Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6914

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
223573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzen beroep op artikel 1:160 BW ; geen samenwonen als waren zijn gehuwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer : 04-3528

zaaknummer : 223573

datum beschikking : 11 oktober 2005

BESCHIKKING op het op 23 juni 2004 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. M. Velsink.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur mr. M.C. Schmidt.

PROCEDURE

Bij beschikking van 14 december 2004 heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang en kort samengevat:

- de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de vrouw samenleeft met een ander, als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij hun partnerschap laten registreren;

- bepaald dat eventuele getuigen zullen worden gehoord;

- de behandeling van het verzoek van de man tot nihilstelling van de uitkering in het levensonderhoud van de vrouw aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen:

- de brief van 30 december 2004 van de zijde van de man.

De man heeft op 3 maart 2005 de navolgende getuigen doen horen, die kort gezegd en voor zover van belang hebben verklaard:

* de heer G.H.M. de Rijk (verbonden aan detectivebureau De Rijk, van welk bureau een "Verslag observatie" is overgelegd), die heeft verklaard dat op basis van de waarnemingen van zijn bureau het er alle schijn van heeft dat de vrouw en de heer [betrokkene] samen zijn, dat wil zeggen 's nachts en overdag;

* de heer [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]) de bovenbuurman van de vrouw met wie zij volgens stelling van de man samenleeft als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij hun partnerschap laten registreren), die heeft verklaard dat hij en de vrouw afzonderlijk slapen en alleen af en toe samen iets ondernemen;

* [moeder van de vrouw] (de moeder van de vrouw), die heeft gezegd dat zij [betrokkene] kent als bovenbuurman van haar dochter en dat hij in de periode dat zij bij haar dochter thuis revalideerde, één à twee keer per week mee at;

* [moeder van betrokkene] echtgenote van [betrokkene] (de moeder van de heer [betrokkene]), die heeft verteld dat haar zoon en de vrouw "gewoon vrienden" zijn en absoluut geen relatie hebben;

* de heer [vader van betrokkene] (de vader van de heer [betrokkene]), die heeft verklaard dat toen hij ernstig ziek was, zijn zoon op zijn werk voor zijn echtgenote telefonisch bereikbaar was via de vrouw.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen:

- de brief van 13 mei 2005 van de zijde van de man.

De man heeft bij wijze van voortzetting enquête op 9 juni 2005 de navolgende getuigen doen horen, die kort gezegd en voor zover van belang hebben verklaard:

* zichzelf, verklarende dat hij in de tweede helft van 2002 via zijn zoon en aanstaande schoondochter heeft vernomen dat de vrouw een inpandige doorbraak in haar woning naar de woning van [betrokkene] had gerealiseerd;

* [aanstaande schoondochter] (de aanstaande schoondochter van partijen), die heeft verklaard van een dergelijke doorbraak niets te weten en dat de vrouw een eigen slaapkamer beneden heeft;

* [zoon van partijen] (de zoon van partijen), die zich heeft verschoond.

Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt. De vrouw heeft blijkens brief van 15 juni 2005 afgezien van contra-enquête.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen:

- de brief van 16 augustus 2005 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een conclusie na enquête.

BEOORDELING

De rechtbank neemt over hetgeen bij genoemde beschikking van 14 december 2004 is overwogen en beslist.

De rechtbank overweegt nader als volgt.

Voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW is - volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - vereist dat tussen betrokkenen een volledige, tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap bestaat, welke het kenmerk is van een normaal huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Daarbij spelen lotsverbondenheid, duurzaamheid, affectiviteit en wederzijdse verzorging een rol.

Aan deze begrippen is invulling gegeven door een aantal cumulatieve eisen waaraan moet worden voldaan, te weten:

a. allereerst dient sprake te zijn van een duurzame, affectieve relatie;

b. het feitelijk samenwonen;

c. het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en

d. het elkaar wederzijds verzorgen, hetzij door bij te dragen in de kosten van een gemeenschappelijke huishouding, hetzij door op andere wijze in elkaars verzorging te voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat de man er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw in ieder geval vanaf 1 januari 2002 samenleeft met de heer [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]) als waren zij gehuwd (of als hadden zij hun partnerschap laten registreren).

Voor de rechtbank staat voldoende vast dat de vrouw en [betrokkene] een affectieve relatie hebben dan wel hebben gehad, gelet op hetgeen uit het observatieverslag van Bureau De Rijk naar voren is gekomen. Ten aanzien van de vraag of deze affectieve relatie ook als duurzaam kan worden aangemerkt, staat vast dat [betrokkene] sinds oktober 2000 de bovenbuurman is geworden van de vrouw. Daarvóór kenden zij elkaar niet. De man heeft verklaard dat hij in de tweede helft van 2002 serieuze signalen kreeg over de relatie van de vrouw met haar bovenbuurman. Gelet daarnaast op de periode dat de vrouw en [betrokkene] zijn geobserveerd door het door de man ingehuurde recherchebureau, zijnde de periode van december 2002 tot juli 2003, meent de rechtbank dat deze relatie als duurzaam kan worden gekenmerkt.

Daarmee is weliswaar voldaan aan het vereiste sub a. Maar tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de overige vereisten. De rechtbank zal deze alle bespreken, ook al leidt het oordeel dat aan één van de eisen niet is voldaan reeds tot afwijzing van het verzoek.

Voor wat betreft het samenwonen verwijst de rechtbank naar de verklaringen van omwonenden van de vrouw en [betrokkene], zoals opgenomen in het bedoelde rapport van Bureau De Rijk. Zij verklaren onafhankelijk van elkaar dat [betrokkene] boven en de vrouw beneden woont. Dat de vrouw en [betrokkene], zoals blijkt uit het observatieverslag, dagelijks veelvuldig bij elkaar in en uitliepen, waarbij er sprake was van een duidelijk patroon dat zij beneden bij de vrouw het avondeten nuttigden en vervolgens na het uitlaten van de hond boven bij de man televisie keken en sliepen, maakt nog niet dat van samenwonen kan worden gesproken.

De stelling van de man dat de vrouw en [betrokkene] voortdurend samen beide woningen gebruikten en op die manier niet alleen samenwoonden, maar ook door ieder hun eigen woonlasten te blijven voldoen, elkaar wederzijds verzorgden, kan niet worden gevolgd. Veeleer dient hun relatie te worden gezien als een "LAT-relatie".

Daarnaast heeft het enkele feit dat in de door de medewerkers van Bureau De Rijk geobserveerde periode [betrokkene] twee maal in het bijzijn van de vrouw vijverproducten (voor de benedenwoning) heeft afgerekend in een tuincentrum, onvoldoende betekenis om bewezen te achten er sprake zou zijn van een gemeenschappelijke huishouding dan wel financiële verstrengeling.

Nu het gaat om cumulatieve eisen waaraan moet worden voldaan wil een beroep op artikel 1:160 BW kunnen slagen en de rechtbank, zoals voormeld, van oordeel is dat aan drie van deze eisen niet is voldaan, wordt het verzoek van de man afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J .van den Bergh, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2005.

De griffier buiten staat zijnde deze beschikking mede te ondertekenen.