Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6179

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
237886
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie - wijzigingsverzoek - tegen de beschikking, waarvan de man thans wijziging verzoekt, heeft de man ook hoger beroep ingesteld - geen ongeoorloofde doorkruising van de hoger beroepsprocedure - verzoek om de kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer A. : 05-1003

zaaknummer : 237886

datum beschikking : 11 oktober 2005

BESCHIKKING op het op 18 februari 2005 ingekomen verzoek van:

[de man],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

de man,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

advocaat: mr. J. van Wijk te Eindhoven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

de vrouw,

procureur: mr. M.A. Meijer.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift (met producties);

- het verweerschrift.

Op 6 september 2005 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, vergezeld van zijn advocaat mr. Van Wijk en de vrouw, vergezeld van haar procureur mr. Meijer.

Na de terechtzitting is het volgende stuk ontvangen:

- de brief d.d. 7 september 2005 van de zijde van de man, betreffende de schriftelijke vastlegging van de ter terechtzitting gedane mondelinge wijziging van het verzoek.

BEOORDELING

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 25 september 2003 is bij wege van voorlopige voorziening de door de man voorlopig te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], bepaald op € 200,-- per maand.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 september 2004 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is -voorzover hier van belang- onder meer bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen een bedrag van € 200,-- per maand. Deze bepaling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Deze beschikking is volgens de vrouw ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 17 februari 2005. De man heeft dit niet weersproken.

Het verzoek om de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige in die zin te wijzigen, dat deze met ingang van 18 februari 2005 wordt bepaald op nihil, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, was aanvankelijk slechts gericht tegen de vaststelling van die bijdrage bij de beschikking van 25 september 2003.

wijziging van het verzoek

De man heeft zijn verzoek ter terechtzitting mondeling gewijzigd en deze wijziging vervolgens schriftelijk bevestigd bij brief van 7 september 2005. Het verzoek om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 18 februari 2005 te bepalen op nihil richt zich thans -indien komt vast te staan dat de beschikking van 25 september 2003 haar kracht heeft verloren- tevens tegen de beschikking van 6 september 2004.

De vrouw heeft tegen de wijziging van het verzoek bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft dit bezwaar verworpen, aangezien de rechtbank de wijziging van het verzoek niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de vrouw niet op onredelijke wijze in haar verdediging is bemoeilijkt. De wijziging van het verzoek lag immers, gelet op de inhoud van het verweerschrift, voor de hand. De vrouw heeft dan ook in haar verweerschrift niet alleen betoogd dat de man in zijn (aanvankelijke) verzoek tot wijziging van de beschikking van 25 september 2003 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, maar tevens, voor het geval dat het verzoek van de man wél ontvankelijk zou zijn, inhoudelijk verweer gevoerd. Dit verweer heeft zij ter terechtzitting aangevuld, ook voor wat betreft de door de man verzochte wijziging van de beschikking van 6 september 2004.

ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de beschikking van 25 september 2003

De man stelt als grond voor het verzoek tot wijziging van de bij beschikking van 25 september 2003 bepaalde bijdrage dat de omstandigheden zijn gewijzigd, waardoor die beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank bij het nemen van die beschikking ervan is uitgegaan dat hij een netto maandinkomen genoot van € 1.200,--. In augustus 2002 heeft de man echter letsel opgelopen als gevolg van een auto-ongeluk. De man heeft pas in november 2003 een brief van het uitkeringsorgaan UWV ontvangen met de mededeling dat hem vanaf 19 augustus 2003 een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Thans bedraagt zijn WAO-uitkering bruto € 1.002,68 per maand, netto € 780,19.

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat nu de echtscheidingsbeschikking op 17 februari 2005 is ingeschreven, de beschikking van 25 september 2003 houdende voorlopige voorzieningen op 18 februari 2005 (de datum met ingang waarvan de man verzoekt deze beschikking te wijzigen) reeds haar werking heeft verloren. De man heeft derhalve geen belang bij wijziging daarvan.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vrouw heeft terecht aangevoerd dat de beschikking van 25 september 2003 op 18 februari 2005 zijn werking reeds had verloren. Het verzoek van de man tot wijziging van deze beschikking met ingang van 18 februari 2005 zal worden afgewezen, nu hij daarbij geen belang heeft.

ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de beschikking van 6 september 2004

Als grond voor het verzoek tot wijziging van de bij beschikking van 6 september 2004 vastgestelde bijdrage stelt de man dat die beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onjuiste gegevens is uitgegaan. Hiertoe voert de man aan dat hij noch zijn toenmalige advocaat op de terechtzitting van 23 augustus 2004 aanwezig zijn geweest. De rechtbank is kennelijk bij het nemen van de beschikking van 6 september 2004 ten onrechte ervan uitgegaan dat zijn netto maandinkomen nog steeds € 1.200,-- bedroeg. De man stelt dat hij geen andere inkomsten heeft dan zijn WAO-uitkering.

De vrouw voert aan dat met het verzoek tot wijziging van de beschikking van 6 september 2004 de inmiddels door de man geëntameerde hoger beroepsprocedure tegen die beschikking op ongeoorloofde wijze wordt doorkruist.

De vrouw betwist verder dat de rechtbank bij het nemen van de beschikking van 6 september 2004 van onjuiste gegevens is uitgegaan. Zij voert aan dat de advocaat van de man tijdens de terechtzitting van 18 september 2003 in het kader van de voorlopige voorzieningen uitdrukkelijk heeft toegezegd dat de man de bijdrage voor de verzorging in opvoeding van de minderjarige zou betalen. De man heeft in het verleden regelmatig naast zijn uitkering gewerkt. De vrouw acht daarom niet uitgesloten dat de man naast zijn uitkering nog andere inkomsten geniet. De vrouw voert in dit verband aan dat zij een PI-coachingbedrijf heeft gehad en dat op een gegeven moment de man zich in een website op internet als PI-consultant is gaan presenteren onder de naam [naam]. Die website stond in februari 2005 nog op internet, maar is later daarvan verwijderd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank is, wat het verzoek tot wijziging van de beschikking van 6 september 2004 betreft, van oordeel dat geen sprake is van een ongeoorloofde doorkruising van de daartegen aanhangige hoger beroepsprocedure. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15 november 1996, NJ 1997, 450, m.nt. JdB; HR 28 mei 2004, NJ 2004, 475, m.nt. SW) brengt de strekking van artikel 1:401 BW mee dat de omstandigheid dat geen hoger beroep is ingesteld om de beschikking, waarbij van onjuiste gegevens is uitgegaan, te doen herstellen, niet in de weg staat aan wijziging van de bijdrage op de voet van deze bepaling. De rechtbank is van oordeel dat zulks eveneens heeft te gelden wanneer, zoals in het onderhavige geval, wél hoger beroep is ingesteld, doch daarop nog niet is beslist. Daarbij komt dat de vrouw heeft betoogd dat zij verwacht dat de man wegens overschrijding van de beroepstermijn in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ter terechtzitting heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of de man naast zijn WAO-uitkering van netto € 780,19 per maand (andere) inkomsten geniet. De man heeft verklaard dat hij geen andere inkomsten heeft. De vrouw heeft in dit verband slechts verklaard dat de man zich tot in februari 2005 op een website op internet als PI-consultant heeft gepresenteerd. Veronderstellenderwijs aannemend dat de man zich inderdaad tot in februari 2005 op internet heeft gepresenteerd als PI-consultant, dan volgt daaruit nog niet dat de man daadwerkelijk op dit gebied werkzaam is geweest en daaruit bovendien inkomsten heeft genoten. Nu de vrouw van haar stelling, dat de man vermoedelijk naast zijn WAO-uitkering (andere) inkomsten geniet, ook overigens geen bewijs heeft aangeboden, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat ervan dient te worden uitgegaan dat de man naast zijn WAO-uitkering geen (andere) inkomsten geniet.

Aangezien bij het nemen van de beschikking van 25 september 2003 ervan is uitgegaan dat de man een netto maandinkomen had van € 1.200,--, acht de rechtbank aannemelijk dat de rechtbank bij het nemen van de beschikking van 6 september 2004 in de echtscheidingsprocedure, alwaar de man niet was verschenen, impliciet van datzelfde gegeven is uitgegaan, terwijl inmiddels aan de man een WAO-uitkering was toegekend, welke thans € 780,19 per maand bedraagt.

De rechtbank is van oordeel dat de man gelet op de hoogte van zijn uitkering (die minder bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm) over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het verzoek om die bedrage met ingang van 18 februari 2005 te bepalen op nihil zal daarom worden toegewezen.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING, met wijziging in zoverre van voormelde beschikking van 6 september 2004:

De rechtbank:

bepaalt de door de man met ingang van 18 februari 2005 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], op nihil;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, bijgestaan door mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2005.