Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6407

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
17-11-2005
Zaaknummer
230691
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie - huwelijksgerelateerde behoefte

[...] Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw een aantal maanden na de huwelijkssluiting naar Nederland is gekomen om alhier te verblijven, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde bewijsstukken. Ter terechtzitting hebben partijen zich elk anders uitgelaten omtrent de samenwoning van partijen. De man heeft gesteld dat partijen niet hebben samengewoond. [...]

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer : 04-5952

zaaknummer : 230691

datum beschikking : 14 oktober 2005

BESCHIKKING op het op 25 oktober 2004 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M. Groenleer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M.G. Evers.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoekschrift zijdens de man;

- het verweer tegen het aanvullende verzoek;

- de brief (met bijlagen) d.d. 20 juni 2005 van de zijde van de man;

- de brief (met bijlage) d.d. 2 augustus 2005 van de zijde van de vrouw.

Op 19 augustus 2005 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun procureurs.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de man zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding met een nevenvoorziening tot:

- verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd te bevelen aldus dat elk der partijen behoudt wat hij/zij onder zich heeft en op zijn/haar naam is gesteld, en de schulden door elk van partijen bij helfte worden gedragen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verzoekt - onder referte voor het overige - de man in zijn verzoek met betrekking tot de verdeling niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de onderhavige lening geheel aan de man toe te scheiden.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud aan haar ad € 1.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,

- kostenveroordeling,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op 12 augustus 2002 te Oujda (Marokko) met elkander gehuwd.

Blijkens overgelegd bewijsstuk van de gemeente [gemeente] heeft de vrouw de Marokkaanse nationaliteit en blijkens overgelegd bewijsstuk van de gemeente [gemeente] heeft de man zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

De echtscheiding

Nu de echtgenoten beide hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Nu de man onweersproken een keuze voor het Nederlandse recht heeft gedaan, zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 4, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De verdeling

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw een aantal maanden na de huwelijkssluiting naar Nederland is gekomen om alhier te verblijven, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde bewijsstukken. Ter terechtzitting hebben partijen zich elk anders uitgelaten omtrent de samenwoning van partijen. De man heeft gesteld dat partijen niet hebben samengewoond. De vrouw heeft dat weersproken en heeft gesteld dat partijen enige tijd op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan. De man heeft voornoemde stelling van de vrouw niet weersproken, zodat naar het oordeel genoegzaam is gebleken dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland hebben gehad, zodat het huwelijksvermogensregime krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt beheerst door het Nederlandse recht, nu zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.

Ter terechtzitting heeft de man afgezien van verdeling van de schuld bij Fortis Bank. Hij heeft daaromtrent gesteld dat hij bereid is die lening geheel voor zijn rekening te nemen. Noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken van andere schulden dan die bij Fortis Bank.

Gelet op de stellingen van de vrouw in haar verweerschrift op het aanvullende verzoek van de man en het feit dat zij zich ter zitting niet heeft verweerd tegen het aanbod van de man de gehele schuld op zich te nemen, zal het verzoek van de man worden toegewezen in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat ieder der partijen houdt wat hij/zij onder zich heeft en op zijn/haar naam is gesteld en dat de lening bij Fortis Bank aan de man zal worden toegescheiden.

Alimentatie

De vrouw heeft een partnerbijdrage verzocht van € 1.000,- per maand.

De man heeft allereerst de behoefte van de vrouw betwist en heeft voorts gesteld dat hij geen draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen.

Uit proceseconomische redenen gaat de rechtbank thans eerst over tot bespreking van de draagkracht van de man.

Draagkracht

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen aan zijn zijde van € 1.218,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de man overgelegde loonstrook van periode 4 in 2005. Daarbij betrekt de rechtbank tevens een bedrag van € 500,- per maand aan overwerk, welk bedrag door de man onweersproken is opgevoerd.

Naast de pensioen- en WW-premie(s), houdt de rechtbank rekening met het werkgevers- en werknemersdeel ziekenfondswetpremie. Ter zake van de ziektekostenpremie wordt geen nominale premie in aanmerking genomen, nu deze uit de bijstandsnorm dient te worden betaald.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandlasten betwist:

- € 420,- woonlasten;

- € 188,- aflossing schuld bij Fortis Bank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bestreden lasten als volgt.

De woonlasten

De vrouw heeft gesteld dat de man niet woont op het door hem opgegeven adres, [adres 1]. Volgens haar is dit de woning van een bevriend gezin. Zij wijst er in dit verband op dat de loonstroken van de man naar een ander adres worden gestuurd, namelijk [adres 2]. Zij is van mening dat de man niet heeft aangetoond dat er sprake is van een huurcontract betreffende de [adres 1] en acht de overgelegde bankafschriften onvoldoende bewijs voor zowel het bestaan van een huurcontract als daadwerkelijke betaling van de huur.

De man heeft verklaard dat hij woont op de [adres 1] en dat het adres in [plaats adres 2] zijn postadres is. Hij betwist de stelling van de vrouw dat hij niet daadwerkelijk huur zou betalen.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de vraag waar de man feitelijk woont, rekening gehouden dient te worden met woonlasten. Nu de door de man opgevoerde woonlast de rechtbank niet onredelijk hoog voorkomt, zal de rechtbank dit bedrag in de draagkrachtberekening in aanmerking nemen.

De aflossing op de schuld bij Fortis Bank

De man heeft ter zitting gesteld dat de lening bij Fortis Bank is aangegaan om geld over te kunnen maken naar Marokko, en dat hij van het geleende bedrag geen baat heeft gehad. Hij heeft voorts gesteld dat hij bereid is de schuld geheel op zich te nemen, mits in de draagkrachtberekening rekening wordt gehouden met het bedrag dat hij maandelijks op de schuld aflost.

De vrouw heeft dienaangaande gesteld dat zij niets heeft geweten van deze lening en bestrijdt dat de man deze moest aangaan om in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voorzien. Zij erkent dat de man enkele malen geld heeft overgemaakt naar Marokko om haar naar Nederland te kunnen laten komen, maar ze betwist dat de man hiervoor geld heeft moeten lenen. De lening is bovendien aangegaan ná het feitelijk uiteengaan van partijen en het is niet duidelijk waarvoor hij is aangegaan. Voor haar staat vast dat zij geen enkel voordeel heeft gehad van het geleende bedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van de schuld - welke een huwelijkse schuld betreft - aangetoond en blijkt uit de overgelegde bescheiden dat de man maandelijks op de schuld aflost. De rechtbank acht het derhalve niet onredelijk met dit bedrag rekening te houden, mede omdat de man afgezien heeft van verdeling van de schuld in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en hij deze geheel op zich zal nemen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is een bijdrage van € 129,- bruto per maand aan de vrouw te betalen.

De behoefte

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de stukken is er sprake van een dienstverband van de vrouw bij [bedrijf]. Zij heeft echter gesteld dat haar inkomsten waarschijnlijk zullen ophouden te bestaan, nu haar huidige verblijfsstatus afhankelijk is van de man en zij na de echtscheiding niet in staat zal zijn een nieuwe verblijfsvergunning aan haar werkgever te overleggen. Zowel in Nederland als bij terugkeer naar Marokko - alwaar zij niet kan terugvallen op enig sociaal netwerk - zal zij derhalve niet beschikken over inkomsten, zo stelt de vrouw, zodat zij in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Naar de mening van de man heeft de vrouw haar behoefte onvoldoende onderbouwd. Bovendien is er volgens de man geen sprake van een gezamenlijk inkomen aan de hand waarvan de behoefte zou kunnen worden vastgesteld, nu partijen nimmer hebben samengewoond. De behoefte van de vrouw - voor zover aanwezig - is volgens hem dus niet huwelijksgerelateerd. Hij stelt voorts dat er nooit sprake is geweest van lotsverbondenheid tussen partijen en betwist dat de vrouw geen sociaal vangnet heeft in Marokko, nu zij in Marokko familie heeft wonen.

De rechtbank overweegt als volgt. Daargelaten de vraag of partijen enige tijd hebben samengewoond - volgens de man niet doch volgens de vrouw wél - door het sluiten van het huwelijk is naar het oordeel van de rechtbank tussen partijen een lotsverbondenheid ontstaan, ongeacht hoe zij hun huwelijk verder hebben ingericht. Mede op grond van deze lotsverbondenheid is de man gehouden bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, indien en voor zover zijn draagkracht dat toelaat. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het standpunt van de man dienaangaande.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de behoefte van de vrouw vast. Zij overweegt daartoe dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw (reeds thans of op zeer korte termijn) geen inkomsten meer kan verwerven gelet op het verlopen van haar verblijfsvergunning en de onmogelijkheid om na de echtscheiding een nieuwe vergunning te verkrijgen, nu haar status is gekoppeld aan de man. Bij gebrek aan een verblijfsvergunning zal de vrouw derhalve noch inkomsten uit arbeid, noch inkomsten uit uitkering kunnen verwerven. Indien de vrouw dient terug te keren naar Marokko is onduidelijk hoe zij aldaar in haar levensonderhoud zal moeten gaan voorzien. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de vrouw thans behoefte heeft aan een bijdrage die minimaal de bijstandsnorm voor een alleenstaande bedraagt.

De hoogte van de behoefte wordt begrensd door de draagkracht van de man. Gelet op het feit dat de draagkracht van de man de behoefte van de vrouw (minimaal de bijstandsnorm voor een alleenstaande) niet overstijgt, komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte en derhalve evenmin aan het verweer van de man dienaangaande.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 129,- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op 12 augustus 2002 te Oujda (Marokko);

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 129,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden, als volgt vast:

1. aan de man wordt toebedeeld:

1.1 alles wat hij onder zich heeft en op zijn naam gesteld is;

1.2 de schuld bij Fortis Bank,

2. aan de vrouw wordt toebedeeld:

2.1 alles wat zij onder zich heeft en op haar naam gesteld is,

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok, bijgestaan door mr. M. Miezenbeek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2005.