Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6998

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
28-11-2005
Zaaknummer
241686
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[...] "De partijen komen overeen dat na de ontbinding van hun huwelijk partijen vooralsnog geen alimentatie over en weer behoeven te betalen. Partijen behouden echter de vrijheid om later alsnog een maandelijkse alimentatie overeen te komen dan wel een verzoek om alimentatie bij de rechtbank in te dienen indien dit noodzakelijk is en daar geen wettelijke beletselen tegen zijn." [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer A. : 05-2360

zaaknummer : 241686

datum beschikking : 25 oktober 2005

BESCHIKKING op het op 22 april 2004 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

de vrouw,

procureur: mr. M. Jonkman.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

wonende te [woonplaats],

de man,

procureur: mr. T. van den Bout.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 29 juli 2005, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brieven d.d. 15 september 2005 (twee), beide met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 27 september 2005 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw vergezeld van mr. J.W. van der Kooi, kantoorgenoot van mr. Jonkman voornoemd, alsmede de man vergezeld van zijn procureur. Van de zijde van de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

BEOORDELING

Tussen de man en de vrouw, gehuwd op 14 juli 1994, is bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 februari 2003 de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is geen alimentatie voor de vrouw vastgesteld. Voorafgaand aan de echtscheidingsbeschikking zijn partijen op 17 januari 2003 een echtscheidingsconvenant overeengekomen, van welk convenant is bepaald dat dit als opgenomen in de beschikking moet worden beschouwd. Ter zake van de partneralimentatie is in het convenant het volgende vermeld:

"De partijen komen overeen dat na de ontbinding van hun huwelijk partijen vooralsnog geen alimentatie over en weer behoeven te betalen. Partijen behouden echter de vrijheid om later alsnog een maandelijkse alimentatie overeen te komen dan wel een verzoek om alimentatie bij de rechtbank in te dienen indien dit noodzakelijk is en daar geen wettelijke beletselen tegen zijn."

De vrouw verzoekt thans bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat de man met ingang van de indiening van het verzoekschrift maandelijks bij vooruitbetaling aan haar dient te voldoen een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ad € 650,= per maand, althans een zodanig bedrag en een zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, alsmede de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

De vrouw stelt dat het haar, in afwijking van hetgeen haar ten tijde van het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant voor ogen stond, niet gelukt is om voldoende inkomsten te genereren om daarmee in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Voordat de echtscheiding is uitgesproken werkte de vrouw sedert enige tijd bij "'t Clingendaelhuys Uitvaartzorg" alwaar zij naar eigen zeggen 25 uur per week werkte en waarmee zij een netto-inkomen verdiende van circa € 900,= per maand. De arbeidsovereenkomst bij laatstgenoemd bedrijf is vanwege bedrijfseconomische redenen geëindigd. Zij wenste haar ontslag niet af te wachten en is met ingang van 1 februari 2003 werkzaam bij Multiline Meldkamerdiensten bv. De vrouw heeft bij laatstgenoemd bedrijf een vast contract voor 32 uur per week, en verdient thans circa € 1.100,= netto per maand. Haar pogingen ten spijt stelt de vrouw dat haar werkgever niet bereid is haar uren uit te breiden. Naast het feit dat zij in verhouding met haar oude baan minder per uur is gaan verdienen, stelt de vrouw dat het gezien haar gebrek aan opleiding niet mogelijk is gebleken om in een andere functie meer inkomsten te verkrijgen. Hoewel de vrouw ten tijde van de echtscheiding in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap een bedrag van € 30.000,= heeft ontvangen, stelt zij dat zij daar tot nu toe aanzienlijk op heeft moeten interen. Zo heeft zij onder meer een andere auto moeten aanschaffen en heeft zij hoge rekeningen moeten voldoen voor de medische behandeling van haar hond. De vrouw stelt voorts dat zij niet in aanmerking komt voor huursubsidie; de gemeente heeft haar huur te hoog bevonden voor de woning die ze bewoont. De vrouw heeft een behoefteberekening overgelegd waaruit volgens haar dient te worden opgemaakt dat zij behoefte heeft aan bedrag van € 798,= per maand. Zij gaat er evenwel vanuit dat de man in staat is om € 650,= per maand te betalen, en zij heeft dienovereenkomstig verzocht.

De man heeft zich verweerd en verzoekt, nadat hij zijn primaire vordering in verband met een gestelde onbevoegdheid van deze rechtbank heeft laten vallen, thans nog al het door de vrouw verzochte af te wijzen, hetzij door haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door haar zulks te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in alle kosten van deze procedure.

De man stelt dat partijen toen zij gingen scheiden over en weer bewust hebben afgezien van alimentatie. De reden was gelegen in het feit dat beiden in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Dit zou slechts anders zijn indien de vrouw zou aantonen dat partneralimentatie voor haar noodzakelijk is. Daarmee staat volgens de man vast dat de vrouw gehouden is een wijziging van omstandigheden te stellen en te bewijzen. Doch dit kan de vrouw niet, aldus de man. Toen partijen gingen scheiden werkte de vrouw al bij haar huidige werkgever, zodat zij precies wist wat zij verdiende. Ook haar huurlast was reeds bekend en het feit of de vrouw al dan niet in aanmerking kon komen voor huursubsidie. Daarnaast was het volgens de man tevens zo dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond dat de vrouw sedert enige tijd een andere partner had en dat zij mede daarom van alimentatie heeft afgezien.

De man voert voorts verweer tegen de stelling van de vrouw dat zij niet - bijvoorbeeld bij een ander bedrijf - fulltime zou kunnen werken. Voorts betwist de man dat de vrouw sedert 2003 zodanig heeft moeten interen op haar vermogen van € 30.000,= dat daar bijna niets meer van over is. Indien de vrouw daadwerkelijk heeft ingeteerd op dit vermogen dan heeft zij volgens de man op te grote voet geleefd, hetgeen in alle redelijkheid niet voor zijn rekening mag komen. Bij gebrek aan bewijs stelt de man dat de vrouw moet worden geacht rente-inkomsten uit dit vermogen te genieten. Ten aanzien van de lasten van de vrouw merkt de man op dat haar huur, gezien haar inkomen, onevenredig hoog is. Behalve dat de man betwist dat de vrouw niet in aanmerking zou kunnen komen voor huursubsidie, stelt hij dat van de vrouw - voor zover zij haar woning niet kan betalen - kan worden verwacht dat zij een andere woning zoekt. Ook heeft de vrouw geen auto nodig, nu zij kan worden geacht gebruik te maken van het openbaar vervoer.

Ten slotte voert de man nog aan dat hij is hertrouwd en dat hij de dagelijkse zorg heeft voor de twee minderjarige kinderen van zijn nieuwe partner uit een eerdere relatie. Zijn inkomen afgezet tegen zijn lasten biedt geen ruimte voor betaling van enige partneralimentatie, zo stelt de man.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel dient te worden beantwoord op basis van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst; bij de beantwoording van deze vraag komt het steeds aan -overeenkomstig de artikelen 3:33 en 3:35 BW- op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, (Haviltex HR 13 maart 1981 NJ 1981/635). De rechtbank is van oordeel dat de uitleg die de vrouw aan de overeenkomst geeft meer in lijn is met de bedoeling die partijen voor ogen moeten hebben gehad. Zowel het idee van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen dat zij voldoende verdiende om zonder bijdrage van de man rond te komen als de stelling van de man dat er bij de vrouw een derde in het spel was, geeft aanleiding tot de uitleg dat partijen de optie van de vrouw op partneralimentatie open wilden houden en dat het haar vrij stond hierop later desgewenst terug te komen, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een wijziging van omstandigheden. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de frase indien dit noodzakelijk is geen zwaardere eis is dan de die van behoeftigheid in de zin van artikel 1:157 BW.

Hieromtrent overweegt de rechtbank evenwel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij solliciteert of andere pogingen heeft ondernomen om aan een beter betaalde baan te komen, hoewel het gezien het karakter van deze procedure wel op haar weg had gelegen om bescheiden in het geding te brengen die daarop duiden. Het huidige inkomen van de vrouw - hoewel niet bijzonder hoog - is bovendien in enige mate gelegen boven de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de vrouw heeft ter zitting verklaard dat haar woonlasten, gezien haar inkomsten, aan de hoge kant zijn. Gelet daarop ligt het op haar weg op zoek te gaan naar andere woonruimte teneinde op die manier wellicht ook in aanmerking te komen voor huursubsidie. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat de vrouw in redelijkheid onvoldoende inkomsten kan verwerven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat haar verzoek dient te worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING:

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Bergh, bijgestaan door mr. B. Laterveer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2005.