

10. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is fitted adjacent, preferably in the end of the beverage channel, wherein the end face, when the valve body is in the first position, closes against a longitudinal edge of the beverage channel.

11. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein, at least when the valve body is in an open position, spacer means are arranged adjacent the at least one valve opening, for keeping, during use, the wall of a container connected to the valve assembly at a distance from the or each relevant opening.

12. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is biased in a closed position.

13. A valve assembly according to claim 12, wherein between at least a portion of the valve body and the housing, a chamber is formed accommodating spring means for biasing the valve body in the first position.

14. A valve assembly according to claim 13, wherein the spring means comprise fluid spring means, in particular means for closing off the chamber gas-tightly, such that during movement of the valve body from the closed

position into an open position, a fluid, in particular air, is compressed in the chamber for generating a force on the valve body in the direction of the first position.

15. A valve assembly according to claim 12 or 13, wherein the spring means comprise a spring, in particular a plastic helical spring or leaf spring.

16. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body can be secured in the closed position, preferably by the operating means.

17. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is provided, on the side which during use faces outside the container, with a closed end wall and at least one radial opening, wherein a pressure body is provided which is movable along the valve body, in substantially an axial direction thereof, said pressure body being operable by the first and/or second coupling means for at least partially releasing the at least one radial opening.

18. A valve assembly according to any one of the preceding claims, comprising a valve body and a pressure body, wherein the valve body is movable relative to the pressure body between a closing position and an open position,

wherein spring means are provided between the valve body and the pressure body for biasing in the closed position, wherein the pressure body and the valve body are at least partially accommodated in a housing, wherein both movement of the pressure body and movement of the valve body relative to the housing can lead to the open position.

19. A valve assembly for a container for beverage, comprising a housing and a valve body substantially accommodated therein, said valve body being biased in a closed position by spring means, said valve body comprising a tubular part having at least one radial, at least outwardly directed opening and a closed wall, wherein a pressure body is provided which, in the closed position, closes the at least one opening, wherein through relative movement of the valve body relative to the housing and/or the pressure body, the at least one opening is at least partially released for forming a fluid connection between the inside of the tubular part and the environment.

20. A container for beverage, in particular a carbonated beverage such as beer, provided with a valve assembly according to any one of the preceding claims.

21. A container according to claim 20, wherein the container comprises an inner container and an outer container, wherein at least the inner container is at least partially flexible, wherein means are provided for feeding a pressure medium, in particular air, into and out of a space between the inner container and the outer container, said means comprising an air channel which is closed when the valve body is in a first position and which is open when the valve body is in a second or third position.

22. A container according to claim 21, wherein the valve assembly comprises first fastening means for attachment thereof to the outer container and second fastening means for attachment thereof to the inner container,

wherein the means for feeding in and feeding out the pressure medium open between the first and second fastening means, wherein the second fastening means are preferably arranged for being connected, through sealing or gluing or a like connecting technique, to the inner container, at a relatively large distance from the or each passage of the beverage channel.

23. A container according to claim 21 or 22, wherein the first and second coupling means comprise first sealing means and the housing comprises second sealing means, wherein, in each open position of the valve body, the first and second sealing means cooperate for forming a fluid-tight connection between respectively the first and second coupling means and the air channel, separated from the beverage channel and the beverage feed channel, respectively the beverage dispersing channel.

24. A valve assembly according to any one of claims 1-19 for use in a container according to any one of claims 20-23, wherein at least the valve body and the housing are manufactured from reusable material, in particular from jointly reusable material, more in particular from material which is reusable together with the material of at least a part of the container, in particular of an inner container.

25. A method for use of a container according to any one of claims 20-24, wherein:

- an inner container is connected to the valve housing,

- the inner container is inserted into the outer container and secured adjacent the valve assembly,

- a second coupling means is connected to the housing and

the valve body,

- the second coupling means is connected to a filling device,

- the second coupling means is operated such that the valve body is

moved into and kept in a third, relatively far open position,

- beverage is introduced into the inner container from the filling device and via the beverage channel, with the discharge of air from the space between the inner container and the outer container,

- when the inner container is filled sufficiently, the second coupling

means is withdrawn, such that the valve body is moved into a first, closed position,

- the second coupling means is removed from the housing and replaced by a first coupling means.

26. A method according to claim 25, wherein before the insertion of an inner container into an outer container, a used inner container, together with a part of a valve assembly connected thereto, is removed.

27. A method according to claim 25 or 26, wherein after positioning of the first coupling means, air supply means are connected to the space between the inner container and the outer container, after which air is introduced into the space under pressure and the first coupling means is operated, such that the valve body is brought into a second, limitedly open position, with discharge of a desired amount of beverage from the inner container, after which the first

coupling means is moved back, preferably under the influence of spring means between the housing and the valve body, for closing off the beverage channel.

c)4) Vervolgens is zijdens Heineken op 12 mei 2004 een nieuwe set conclusies voorgesteld die overeenkomt met die van NL '081 voorafgaand aan bovenbedoelde akte van wijziging:

1. A container for carbonated beverage, in particular beer, the container being provided with an outflow opening and valve means for closing off the outflow opening, wherein a dispense tube, in particular a dispense hose is provided which, on the one side, can be coupled to the valve means and, the other side, to a draw-off tap.

2. A container according to claim 1, wherein the dispense hose is designed to be at least partly flexible.

3. A container according to claim I or 2, wherein the dispense hose is designed such that it can cooperate with said draw-off tap for forming a tap of the hose tap type.

4. A container according to claim 3, wherein the dispense hose is designed such that, prior to use, it is guided in or through a draw-off tap while a free end of the dispense hose forms of outflow opening for dispensing beverage to a user when the tap is open.

5. A container according to any one of the preceding claims, wherein the dispense hose is fixedly connected to the valve means.

6. A container according to any one of claims I - 4, wherein the dispense hose is detachably coupled to the valve means.

7. A container according to any one of the preceding claims, wherein the container is provided with an outer container and an inner container, which inner container is designed to be at least. partly flexible, while means are provided for feeding a pressure medium between the inner container and the outer container.

8. A container according to any one of the preceding claims, wherein, during use, the length of the dispense hose between the valve means and the draw-off tap is relatively short, in particular less than twice the diameter of the container, while the dispense hose extends substantially transverse to the longitudinal axis of the container.

9. A container according to any one of the preceding claims, wherein the container is of the disposable type.

10. An assembly of a container according to any one of the preceding claims and an outer holder, the outer holder being provided with:

means for feeding the pressure medium between the inner container and the outer container. and said draw-off tap.

11. The use of a container, provided with an at least partly flexible dispense hose, for storing and dispensing carbonated beverage, in particular beer.

12. The use according to claim 11, wherein the container is provided with valve means, in outflow direction on a leading position on the dispense hose, wherein the dispense hose is brought into communication with a draw-off tap such, that the through-flow of the dispense hose is blocked prior to the opening of the valve means.

13. A method for dispensing carbonated beverage, in particular beer, wherein a container with an outflow opening, valve means placed in the outflow opening and an at least partly flexible dispense hose connected to the valve

means, is coupled to means for feeding a pressure medium into the container, while the dispense hose is coupled to a draw-off tap, the through-flow from beverage through the dispense hose is hindered, at least prior to opening the valve means for the first time after connection and feeding the pressure medium into the container.

14. A method according to claim 13, wherein a container with an outer container and an at least partly flexible, beverage containing inner container is used, while the pressure medium is fed between the outer container and the inner container.

c)5) Nadat ook dat op 24 juni 2004 bij de Examiner op bezwaren stuitte (added matter en verboden generalisatie) en na verdere discussie, is door de gemachtigde van Heineken op 22 juli 2005 een eerste hulpverzoek gedaan met aangepaste conclusies (niet weergegeven). Vervolgens is een tweede hulpverzoek gedaan op 29 september 2005 (dat vervolgens op de mondelinge behandeling van 20 oktober 2005 tot hoofdverzoek is gemaakt) met de volgende conclusies:

1. A valve assembly for a container for beverage, in particular carbonated beverage such as beer, comprising a housing and a beverage channel with a valve body, further comprising operating means for moving the valve body, said operating means comprising:- first coupling means for coupling the beverage channel to beverage dispensing means for emptying a container through or along the valve body; and

- second coupling means for coupling the beverage channel to a filling device for filling a container through or along the valve body, wherein the first coupling means (100) comprises a knee shaped channel part (108) having a first leg (110) and a second leg (112), wherein a flexible tube (116,385) is connected to said second leg (112), such that during use said first leg (110) is pressed down against said valve body (20) for opening said valve and said tube (116) can be coupled to a draw off tap.

2. A valve assembly according to claim 1, wherein the valve body (20,320), the housing (318) and the first coupling means (100) are manufactured from reusable material, in particular jointly reusable material.

3. A valve assembly according to claims 1 or 2, wherein the first leg (110) comprises at the end remote from said second leg (112) an annular edge (118) which extends slightly flexible outwards.

4. A valve assembly according to anyone of the claims 1 -3, wherein a flexible inner container (94) is connected to a lower housing part (40) of said valve assembly.

5. A valve assembly according to anyone of claims 1 -4, wherein at least the first and the second coupling means are at least partially exchangeable.

6. A valve assembly according to anyone of claims 1 -5, wherein the valve body is movable, by the operating means, between a first position in which the beverage channel is completely closed off, a second position in which a passage is released for a first flow rate, and a third position in which a passage is released for a second flow rate, the second flow rate being considerably greater than the first flow rate, the arrangement being such that during use, a container connected to the valve assembly can be filled relatively quickly through the beverage channel when the valve body is in its third position, while beverage can be dispensed from the relevant container in a relatively calm manner when the valve assembly is in its second position.

7. A valve assembly according to claim 6, wherein the first coupling

means are arranged for movement of the valve body between the first and the second position and the second coupling means are arranged for movement of the valve body between the first and the third position.

8. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein:

- the first coupling means and/or the valve body comprise first stop

means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a second position, and

- the second coupling means and/or the valve body comprise second stop means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a third position.

9. A valve assembly according to any one of claims 1 -8, wherein the operating means can be coupled to the valve body, wherein the valve body and/or the housing comprise stop means cooperating with the first and second pressure means for bounding the stroke of the valve body between a first, closed position and a second, partially open position, respectively a first, closed position and a third, almost completely open position, wherein the first or second coupling means respectively are detachable from the valve body only when said valve body is in its first position.

10. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is fitted adjacent, preferably in the end of the beverage channel, wherein the end face, when the valve body is in the first position, closes against a longitudinal edge of the beverage channel.

11. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein, at least when the valve body is in an open position, spacer means are arranged adjacent the at least one valve opening, for keeping, during use, the wall of a container connected to the valve assembly at a distance from the or each relevant opening.

12. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein the valve body is biased in a closed position.

13. A valve assembly according to claim 12, wherein between at least a portion of the valve body and the housing, a chamber is formed accommodating spring means for biasing the valve body in the first position.

14. A valve assembly according to claim 13, wherein the spring means comprise fluid spring means, in particular means for closing off the chamber gas -tightly, such that during movement of the valve body from the closed position into an open position, a fluid, in particular air, is compressed in the chamber for generating a force on the valve body in the direction of the first position.

15. A valve assembly according to claim 12 or 13, wherein the spring

means comprise a spring, in particular a plastic helical spring or leaf spring.

16. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body can be secured in the closed position, preferably by the operating means.

17. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is provided, on the side which during use faces outside the container, with a closed end wall and at least one radial opening, wherein a pressure body is provided which is movable along the valve body, in substantially an axial direction thereof, said pressure body being operable by the first and/or second coupling means for at least partially releasing the at least one radial opening.

18. A valve assembly according to any one of the preceding claims, comprising a valve body and a pressure body, wherein the valve body is movable relative to the pressure body between a closing position and an open position,

wherein spring means are provided between the valve body and the pressure body for biasing in the closed position, wherein the pressure body and the valve body are at least partially accommodated in a housing, wherein both movement of the pressure body and movement of the valve body relative to the housing can lead to the open position.

19. A valve assembly according to anyone of claims 1 -18, comprising a housing and a valve body substantially accommodated therein, said valve body being biased in a closed position by spring means, said valve body comprising a tubular part having at least one radial, at least outwardly directed opening and a closed wall, wherein a pressure body is provided which, in the closed position, closes the at least one opening, wherein through relative movement of the valve body relative to the housing and/or the pressure body, the at least one opening is at least partially released for forming a fluid connection between the inside of the tubular part and the environment.

20. A container for beverage, in particular a carbonated beverage such as beer, provided with a valve assembly according to any one of the preceding claims.

21. A container according to claim 20, wherein the container comprises an inner container and an outer container, wherein at least the inner container is at least partially flexible, wherein means are provided for feeding a pressure medium, in particular air, into and out of a space between the inner container and the outer container, said means comprising an air channel which is closed when the valve body is in a first position and which is open when the valve body is in a second or third position.

22. A container according to claim 21, wherein the valve assembly comprises first fastening means for attachment thereof to the outer container and second fastening means for attachment thereof to the inner container, wherein the means for feeding in and feeding out the pressure medium open between the first and second fastening means, wherein the second fastening means are preferably arranged for being connected, through sealing or gluing or a like connecting technique, to the inner container, at a relatively large distance from the or each passage of the beverage channel.

23. A container according to claim 21 or 22, wherein the first and second coupling means comprise first sealing means and the housing comprises second sealing means, wherein, in each open position of the valve body, the first and second sealing means cooperate for forming a fluid -tight connection between respectively the first and second coupling means and the air channel, separated from the beverage channel and the beverage feed channel, respectively the beverage dispensing channel.

24. A valve assembly according to any one of claims 1 -19 for use in a container according to any one of claims 20 -23, wherein at least the valve body and the housing are manufactured from reusable material, in particular from jointly reusable material, more in particular from material which is reusable together with the material of at least a part of the container, in particular of an inner container.

25. A method for use of a container according to any one of claims 20-24, wherein:

- an inner container is connected to the valve housing,

- the inner container is inserted into the outer container and secured adjacent the valve assembly,

- a second coupling means is connected to the housing and the valve body,

the second coupling means is connected to a filling device, the second coupling means is operated such that the valve body is moved into and kept in a third, relatively far open position,

- beverage is introduced into the inner container from the filling device and via the beverage channel, with the discharge of air from the space between the inner container and the outer container,

when the inner container is filled sufficiently, the second coupling means is withdrawn, such that the valve body is moved into a first, closed position, - the second coupling means is removed from the housing,

the filled container is presented, with the first coupling means (100) to an end user.

26. A method according to claim 25, wherein before the insertion of an inner container into an outer container, a used inner container, together with a part of a valve assembly connected thereto, is removed.

27. A method according to claim 25 or 26, wherein after positioning of the first coupling means, air supply means are connected to the space between the inner container and the outer container, after which air is introduced into the space under pressure and the first coupling means is operated, such that the valve body is brought into a second, limitedly open position, with discharge of a desired amount of beverage from the inner container, after which the first coupling means is moved back, preferably under the influence of spring means

between the housing and the valve body, for closing off the beverage channel.

c)6) Uiteindelijk wordt de volgende set conclusies verleenbaar geacht in Europa (vrijwel conform het tweede hulpverzoek):

1. A valve assembly for a container for beverage, in particular carbonated beverage such as beer, comprising a housing and a beverage channel with a valve body, further comprising operating means for moving the valve body, said

operating means comprising:

- first coupling means for coupling the beverage channel to beverage dispensing means for emptying a container through or along the valve body; and

- second coupling means for coupling the beverage channel

to a filling device for filling a container through or along the valve body,

wherein the first coupling means (100) comprises a knee shaped channel part (108) having a first leg (110) and a second leg (112), wherein a flexible tube (116, 385) is connected to said second leg (112), such that during use said first leg (110) is pressed down against said valve body (20) for opening said valve and said tube (116) can be coupled to a draw off tap, wherein the second coupling means enable a relatively large flow rate through the beverage channel and wherein the first leg of the knee shaped channel part of the first coupling means has a small passage relative to the beverage channel in order to achieve dispensing of the beverage in a relatively slow and controlled manner.

2. A valve assembly according to claim 1, wherein the valve body (20,320), the housing (318) and the first coupling means (100) are manufactured from reusable material, in particular jointly reusable material.

3. A valve assembly according to claims 1 or 2, wherein the first leg (110) comprises at the end remote from said second leg (112) an annular edge (118) which extends slightly flexible outwards.

4. A valve assembly according to anyone of the claims 1 -3, wherein a flexible inner container (94) is connected to a lower housing part (40) of said valve assembly.

5. A valve assembly according to anyone of claims 1 -4, wherein at least the first and the second coupling means are at least partially exchangeable.

6. A valve assembly according to anyone of claims 1 -5, wherein the valve body is movable, by the operating means, between a first position in which the beverage channel is completely closed off, a second position in which a passage is released for a first flow rate, and a third position in which a passage is released for a second flow rate, the second flow rate being considerably greater than the first flow rate, the arrangement being such that during use, a container connected to the valve assembly can be filled relatively quickly through the beverage channel when the valve body is in its third position, while beverage can be dispensed from the relevant container in a relatively calm manner when the valve assembly is in its second position.

7. A valve assembly according to claim 6, wherein the first coupling

means are arranged for movement of the valve body between the first and the second position and the second coupling means are arranged for movement of the valve body between the first and the third position.

8. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein:

- the first coupling means and/or the valve body comprise first stop

means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a second position, and

- the second coupling means and/or the valve body comprise second stop means for bounding the stroke of the valve body between a first position and a third position.

9. A valve assembly according to any one of claims 1 -8, wherein the operating means can be coupled to the valve body, wherein the valve body and/or the housing comprise stop means cooperating with the first and second pressure means for bounding the stroke of the valve body between a first, closed position and a second, partially open position, respectively a first, closed position and a third, almost completely open position, wherein the first or second coupling means respectively are detachable from the valve body only when said valve body is in its first position.

10. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is fitted adjacent, preferably in the end of the beverage channel, wherein the end face, when the valve body is in the first position, closes against a longitudinal edge of the beverage channel.

11. A valve assembly according to any one of the preceding claims,

wherein, at least when the valve body is in an open position, spacer means are arranged adjacent the at least one valve opening, for keeping, during use, the wall of a container connected to the valve assembly at a distance from the or each relevant opening.

12. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is biased in a closed position.

13. A valve assembly according to claim 12, wherein between at least a portion of the valve body and the housing, a chamber is formed accommodating spring means for biasing the valve body in the first position.

14. A valve assembly according to claim 13, wherein the spring means comprise fluid spring means, in particular means for closing off the chamber gas -tightly, such that during movement of the valve body from the closed position into an open position, a fluid, in particular air, is compressed in the chamber for generating a force on the valve body in the direction of the first position.

15. A valve assembly according to claim 12 or 13, wherein the spring

means comprise a spring, in particular a plastic helical spring or leaf spring.

16. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body can be secured in the closed position, preferably by the operating means.

17. A valve assembly according to any one of the preceding claims, wherein the valve body is provided, on the side which during use faces outside the container, with a closed end wall and at least one radial opening, wherein a pressure body is provided which is movable along the valve body, in substantially an axial direction thereof, said pressure body being operable by the first and/or second coupling means for at least partially releasing the at least one radial opening.

18. A valve assembly according to any one of the preceding claims, comprising a valve body and a pressure body, wherein the valve body is movable relative to the pressure body between a closing position and an open position,

wherein spring means are provided between the valve body and the pressure body for biasing in the closed position, wherein the pressure body and the valve body are at least partially accommodated in a housing, wherein both movement of the pressure body and movement of the valve body relative to the housing can lead to the open position.

19. A valve assembly according to anyone of claims 1 -18, comprising a housing and a valve body substantially accommodated therein, said valve body being biased in a closed position by spring means, said valve body comprising a tubular part having at least one radial, at least outwardly directed opening and a closed wall, wherein a pressure body is provided which, in the closed position, closes the at least one opening, wherein through relative movement of the valve body relative to the housing and/or the pressure body, the at least one opening is at least partially released for forming a fluid connection between the inside of the tubular part and the environment.

20. A container for beverage, in particular a carbonated beverage such as beer, provided with a valve assembly according to any one of the preceding claims.

21. A container according to claim 20, wherein the container comprises an inner container and an outer container, wherein at least the inner container is at least partially flexible, wherein means are provided for feeding a pressure medium, in particular air, into and out of a space between the inner container and the outer container, said means comprising an air channel which is closed when the valve body is in a first position and which is open when the valve body is in a second or third position.

22. A container according to claim 21, wherein the valve assembly comprises first fastening means for attachment thereof to the outer container and second fastening means for attachment thereof to the inner container, wherein the means for feeding in and feeding out the pressure medium open between the first and second fastening means, wherein the second fastening means are preferably arranged for being connected, through sealing or gluing or a like connecting technique, to the inner container, at a relatively large distance from the or each passage of the beverage channel.

23. A container according to claim 21 or 22, wherein the first and second coupling means comprise first sealing means and the housing comprises second sealing means, wherein, in each open position of the valve body, the first and second sealing means cooperate for forming a fluid -tight connection between respectively the first and second coupling means and the air channel, separated from the beverage channel and the beverage feed channel, respectively the beverage dispensing channel.

24. A valve assembly according to any one of claims 1 -19 for use in a container according to any one of claims 20 -23, wherein at least the valve body and the housing are manufactured from reusable material, in particular from jointly reusable material, more in particular from material which is reusable together with the material of at least a part of the container, in particular of an inner container.

25. A method for use of a container according to any one of claims 21-24, wherein:

- an inner container is connected to the valve housing,

- the inner container is inserted into the outer container and secured adjacent the valve assembly,

- a second coupling means is connected to the housing and the valve body,

- the second coupling means is connected to a filling device, the second coupling means is operated such that the valve body is moved into and kept in a third, relatively far open position,

- beverage is introduced into the inner container from the filling device and via the beverage channel, with the discharge of air from the space between the inner container and the outer container,

- when the inner container is filled sufficiently, the second coupling

means is withdrawn, such that the valve body is moved into a first, closed position

- the second coupling means is removed from the housing,

- the filled container is presented, with the first coupling means (100) to an end user.

26. A method according to claim 25, wherein before the insertion of an inner container into an outer container, a used inner container, together with a part of a valve assembly connected thereto, is removed.

27. A method according to claim 25 or 26, wherein after positioning of the first coupling means, air supply means are connected to the space between the inner container and the outer container, after which air is introduced into the space under pressure and the first coupling means is operated, such that the valve body is brought into a second, limitedly open position, with discharge of a desired amount of beverage from the inner container, after which the first coupling means is moved back, preferably under the influence of spring means between the housing and the valve body, for closing off the beverage channel.

De figuren bij c)1 t/m c)6) zijn de volgende (allemaal dezelfde en verkleind):

[figuren in authentieke vonnis wel opgenomen, hier niet]

d)1) Het Nederlandse registratieoctrooi NL 1006950 (hierna: NL '950), verleend op 5 maart 1999 op een aanvrage van 4 september 1997 voor een: Inrichting voor het opslaan en afgeven van bier en andere koolzuurhoudende dranken. De conclusies 1, 14, 15, 22 en 23 luidden voorafgaand aan de akte van gedeeltelijke afstand van 26 september 2005 aldus:

1. Inrichting voor het opslaan en afgeven van bier en andere, bij voorkeur koolzuurhoudende dranken, omvattende een houder voor de betreffende drank en afgiftemiddelen voor de drank, waarbij de houder is voorzien van scheidingsmiddelen die een opslagcompartiment in de houder scheiden van een drukkamer, waarbij de afgiftemiddelen aansluitbaar zijn op het opslagcompartiment en een drukbron aansluitbaar is op de drukkamer, één en ander zodanig dat tijdens gebruik met behulp van de drukbron een drukmedium in de drukkamer brengbaar is, zodat bij open afgiftemiddelen drank uit het opslagcompartiment wordt verdreven onder althans gedeeltelijke verplaatsing van de scheidingsmiddelen en verkleining van het opslagcompartiment.

14. Inrichting volgens een der conclusies 1-11, met het kenmerk, dat de drukbron en tapmiddelen voor verbinding met de afgiftemiddelen onderdeel vormen van een tapinrichting, waarbij de tapinrichting opneemmiddelen omvatten voor het althans gedeeltelijk omvatten van de houder, waarbij de houder op afstand van de onderzijde daarvan, bij voorkeur in een zijwand is voorzien van ten minste één opening, op welke ten minste ene opening de drukbron aansluitbaar is, een en ander zodanig dat tijdens gebruik een open verbinding bestaat tussen de drukbron en de drukruimte in de houder.

15. Inrichting volgens één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het opslagcompartiment wordt omsloten door een relatief flexibele zak, bevestigd in, althans nabij de afgifte-opening van de houder, waarbij de ten minste ene drukruimte is ingesloten tussen de wand van de houder en de zak.

22. Houder voor gebruik bij een inrichting volgens één der voorgaande conclusies.

23. werkwijze voor het opslaan en afgeven van bier en andere, bij voorkeur koolzuurhoudende dranken, waarbij de drank in een opslagcompartiment wordt opgeslagen, welk opslagcompartiment aan ten minste één zijde wordt begrensd door een althans gedeeltelijk flexibele wand, in het bijzonder een membraan, waarbij aan de van het opslagcompartiment afgekeerde zijde een drukkamer is aangebracht en waarbij aan een van de flexibele wand afgekeerde zijde van het opslagcompartiment een afgifteopening is aangebracht, waarbij aansluitmiddelen tussen de afgifteopening en tapmiddelen worden aangebracht, waarna een drukmedium in de drukkamer wordt gebracht, onder gedeeltelijke verdringing van de flexibele wand in de richting van de afgifteopening, zodanig dat drank uit het opslagcompartiment wordt verdrongen, door de aansluitmiddelen en de tapmiddelen zonder dat de drank in aanraking komt met het drukmedium.

d)2) Na bedoelde akte van gedeeltelijke afstand luiden de conclusies 1 t/m 5 en 24 en 25 zo:

1. Inrichting voor het opslaan en afgeven van bier en andere, bij voorkeur koolzuurhoudende dranken, omvattende een houder voor de betreffende drank en afgiftemiddelen voor de drank, waarbij de houder is voorzien van scheidingsmiddelen die een opslagcompartiment in de houder scheiden van een drukkamer, waarbij de afgiftemiddelen aansluitbaar zijn op het opslagcompartiment en een drukbron aansluitbaar is op de drukkamer, één en ander zodanig dat tijdens gebruik met behulp van de drukbron een drukmedium in de drukkamer brengbaar is, zodat bij open afgiftemiddelen drank uit het opslagcompartiment wordt verdreven onder althans gedeeltelijke verplaatsing van de scheidingsmiddelen en verkleining van het opslagcompartiment, met het kenmerk, dat de afgiftemiddelen een althans gedeeltelijk flexibel buisdeel omvatten dat aansluitbaar is op tapmiddelen, waarbij na legen van het opslagcompartiment de houder kan worden hergebruikt, door inzamelen en hervullen, waarbij de afgiftemiddelen geheel of gedeeltelijk na gebruik kunnen worden weggeworpen.

2. Inrichting volgens conclusie 1, waarbij het opslagcompartiment wordt omsloten door een relatief flexibele zak, bevestigd nabij de afgifte-opening van de houder, waarbij de ten minste ene drukruimte is ingesloten tussen de wand van de houder en de zak.

3. Inrichting volgens conclusie 1 of 2, waarbij de afgiftemiddel een zodanige lengte hebben dat een vrijliggend einde daarvan zich kan uitstrekken buiten een buitenomtrek van de houder.

4. Inrichting volgens een der conclusies 1 - 3, waarbij voorts een tapinrichting is voorzien, waarbij de drukbron en tapmiddelen voor verbinding met de afgiftemiddelen onderdeel vormen van de tapinrichting, waarbij de tapinrichting opneemmiddelen omvatten voor het althans gedeeltelijk omvatten van de houder, waarbij de houder op afstand van de onderzijde daarvan is voorzien van ten minste één opening, op welke ten minste ene opening de drukbron aansluitbaar is, een en ander zodanig dat tijdens gebruik een open verbinding bestaat tussen de drukbron en de drukruimte in de houder.

5. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de tapmiddelen zijn ingericht voor het dichtdrukken en vrijgeven van ten minste het flexibele deel van de afgiftemiddelen.

24. Houder voor gebruik bij een inrichting volgens één der voorgaande conclusies.

25. Werkwijze voor het opslaan en afgeven van bier en andere, bij voorkeur koolzuurhoudende dranken, waarbij de drank in een opslagcompartiment wordt opgeslagen, welk opslagcompartiment aan ten minste één zijde wordt begrensd door een althans gedeeltelijk flexibele wand, in het bijzonder een membraan, waarbij aan de van het opslagcompartiment afgekeerde zijde een drukkamer is aangebracht en waarbij aan een van de flexibele wand afgekeerde zijde van het opslagcompartiment een afgifteopening is aangebracht, waarbij aansluitmiddelen tussen de afgifteopening en tapmiddelen worden aangebracht, waarna een drukmedium in de drukkamer wordt gebracht, onder gedeeltelijke verdringing van de flexibele wand in de richting van de afgifteopening, zodanig dat drank uit het opslagcompartiment wordt verdrongen, door de aansluitmiddelen en de tapmiddelen zonder dat de drank in aanraking komt met het drukmedium, met het kenmerk, dat de houder wordt hergebruikt, door inzamelen en hervullen, waarbij de afgiftemiddelen na gebruik geheel of gedeeltelijk worden weggeworpen.

Bij d)1) en d)2) horen de volgende figuren:

[figuren in authentieke vonnis wel opgenomen, hier niet]

e) Het Nederlandse registratieoctrooi NL 1010015 (hierna: NL '015), verleend op 10 mei 1999 op een aanvraag van 4 september 1998 onder het inroepen van prioriteit vanaf 4 september 1997, onder meer op basis van NL '950 voor een: Samenstel voor het opslaan en afgeven van bier en andere koolzuurhoudende dranken. Na de akte van gedeeltelijke afstand van 26 september 2005 luidden de conclusies 34 t/m 41 van dit octrooi als volgt (de conclusies voorafgaand aan de akte van gedeeltelijke afstand worden niet vermeld):

34. Samenstel voor het opslaan en afgeven van bier en andere dranken, omvattende een houder voor de betreffende drank, afgiftemiddelen voor de drank en een tapinrichting, waarbij de houder is voorzien van scheidingsmiddelen die een opslagcompartiment in de houder scheiden van een drukkamer, waarbij de afgiftemiddelen aansluitbaar zijn op het opslagcompartiment en een drukbron aansluitbaar is op de drukkamer, met het kenmerk, dat de afgiftemiddelen en de tapinrichting zodanig zijn uitgevoerd dat tijdens gebruik drank uit de houder niet in contact komt met de tapinrichting.

35. Samenstel volgens conclusie 34, waarbij de afgiftemiddelen een althans gedeeltelijk flexibel buisdeel omvatten dat aansluitbaar is op tapmiddelen van de tapinrichting.

36. Samenstel volgens conclusie 34 of 35, waarbij de drukbron en tapmiddelen voor verbinding met de afgiftemiddelen onderdeel vormen van een tapinrichting, waarbij de tapinrichting opneemmiddelen omvatten voor het althans gedeeltelijk omvatten van de houder, waarbij de houder op afstand van de onderzijde daarvan is voorzien van ten minste één opening, op welke ten minste ene opening de drukbron aansluitbaar is.

37. Samenstel volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het opslagcompartiment wordt omsloten door een relatief flexibele zak, bevestigd in, althans nabij de afgifte-opening van de houder, waarbij de ten minste ene drukruimte is ingesloten tussen de wand van de houder en de zak.

38. Samenstel volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de houder is voorzien van een met de afgifteopening in verbinding staande of te brengen, relatief vast met de houder verbonden buisvormig afgiftemiddel dat tijdens gebruik contact verhindert tussen het af te geven fluïdum en de verdere afgiftemiddelen.

39. Samenstel volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het buisvormige afgiftemiddel althans gedeeltelijk flexibel, slangvormig is zodanig dat dit relatief eenvoudig elastisch kan worden dichtgedrukt.

40. Samenstel volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het vrije einde van het buisvormig afgiftemiddel zich tijdens gebruik buiten de afgifte-inrichting uitstrekt, waarbij het afgiftemiddel althans gedeeltelijk is opgenomen in een klemmechanisme waarmee de doorgang in het afgiftemiddel naar wens kan worden vrijgegeven of worden afgesloten, waarbij de tapinrichting zodanig is uitgevoerd dat na gebruik het afgiftemiddel uit het klemmechanisme kan worden genomen en met de houder kan worden weggevoerd.

41. Samenstel volgens één der voorgaande conclusies, waarbij koelmiddelen zijn voorzien voor koeling van de drank in de tapinrichting.

De 20 bladen figuren van NL '015 zijn niet opgenomen.

1.18 Zijdens Philips en Interbrew is ter zitting desgevraagd toegezegd dat in de bodemprocedure de nietigheid van de daar ingeroepen octrooien zal worden bepleit en tevens oppositie zal worden ingesteld tegen de verleende Europese parallelle octrooien. De tijd heeft naar zeggen van haar raadsman ontbroken om daar voorafgaand aan de zittingen in de onderhavige kort gedingen al daadwerkelijk uitvoering aan te geven.

2. De geschillen

2.1 In de procedure met rolnr. KG 05-1210 stelt Heineken dat Philips en Interbrew met de PerfectDraft inbreuk maken op NL '562 en NL '526. Zij vordert een octrooiinbreukverbod terzake met verscheidene nevenvorderingen, waaronder recall bevelen, alles op straffe van dwangsommen en kosten rechtens.

2.2 In de procedure met rolnr. KG 05-1211 stelt Heineken in conventie dat Philips en Interbrew met de PerfectDraft inbreuk maken op NL '081, NL '015 en NL '950. Zij vordert in deze zaak in conventie eveneens een octrooiinbreukverbod met verscheidene nevenvorderingen, waaronder recall bevelen, ook op straffe van dwangsommen en kosten rechtens.

2.3 In reconventie in de procedure met rolnr. KG 05-1211 stellen Philips en Interbrew dat Heineken jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor zij schade lijden. Daarop baseren zij hun reconventionele eis tot - kort gezegd - (onder 1.) een verbod tot het kenbaar maken dat de PerfectDraft valt onder de beschermingsomvang van de in de kort gedingen ingeroepen octrooien, respectievelijk Europese of buitenlandse parallelle octrooien, zonder daar steeds bij te vermelden dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank in kort geding geweigerd heeft om op basis van die octrooien een verbod met betrekking tot de PerfectDraft uit te spreken, voorts (onder 2.) een verbod voor Heineken om aan derden te kennen te geven dat Philips bij de ontwikkeling van de PerfectDraft geheimhoudingsafspraken met Heineken heeft geschonden, alsmede (onder 3. en 4.) een aantal bevelen tot het plaatsen van rectificatie-mededelingen in landelijke dagbladen en op landelijke televisiezenders, vergezeld van "strafreclame" voor de PerfectDraft en de daarvoor verkrijgbare merken biervaatjes, alles op straffe van dwangsommen en kosten rechtens.

2.4 Door gedaagde partijen - in de zaak met rolnr. KG 05-1211 zowel in conventie als in reconventie - is gemotiveerd verweer gevoerd, dat voor zover nodig hierna bij de beoordeling aan de orde zal komen.

3. Beoordeling van de geschillen

Geschiktheid voor kort geding

3.1 De onderhavige zaken zijn niet geschikt om in kort geding te worden beslist, omdat deze vanwege hun complexiteit niet vatbaar zijn om in kort geding genoegzaam te worden toegelicht. Op grond van art. 256 Rv. zullen de door Heineken in beide procedures gevorderde voorzieningen dan ook worden geweigerd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.2 De zaken zijn in verschillend opzicht als uitzonderlijk complex aan te merken - ook als verdisconteerd wordt dat deze rechtbank vanwege haar exclusieve bevoegdheid in octrooigeschillen in Nederland in beginsel niet terugschrikt voor omvangrijke octrooizaken in kort geding.

3.3 In de eerste plaats betreft dat de omvang van de in kort geding aan de orde gestelde materie. Niet alleen het enkele gegeven dat gecombineerd sprake is van 5 ingeroepen Nederlandse registratieoctrooien die door Heineken ten grondslag worden gelegd aan haar stelling dat één inrichting, de PerfectDraft, op al deze 5 octrooien inbreuk zou maken, wijst daar al op, deze octrooien zelf zijn deels ook nog eens uitzonderlijk omvangrijk te achten. Het technische gebied is weliswaar op zichzelf betrekkelijk overzichtelijk - zij het meer deelgebieden omvattend: a) een fust of vat met klepsamenstel voor vullen en tappen, b) een tapinrichting met koeling en drukmiddelen en c) een interface met afgifteslang - dat wordt echter direct al gecompliceerd doordat het hier een zeer dicht bebost octrooigebied betreft. Zelfs de eigen octrooigemachtigde van Heineken schrijft daaromtrent in zijn overgelegde inbreukrapportages (groot respectievelijk 46, 25 (en afkomstig van de andere octrooigemachtigde van Heineken), 55 en 49 pagina's, dus tezamen 175 bladzijden en exclusief de nog veel omvangrijker bijlagen daarbij) dat de nieuwheidsrapporten bij de betreffende registratieoctrooien uiteraard geen volledig beeld geven van de voorbekende stand van de techniek. Volgens hem biedt alleen al de octrooiliteratuur (...) vele honderden, zo niet duizenden publicaties waarin containers (fusten), tapinrichtingen en klepsamenstellen worden beschreven. Bespreking van al deze publicaties is schier onmogelijk, aldus ir. Jessen. Dat is op zichzelf al een verdere aanwijzing dat de zaken feitelijk te complex zijn om in kort geding fatsoenlijk te behandelen - hoewel (de gemachtigden en raadslieden van) Heineken daar direct op laten volgen dat een dergelijk integraal beeld van de stand van de techniek ook helemaal niet nodig zou zijn voor de beoordeling, maar het is bepaald de vraag of dat juist is. De hierna nader te duiden omstandigheid dat aan NL '015 naar voorlopig oordeel vanwege een verleend parallel Europees octrooi niet langer rechten kunnen worden ontleend, zodat feitelijk ter beoordeling 4 octrooien resteren, maakt dat nauwelijks anders, bijvoorbeeld niet omdat uit dit omvangrijkste van de 5 octrooien (een beschrijving van 46 pagina's, 61 conclusies en 16 figuren opgenomen op 20 bladen) in feite slechts een beroep wordt gedaan op een betrekkelijk klein deelaspect, te weten wat Heineken het no cleaning concept noemt, hetgeen echter eveneens ten volle aan de orde blijft door haar beroep op NL '950, dat dat eveneens behelst.

3.4 Daarnaast zijn de zaken aanzienlijk feitelijk gecompliceerd, doordat 4 van deze 5 octrooien inmiddels vanwege door Heineken gedane akten van gedeeltelijke afstand rond het moment van dagvaarden of later allemaal anders luiden dan zoals aanvankelijk verleend - althans daar kan in kort geding voorshands van worden uitgegaan. Hoewel Heineken ten pleidooie heeft aangegeven dat met de akten van gedeeltelijke afstand beoogd is op voorhand afstand te doen van alle materie die voor de inbreukvraag in feite geen gewicht in de schaal legt, zodat er in haar visie sprake zou zijn van hapklare brokken (pleitnota mrs. Hustinx en Van Nispen in het tweede kort geding nr. 44), miskent dat bepaald de complexiteit van de thans resterende materie in kort geding. Dat is bijvoorbeeld al zo vanwege de daardoor (en de desbetreffende verweren zijdens Philips en Interbrew) geïndiceerd geworden toetsing met betrekking tot toegevoegde materie, de mede daardoor ingebrachte wijzigingen van eis van Heineken in beide zaken en de omstandigheid dat daardoor de grondslagen van de inbreukeisen die in de dagvaardingen zijn verwoord deels niet meer opgaan, omdat daarin nog sprake was van (deels wezenlijk) andere conclusies. Ook hier maakt overigens de omstandigheid dat gelet op het eveneens hierna nader uiteen te zetten te honoreren verzet tegen de eiswijziging in conventie in het kort geding met rolnr. KG 05-1211 - met als gevolg dat de akte van gedeeltelijke afstand van eind oktober 2005 met betrekking tot NL '081 in dit kort geding buiten beschouwing moet blijven - niet dat reeds daardoor sprake zou zijn van een geringere complexiteit, maar juist het tegendeel, zoals in 3.17 wordt overwogen.

3.5 Voorts is in de twee zaken met name zijdens Heineken een in omvang buitensporig pakket producties ingebracht - ook als in aanmerking wordt genomen dat voor een "stevig" octrooi kort geding tussen multinationals waarin zowel inbreuk- als geldigheidsaspecten aan de orde komen, omvangrijke producties niet ongewoon zijn, waar de voorzieningenrechters van deze rechtbank die octrooizaken behandelen op zichzelf ook bepaald aan gewend zijn.

3.6 Daarbij hebben de zittingen in beide zaken gezamenlijk bijna 12 uur geduurd en zelfs dat is in feite te kort gebleken om de zaken genoegzaam toe te lichten, zoals in het hierna overwogene wordt uiteengezet. De omvang van de pleitnota's is daar een weerslag van: respectievelijk 50 (hele) pagina's zijdens Heineken en 108 (halve) pagina's van de kant van Philips en Interbrew in de zaak met rolnr. KG 05-1210 en respectievelijk 50 hele en 73 halve bladzijden in het tweede kort geding. Gewezen is al op de omvang van de dagvaardingen van respectievelijk 44 en 39 pagina's (ook al overlappen die gedeeltelijk). Dit zijn verdere objectieve elementen die aangeven dat de zaken te complex zijn om fatsoenlijk in het bestek van een kort geding te kunnen worden behandeld - zelfs als het formeel twee kort gedingen betreft.

3.7 Vervolgens is voor 3 van de 5 ingeroepen Nederlandse registratieoctrooien inmiddels naar stelling van Heineken een Europese variant verleend, danwel verleenbaar geacht door de Europese vooronderzoeker, waarvan een aantal daarop betrekking hebbende stukken als producties zijn ingebracht. Overigens is dat naar voorlopig oordeel zelfs met betrekking tot 4 van de 5 octrooien het geval, zoals hierna in 3.15 wordt uiteengezet. Dat vormt een verdere feitelijke en juridische complicatie van de kort gedingzaken die op het conto van Heineken moet worden geschreven - hoe begrijpelijk het hanteren van deze parallellen van Heineken in de kort gedingen op zichzelf ook moge zijn. De gedachte daarachter van Heineken is dat dit - in tegenstelling tot de in de kort gedingzaken zelf als grondslag ingeroepen Nederlandse registratieoctrooien - wèl vooronderzochte octrooien zijn. Nu tevens middels aktes van gedeeltelijke afstand die Nederlandse octrooien, volgens Heineken, geheel zouden sporen met de verleende of verleenbaar geachte Europese parallelle octrooien, zou in de visie van Heineken niet langer de uit (bestendige) kort geding rechtspraak van deze rechtbank2 blijkende route van het vragen van advies aan het Bureau voor de Industriële Eigendom ex art. 76 lid 2 ROW 1995 geïndiceerd zijn bij het inroepen van geldigheidskwesties door gedaagden. Uit die rechtspraak volgt, kort gezegd, dat in een octrooi kort geding geen plaats is om feitelijk een verleningsprocedure met betrekking tot een Nederlands registratieoctrooi uit te voeren. Met de inmiddels voorliggende Europese parallellen hoeft dat ook niet meer, aldus Heineken. Een eerste verdere feitelijke complicatie van de kort geding zaken die hierdoor optreedt, is dat onderzocht zou dienen te worden in hoeverre hier telkens daadwerkelijk sprake is van parallel te achten octrooien. Dat is naar voorlopig oordeel geenszins evident. In dat verband valt meteen al als verschil op de in die Europese parallellen wel gehanteerde gebruikelijk te achten afbakening tegen de stand van de techniek, die in de beweerdelijk parallelle ingeroepen Nederlandse registratieoctrooien of ontbreekt, danwel althans bepaald minder goed kenbaar is, hetgeen een in kort geding vereist zicht op de bal in de vergelijkingsexcercitie bemoeilijkt. Daarbij zouden denkelijk minstgenomen de integrale verleningsgeschiedenissen (die slechts gedeeltelijk in de kort gedingen zijn gebleken) moeten worden betrokken en ook dat gaat het bestek van kort geding te buiten.

3.8 Bovendien zijn zijdens Philips en Interbrew in de onderhavige kort gedingen 21 nieuwe, beweerdelijk nietigheidsschadelijke octrooischriften ingebracht, die niet eerder door de Europese examiners zijn getoetst of in de inbreukrapportages van de octrooigemachtigden van Heineken zijn besproken. Dat is een volgende feitelijk en juridisch complicerende factor van groot gewicht. Deze literatuur is in de twee zittingen niet integraal aan de orde kunnen komen. Naar de stelling van de raadsman van Philips en Interbrew is daarbij de voorbereidingstijd te kort gebleken om zulks anders dan (hoofdzakelijk) eerst ter zitting van een nadere toelichting te voorzien, waardoor weer is veroorzaakt dat het weerwoord van Heineken te zeer à l'improviste heeft moeten plaatsvinden. Deze wijze van opereren zijdens Philips en Interbrew is onwenselijk, maar valt te begrijpen in het licht van de rauwelijkse dagvaardingen en de omvang van de door Heineken aan haar eisen ten grondslag gelegde materie. Anderzijds valt door deze wijze van presenteren van de hoofdverweren zijdens Philips en Interbrew de reactie daarop zijdens Heineken haar in deze omstandigheden dan weer niet zozeer aan te rekenen, dat zij geacht moet worden dit alles niet voldoende te hebben weersproken. Het is wel een overduidelijke indicatie dat een verantwoorde zelfs maar voorlopige integrale beoordeling van dit nieuwe nietigheidsmateriaal in kort geding niet mogelijk is. Daarbij wordt overwogen dat van het aangedragen nieuwe nietigheidsmateriaal voor zover toegelicht naar voorlopig oordeel niet op voorhand valt te zeggen dat dit niet serieus voorkomt.

3.9 Uit het in 3.7 en 3.8 overwogene volgt dat de visie van Heineken dat de met het oog op de Europese parallelle octrooien opgestelde aktes van gedeeltelijke afstand een simpele stroomlijnactie zou betreffen om de ingeroepen Nederlandse octrooien één-op-één te laten sporen met de verleende of verleenbaar geachte parallelle Europese octrooien, op het oog aantrekkelijk is, maar feitelijk op het eerste gezicht al op diverse aangegeven punten onjuist moet worden geacht, althans dusdanig feitelijk en juridisch complicerend, dat de grenzen van het kort geding worden overschreden.

3.10 Eveneens is een (feitelijk en juridisch) complicerende factor dat - zoals Heineken nota bene zelf bij dagvaarding in de zaak met rolnr. KG 05-1211 (sub. 87. en 88.) in feite erkent (en desgevraagd bij pleidooi alleen heeft weersproken met de niet nader gesubstantieerde stelling van haar octrooigemachtigde dat de akten van gedeeltelijke afstand zouden beogen ook daar een mouw aan te passen) - sprake lijkt van dubbele octrooiering. Dit speelt overigens op verschillend niveau, ook buiten de hiervoor bij wijze van voorbeeld gegeven verwijzing. Hoewel aan Heineken kan worden toegegeven dat zulks op zichzelf geen nietigheidsgrond is en zich, voorshands oordelend en in weerwil van de stellingen van Philips en Interbrew op dit punt, geen één op één vergelijkbare situatie lijkt voor te doen met de in de rechtspraak van deze rechtbank aangegeven gevallen waarin het consecutief inroepen van "dubbele octrooien" in strijd met de goede procesorde moet worden geacht, is dit wel een andermaal complicerende factor met betrekking tot de ter beoordeling in kort geding voorliggende materie.

3.11 Bedacht moet voorts worden dat Heineken op een naar zich laat aanzien rijkelijk laat moment met de onderhavige procedures is gekomen. De ingeroepen Nederlandse registratieoctrooien waren alle 5 al verleend toen Heineken in 2003 haar twijfels aan Philips kenbaar maakte omtrent de vraag of Philips haar rechten wel zou respecteren. Anderhalf jaar na het inhoudelijke antwoord van Heineken daarop - in welke tussentijd zowel de BeerTender in Nederland, als de PerfectDraft in België op de markt zijn gekomen, terwijl toen ook al ruim een half jaar bekend was in de markt dat de PerfectDraft ook in Nederland zou gaan worden uitgebracht - is Heineken daar nog eens (naar haar zeggen na bestudering van de PerfectDraft) op teruggekomen in februari 2005 en is zij in overleg met Philips getreden, welk overleg zij vervolgens om haar moverende redenen niet heeft voortgezet, overigens zonder dat Philips fatsoenlijk te berichten. Dat Heineken zou hebben verwacht dat men ten opzichte van België (waar Heineken stelt geen octrooipositie te hebben) vanwege haar octrooipositie in Nederland met een andere PerfectDraft zou komen, wordt voorshands als een nauwelijks serieus te nemen stelling geoordeeld. In dit hele voortraject heeft Heineken Philips niet ondubbelzinnig laten weten dat er in haar optiek sprake was van dreigende octrooiinbreuk. Dat zou minstgenomen vanaf het moment dat zij naar eigen zeggen zelf haar externe octrooigemachtigden op de PerfectDraft had "gezet" - en op grond van hetgeen Philips en Interbrew daaromtrent hebben aangevoerd, wordt voorshands geoordeeld dat dat veel eerder moet zijn geweest dan ergens in het afgelopen jaar, zoals Heineken stelt - alleen al uit fatsoensoverwegingen - gegeven de overlegsituatie waarin partijen toen waren - mogelijk wel van haar hebben kunnen worden verwacht. Dit is eveneens een meewegende factor voor de vraag of de onderhavige zaken zich (nog) wel lenen voor beoordeling in kort geding. Heineken heeft er kennelijk bewust voor gekozen Philips geen deelgenoot te maken van haar opvatting dat de PerfectDraft inbreuk maakte op een groot aantal octrooirechten en dat pas te doen vlak voor de aangekondigde marktintroductie in Nederland. Het heeft er zodoende alle schijn van dat zij Philips in kort geding daar mee heeft willen verrassen. Op zichzelf komt dat alles, voorshands oordelend, niet ongeoorloofd (en derhalve niet onrechtmatig) voor, maar bij de beoordeling of de onderhavige zaken zich lenen voor beoordeling in kort geding en/of de belangenafweging tussen partijen is het wel een ten detrimente van Heineken meewegende factor - zeker in het licht van het vorenoverwogene. Immers, indien Heineken op een eerder tijdstip haar octrooiinbreukopvatting kenbaar zou hebben gemaakt en/of eerder een daarop gericht kort geding (of kort gedingen) zou hebben geëntameerd, dan zou zich wellicht wel een behandeling in kort geding hebben laten denken waar wel op verantwoorde wijze recht kan worden gedaan aan de zaak. Thans is het gevaar echter te groot dat de belangen van de gedaagde partijen Philips en Interbrew onvoldoende kunnen worden gewaarborgd. Dat moet gelet op het vorenoverwogene voor risico van Heineken komen. Het betoog van Heineken dat zij om een aantal redenen redelijkerwijs niet eerder de onderhavige kort gedingen heeft kunnen entameren, kan (bepaald) niet worden onderschreven.

3.12 Ook wordt meegewogen dat de inmiddels door Heineken aanhangig gemaakte bodemprocedure niet een procedure volgens het versneld regime in octrooizaken is. Blijkens zijdens de raadsman van Heineken gegeven toelichting ten pleidooie is dat opnieuw een bewuste keuze geweest, onder meer aangezien een bodemprocedure in zijn visie slechts zou dienen ter bevestiging van een in kort geding gegeven verbod en er gelet op de te verwachten verdere Europese octrooiverleningsprocedures nog veelvuldig sprake zal zijn van "stroomlijning" van Nederlandse octrooien daarmee en in het verlengde daarvan vervolgens van met één en ander verband houdende eiswijzigingen. Dat versterkt de indruk dat Heinekens proceshouding erop is gericht in de bodemzaak niet zo voortvarend door te procederen als mogelijk en/of wenselijk zou zijn, waardoor zij zich blijkbaar gedwongen ziet in de onderhavige kort gedingen procedurele capriolen uit te halen die mede veroorzaken dat de zaken (verder) ongeschikt worden voor beoordeling in kort geding.

3.13 Er moet bepaald voor gewaakt worden de uitzondering van art. 256 Rv. in zaken als de onderhavige, waarin gestelde inbreuk op octrooirechten aan de orde is, te lichtvaardig toe te passen. Daar past terecht grote terughoudendheid. De stand van de rechtspraak op dit punt is wat dat betreft duidelijk.3 Maar onmogelijk is het niet in uitzonderlijke gevallen. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier gelet op het vorenoverwogene voor.4 De zaken zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ingewikkeld en te omvangrijk (gemaakt) voor kort geding, zodat het daarop gerichte formele verweer zijdens Philips en Interbrew behoort te worden gehonoreerd.

3.14 Dat blijft als gezegd onverkort opgeld doen, nu naar voorlopig oordeel NL '015 niet langer kan worden ingeroepen en de eiswijziging in conventie in het tweede kort geding met betrekking tot NL '081 moet worden afgewezen, omdat Philips en Interbrew daardoor onredelijk in hun verdediging zijn geschaad. Daartoe wordt als volgt overwogen.

NL '015 kan niet langer worden ingeroepen

3.15 Zoals Philips en Interbrew onweersproken, althans niet voldoende steekhoudend weersproken hebben gesteld (pleitnota mr. Hoyng in de zaak met rolnr. KG 05-1211 nr. 106, waar bij repliek ten pleidooie in het geheel niet op is teruggekomen zijdens Heineken), is op de dag van aanvrage van NL '015, 4 september 1998 onder inroeping van (deels) dezelfde prioriteitsdata en -documenten een (toen) met de aanvrage voor NL '015 gelijkluidende aanvrage in Europa ingediend die heeft geleid tot Europees octrooi EP 1 003 686 B1 op 26 juni 2002 voor een: Assembly for storing and dispensing beer and other carbonated beverages. Voor zover uit de overgelegde producties valt na te gaan en gelet op deze onweersproken gelaten stelling, is dat juist en is Nederland één van de gedesigneerde landen. Philips en Interbrew hebben in kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat het Nederlandse octrooi voorafgaand aan de betreffende akte van gedeeltelijk afstand van 26 september 2005 dezelfde uitvinding beschermde als het corresponderende Europese octrooi. Gelet op art. 77 lid 1 ROW 1995 kan na het verstrijken van de in dat artikel sub a., b., of c. bedoelde termijnen - die inmiddels verstreken zijn - het Nederlandse octrooi niet meer worden ingeroepen. Dat wordt naar voorlopig oordeel niet anders, indien zou moeten worden aangenomen dat na de akte van gedeeltelijke afstand door het Nederlandse octrooi een andere uitvinding zou worden beschermd. De vraag of zich dat inderdaad voordoet (en rechtens mogelijk kàn voordoen) behoeft in dit kort geding geen beantwoording. Zoals lid 2 van art. 77 ROW 1995 bepaalt dat het om wat voor reden dan ook teniet gaan van het Europese parallelle octrooi na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijnen niet bewerkstelligt dat het Nederlandse octrooi "herleeft", zo kan naar voorlopig oordeel naar analogie evenmin door gedeeltelijke akte van afstand een dergelijk Nederlands octrooi herleven. Dat brengt mee dat in kort geding NL '015 verder buiten beschouwing moet blijven.

Eiswijziging m.b.t. NL '081

3.16 Van de 4 resterende octrooien zijn op NL '950 na (inmiddels) parallelle Europese octrooien verleend of verleenbaar geacht door de Examiner. Met de eiswijzing in conventie in het kort geding met rolnr. KG 05-1211, die op 4 november 2005 aangekondigd, wordt beoogd de al eerder, op 25 oktober 2005 (bijna een maand na dagvaarding) door Heineken ingebrachte akte van gedeeltelijke afstand met betrekking tot NL '081 van een dag eerder te incorporeren. Dat wordt te laat geoordeeld. Nu zijdens Philips en Interbrew is aangegeven dat deze eiswijziging hen eerst op vrijdagavond 4 november 2005 heeft bereikt, toen de voorbereiding voor het eerste kort geding van de woensdag daarop in volle gang was, terwijl bovendien aannemelijk is gemaakt dat deze eiswijziging van dusdanige aard is, dat Heineken daardoor met een bepaald geheel andere set conclusies te elfder ure op de proppen is gekomen, waarop zij niet bedacht hoefden te zijn en waarvan naar voorlopig oordeel questieus is of deze de toets der geldigheidskritiek kan doorstaan, wordt dit in strijd met de goede procesorde geacht, omdat dit Philips en Interbrew onredelijk in hun verdediging benadeelt. Voorshands is in kort geding voldoende aannemelijk geworden dat geen behoorlijk onderzoek naar de stand van de techniek is verricht in de equivalente Europese verleningsprocedure, Heineken daar een zwalkkoers heeft gevaren en uiteindelijk in afgezwakte vorm conclusies heeft verkregen die in enigszins beperkte vorm overeen komen met de conclusies die aanvankelijk door de Examiner niet nieuw werden geoordeeld (en in het nieuwheidsonderzoek werden geconfronteerd met 5 X-publicaties). Door zich thans zo kort voorafgaand aan de zitting materieel daarop te beroepen bij wege van gedeeltelijke akte van afstand met betrekking tot NL '081, die moet sporen met die aldus verleenbaar geachte Europese conclusies, worden Philips en Interbrew onredelijk in hun verdediging geschaad, nu de tijd heeft ontbroken om daar reëel op te anticiperen.

3.17 Hierdoor wordt de beoordeling in kort geding van dit octrooi overigens in die zin verder bemoeilijkt, dat zowel de inbreukrapportage van de octrooigemachtigde van Heineken met betrekking tot NL '081, als het zijdens Heineken gevoerde pleidooi, alsook het niettemin gevoerde inhoudelijke verweer van Philips en Interbrew uitsluitend zijn toegesneden op de situatie van na de eiswijziging, dus toegesneden op incorporatie van de akte van wijziging uit oktober 2005. De tijd en ruimte heeft kennelijk ontbroken om nog subsidiaire argumentatie aan te dragen voor het geval het verzet tegen de eiswijziging zou worden gehonoreerd. Daarbij moet worden betrokken dat mr. Hoyng al tijdens de eerste zitting van 9 november 2005 duidelijk het verzet van Philips en Interbrew tegen de eiswijzing in de tweede procedure heeft aangekondigd, zodat Heineken ook al om die reden daar rekening mee had kunnen houden. Dat alles maakt (ook voorlopige) beoordeling van dit octrooi in kort geding in feite onmogelijk en in hoge mate onverantwoord. Zulks klemt te meer, nu ter zitting zijdens de gemachtigde van Heineken desgevraagd is bevestigd dat NL '081 als een kernoctrooi met betrekking tot de BeerTender (container samenstel) moet worden beschouwd. Dit octrooi moet mitsdien in dit kort geding verder geheel buiten beschouwing blijven.

Tussenconclusie octrooirechtelijk gedeelte

3.18 In beide zaken hebben Philips en Interbrew primair bepleit dat de materie ongeschikt was voor behandeling in kort geding. Dat verweer wordt op grond van het vorenoverwogene gehonoreerd. Nu zij echter, zo stellen zij, toch gedwongen zijn geweest om de zaak inhoudelijk voor te bereiden (een omstandigheid die zij met hun door de voorzieningenrechter gemotiveerd verworpen prealabele bezwaar van 7 oktober 2005 hebben trachten te voorkomen), hebben zij in beide zaken uitdrukkelijk aangegeven dat het zeer op prijs zou worden gesteld, indien de voorzieningenrechter desalniettemin (ten overvloede) een inhoudelijk oordeel zou willen geven. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.19 Het verzoek van Philips en Interbrew verdraagt zich in beginsel niet met het oordeel dat de zaak ongeschikt is voor beoordeling in kort geding, omdat de zaken te omvangrijk en te ingewikkeld zijn. Het is van tweeën één: De zaken zijn geschikt of ongeschikt voor een voorlopige beoordeling in kort geding, en beetje geschikt bestaat in wezen niet. Bedoeld verzoek zou dan ook moeten worden genegeerd - hoe onbevredigend dat op zichzelf ook moge zijn; het kort geding kent nu eenmaal zijn beperkingen, een verantwoorde integrale beoordeling is op de aangegeven gronden in kort geding niet mogelijk. Daartoe moet de bodemprocedure worden afgewacht. Onbevredigend is ook, dat zij dezerzijds gaarne toegegeven, dat uit de aard van dergelijke kort gedingen pas ná de pleidooien kan worden beoordeeld, of alsdan een zodanige toelichting voorligt, dat het vereiste inzicht is verworven om tot een verantwoorde voorlopige beslissing te komen. Dat is juist het geval in mega-zaken, bij grote hoeveelheden stukken en meervoudige eis- en grondslagwijzigingen. Ook dat is evenwel nu eenmaal het gevolg van ons kort gedingstelsel.

3.20 De voorzieningenrechter realiseert zich echter dat zowel partijen als de markt er bij gebaat zijn - althans gedeeltelijk en waar wel mogelijk - ook een inhoudelijk voorlopig oordeel te vernemen. Voor zover dat wel verantwoord wordt geacht en met de grootst mogelijke nadruk uitdrukkelijk ten overvloede, zal daartoe, mede gelet op de door partijen aangegeven grote commerciële belangen die in het spel zijn, bij wijze van uitzondering worden overgegaan. Dat zulks noodzakelijkerwijs maar een gedeeltelijke voorlopige beoordeling kan betreffen, volgt dwingend uit het vorenoverwogene, dat de afwijzing van de inbreukvorderingen van Heineken als gezegd al geheel zelfstandig draagt. Dat leidt ten overvloede tot de volgende voorlopige beoordeling van NL '526, NL '562 en NL '950.5 Zelfs ten overvloede wordt niet toegekomen aan voorlopige beoordeling van NL '015 en NL '081. NL '015 kan Heineken naar voorlopig oordeel immers niet meer inroepen, zoals hiervoor in 3.15 is overwogen. Uit hetgeen in 3.17 is overwogen volgt voorts dat om de daar aangegeven redenen elke beoordeling in kort geding van NL '081 in feite onmogelijk en in hoge mate onverantwoord is, zodat zulks evenmin ten overvloede kan worden gedaan.

NL '526 (positionering)

3.21 Van dit octrooi roept Heineken na wijziging van eis in de zaak met rolnr. KG 05-1210 alleen conclusie 1 in. Naar voorlopig oordeel zijn alleen octrooieerbaar de geclaimde positioneringsmiddelen om het vat bij het laden in het apparaat dwingend in een bepaalde positie te krijgen, zodat dit laden fool-proof of zelfzoekend is te achten. Voorshands wordt geoordeeld dat de PerfectDraft daarop geen inbreuk maakt. Bij plaatsing van de tapunit op de fust van de PerfectDraft zijn - anders dan in het stelsel volgens het octrooi - tapkraan en aanvoer meteen al (dwingend) in de juiste positie ten opzichte van elkaar gebracht, omdat deze zich in de PerfectDraft op één deel, de tapunit zelf, bevinden. Anders dan bij NL '526 bevindt de aansluiting tussen de tapunit en de drukleiding zich bij de PerfectDraft op een vast punt, in plaats van op een beweeglijk punt in de deksel, waarbij ook nog de drankaansluiting op de tapaansluiting van de PerfectDraft beweeglijk is ten opzichte van de rest van de tapunit, zodat uitlijning van de tapunit ten opzichte van het apparaat helemaal niet nodig is. In het in het octrooi voorziene stelsel moet dat wel, het vat moet daar ten opzichte van de deksel worden uitgelijnd. De beweeglijke drukleiding van de tapunit van de PerfectDraft wordt geleid in de richting van de aansluiting, hetgeen een heel ander aansluitmechanisme behelst dan dat volgens NL '526. Volgens het octrooi moet heel precies een uitgelijnde aansluiting van twee punten bij het sluiten van het deksel (over relatief grote afstand) plaatsvinden. Verder is bij de PerfectDraft geen sprake van een opening aan de bovenzijde voor het opnemen van het vat, zoals de conclusie voorschrijft. De PerfectDraft is een voorlader, geen bovenlader. Tenslotte ontbreken bij de PerfectDraft positioneringsmiddelen die zich dwars op de omtrekswand uitstrekken. Zelfs als de door Heineken als zodanig in de dagvaarding sub 94 geduide uitsteeksels al als positioneringsmiddelen mogen kwalificeren, dan zijn deze tangentiaal in plaats van dwars op de omtrekswand geplaatst. Vanwege dit geheel andere stelsel voor het tot stand brengen van de drukverbinding tussen kamer en tapunit is geen sprake van inbreuk.

NL '562 (klep)

3.22 Voorshands wordt geoordeeld dat de PerfectDraft op de uit dit octrooi ingeroepen conclusies geen inbreuk maakt.

3.23 In de eerste plaats is dat zo, omdat in afwijking van het octrooi bij de PerfectDraft sprake is van gaskleppen, die in NL '562 nadrukkelijk ontbreken. In NL '562 bakent Heineken af tegen NL 1009654 (hierna: NL '654). In de beschrijving van NL '562 wordt als tweede nadeel van NL '654 juist de aanwezigheid daarin van een gasklep aangegeven, waardoor na loskoppeling druk in de drukruimte van het leeggetapte vat aanwezig bleef. Een wezenlijk aspect uit NL '562 is weglating van die gasklep, waardoor wordt bereikt dat de lucht na loskoppeling vanzelf wegstroomt en de container drukloos kan worden afgevoerd. Dat is een veiligheidsmaatregel. De PerfectDraft heeft niet alleen een hier in de voorbekende stand van de techniek bedoelde gasklep voor toevoeging van lucht (zodat in de PerfectDraft andere veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden in de vorm van barstschijfjes in de binnenzak en het wandvak, zodat bij ongelukken een vat niet naar het lichaam, maar naar de muur explodeert, waarbij de luchtklep gewoon dicht blijft), maar ook voor het toevoegen van CO2 die gebruikt wordt bij (of beter: voorafgaand aan) het vullen. Daarmee is tevens een geheel afwijkende wijze van vullen van de PerfectDraft ten opzichte van het octrooi aannemelijk geworden. Als daar dan ook nog bij betrokken wordt dat NL '562 ten opzichte van NL '654 beoogde een eenvoudiger constructie te geven, terwijl daarvan in de PerfectDraft vanwege de extra veiligheidsmaatregelen en de gaskleppen, voorshands oordelend, geen sprake is (de BeerTender, die volgens de eigen stellingen van Heineken in hoofdzaak een toepassing van NL '562 vormt, heeft twee keer zo weinig onderdelen als de PerfectDraft, 7: 14), moet het voorlopige oordeel zijn dat de PerfectDraft alleen al om deze redenen vrijloopt van NL '562. Het betoog van Heineken terzake dat erop neerkomt dat de gaskleppen kunnen/moeten worden weggeïnterpreteerd, moet worden verworpen.

3.24 In de tweede plaats is bij de PerfectDraft - anders dan bij het octrooi en in weerwil van de stellingen van Heineken, die voorshands onjuist worden geoordeeld - het eerste schort niet gasdicht uitgevoerd. Deze bevat een opening en heeft alleen als functie het centreren van de afgiftebuis, en niet, zoals in het octrooi, het fungeren als wand voor een gasdichte kamer. Ook ligt het afgifte-element van de PerfectDraft niet, zoals NL '562 vereist, aan tegen het opstaande eerste schort, maar in de bodem aan de ingang van de drankingang. Daardoor wordt er in de PerfectDraft geen drukkamer voor gas gevormd tussen de schorten zoals in de inrichting volgens NL '562 en bevindt het gas zich in de PerfectDraft ook buiten de schorten. Althans is in de PerfectDraft geen sprake van een tussen beide schorten gelegen kamer waardoorheen gas onder druk in de in NL '562 bedoelde ene gasdoorlaatopening wordt gedwongen. In de PerfectDraft is sprake van twee zones, een soort voorkamer die in verbinding staat met de buitenlucht die met een afsluiting van het bier en met een afsluiting van het gas is afgesloten, alsmede een gaskamer. Anders gezegd: Bij de PerfectDraft wordt de gasdrukkamer gevormd door andere gas- en vloeistofdichte afsluitingen die tot stand komen doordat het aansluitelement op twee plaatsen aanligt tegen de opbouw op het vat en wel op één plaats tegen het tweede schort en op de andere plaats tegen het eerste schort. Zodoende is niet voldaan aan de kenmerken uit NL '562 dat de kamer gevormd wordt door het gasdicht aanliggen van het afgifte element tegen het eerste schort enerzijds en het gasdicht aanliggen van de kraag van het aansluitelement tegen het tweede schort anderzijds. In de PerfectDraft kan het gas vanwege het ontbreken van een gasdichte afsluiting tussen de witte kraag en het rubber overal weglekken, zodat dit niet wordt gedwongen door de ene gasdoorlaatopening als bedoeld in NL '562.

NL '950 (no cleaning)

3.25 Voor zover het uit de stand van de techniek overbekende concept van wegwerpen van een te gebruiken flexibel slangetje in combinatie met het niet in contact laten komen van de vaste delen van de tapinrichting met het slangetje (wat overigens bij de PerfectDraft bij het terugtrekken van het slangetje juist wel gebeurt, zodat de tapunit ook moet worden schoongemaakt) al inventief moet worden geacht, waar gerede twijfel over mogelijk is op grond van ten minste 8 zijdens Philips en Interbrew ter zitting besproken octrooischriften, moet voorshands worden geoordeeld dat het kenmerkende deel van hoofdconclusie 1 niet meer dan een wensconclusie behelst zonder concrete fysieke parameters. Aldus bestaat alleen al op die twee gronden een serieuse, niet te verwaarlozen kans dat in de bodemzaak zal worden geoordeeld dat dit octrooi niet geldig is. De ingeroepen afhankelijke conclusies voegen geen elementen toe die wel nieuwheid of inventiviteit meebrengen.

Reconventionele eis in KG 05-1211

3.26 De eis in reconventie moet voor zover deze verder strekt dan de onder 1. en 2. gevorderde verboden worden afgewezen. Daartoe als volgt wordt overwogen.

3.27 Terecht heeft Heineken - zij het slechts in een terloops tussenzinnetje - de vraag opgeworpen waarom de eis in reconventie eerst in het tweede kort geding naar voren is gebracht. Niet valt in te zien waarom dat niet ook al bij gelegenheid van het eerste geding had gekund - de onderligggende stukken waren toen al in dat geding ingebracht - en in die zin kan worden meegevoeld dat de reconventionele eis tenminste deels ook uit publicitaire overwegingen eerst in het tweede kort geding naar voren moet zijn gebracht, na een dramatische vooraankondiging bij gelegenheid van de pleidooien in het eerste kort geding. Nu Heineken daar echter niet de consequentie aan verbindt dat dit in strijd met de goede procesorde moet worden geacht en dat ambtshalve evenmin zo wordt gezien, ligt de reconventionele eis integraal ter beoordeling voor.

3.28 Gelet op de uitkomst van het eerste kort geding en de conventie van het tweede kort geding zal Heineken worden verboden bij het doen van uitingen in de markt waarin zij stelt dat de PerfectDraft inbreuk maakt op haar toekomende octrooirechten, deze mededelingen niet telkens te doen vergezellen van de toevoeging dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft geweigerd de PerfectDraft op grond van in de onderhavige kort gedingen ingeroepen octrooien te verbieden. Dat is op grond van de stand van de rechtspraak op dit gebied toewijsbaar. De gevorderde uitbreiding tot Europese of buitenlandse parallelle octrooien die in of buiten Nederland van kracht zijn wordt als (veel) te ver gaand afgewezen, alleen al nu Philips en Interbrew die uitbreiding in het geheel niet hebben onderbouwd.

3.29 Met betrekking tot het onder 2. in reconventie gevorderde verbod wordt als volgt overwogen. Heineken legt in deze kort gedingen uitdrukkelijk niet schending van geheimhoudingsafspraken door Philips aan haar eisen ten grondslag, maar schermt daar wel mee - bijvoorbeeld in het lichaam van haar dagvaardingen, die, gelijk bekend, door de pers kunnen worden ingezien, hetgeen ook tot uitingen in die richting in de pers heeft geleid die als bijzonder schadelijk voor Philips en Interbrew moeten worden aangemerkt. Philips' standpunt is dat helemaal geen sprake is van schending van geheimhoudingsafspraken. Zij heeft deze stelling in het voortraject al uitdrukkelijk aangeboden te substantiëren onder de vigeur van een geheimhoudingsovereenkomst, waar nota bene Heineken in het minnelijk overleg tussen partijen aanvankelijk als eerste op had gezinspeeld (vgl. het onderstreepte deel van het onder 1.9 opgenomen citaat uit Heinekens brief uit februari 2005), waarna vervolgens Philips onder het opsturen van een concept geheimhoudingsovereenkomst daadwerkelijk heeft aangeboden dit ook te doen, maar welke route Heineken om haar moverende en onduidelijk gebleven redenen heeft verkozen niet voort te zetten - als eerder aangegeven: zonder dat Philips fatsoenlijk te berichten. Weliswaar hebben Philips en Interbrew op hun beurt nagelaten hun stellingen dat geen sprake is van schending van geheimhoudingsafspraken, omdat Interbrew na definitieve beëindiging van de samenwerking tussen Philips en Heineken aan Philips een prototype heeft geopenbaard dat al alle keuzes verwoord in eerderbedoelde brief van Heineken uit februari 2005 sub 8. en 12. in zich had, nader te onderbouwen door bijvoorbeeld in deze kort gedingen aan te bieden alsnog met gesloten deuren en onder oplegging van geheimhouding tot een dergelijke disclosure te komen, maar dat wordt hen minder aangerekend. Heineken heeft de stellingname van Philips en Interbrew immers niet gemotiveerd betwist. Ook heeft zij nagelaten haar verwijt van beweerdelijke schending van geheimhoudingsafspraken door Philips nader te onderbouwen. Philips en Interbrew hebben wel uitdrukkelijk de juistheid betwist van de optekening in Adformatie uit september van dit jaar, dat zij al 5 jaar geleden samen aan het thuistapproject begonnen zouden zijn, waar Heineken nog op heeft gewezen. Heineken valt in dit verband aan te rekenen dat zij het aanvankelijk door haar zelf ingezette traject van bedoelde disclosure om onduidelijk gebleven redenen niet heeft vervolgd. In die omstandigheden is naar voorlopig oordeel plaats voor een verbod aan Heineken om nog langer aldus ongesubstantieerd gebleven en onmiskenbaar aan het adres van Philips en Interbrew schadelijke beschuldigingen te doen dat geheimhoudingsafspraken met Philips zouden zijn geschonden bij de ontwikkeling van de PerfectDraft. In de geschetste omstandigheden wordt dat voorshands onrechtmatig geoordeeld en vormt toewijzing van het onder 2. gevorderde daarvoor een passend redres in kort geding.

3.30 Zoals in 3.11 is overwogen, wordt voor het overige de wijze van opereren van Heineken voorshands niet als onrechtmatig, maar hooguit als onhoffelijk geoordeeld. De grondslag voor de reconventionele vorderingen onder 3. en 4. is ongenoegzaam. Het komt erop neer dat een combinatie van het (in een overlegsituatie) niet tijdig waarschuwen dat Philips en Interbrew in de optiek van Heineken octrooiinbreuk plegen, het Philips "aan het lijntje houden" in het gestarte minnelijke overleg en doen geloven, althans suggereren dat alleen schending van overeengekomen geheimhouding aan de orde zou zijn, in combinatie met het gekozen tijdstip van rauwelijks dagvaarden vlak voor de beoogde marktintroductie van de PerfectDraft onder het onjuiste mom van vermeend torpedogevaar, alsmede het afgeven van een persbericht en interviews op de avond van de dag dat na kantoortijd werd gedagvaard (en na afloop van de zitting van het eerste kort geding) in de concurrentiestrijd onrechtmatig zou zijn. Terecht heeft Heineken erop gewezen dat dat onvoldoende is. Zoals hiervoor is overwogen, vormen de door Philips en Interbrew in het kader van hun reconventionele eis aangedragen gronden wel mede elementen om Heineken in conventie en het eerste kort geding haar eisen te ontzeggen, maar meer ook niet. Zoals ook al ter zitting kenbaar is gemaakt, blijft dit naar voorlopig oordeel binnen de grenzen van wat (grote) ondernemingen in het kader van niet op voorhand klaarblijkelijk kansloze octrooigeschillen (en zoveel is in de kort gedingen wel duidelijk geworden) van elkaar hebben te dulden. Overigens zij erop gewezen dat Philips en Interbrew er kennelijk voor gekozen hebben om hangende de korte gedingen in beginsel geen commentaar te geven aan de pers. Dat is een fatsoensoverweging die bepaald valt toe te juichen, dat zij voorop gesteld. Overigens zij daarbij aangetekend dat door de raadsman van Philips en Interbrew wel pleitnota's aan de pers ter hand zijn gesteld, hetgeen de raadslieden van Heineken weer niet hebben gedaan. Nu Philips en Interbrew echter stellen zodanig grote schade te hebben opgelopen door wat door hen als "persoffensief" van Heineken wordt gezien, had een andere mediastrategie hunnerzijds dat wellicht kunnen redresseren. Ook dat zou denkbaar zijn geweest binnen de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid. Nu de persuitingen van de kant van Heineken overigens feitelijk niet onjuist zijn - dat stellen Philips en Interbrew ook niet werkelijk, voor zover het de hier aan de orde zijnde materie betreft - is ook daarin geen onrechtmatigheid te onderkennen en evenmin een grond voor toewijzing van enige rectificatie. Daarbij kan dan blijven rusten dat Heineken eveneens terecht naar voren heeft gebracht dat de vorm van de gevorderde rectificaties (in een aantal prime-time reclameblokken op alle landelijke Nederlandse televisienetten en paginagroot in alle landelijke dagbladen en vergezeld van "strafreclame" voor de PerfectDraft) hoe dan ook veel te ver gaat.

Slotsom

3.31 Het vorenoverwogene leidt tot het afwijzen van alle inbreukeisen met nevenvorderingen van Heineken, met veroordeling van Heineken in de respectievelijke proceskosten. De reconventionele eis in de zaak met rolnr. KG 05-1211 kan worden toegewezen langs de in 3.28 en 3.29 aangegeven lijnen en overigens als in het dictum verwoord, waarbij de gevorderde dwangsommen zijn gematigd, maar wordt voor het overige afgewezen. In de omstandigheid dat in de zaak met rolnr. KG 05-1211 in reconventie partijen over en weer deels in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gezien de proceskosten van die instantie te compenseren als in het dictum verwoord.

BESLISSINGEN:

De Voorzieningenrechter:

in de zaak met rolnr. KG 05-1210:

- weigert de gevorderde voorzieningen;

- veroordeelt Heineken in de op deze procedure vallende kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Philips en Interbrew begroot op € 244,- aan verschotten en € 816,- aan procureurssalaris;

in de zaak met rolnr. KG 05-1211:

in conventie:

- weigert de gevorderde voorzieningen;

- veroordeelt Heineken in de in deze procedure in conventie vallende proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Philips en Interbrew begroot op € 244,- aan verschotten en € 816,- aan procureurssalaris;

in reconventie:

- verbiedt Heineken met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis om aan derden in of ten behoeve van de markt te kennen te geven dat de PerfectDraft valt onder de beschermingsomvang van NL '562, NL '526, NL '081, NL '015 en/of NL '950, zonder daar steeds bij te vermelden dat de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Gravenhage geweigerd heeft om op basis van die octrooien een verbod met betrekking tot de PerfectDraft uit te spreken op straffe van een dwangsom van € 500.000,- voor iedere niet (gehele, danwel deugdelijke) nakoming van dit verbod;

- verbiedt Heineken met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis om aan derden in of ten behoeve van de markt te kennen te geven dat Philips bij de ontwikkeling van de PerfectDraft geheimhoudingsafspraken met Heineken heeft geschonden op straffe van een dwangsom van € 500.000,- voor iedere niet (gehele, danwel deugdelijke) nakoming van dit verbod;

- verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de in deze procedure in reconventie vallende proceskosten des, dat elke partij haar eigen kosten heeft te dragen;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R.B. van Peursem en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Bij herhaling is ten pleidooie zijdens Philips en Interbrew gesteld dat dit een tweede akte van gedeeltelijke afstand zou betreffen, maar uit de processtukken valt niet op te maken dat eerder gedeeltelijk afstand is gedaan. Dat de parallelle Europese aanvraag een aantal keer is gewijzigd, is iets anders.

2 Zie bijv. Pres. Rb den Haag 22 mei 1997, BIE 1999/39 (markeringsmat), Pres. Rb den Haag 24 juni 1999, BIE 2000/65 (plantsysteem), Pres. Rb den Haag 6 juli 1999, BIE 2000/74 (mosselverpakking I), BIE 2000/74.

3 HR 4 juni 1993 NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis) r.o. 3.2 en 3.4.

4 Zie bijv. het ná Vredo/Veenhuis gewezen Hof den Haag 12 september 1996 (Hoffmann-La Roche/Organon Teknika), BIE 1997/63, IER 1996/48, r.o. 8.2 en 8.3. Dat was nota bene een kort geding met schriftelijke voorfase, waarbij de gedaagde partijen een termijn van twee maanden werd gegund om hun verweer voor te bereiden, hetgeen door het hof in die zaak onverantwoord kort werd geacht. In de onderhavige zaak hebben Philips en Interbrew - mede vanwege de rauwelijkse dagvaardingen - slechts een ruime maand tot anderhalve maand daarvoor gehad (en met betrekking tot de laatste versie van NL '081 maar enkele dagen).

5 Een enigszins vergelijkbare benadering blijkt uit Vzr. Rb Arnhem 28 april 2005 (Unilever/AH), IER 2005/49, m.n. r.ovv. 10, 17 t/m 20 en 21 e.v.