Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
17-11-2005
Zaaknummer
449192/04-5657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease - Capital Effect Maandbetaling 15 jaar. Wck niet van toepassing. Geen schending zorgplicht. Matiging van de vordering van Dexia gezien de maatschappelijke ontwikkelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Leiden

rl

rolnr. 449192/04-5657

datum: 2 november 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: Raetsincasso B.V.,

rolgemachtigde: Van Arkel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. N.P.O. Ruysch.

Partijen worden aangeduid als “Dexia” en “[gedaagde]”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 6 oktober 2004 met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties,

- de rolbeslissing d.d. 2 februari 2005,

- de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie, met producties,

- de rolbeslissing d.d. 22 juni 2005,

- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie,

- het akteverzoek, tevens de conclusie van dupliek in reconventie, met producties.

In laatstgenoemd processtuk vraagt Dexia aanhouding van de beslissing teneinde de z.g. Duisenbergregeling niet te frustreren. [gedaagde] heeft zich daarover niet meer kunnen uitlaten, maar heeft, volgens de eigen stellingen van Dexia, herhaalde schikkingsaanbiedingen verworpen, ook een voorstel op basis van de Duisenbergregeling, en zich steeds op het standpunt gesteld dat de rechter uitspraak moest doen.

De kantonrechter ziet onvoldoende reden tot aanhouding van de beslissing in deze zaak. Weliswaar is het maatschappelijk belang van een collectieve regeling van grote, voor de rechterlijke macht zelfs nauwelijks hanteerbare, aantallen procedures zwaarwegend, maar de onderhavige zaak lijkt in weinig op de “typische” aandelenleasezaak, zoals hierna zal blijken.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

[gedaagde] heeft op of omstreeks 18 april 2001, op basis van een op 27 maart 2001 door haar ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, door bemiddeling van een zekere [betrokkene] van Spaar Select Leiden, met Bank Labouchère N.V., rechtsvoorgangster van Dexia, een zogenoemde “Capital Effect Maandbetaling 15 jaar” –overeenkomst gesloten.

Deze overeenkomst houdt in, kort samengevat, dat [gedaagde] “least” een aantal aandelen (Ahold, ING, Kon. Olie en Unilever) voor een totale koopsom van € 5.727,36. Dit bedrag wordt met de daarover berekende rente in 180 maandelijkse termijnen van € 66,91 afgelost, waarna de aandelen in eigendom overgaan op [gedaagde]. Tussentijdse beëindiging is mogelijk na 60 maanden.

De maandelijkse leasetermijnen worden door automatische incasso voldaan. Vanaf 17 november 2001 is [gedaagde] regelmatig in verzuim geraakt met de betaling van deze maandtermijnen, naar de kantonrechter begrijpt doordat het saldo op haar rekening onvoldoende was. In totaal heeft [gedaagde] 23 termijnen betaald, waarna zij haar betalingen helemaal heeft gestaakt. Zij heeft nooit gereageerd op aanmaningen.

Op 25 juni 2003 heeft Dexia aan [gedaagde] een laatste aanmaning gezonden tot betaling van de achterstallige termijnen ad € 501,75 met mededeling dat bij verder verzuim van betaling de aandelenportefeuille zou worden geliquideerd. Blijkens een bijgevoegd rekenvoorbeeld zou dat resulteren in een door [gedaagde] bij te betalen bedrag van € 3.406,15. Op 22 juli 2003 is Dexia daadwerkelijk tot liquidatie van de aandelenportefeuille overgegaan, resulterend in een tekort, op basis van de toen geldende beurskoersen, van € 3.795,79.

Vordering in conventie

Dexia vordert betaling van laatstgenoemd bedrag vermeerderd met € 125,63 wettelijke rente van 5 augustus 2003 tot 17 maart 2004, met € 544,54 buitengerechtelijke incassokosten en € 125,63 (?) BTW over deze kosten, en met verdere rente en proceskosten.

Verweer in conventie en eis in reconventie

[gedaagde] voert verweer, waarop de kantonrechter hierna zoveel nodig zal ingaan en vordert in reconventie primair dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat de overeenkomst vernietigd is, althans die zal vernietigen, met terugbetaling van het onverschuldigd betaalde, subsidiair ontbinding of ontbondenverklaring van de overeenkomst met schadevergoeding; meer subsidiair een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde], met schadevergoeding; alsmede veroordeling van Dexia om op straffe van een dwangsom enige registratie bij het BKR te Tiel ongedaan te maken; en met kostenveroordeling.

Beoordeling

in conventie:

De kantonrechter heeft er begrip voor dat de advocaat van [gedaagde] ter beperking van de kosten per cliënt een min of meer gestandaardiseerd verweer voert in aandelenleasezaken, waarvan hij er blijkbaar meer behandelt, maar dat heeft in dit geval helaas wel tot gevolg dat een groot deel van het verweer is gewijd aan de problematiek die zich voordoet bij de WinstVerDriedubbelaar, het meest verkochte aandelenleaseproduct, en daarop gelijkende contracten (de naam WinstVerDriedubbelaar valt b.v. in alinea 46 van de dupliek), maar die in het geheel niet relevant is voor een overeenkomst als de onderhavige, waarbij de afnemer een vast bedrag per maand betaalt gedurende 15 jaar en, mits zij/hij die verplichting nakomt, nooit met enige restschuld kan achterblijven, hooguit met een aantal waardeloze aandelen. De betogen over het ontbreken van een buffervermogen, het risico van een restschuld van theoretisch maximaal NLG 12.621,44 aan het einde van de overeenkomst, de beweerde complexiteit van het product en het citaat van de kantonrechter te Zaandam (cvd al. 45) en over huurkoop zullen dan ook als irrelevant voor deze zaak onbesproken moeten blijven.

Het (wel relevante) verweer van de verste strekking is dat de overeenkomst nietig, althans vernietigbaar is wegens strijd met de wet op het Consumentenkrediet (Wck). Voorzover dit verweer niet reeds faalt omdat [gedaagde] meer dan 3 jaar heeft laten verstrijken nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen haar ten dienste was komen te staan, wordt het verworpen omdat de kantonrechter in het voetspoor van de rechtbank te Utrecht (LJN AT8955), 6 juli 2005, van oordeel is dat de onderhavige overeenkomst buiten de werkingssfeer van de Wck valt.

Het verweer dat Dexia (althans haar rechtsvoorganger of de tussenpersoon van Spaar Select) in haar zorgplicht is tekortgeschoten, en [gedaagde] had moeten behoeden voor het aangaan van deze overeenkomst, faalt evenzeer. Anders dan het in genoemd Utrechts vonnis beoordeelde, complexe “Sprintplan” gaat het hier om een recht-toe-recht-aan huurkoopovereenkomst waarbij [gedaagde] een aantal helder omschreven aandelen ontvangt tegen betaling van € 66,91 per maand gedurende 15 jaar.

Het was wellicht fraaier geweest indien Dexia in haar brochure naast de rekenvoorbeelden bij theoretische rendementen op het aandelenpakket ook een tabel had opgenomen van het resultaat van 15 jaar lang risicovrij sparen van hetzelfde maandbedrag op een spaarrekening, en had vermeld dat langjarige gemiddelde rendementen op aandelen aanzienlijk lager liggen (rond de 8%) dan die in de afgelopen 5 jaar voorafgaand aan 2001, zodat het bij een effectieve rente van 12,1% per jaar al erg moeilijk is om met deze overeenkomst iets te verdienen, maar dat is allemaal irrelevant omdat [gedaagde] ontkent de brochure ontvangen of gelezen te hebben. Bovendien acht de kantonrechter Dexia niet tot verstrekking van die aanvullende, objectieve informatie gehouden, zomin als men van de fabrikant van exclusieve automobielen verwacht dat hij in zijn wervingsmateriaal benadrukt dat er ook uitstekende auto’s met 4 wielen en een stuur te koop zijn voor een kwart van de prijs, die ook nog veel zuiniger zijn in het gebruik.

Omtrent de mededelingen van de tussenpersoon [betrokkene], is [gedaagde] uiterst vaag: de overeenkomst zou perfect passen om in haar situatie haar studieschuld af te lossen. We zullen pas in 2016 weten of die prognose juist was, maar het is zeker niet uitgesloten dat de opbrengst van de aandelen tegen die tijd voldoende zou zijn geweest om die studieschuld te betalen, temeer omdat [gedaagde] niet stelt hoeveel die schuld beloopt. Daarom kan in het midden blijven of die uitlatingen van [betrokkene] aan Dexia toegerekend kunnen worden.

Het enige wat vóór het sluiten van de overeenkomst te beoordelen restte is daarom de vraag of [gedaagde] redelijkerwijs kon verwachten dat zij gedurende de volgende 180 maanden € 66,91 zou kunnen missen. Terecht stelt Dexia dat [gedaagde] toch vooral zelf in de positie was dat te kunnen beoordelen. Naar haar eigen zeggen en blijkens de feitelijke gang van zaken nadien heeft [gedaagde] haar eigen draagkracht overschat. Daarin ligt de kern van het probleem. Niet zonder goede reden maakt de kantonrechter te Zaandam in het door [gedaagde] aangehaalde vonnis van 7 oktober 2004 (cvd, 45) een scherp onderscheid tussen de rentetermijnen en het koersverlies: “…Het gaat er immers niet om dat gedaagde die renteverplichting niet kon dragen, maar om het gegeven dat het risico [lees] van koersverlies voor haar te groot was”. In het geval van [gedaagde] gaat het nu juist wel om de renteverplichting. Haar eventuele koerswinst of –verlies uit de overeenkomst zou pas in 2016 aan het einde van de looptijd definitief kunnen worden vastgesteld.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat zij de extreme pech heeft gehad dat zij de aandelen op het historische hoogtepunt van een zwaar overspannen markt heeft gekocht, maar dat is toch vooral wijsheid achteraf. Destijds was het geloof wijd verbreid dat de reeds jaren aanhoudende sterke stijgingen nog wel jaren konden voortgaan. Koersdalingen als die van Ahold (van € 35,50 naar ongeveer € 3,-) vielen buiten het bevattingsvermogen van de meeste beursingewijden en particuliere beleggers (en kennelijk ook buiten dat van Dexia, anders was zij niet doorgegaan met de verkoop van aandelenleasecontracten). Het gaat echter in zijn algemeenheid te ver om te stellen dat het aanbieden van aandelen in april 2001 onfatsoenlijk, laat staan onrechtmatig was omdat de stijgingen nooit zo door konden gaan en er een scherpe reactie moest volgen; de sceptici die dat (soms al jaren) beweerden hadden immers jaar in jaar uit ongelijk gekregen.

In het licht van het door [gedaagde] genoemde minimuminkomen begrijpt de kantonrechter niet goed waarom [gedaagde] niet is ingegaan op het aanbod van Dexia om te onderzoeken of [gedaagde] voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, de z.g. coulanceregeling of hardheidsclausule, in aanmerking komt, dan wel een gedeeltelijke kwijtschelding in het kader van de Duisenbergregeling.

Wat daarvan zij, de wijze van afrekening door Dexia acht de kantonrechter in elk geval thans, in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen waaronder de Duisenbergregeling, in strijd met de billijkheid, met name het element van de kapitalisatie van de termijnen tegen een rekenrente van 5% terwijl de overeengekomen effectieve rente 12,1% bedroeg. Ervan uitgaande dat de maandtermijnen gedurende de eerste 2 van de 15 overeengekomen jaren slechts een zeer geringe aflossingscomponent bevatten (afgerond € 200) bedraagt het reële verlies (dus afgezien van gederfde winst) circa € 2.400,00. Dit bedrag zal de kantonrechter daarom toewijzen.

Dexia heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt van pogingen om buiten rechte tot een oplossing te geraken. Deze kosten zijn op grond van art. 6:96 BW voor toewijzing vatbaar, zij het gematigd overeenkomstig de gebruikelijke tarieven tot € 483,14 inclusief BTW (in de BTW-berekening van Dexia in de dagvaarding komt een kennelijke verschrijving voor). De kantonrechter gaat er van uit dat Dexia overeenkomstig haar vaste beleid met [gedaagde] in overleg zal treden over de mogelijkheden van een betalingsregeling.

In reconventie:

Het in conventie overwogene brengt mee dat de vorderingen van [gedaagde] in al haar onderdelen falen.

In conventie en reconventie:

[gedaagde] moet als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dragen.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te betalen € 2.883,14, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 6 oktober 2004 tot aan de dag der algehele vol¬doening;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op deze uit¬spraak aan de zijde van Dexia begroot op € 713,35 waaronder begrepen € 450,-- voor gemachtig¬densalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op deze uit¬spraak aan de zijde van Dexia begroot op € 225,-- voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.T. van Leeuwen en uitge¬sproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2005.